ECLI:NL:RBOVE:2026:6617

ECLI:NL:RBOVE:2026:6617

Instantie Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak 29-09-2026
Datum publicatie 03-11-2026
Zaaknummer ZWO 26/312
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Almelo

Samenvatting

In deze tussenuitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van een werkgever tegen de afwijzing van de aanvraag voor compensatie van betaalde transitievergoeding (CRTV). Het UWV heeft de aanvraag afgewezen omdat er geen sprake was van een ziekteperiode van tenminste twee jaren. De werkgever stelt zich te hebben vergist in de datum waarop de ziekteperiode tenminste twee jaren zou hebben geduurd. Volgens het buitenwettelijke begunstigende beleid van het UWV bij de compensatie van transitievergoedingen komt de werkgever in dit geval niet voor compensatie in aanmerking. Volgens de rechtbank is sprake van dwaling, die in de civielrechtelijke rechtsverhouding tussen werknemer en (de erfgenamen van de) werknemer nog hersteld kan worden. De rechtbank ziet daarom reden om het onderzoek te heropenen teneinde de werkgever in de gelegenheid te stellen om de dwaling te herstellen als hiervoor onder 5.11 overwogen en om daarop betrekking hebbende bewijsstukken (met name van verzending en/of ontvangst van [wils-]verklaringen) vervolgens in het geding te brengen. De rechtbank ziet geen reden om aan te nemen dat het UWV door deze gang van zaken onevenredig wordt benadeeld. Zij zal vervolgens in de gelegenheid worden gesteld om op de overgelegde stukken te reageren.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Almelo

Bestuursrecht

zaaknummer: ZWO 26/312

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

Kemex B.V., uit Almelo, (Kemex)

(gemachtigde: mr. P.S. Fluit),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, het UWV

(gemachtigde: mr. M.S. Winkel

Samenvatting

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van een werkgever tegen de afwijzing van de aanvraag voor compensatie van betaalde transitievergoeding. Het UWV heeft de aanvraag afgewezen omdat er geen sprake was van een ziekteperiode van tenminste twee jaren. De werkgever stelt zich te hebben vergist in de datum waarop de ziekteperiode tenminste twee jaren zou hebben geduurd. Volgens het buitenwettelijke begunstigende beleid van het UWV bij de compensatie van transitievergoedingen komt de werkgever in dit geval niet voor compensatie in aanmerking. Volgens de rechtbank is sprake van dwaling, die in de civielrechtelijke rechtsverhouding tussen werknemer en (de erfgenamen van de) werknemer nog hersteld kan worden.

2. Procesverloop

Bij formulier van 23 september 2025 heeft Kemex compensatie aangevraagd voor de transitievergoeding met betrekking tot ex-werknemer [naam 1] (de werknemer).

Bij besluit van 15 oktober 2025 heeft het UWV de aanvraag afgewezen, omdat de arbeidsovereenkomst van de werknemer is beëindigd of niet verlengd, terwijl het opzegverbod wegens ziekte nog geldig was.

Kemex heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Bij bestreden besluit van 9 december 2025 heeft het UWV dit bezwaar ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd.

Kemex heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 12 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens Kemex: [naam 2] en [naam 3] en de gemachtigde, alsmede de gemachtigde van het UWV.

3. Wat aan de besluitvorming vooraf ging

De werknemer was vanaf 1 december 1999 bij Kemex in dienst. Op 20 juli 2023 is hij uitgevallen voor zijn werkzaamheden als gevolg van ziekte. Hij is beter gemeld met ingang van 27 juli 2023. Op 19 augustus 2023 is hij opnieuw ziek uitgevallen. Hij heeft nadien zijn werkzaamheden niet meer hervat.

Het UWV heeft bij besluit van 18 juni 2025 aan de werknemer een IVA-uitkering toegekend vanaf 9 augustus 2025.Aan de ingangsdatum van de IVA-uitkering heeft het UWV onder meer het volgende ten grondslag gelegd:“Uw uitkering begint op 9 augustus 2025. Uw eerste ziektedag was 20 juli 2023. Normaal

krijgt u uw uitkering 104 weken na uw eerste ziektedag, maar u krijgt uw uitkering later. Dit

komt doordat er een of meer periodes zijn geweest (korter dan 4 weken) waarin u niet

arbeidsongeschikt was. Deze periodes tellen wij niet mee voor het berekenen van de 104

weken.”

Het UWV heeft op 18 juni 2025 een kopie van deze beslissing aan Kemex gestuurd.

Kemex en de werknemer hebben een vaststellingsovereenkomst gesloten op 18 augustus 2025. Hierin is onder meer opgenomen dat de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd met ingang van 19 juli 2025. Zij zijn een transitievergoeding overeengekomen van € 28.233,11. Kemex heeft deze transitievergoeding op 22 augustus 2025 aan de werknemer betaald.

In deze vaststellingsovereenkomst is onder meer het volgende opgenomen:

In aanmerking nemende dat:

(…)

- werkgever de arbeidsovereenkomst wil beëindigen omdat werknemer langer dan

twee jaar ziek is en daardoor niet heeft kunnen werken. De periode van

loondoorbetaling bij ziekte (104 weken ) is verstreken en het is werkgever niet gelukt

om werknemer te reïntegreren in de eigen functie of ander passend werk binnen de

onderneming van werkgever te realiseren;

- werknemer in eerste instantie heeft aangegeven in dienst te willen blijven, waarover

partijen meerdere keren hebben overlegd. Het resultaat van het overleg is dat zowel

werknemer als werkgever geen mogelijkheden zien om de arbeidsovereenkomst

voort te zetten;

- Beide partijen hebben afgesproken de arbeidsovereenkomst te beëindigen en de

afspraken daarover vast te leggen in deze beëindigingsovereenkomst.

Partijen verklaren te zijn overeengekomen als volgt:

Artikel 1: Beëindiging De arbeidsovereenkomst eindigt met wederzijds goedvinden op 19 juli 2025. De

opzegtermijn is verdisconteerd in de beëindigingsvergoeding.

Werkgever betaalt werknemer een beëindigingsvergoeding van € 28.233,11 bruto.

Werkgever maakt het netto-equivalent van dit bedrag uiterlijk 31 augustus 2025 over op

rekening [rekeningnummer].

Werknemer betaalt het volledige loon door tot aan het einde van de arbeidsovereenkomst.

(…)

Kemex heeft op 23 september 2025 bij het UWV een aanvraag gedaan voor compensatie van de transitievergoeding bij langdurige arbeidsongeschiktheid.

Hierna heeft besluitvorming plaatsgevonden zoals weergegeven onder het kopjes “procesverloop”.

4. Standpunten van partijen

UWV

UWV heeft de aanvraag voor compensatie van de transitievergoeding afgewezen, omdat Kemex niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 673e van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: art. 7:673e BW), doordat de periode van het opzegverbod in art. 7:670, lid 1, onderdeel a, en lid 11 BW nog niet was verstreken toen de arbeidsovereenkomst werd beëindigd. Er is namelijk sprake van een samengestelde ziekteperiode, doordat werknemer zich aanvankelijk op 20 juli 2023 ziek heeft gemeld, zich op 27 juli 2023 beter heeft gemeld, en zich vervolgens op 19 augustus 2023 weer heeft ziekgemeld. Daardoor verschuift de datum van het opzegverbod. De einddatum van de loondoorbetalingsverplichting is daardoor 8 augustus 2025 geworden.

Kemex was hiervan op de hoogte door ontvangst van een kopie van het besluit van 18 juni 2025, waarin het UWV aan de werknemer vanaf 9 augustus 2025 een WIA-uitkering heeft toegekend. Het is dan ook niet aan het UWV te wijten dat er bij de werkgever onduidelijkheid is ontstaan over het einde van de periode van het opzegverbod tijdens ziekte van twee jaar dan wel het einde van de wachttijd van 104 weken. Dat Kemex deze informatie niet heeft betrokken bij de beëindiging van het dienstverband en bij het toekennen van een transitievergoeding, komt voor rekening en risico van Kemex.

In de rechtspraak heeft de Centrale Raad van Beroep inmiddels meer dan eens uitgemaakt dat bij beëindiging van een dienstverband voor afloop van het opzegverbod tijdens ziekte, geen recht bestaat op compensatie. Het UWV verwijst daarvoor naar vaste rechtspraak.

Vanwege het verschil tussen de periode van de loondoorbetalingsverplichting in artikel 7:629, lid 1, BW (104 weken) en de periode van het opzegverbod in artikel 7:670, lid onder a, BW (twee jaren) maakt het UWV in het algemeen wel een uitzondering voor situaties waarin het dienstverband is beëindigd op of kort na de laatste dag van de loondoorbetalingsplicht. Die situatie doet zich in dit geval niet voor.

Het UWV heeft hier dwingendrechtelijke regelgeving toegepast en ziet geen grond om de besluitvorming in dit geval onevenredig te achten. Er zijn geen bijzondere omstandigheden aangevoerd, die het besluit voor Kemex onevenredig nadelig maken.Kemex

Kemex stelt dat zij voldoet aan de voorwaarden voor compensatie. De periode van twee jaar arbeidsongeschiktheid zoals bedoeld in artikel 7:673e, lid 1, BW is verstreken. Art. 7:673e BW verwijst alleen naar de periode zoals bedoeld in artikel 7:670, lid 1, onder a, BW. Daarin wordt een periode van 2 jaar genoemd. De bepaling met betrekking tot de samentellingsregeling moet buiten beschouwing worden gelaten.

Het is bedoeling van de wetgever geweest dat er compensatie wordt verstrekt aan een werkgever die na twee jaar arbeidsongeschiktheid het dienstverband beëindigt wegens langdurig arbeidsongeschiktheid. Aan deze voorwaarde is voldaan en om die reden had het UWV de geboden compensatie moeten verstrekken. Kemex volgt het UWV niet in haar verwijzing naar de jurisprudentie in relatie tot compensatie van de transitievergoeding in situaties met een verkorte wachttijd IVA. Duidelijk mag zijn dat die zaken anders zijn dan de huidige zaak, omdat in dit geval de werkgever wel degelijk twee jaar arbeidsongeschiktheid heeft afgewacht.

Subsidiair, voor het geval dat het UWV bij de toepassing van de samentellingsregeling wordt gevolgd en dit leidt tot een verlenging van de periode van het opzegverbod, doet Kemex een beroep op een memo van het UWV, waarin beleid staat omschreven met betrekking de compensatieregeling transitievergoeding bij langdurige arbeidsongeschiktheid (CRTV LAO). Kemex voert aan dat het UWV – in situaties als in deze zaak, waarin de arbeidsovereenkomst is beëindigd voor het bereiken van de 104-wekenperiode – toch de transitievergoeding compenseert als de werkgever in de bezwaar-fase een addendum overlegt, waaruit blijkt dat partijen alsnog hebben afgesproken dat de arbeidsovereenkomst op de laatste dag van/na de 104-wekenperiode eindigt vanwege ziekte. Kemex kan in dit geval dat addendum echter niet overleggen, omdat de werknemer inmiddels is overleden. Anders dan het UWV wil, mag deze omstandigheid niet voor rekening van Kemex komen.

Kemex is bovendien van mening dat het UWV de wet niet correct toepast, omdat de betaalde transitievergoeding voor compensatie in aanmerking moet komen, als duidelijk is dat partijen – zoals in deze zaak – de bedoeling hebben gehad om te beëindigen na 2 jaar arbeidsongeschiktheid wegens langdurige arbeidsongeschiktheid. De afwijzing van de compensatieaanvraag is in dit geval onevenredig en onjuist in het licht van de wet en de wetsgeschiedenis en in het licht van de eerder genoemde memo CRTV LAO.

5. Beoordeling door de rechtbank

Kemex heeft tijdens de mondelinge behandeling de beroepsgrond met betrekking tot de toepassing van de samentellingsregeling ingetrokken. De rechtbank behoeft hier daarom verder geen overwegingen meer aan wijden. De rechtbank zal het besluit van het UWV beoordelen aan de hand van de overige beroepsgronden.

Als een arbeidsovereenkomst door of vanwege de werkgever wordt beëindigd, heeft de werknemer in beginsel recht op een zogenoemde transitievergoeding. Deze vergoeding is bedoeld als compensatie voor het ontslag én om de overgang naar ander betaald werk te vergemakkelijken. Het recht op een transitievergoeding is verankerd in artikel 7:673 BW. Door het in werking treden van de Wet werk en zekerheid op 1 juli 2015 heeft ook de werknemer wiens arbeidsovereenkomst na ommekomst van twee jaar arbeidsongeschiktheid wordt beëindigd (of maximaal drie jaar indien sprake is geweest van een verlengde loondoorbetalingsverplichting), recht op een transitievergoeding op grond van artikel 7:673 van het BW. Dat de werkgever na twee (of drie) jaar loondoorbetaling wegens ziekte ook nog de kosten van de transitievergoeding moet dragen, is door de wetgever onwenselijk geacht. Met de ‘Wet houdende maatregelen met betrekking tot de transitievergoeding bij ontslag wegens bedrijfseconomische omstandigheden of langdurige arbeidsongeschiktheid’ (Stb. 2018, 234) van 11 juli 2018 is daarom artikel 673e aan Boek 7 van het BW toegevoegd.

In artikel 7:673e lid 1 BW zijn de voorwaarden voor dat recht op compensatie opgenomen. Uit deze bepaling volgt dat één van de voorwaarden voor het recht op compensatie is dat de arbeidsovereenkomst moet zijn beëindigd na afloop van het opzegverbod van twee jaar.

Op 18 augustus 2025 hebben Kemex en haar werknemer een vaststellingsovereenkomst gesloten. In de considerans van de vaststellingsovereenkomst staat te lezen, dat de werknemer langer dan twee jaar ziek was en dat periode van loondoorbetaling bij ziekte (104 weken ) was verstreken. Die informatie was ten tijde van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst op zich juist. Maar zij hebben de arbeidsovereenkomst met terugwerkende kracht beëindigd per 19 juli 2025, toen er nog geen sprake was van een ziekteperiode van tenminste twee jaar, noch van een verstreken periode van loondoorbetaling bij ziekte van 104 weken. Kemex heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat zij bij het bepalen van de datum van 19 juli 2025 als beëindigingsdatum over het hoofd heeft gezien, dat de werknemer in de periode van 27 juli 2023 tot 19 augustus 2023 hersteld was gemeld en dat het opzegverbod als gevolg van de samentellingsregeling werd verlengd.

Gelet op de inhoud van de considerans van de vaststellingsovereenkomst en gelet op de datum van de eerste ziekmelding in combinatie met de beëindigingsdatum van de arbeidsovereenkomst acht de rechtbank het aannemelijk dat hier een vergissing in het spel is, en dat Kemex er abusievelijk van uitging dat zij op 19 juli 2023 voldeed aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor compensatie van de transitievergoeding, als bedoeld in artikel 7:673e BW. Dat neemt niet weg, dat Kemex en haar werknemer in de vaststellingsovereenkomst op zich duidelijk zijn overeengekomen dat de arbeidsovereenkomst per 19 juli 2025 wordt beëindigd. Die bepaling behoeft geen nadere uitleg. Maar wat de (rechts-)gevolgen moeten zijn van de gemaakte vergissing, daarop komt de rechtbank in het navolgende nog terug.

In de meergenoemde memo CRTV LAO heeft het UWV beleid opgesteld, waarin (onder meer) een uitzondering wordt gemaakt op de dwingendrechtelijke voorwaarde in artikel 7:673e, eerste lid, BW, dat de arbeidsovereenkomst moet zijn beëindigd nadat de periode van het opzegverbod van tenminste twee jaren wegens ziekte is verstreken. Daarover staat in de memo het volgende vermeld:“(…) In de praktijk bleek dat verschillende werkgevers de arbeidsovereenkomst met de werknemer met wederzijds goedvinden beëindigden op de laatste dag van/na het einde van de loondoorbetalingsverplichting, in plaats van na afloop van het opzegverbod. In het Landelijk Bericht van 21 oktober 2020 (2020-OSW-082) is bepaald dat ook recht op compensatie bestaat als de arbeidsovereenkomst eindigt op de laatste dag van/na de laatste dag van de loondoorbetalingsverplichting.”

Maar op die uitzondering bestaat dan weer een voor deze zaak relevante uitzondering, namelijk:

“De uitzondering dat we ook compenseren als de werkgever de arbeidsovereenkomst op de laatste dag van/na de 104-weken loondoorbetalingsplicht eindigt, geldt niet als er sprake is van een verlengd opzegverbod ex artikel 7:670 lid 11 BW. In die situatie blijft gelden dat de arbeidsovereenkomst niet eerder dan na het einde van het verlengde opzegverbod moet zijn beëindigd.”

De conclusie moet dan zijn dat deze beleidsmatige uitzondering op de dwingendrechtelijke bepaling van artikel 7:673e, eerste lid, BW Kemex in deze zaak niet kan helpen.

In de memo CRTV LAO is nog een mogelijkheid opgenomen om voor compensatie in aanmerking te komen, ondanks dat de arbeidsovereenkomst voor het verstrijken van de periode van de loondoorbetalingsverplichting van 104 weken is beëindigd.

“Als de arbeidsovereenkomst is beëindigd voor het bereiken van de 104-wekenperiode, volgt in de regel een afwijzing van de compensatie. De werkgever kan echter in bezwaar een addendum overleggen, waaruit blijkt dat partijen alsnog hebben afgesproken dat de arbeidsovereenkomst op de laatste dag van/na de 104-wekenperiode eindigt vanwege ziekte. Een dergelijke afspraak valt onder de contractsvrijheid die werkgever en werknemer hebben. Dit brengt met zich mee dat wij in die situatie de transitievergoeding alsnog compenseren, mits aan alle voorwaarden is voldaan. Voor het addendum gelden de volgende voorwaarden:

1. er is een schriftelijk addendum overlegd,

2. waaruit blijkt dat werkgever en werknemer het eens zijn over de nieuwe eindigingsdatum, en

3. de eindiging plaatsvindt wegens ziekte.”

In de memo is ook beleidsmatig voorzien in de situatie, die zich in deze zaak voordoet, namelijk dat de werkgever geen addendum kan overleggen doordat de werknemer niet kan of wil meewerken, bijvoorbeeld doordat de werknemer inmiddels is overleden:

“Ook dan geldt de hoofdregel dat wij niet compenseren omdat er te vroeg is beëindigd. De gedachte bij het nemen van het beleidsbesluit - om een einde op de laatste dag van de 104-wekenperiode van artikel 7:629 BW te accepteren - was mede dat de kans dat partijen een addendum zouden overeenkomen daarmee ook minder zou zijn. Het kan echter voorkomen dat de werkgever een addendum wil overeenkomen maar dat feitelijk niet kan. Net zo min als dat UWV er iets aan kan doen dat partijen een addendum overleggen, kan UWV er ook niks aan doen als dit feitelijk niet meer kan.”

De rechtbank acht dit buitenwettelijke begunstigende beleid van het UWV, voor zover hiervoor weergegeven, op zich redelijk, niet onevenredig en in dit concrete geval op de juiste wijze toegepast. Dit beleid van het UWV biedt Kemex daarom geen houvast voor een andere beslissing op haar aanvraag voor compensatie van de betaalde transitievergoeding. De beroepsgronden slagen in zoverre dan ook niet.

Maar dat neemt niet weg dat de kern van beroep tegen de bestreden beslissing van het UWV gelegen is in de (aannemelijke) vergissing van Kemex en haar werknemer bij het opstellen van de vaststellingsovereenkomst en het bepalen van de datum van 19 juli 2025 als beëindigingsdatum van de arbeidsovereenkomst, in de veronderstelling dat toen sprake was van een ziekteperiode van tenminste twee jaar. Kemex vindt het onrechtvaardig dat het UWV haar op dit punt niet tegemoet wil komen met een beslissing die meer beantwoordt aan de bedoeling van de wetgever (zie hiervoor onder 5.2.) om een werkgever na twee (of drie) jaar loondoorbetaling wegens ziekte niet ook nog eens de kosten van de transitievergoeding te laten dragen. De rechtbank overweegt hierover als volgt.

Dat Kemex zich bij het opstellen van de vaststellingsovereenkomst heeft vergist, moet in de (civielrechtelijke) rechtsverhouding tussen Kemex en haar werknemer worden opgevat als dwaling, zoals bedoeld in art. 6:228 BW. Een overeenkomst, die onder invloed van dwaling is tot stand gekomen, is in beginsel vernietigbaar. Maar reparatie van een dergelijke vergissing moet in eerste instantie plaatsvinden in de rechtsverhouding tussen de partijen die de (vernietigbare) overeenkomst hebben gesloten. Dus tussen Kemex en haar werknemer. Kemex kan daar vooralsnog tegenover het UWV geen beroep op doen. Een beroep op vernietiging tegenover de werknemer is in dit geval wellicht problematisch, nu de werknemer inmiddels is overleden. Maar anders dan bij een addendum (waarbij het in feite gaat om een nieuwe wilsovereenstemming tussen de oorspronkelijke contractspartijen), kunnen de erfgenamen op grond van artikel 4:182 BW geacht worden de overleden werknemer in diens rechtspositie bij de vaststellingsovereenkomst onder algemene titel te zijn opgevolgd. En Kemex zou aan de erfgenamen daarom een voorstel tot wijziging van de gevolgen van de overeenkomst kunnen doen (art. 6:230, lid 1 BW), waarbij zij dan ook aanbiedt om een mogelijk nadeel van de dwaling voor de werknemer, bestaande uit het onbetaalde salaris over de periode van 19 juli 2025 tot 8 augustus 2025, op te heffen. Kortom: wijziging van de vaststellingsovereenkomst is op het eerste gezicht, anders dan Kemex en het UWV in deze procedure menen, nog niet onmogelijk geworden. Wel dienen er termijnen in acht te worden genomen voor het doen van een wijzigingsvoorstel aan de erfgenamen.

De rechtbank ziet daarom reden om het onderzoek te heropenen teneinde Kemex in de gelegenheid te stellen om de dwaling te herstellen als hiervoor onder 5.11 overwogen en om daarop betrekking hebbende bewijsstukken (met name van verzending en/of ontvangst van [wils-]verklaringen) vervolgens in het geding te brengen. De rechtbank ziet geen reden om aan te nemen dat het UWV door deze gang van zaken onevenredig wordt benadeeld. Zij zal vervolgens in de gelegenheid worden gesteld om op de overgelegde stukken te reageren.

Conclusie en gevolgen

6 De rechtbank heropent het onderzoek en houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep.

Beslissing

De rechtbank:

heropent het onderzoek;

draagt Kemex op om binnen twee weken aan de rechtbank mee te delen of zij gebruik maakt van de gelegenheid om de dwaling te herstellen als hiervoor onder 5.11 overwogen;

stelt Kemex in de gelegenheid om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak, met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak, nadere stukken aan de rechtbank toe te sturen;

bepaalt dat het UWV daarna een termijn van vier weken krijgt om op deze nadere stukken van Kemex te reageren;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Koster, rechter, in aanwezigheid van mr. E.G.M. ten Kate, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op

Griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Artikel 670, boek 7 van het BW luidt, voor zover van belang:

1. De werkgever kan niet opzeggen gedurende de tijd dat de werknemer ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte, tenzij de ongeschiktheid:

a. ten minste twee jaren heeft geduurd (…).

b. een aanvang heeft genomen nadat een verzoek om toestemming als bedoeld in artikel 671a door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of door de commissie, bedoeld in artikel 671a, lid 2, is ontvangen.

Indien de ongeschiktheid wegens ziekte een aanvang heeft genomen voor de datum waarop de werknemer de in onderdeel a bedoelde leeftijd heeft bereikt, geldt vanaf die datum de in dat onderdeel genoemde termijn van zes weken, voor zover het totale tijdvak gedurende welke de werkgever niet kan opzeggen niet meer bedraagt dan twee jaren.

Voor de berekening van de termijn, bedoeld in onderdeel a, worden perioden van ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid ten gevolge van zwangerschap voorafgaand aan het zwangerschapsverlof en perioden van ongeschiktheid tijdens het zwangerschaps- of bevallingsverlof, bedoeld in artikel 3:1, tweede en derde lid, van de Wet arbeid en zorg, niet in aanmerking genomen. Voorts worden perioden van ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid, anders dan bedoeld in de vorige zin, samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen, of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- of bevallingsverlof wordt genoten overeenkomstig artikel 3:1, tweede en derde lid, van de Wet arbeid en zorg, tenzij de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.

11. De termijn van twee jaren, bedoeld in lid 1, onderdeel a, wordt verlengd: (…)

Artikel 673, boek 7 van het BW luidt ten tijde en voor zover hier van belang:

1. De werkgever is aan de werknemer een transitievergoeding verschuldigd indien:

a. de arbeidsovereenkomst:

1° door de werkgever is opgezegd;

2° op verzoek van de werkgever is ontbonden; of

3° na een einde van rechtswege op initiatief van de werkgever niet aansluitend is voortgezet en voor het eindigen van de arbeidsovereenkomst geen opvolgende arbeidsovereenkomst is aangegaan, die tussentijds kan worden opgezegd en ingaat na een tussenpoos van ten hoogste zes maanden.

b. de arbeidsovereenkomst als gevolg van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever:

1°door de werknemer is opgezegd;

2°op verzoek van de werknemer is ontbonden; of

3°na een einde van rechtswege op initiatief van de werknemer niet aansluitend is voortgezet.

Artikel 673e, boek 7 BW luidt, voor zover van belang:

1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, verstrekt op verzoek van de werkgever die op grond van artikel 673 een transitievergoeding verschuldigd was, een vergoeding, indien de arbeidsovereenkomst:

a. na de periode, bedoeld in artikel 670, lid 1, onderdeel a, en lid 11:

1° is beëindigd omdat de werknemer wegens ziekte of gebreken niet meer in staat was de bedongen arbeid te verrichten; of

2° van rechtswege is geëindigd en de werknemer op het tijdstip waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, wegens ziekte of gebreken niet in staat was de bedongen arbeid te verrichten.

2. (…)

3. Lid 1 is van overeenkomstige toepassing, indien de werkgever op grond van artikel 673 een transitievergoeding verschuldigd zou zijn als de arbeidsovereenkomst, die bij overeenkomst is beëindigd, door opzegging of door ontbinding zou zijn beëindigd.

(…)

Artikel VI, tweede lid, van de Wet van 11 juli 2018, houdende maatregelen met betrekking tot de transitievergoeding bij ontslag wegens bedrijfseconomische omstandigheden of langdurige arbeidsongeschiktheid (Stb. 2018, 234) luidt:

Artikel 673e van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek is ook van toepassing, indien de arbeidsovereenkomst is beëindigd of niet is voortgezet op of na 1 juli 2015.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand