RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Familierecht en Jeugdrecht
Locatie: Almelo
Zaaknummers.: C/08/348466 / FA RK 26-1338 en 348474 FA RK 26-1340
Beroep tegen een crisismaatregel en verzoek schadevergoeding op grond van artikel 10:12 Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz)
Beschikking van 1 juli 2026 van de rechtbank Overijssel naar aanleiding van het beroep ex artikel 7:6 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) tegen een crisismaatregel en een verzoek schadevergoeding op grond van artikel 10:12 Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz), van:
[verzoeker],
geboren op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats] (Verenigde Arabische Emiraten),
wonende te [woonplaats],
hierna te noemen: verzoeker,
advocaat: mr. D.P. Poppe te Zwolle.
tegen
de burgemeester van de gemeente Almelo,
zijnde de heer R. Korteland,
gevestigd te Haven Zuidzijde 30 te Almelo,
hierna te noemen: de burgemeester,
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
de gemeente Almelo,
gevestigd te Haven Zuidzijde 30 te Almelo,
hierna te noemen: de gemeente.
1. Procesverloop
Bij verzoekschrift, ingekomen bij de griffie op 4 juni 2026, heeft verzoeker beroep ingesteld tegen de door de burgemeester van de gemeente Almelo op 16 mei 2026 jegens haar opgelegde crisismaatregel en tevens om een schadevergoeding verzocht.
Bij het beroepschrift en het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
de beschikking van de burgemeester inhoudende het opleggen van de crisismaatregel d.d. 16 mei 2026 en
het episode journaal d.d. 16 mei 2026.
Het verweerschrift namens de burgemeester van de gemeente Almelo is ingekomen bij de griffie op 18 juni 2026.
Bij het verweerschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
een afschrift van het beroepschrift en het verzoekschrift;
de beschikking van de burgemeester d.d. 16 mei 2026;
het episode journaal d.d. 16 mei 2026;
het verslag van het horen van betrokkene d.d. 16 mei 2026;
de medische verklaring d.d. 16 mei 2026 en
de reactie van de GGD Twente d.d. 17 juni 2026.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 1 juli 2026 bij de rechtbank Overijssel, locatie Almelo.
Bij deze gelegenheid zijn verschenen:
de advocaat van verzoeker;
namens de burgemeester van de gemeente Almelo:
advocaat mr. K. van der Hoeven neemt waar voor mr. M. Ichoh;
namens de zorgaanbieder:
[naam], verpleegkundig specialist.
2. Feiten
Bij beschikking van 16 mei 2026 16.19 uur heeft de burgemeester van de gemeente Almelo ten aanzien van verzoeker een crisismaatregel in de zin van artikel 7:1 Wvggz genomen met een geldigheidsduur tot en met 19 mei, 2026 16.19 uur.
Uit het verslag van het horen van betrokkene dat op 16 mei 2026 om 16:09 uur door de hoormedewerker van GGD Twente in het kader van het opleggen van de crisismaatregel is opgesteld, blijkt dat betrokkene niet is gehoord.
Bij beschikking van 19 mei 2026 heeft deze rechtbank op het verzoek van de officier van justitie van 18 mei 2026 een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel verleend tot en met 9 juni 2026.
Bij verzoekschrift d.d. 4 juni 2026 heeft verzoeker tegen de crisismaatregel beroep ingesteld en daarbij tevens om schadevergoeding verzocht.
3. Het verzoek
Beroep tegen de crisismaatregel en grond(en) van beroep
Verzoeker stelt dat de crisismaatregel van 16 mei 2026 ten onrechte aan hem is opgelegd.
Ter onderbouwing van zijn stelling heeft verzoeker, zakelijk weergeven, het volgende aangevoerd.
Uit het verslag van het horen blijkt dat verzoeker niet is gehoord omdat er geen tolk beschikbaar was.
De burgemeester van de gemeente Almelo heeft de hoorplicht ex artikel 7:1, derde lid, aanhef en onder b, Wvggz, geschonden. Uit het episodejournaal en het onderliggende hoorverslag blijkt dat verzoeker niet is gehoord omdat er geen tolk beschikbaar was. Uit het hoorverslag blijkt niet welke pogingen er zijn ondernomen om verzoeker te horen. Verzoeker spreekt naast zijn moedertaal ook redelijk Engels, maar uit de stukken blijkt niet van een gesprek met verzoeker. Ook blijkt uit de stukken niet welke pogingen er zijn ondernomen om betrokkene te kunnen horen. Er is niet voldaan aan de wettelijke hoorplicht.
Uit de overgelegde stukken is niet te herleiden welke inspanningen zijn verricht om het horen van verzoeker (op andere wijze) mogelijk te maken. Daarnaast blijkt niet uit de medische verklaring of uit andere stukken dat sprake was van een dermate ernstige crisissituatie dat na een periode van 10 minuten nadat het voor de burgemeester kenbaar is geworden dat het horen van verzoeker niet tot stand is gekomen, afgifte van een crisismaatregel per direct noodzakelijk was en niet langer kon worden getracht verzoeker alsnog in de gelegenheid te stellen te worden gehoord. Een verstrekkende maatregel als een crisismaatregel vraagt meer inspanning van de burgemeester om zich ervan te vergewissen dat het redelijkerwijs niet mogelijk is verzoeker te horen.
Verzoeker had er behoefte aan te worden gehoord om zijn standpunt naar voren te brengen en
is door dit verzuim in zijn belangen geschaad.
Op basis van bovenstaande is verzoeker van mening dat de crisismaatregel onrechtmatig door de burgemeester is afgegeven.
Verzoek schadevergoeding
Verzoeker is van mening dat er sprake is van een aanzienlijke schending van het recht.Hij is in zijn belangen geschaad doordat hij door middel van een crisismaatregel is opgenomen
zonder daarover te zijn gehoord, terwijl hij in de veronderstelling was in vrijheid te worden
gesteld.
Verzoeker is van mening dat op grond van het schenden van de hoorplicht, zoals hierboven uiteengezet is, de rechtbank aan verzoeker een schadevergoeding dient toe te kennen.
De rechtbank wordt verzocht op basis van artikel 10:12 Wvggz een naar billijkheid toe te kennen schadevergoeding op te leggen welke naar de mening van verzoeker dient te bestaan uit een bedrag van € 100,- per dag voor een periode van vier dagen.
4. Het verweer
De burgemeester verzoekt om het beroep ongegrond te verklaren.
Namens de burgemeester is gemotiveerd verweer gevoerd. De burgemeester stelt zich op het standpunt dat de crisismaatregel rechtmatig is genomen. Volgens hem was aan alle wettelijke vereisten van artikel 7:1, eerste lid, van de Wvggz voldaan om een crisismaatregel op te leggen. De medische verklaring beschrijft een ernstige, acute psychotische toestand van verzoeker met direct gevaar voor verzoeker en zijn omgeving.
Volgens de burgemeester is de hoorplicht niet geschonden. Gedurende een periode van meer dan 75 minuten zijn meerdere pogingen ondernomen om eiser te horen, hetgeen feitelijk onmogelijk bleek omdat er geen tolk beschikbaar was. Gelet op de acute situatie was het bovendien ook niet verantwoord om langer te wachten. De conclusie luidt in de kern dan ook dat het beroep ongegrond is en dat het schadevergoedingsverzoek dient te worden afgewezen.
Gelet op het onmiddellijk dreigend ernstig nadeel voor zowel verzoeker als derden, het ernstige vermoeden dat dit werd veroorzaakt door een ernstig acuut psychotisch toestandsbeeld en de noodzaak om het onmiddellijk dreigend ernstig nadeel af te wenden, is de burgemeester van mening dat het opleggen van verplichte zorg noodzakelijk was, ondanks de ingrijpende gevolgen daarvan voor verzoeker.
Nu de bepalingen van de Wvggz in acht zijn genomen, bestaat geen grond voor toekenning van schadevergoeding en dient het verzoek om schadevergoeding te worden toegewezen afgewezen.
5. De beoordeling
De ontvankelijkheid
Artikel 7:6 lid 1 Wvggz bepaalt dat de betrokkene beroep bij de rechter kan instellen tegen een crisismaatregel.
De beschikking waartegen het beroep zich richt is van 16 mei 2026. Het verzoekschrift is bij de rechtbank ingediend op 4 juni 2026, zodat verzoeker binnen de in artikel 7:6 lid 1 Wvggz genoemde termijn heeft in gediend en hij in zijn beroep ontvankelijk is.
Beroep tegen de crisismaatregel
Ingevolge artikel 7:1, derde lid, sub b, van de Wvggz neemt de burgemeester niet eerder een
crisismaatregel dan nadat hij betrokkene, zo mogelijk, in de gelegenheid heeft gesteld te worden
gehoord.
Het horen hoeft niet door de burgemeester zelf plaats te vinden, maar kan ook in opdracht van de burgemeester door een derde worden uitgevoerd.In dit geval is het horen op grond van een tussen de gemeente Almelo en GGD Twente gesloten samenwerkingsovereenkomst door een GGD-hoormedewerker uitgevoerd
Het psychiatrisch onderzoek vond plaats in het Engels. De psychiater heeft daarover, zakelijk weergegeven, het volgende verklaard.
Zij heeft betrokkene in het Engels gehoord. Tijdens de beoordeling ontstond bij haar niet de indruk dat sprake was van een zodanige taalbarrière dat beoordeling zonder tolk niet mogelijk zou zijn. Betrokkene communiceerde tijdens het gesprek in het Engels, sprak uitgebreid en in hoog tempo en was in staat informatie over zichzelf en zijn situatie over te brengen.
Tijdens het gesprek nam de onrust en agitatie van betrokkene toe, vanaf het moment dat het hem
duidelijk werd dat hij niet vrij was om te gaan. Het toelichten van de crisismaatregel aan betrokkene
verliep daardoor moeizaam. Naar haar oordeel hing dit primair samen met de psychische toestand van betrokkene op dat moment, waaronder onrust en agitatie, en niet met onvoldoende beheersing van de Engelse taal.
De rechtbank concludeert uit het feit dat betrokkene door de psychiater in het Engels is gehoord dat betrokkene de Nederlands taal kennelijk niet voldoende beheerste om in het Nederlands gehoord te kunnen worden.
5.3
In haar verweerschrift heeft de gemeente onder meer aangevoerd dat het niet kunnen horen van betrokkene verband hield met de psychische toestand van betrokkene en niet met een taalbarrière.
Met betrekking tot deze stelling overweegt de rechtbank dat uit de reactie van de onafhankelijk psychiater blijkt dat het, ten gevolge van onrust en agitatie bij betrokkene, moeizaam werd om met hem te communiceren op het moment dat het hem duidelijk werd dat hij niet vrij was om te gaan.
Hieruit kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden afgeleid dat het volstrekt onmogelijk was om met betrokkene te communiceren. De communicatie verliep op dat moment bovendien in het Engels, zodat zeker niet kan worden uitgesloten dat de communicatie beter zou zijn verlopen als een tolk in de taal van betrokkene zou zijn ingeschakeld.
Uit het tweede lid van artikel 1:8 van de Wvggz volgt dat betrokkene recht heeft op bijstand van een tolk indien hij de Nederlandse taal niet beheerst en voor zover de uitvoering van de verplichte zorg leidt tot vrijheidsbeneming. Als uitgangspunt geldt dat dit een beëdigde tolk moet zijn, maar in voorkomende gevallen kan ook met de bijstand van een persoon die geen beëdigd tolk is worden volstaan (ECLI:NL:HR:2024:520, r.o. 3.2).
Aangezien, zoals hiervoor is overwogen onder 5.2, betrokkene de Nederlandse taal niet voldoende beheerste om in die taal gehoord te kunnen worden, diende in dit geval een tolk te worden ingeschakeld.
Uit het episode journaal dat in het Khonraad-systeem is opgenomen, blijkt dat de hoormedewerker van de GGD de hoorprocedure op 16 mei 2026 om 16:09 uur is gestart en dat de crisismaatregel op die dag om 16:19 is genomen.
Uit het episode journaal blijkt verder dat de hoormedewerker van de GGD tot de conclusie is gekomen dat het niet mogelijk was om betrokkene te horen, omdat er geen tolk beschikbaar was.
In het kader van deze procedure heeft de hoormedewerker schriftelijk verklaard dat door een medewerker van Dimence is aangegeven dat er toen geen tolk beschikbaar was en dat dit toen voor hen niet realiseerbaar was.
5.7
De rechtbank vermoedt dat de hoormedewerker op grond van artikel 3.2 van de onder 5.1. genoemde samenwerkingsovereenkomst in de veronderstelling verkeerde dat het inschakelen van een tolk tot de verantwoordelijkheid van de psychiater behoort.
Ook de manager Algemene Gezondheidszorg GGD Twente heeft in haar reactie op het beroepschrift gesteld dat het initiatief tot het inschakelen van een tolk zou liggen bij de psychiater die betrokkene beoordeelt.
De rechtbank kan deze redenering niet volgen.
Uit artikel 7:1 lid 3 Wvggz vloeien twee aparte verplichtingen voor de burgemeester voort.
De eerste is die van artikel 7:1 lid 3 sub a Wvggz. Op grond van dit artikel dient de burgemeester ervoor te zorgen dat een psychiater met betrekking tot betrokkene een medische verklaring opstelt.
Bij de uitvoering van die taak handelt de psychiater als een onafhankelijk medisch deskundige. Er is geen inhoudelijke of ambtelijke hiërarchie over de medische beoordeling van de arts. Uiteraard dient de psychiater bij de uitvoering van zijn taak de wet te volgen, waarbij hij, zo nodig, een tolk dient in te schakelen.
De tweede verplichting is die welke wordt genoemd in artikel 7:1 lid 3 sub b Wvggz. Het gaat hier om de verplichting van de burgemeester om betrokkene, zo mogelijk, te horen. Dit is een eigen verplichting van burgemeester. Het gaat hier om de uitvoering van een overheidstaak. De burgemeester kan deze taak, zoals dat hier ook is gebeurd, aan een andere instantie, in dit geval GGD Twente, mandateren. Deze instantie voert die taak dan uit in naam en onder verantwoordelijkheid van de burgemeester.
Gelet op het verschillende karakter van deze twee los van elkaar staande verplichtingen is het de rechtbank niet duidelijk op grond waarvan de psychiater die op grond van artikel 7:1 lid 3 sub a Wvggz is ingeschakeld gehouden zou zijn om voor de GGD Twente bij de uitvoering haar taak als bedoeld in artikel 7:1 lid 3 sub b, een tolk in te schakelen.
De conclusie is dat de GGD Twente bij het uitvoeren van de aan haar door de burgemeester opgedragen taak om betrokkene te horen een eigen verantwoordelijkheid had om een tolk in te schakelen en dat de GGD Twente daarbij niet kon volstaan met de mededeling van Dimence (die naar de rechtbank aanneemt de werkgever van de ingeschakelde onafhankelijk psychiater is) dat bij hen geen tolk beschikbaar was.
Gesteld noch gebleken is dat door de GGD Twente zelf nog is geprobeerd om een, al dan niet beëdigde, tolk in te schakelen. Dit had wel op zijn weg of op de weg van de burgemeester gelegen.
Verder is niet gebleken dat de hoormedewerker van de GGD Twente zelf een poging heeft ondernomen om betrokkene, eventueel in het Engels, te horen of dat er andere pogingen zijn ondernomen om betrokkene te horen.
Vaststaat dat betrokkene uiteindelijk niet door of namens de burgemeester is gehoord.
Dat er sprake zou zijn geweest van een acute situatie waarin het niet verantwoord was om langer te wachten met het horen van betrokkene, is door de hoormedewerker niet als reden genoemd om niet te trachten betrokkene te horen.
Van een zodanige situatie is naar het oordeel van de rechtbank overigens ook onvoldoende gebleken.
Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de burgemeester de wet niet in acht heeft genomen doordat hij niet heeft voldaan aan zijn verplichting om betrokkene zo mogelijk te horen.
De rechtbank komt daarom tot het oordeel dat het beroep tegen de crisismaatregel gegrond is.
Verzoek om schadevergoeding
Op grond van het bepaalde in artikel 10:12 lid 1 Wvggz kan betrokkene, indien de wet niet in acht is genomen bij (onder meer) het nemen van een crisismaatregel, door middel van een schriftelijk en gemotiveerd verzoekschrift bij de rechter om schadevergoeding door de gemeente verzoeken.
Nu gebleken is dat de burgemeester met betrekking tot zijn verplichting om betrokkene zo mogelijk te horen de wet niet in acht heeft genomen dient een verzoek om schadevergoeding te worden toegewezen.
Verzoeker heeft verzocht om een schadevergoeding van € 100,00 per dag voor een periode van vier dagen.
De crisismaatregel liep echter drie dagen. Naar het oordeel van de rechtbank is een schadevergoeding van € 100,00 per dag billijk. De rechtbank zal daarom het verzoek tot schadevergoeding toewijzen tot een bedrag van € 300,00.
6. Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
veroordeelt de gemeente Almelo tot betaling van een bedrag van € 300,00 (zegge driehonderd euro) aan verzoeker;
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;
en wijst af het meer of anders verzochte.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.