RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Almelo
Parketnummer: 08-408430-24 (P)
Datum vonnis: 12 februari 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1959 in [geboorteplaats] ,
nu verblijvende in de P.I. [locatie] .
1. Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 15 januari 2026 (inhoudelijke behandeling) en 29 januari 2026 (sluiting onderzoek).
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman, mr. D. Nieuwenhuis, advocaat in Arnhem, naar voren is gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennis genomen van de door de nabestaanden [nabestaande 1] en
[nabestaande 2] voorgedragen slachtofferverklaringen en van wat namens hen als benadeelde partijen door mr. A.T. van Vulpen, advocaat in Hilversum, is aangevoerd.
Daarnaast heeft de rechtbank kennis genomen van de door [nabestaande 3] namens de nabestaanden [nabestaande 6] , [nabestaande 4] en [nabestaande 5] voorgedragen slachtofferverklaringen.
Verder heeft de rechtbank kennis genomen van de namens [benadeelde partij] voorgedragen slachtofferverklaring en van wat namens haar als benadeelde partij door [naam 1] van Slachtofferhulp Nederland, is aangevoerd.
2. De tenlastelegging
De verdenking komt er, na wijziging van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van 15 januari 2026, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 27 december 2024 in Vroomshoop:
feit 1: (primair) opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht in een woning aan de [adres 1] , dan wel (subsidiair) dat aan zijn schuld te wijten is dat daar brand is ontstaan, terwijl dit feit de dood van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ten gevolge heeft gehad;
feit 2: [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft bedreigd;
feit 3: het raam en/of de tralies van de voordeur van de woning gelegen aan de [adres 1] heeft vernield.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
1
hij op of omstreeks 27 december 2024 te Vroomshoop, althans in Nederland, opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht in een woning gelegen aan de [adres 1] ,
- door een gasfles open te draaien waardoor brandbaar gas is vrijgekomen en deze naar binnen in de woning te richten waardoor brandbaar gas de woning in is gekomen en/of
- met een gasfles te slaan op of tegen de woning waardoor de gaskraan open is gegaan of is afgebroken en deze naar binnen te richten waardoor brandbaar gas de woning in is gekomen en/of
- een of meer gasflessen waaruit brandbaar gas ontsnapte door een raam in de deur van de woning te houden/richten, waarna [slachtoffer 1] deze fles(sen) naar binnen heeft getrokken en/of
- een of meerdere flessen gevuld met brandbaar gas in voornoemde woning naar binnen te gooien en/of een of meerdere voorwerpen naar binnen te gooien waardoor een of meerdere flessen gevuld met brandbaar gas beschadigd zijn geraakt en brandbaar gas is vrijgekomen waarna vrijgekomen gas de woning is ingegaan (waarna dat gas in contact is gekomen met een warmtebron)
terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten aan voornoemde woning en/of omliggende woning(en) en/of de in de woning(en) aanwezige goederen en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten voor de in de omgeving aanwezige personen en/of voor de in de omliggende woning(en) aanwezige perso(o)n(en) te duchten was, terwijl dit feit de dood van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] ten gevolge heeft gehad;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 27 december 2024 te Vroomshoop, althans in Nederland, grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam in een woning gelegen aan de [adres 1] ,
- een gasfles open heeft gedraaid waardoor brandbaar gas is vrijgekomen en deze naar binnen in de woning heeft gericht waardoor brandbaar gas de woning in is gekomen en/of
- met een gasfles op of tegen de woning heeft geslagen waardoor de gaskraan open is gegaan of is afgebroken en deze naar binnen heeft gericht waardoor brandbaar gas de woning in is gekomen en/of
- een of meer gasflessen waaruit brandbaar gas ontsnapte door een raam in de deur van de woning heeft gehouden/gericht, waarna [slachtoffer 1] deze fles(sen) naar binnen heeft getrokken en/of
- een of meerdere flessen gevuld met brandbaar gas in voornoemde woning naar binnen heeft gegooid en/of een of meerdere voorwerpen naar binnen heeft gegooid waardoor een of meerdere flessen gevuld met brandbaar gas beschadigd zijn geraakt en brandbaar gas is vrijgekomen waarna vrijgekomen gas de woning is ingegaan (waarna dat gas in contact is gekomen met een warmtebron)
ten gevolge waarvan het aan zijn schuld te wijten is geweest dat voornoemde woning geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval dat er brand is ontstaan, en daardoor
- gemeen gevaar voor goederen, te weten aan voornoemde woning en/of omliggende woning(en) en/of de in de woning(en) aanwezige goederen en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten voor de in de omgeving aanwezige personen en/of voor de in de omliggende woning(en) aanwezige perso(o)n(en) ontstond, terwijl dit feit de dood van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] ten gevolge heeft gehad;
2
hij op of omstreeks 27 december 2024 te Vroomshoop, althans in Nederland, [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling en/of met brandstichting, door
- met een gasfles tegen de (voor)deur en/of tegen het raam en/of tegen de muur en/of tegen de rolluiken van de woning gelegen aan de [adres 1] te slaan en/of te bonzen en/of
- tegen de rolluiken te bonzen en/of tegen de (voor)deur van voornoemde woning te trappen en/of
- een of meerdere gasflessen de woning in te gooien en/of
- gas vanuit een (geopende) gasfles in voornoemde woning, althans richting voornoemde woning te spuiten en/of
- daarbij dreigend de woorden toe te voegen: ‘doe nu open zeg ik je, anders gaat je hele gevel eruit’ en/of ‘ik vermoord jou, doe die deur open’, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;
3
hij op of omstreeks 27 december 2024 te Vroomshoop, althans in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk het raam en/of de tralies van de (voor)deur van de woning gelegen aan de [adres 1] , in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] en/of
[slachtoffer 2] in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.
3. De bewijsmotivering
Inleiding
In de avond van 27 december 2024 hebben een ontploffing en een daaropvolgende brand plaatsgevonden in een woning gelegen aan de [adres 1] (hierna: de woning). De bewoners [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) en [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ) waren op dat moment in de woning aanwezig, evenals een drietal honden.
Kort voor de ontploffing vond bij de voordeur van de woning een woordenwisseling plaats tussen verdachte en [slachtoffer 1] , waarbij de gemoederen hoog opliepen. Die woordenwisseling draaide in de kern om een in de woning aanwezige hond van het ras Chodsky Pes, ook wel bekend als de Boheemse Herder.
Verdachte is fokker van dit ras en had ongeveer een jaar eerder een door hem gefokte pup verkocht aan [naam 2] (hierna: [naam 2] ) en [naam 3] (hierna: [naam 3] ). [naam 2] en [naam 3] hadden deze hond op 8 december 2024 overgedragen aan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Op 26 december 2024 kwam verdachte er via [naam 2] en [naam 3] achter dat [slachtoffer 1] de hond voor € 750,00 te koop had aangeboden via een advertentie op Marktplaats. Verdachte was het niet eens met deze gang van zaken en zou naar eigen zeggen (telefonisch) met [slachtoffer 1] hebben afgesproken dat hij de hond op 27 december 2024 bij hem zou ophalen tegen betaling van € 250,00. [slachtoffer 1] heeft op die dag een betaalverzoek naar de partner van verdachte gestuurd. Of er daadwerkelijk een afspraak tot stand is gekomen tussen verdachte en [slachtoffer 1] en wat die afspraak dan inhield, kan op basis van het dossier niet worden vastgesteld.
Verdachte is in de avond van 27 december 2024 samen met zijn partner [naam 4] , [naam 2] en [naam 3] van [plaats 1] naar [plaats 2] gereden. Verdachte heeft het voertuig op een in de buurt van de [adres 1] gelegen parkeerplaats geparkeerd en is met [naam 2] naar de woning van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] gelopen om de hond op te halen. [naam 4] en [naam 3] bleven wachten in het voertuig.
De gebeurtenissen die vervolgens bij de woning hebben plaatsgevonden en het onderzoek dat daarnaar is verricht binnen het onderzoek Wolga24, zullen worden besproken in paragraaf 3.4.
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte in strafrechtelijke zin betrokken is geweest bij de ontploffing en de gevolgen daarvan, en zo ja, hoe deze betrokkenheid dan moet worden gekwalificeerd.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich - aan de hand van zijn op schrift gestelde requisitoir - op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde feiten onder 1 primair, 2 en 3 wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.
Wat betreft feit 1 primair kan bewezen worden dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het teweegbrengen van een ontploffing, waardoor brand is ontstaan, ten gevolge waarvan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn overleden. Verdachte heeft buiten de woning een gasfles opengedraaid en vervolgens naar binnen gegooid of geduwd, althans zodanig naar binnen gericht dat [slachtoffer 1] deze gasfles naar binnen heeft getrokken. Daarmee heeft verdachte bewust het angstaanjagende karakter van gas gebruikt om [slachtoffer 1] te dwingen de deur voor hem te openen. Dat gas levensgevaarlijk is, is een feit van algemene bekendheid. Door zo te handelen, heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans op een ontploffing aanvaard. Van contra-indicaties voor die aanvaarding is geen sprake, nu verdachte zich in zijn razernij geen rekenschap heeft gegeven van zijn eigen welzijn of dat van de in de woning aanwezige honden. Bovendien heeft verdachte ter zitting verklaard dat hij dacht dat [slachtoffer 1] een wapen vast had, maar dat hij het voor lief nam dat hij zou worden neergeschoten. Hij wilde koste wat het kost de hond meenemen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft samengevat - aan de hand van zijn op schrift gestelde pleidooi - het volgende bepleit. Ten aanzien van de feiten 2 en 3 wordt gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, nu het dossier voor die feiten voldoende wettig en overtuigend bewijs bevat.
Verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde onder 1, omdat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte met zijn handelen (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het teweegbrengen van een ontploffing. Er is geen sprake geweest van een aanmerkelijke kans op een ontploffing, althans verdachte heeft die beweerdelijke aanmerkelijke kans niet bewust aanvaard. Het kan niet bewezen worden dat verdachte de gasflessen naar binnen heeft gegooid, noch dat hij met een gasfles gas in de woning heeft gespoten. De uiterlijke verschijningsvorm van de gedragingen van verdachte kan niet worden aangemerkt als zozeer gericht op het teweegbrengen van een ontploffing dat het niet anders kan zijn dan dat hij de aanmerkelijke kans op die ontploffing heeft aanvaard. Bovendien staan er contra-indicaties aan die aanvaarding in de weg, nu verdachte door zijn handelwijze zelf ook een reëel gevaar heeft gelopen om het leven te laten en verdachte niet dood wilde. Daarnaast stond verdachte niet onverschillig tegenover de levens van de honden die zich in de woning bevonden.
Het oordeel van de rechtbank
De redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op basis van het dossier, het verhandelde ter terechtzitting en de camerabeelden die onderdeel uitmaken van het dossier, de volgende feiten en omstandigheden vast.
Beeld- en geluidsopnames
Van de gebeurtenissen voorafgaand aan, tijdens en kort na de ontploffing zijn beeld- en geluidsopnames gemaakt met de beveiligingscamera die aan de voorgevel van de betreffende woning was bevestigd. Deze camera was gericht op de voortuin en een gedeelte van de voordeur. Aan de hand van deze opnames en de verklaring van verdachte ter zitting stelt de rechtbank het volgende vast.
In de avond van 27 december 2024 komen verdachte en [naam 2] omstreeks 19:50:04 uur aan bij de woning. Via de poort lopen zij de voortuin in, waar verdachte eerst bij de voordeur aanbelt. De deur wordt niet opengedaan door de bewoners. Om 19:50:48 uur bonkt verdachte op de gesloten rolluiken aan de voorkant van de woning en tilt hij deze op om naar binnen te kijken. Verdachte wordt omstreeks 19:51:15 uur door [slachtoffer 1] te woord gestaan via een door [slachtoffer 1] geopende ruit in de voordeur met daartussen een metalen hekwerk. De voordeur blijft dicht. Verdachte stelt zich voor en zegt “Doe de deur open”. Verdachte vraagt om 19:52:22 uur nog een keer of de deur open gedaan kan worden. [slachtoffer 1] belt hierop de meldkamer van de politie om te melden dat er ongewenst bezoek aan zijn deur staat. Vanaf 19.53 uur zijn er geluiden te horen alsof er iets breekt. Verdachte vraagt om 19:54:06 uur nogmaals of de deur voor hem kan worden opengedaan. Om 19:54:11 uur schreeuwt verdachte “Ik tel tot drie. Eén, twee! Doe je hem nou open of niet?” en om 19:54:20 uur voegt hij daar op luide toon aan toe “Doe nu open zeg ik je. Anders gaat je hele gevel eruit!”. Verdachte pakt vervolgens een gasfles op uit de voortuin en vanaf 19:54:42 uur bonkt hij daar veelvuldig hard mee tegen de voordeur, door het metalen hekwerk van de voordeur en de ruit die daarachter zit. Ondertussen maakt verdachte weer meermalen kenbaar dat de deur open gedaan moet worden. Vanaf 19:55:06 uur is aanhoudend brekend glas te horen. Verdachte blijft ondertussen constant schreeuwen dat de deur open moet. [slachtoffer 1] roept aanhoudend om hulp en [slachtoffer 2] is aan het gillen. Omstreeks 19:55:40 uur schreeuwt verdachte “Ik vermoord jou, doe die deur open!” en omstreeks 19:56:35 uur schreeuwt hij “Moet ik verder gaan?”. Om 19:56:50 uur loopt verdachte richting het muurtje naast de poort en pakt hij een tweede gasfles op. Deze gasfles bevat zichtbaar een draaiknop op de kraan. Vervolgens draait verdachte zich om en loopt hij weer richting de voordeur met die gasfles in zijn hand. Op de beelden is niet te zien of verdachte handelingen aan de gasfles verricht. Tussen 19:56:54 uur en 19:57:59 uur is een aanhoudend sissend geluid te horen. Ook is tussendoor brekend glas te horen. Het sissende geluid wordt door een verbalisant herkend als het geluid van een gasfles waarvan de gaskraan is opengedraaid. Het sissende geluid is niet consistent en klinkt alsof het in zijn uitstroom wordt beïnvloed. Vanaf 19:57:13 uur klinkt het sissende geluid van de gasfles gedempter, alsof deze zich nu in de woning achter de voordeur bevindt. [naam 2] kijkt toe, maar verlaat de voortuin omstreeks 19:57:14 uur. Om 19:57:58 uur vindt een ontploffing plaats achter de voordeur in de hal van de woning. De voordeur en het paneel rechts naast de voordeur worden weggeblazen. Vanaf 19:57:59 uur zijn er vlammen zichtbaar bij de voordeur.
Telefoongesprek brandweermeldkamer
[slachtoffer 1] belt daarop de brandweermeldkamer om melding te maken van de brand in zijn woning. Daarbij vertelt hij dat hij wordt aangevallen, dat er een gasfles naar binnen is gegooid die open stond, dat de gasfles dwars door de ramen is gegooid en in huis is, dat het naar binnen heen straalde, dat hij helemaal in brand stond en dat hij en zijn vrouw zich schuilhouden in de badkamer.
Aantreffen gasflessen en gaskachel
Eenmaal ter plaatse treft de brandweer een uitslaande woningbrand. Tijdens de bluswerkzaamheden worden twee gasflessen aangetroffen in de brandende hal van de woning. Bij een van die gasflessen ontbreekt de draaiknop van de kraan. De gasflessen zijn door de politie inbeslaggenomen en voorzien van SIN AAQV2727NL (zonder draaiknop) en SIN AAQV2726NL (met draaiknop). In de woonkamer treft de brandweer een gaskachel met daarop een aangesloten gasfles aan. De kraan van deze gasfles staat open en deze gasfles blijkt (na onderzoek door de politie) gevuld te zijn. De gaskachel is aan de buitenzijde beschadigd geraakt (beroet en gesmolten kunststofdelen) door hitte en rookgassen.
Dodelijke slachtoffers
De brandweermannen treffen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] aan, liggend in de badkamer op de eerste verdieping van de woning. Zij worden uit de woning gehaald en ter plaatse in de ambulance gereanimeerd.
[slachtoffer 1] overlijdt ter plekke in de ambulance. Tijdens de schouw constateert de forensisch arts dat [slachtoffer 1] meerdere tweedegraads brandwonden op zijn gezicht, armen en handen heeft. In het rapport van de forensisch patholoog is beschreven dat er roetbevuiling te zien is op het lichaam van [slachtoffer 1] . Het lichaam toont tekenen van verblijf in een brand met inademing van hete brandrook. Er is sprake van roetafzetting in de luchtwegen, hittebeschadiging van de luchtwegen en koolmonoxidestapeling in het bloed. De forensisch patholoog concludeert dat het overlijden van [slachtoffer 1] kan worden verklaard op basis van inademing van hete brandrook en dat bestaande ziekelijke longafwijkingen een bijdrage kunnen hebben geleverd aan het overlijden. Een andere doodsoorzaak is niet gebleken.
[slachtoffer 2] wordt met de ambulance naar de spoedeisende hulp in het ziekenhuis vervoerd, waar zij diezelfde avond ook overlijdt. Daar is besloten om het medisch ingrijpen te staken, omdat [slachtoffer 2] hersenschade en orgaan-falen heeft opgelopen door zuurstofgebrek en het inademen van rook. In het rapport van de forensisch patholoog wordt beschreven dat er roetbevuiling te zien is op het lichaam van [slachtoffer 2] . Er is sprake van roet in de diepe luchtwegen, hittebeschadiging van de luchtwegen en koolmonoxidestapeling in het bloed. De forensisch patholoog concludeert dat het overlijden van [slachtoffer 2] kan worden verklaard op basis van inademing van hete brandrook en dat bestaande ziekelijke hartafwijkingen een bijdrage kunnen hebben geleverd aan het overlijden. Een andere doodsoorzaak is niet gebleken.
Forensisch onderzoek politie
De politie heeft een forensisch onderzoek verricht in de woning en heeft daarbij de volgende bevindingen gedaan.
Met name op de begane grond, heeft een forse brand in de woning gewoed. De hal aan de voorzijde van de woning is volledig uitgebrand. De kozijnstijl van de voordeur is volledig afgebroken en er zijn dakpannen van de daken van de uitbouw van de woningen met nummer [adres 1] en [adres 2] weggeslingerd. Afgezien van de in de hal aangetroffen gasflessen, treffen de verbalisanten geen andere bron of omstandigheid aan die onder de gegeven omstandigheden een ontploffing had kunnen veroorzaken. De brandschade in de woning - die afneemt naarmate de afstand tot de hal groter wordt - duidt erop dat de brandontwikkeling in de hal het meest heftig is geweest en dat de brand vanuit de hal de woonkamer is ingetrokken. Voorafgaand aan de brand zat geen deur in het kozijn tussen de hal en de woonkamer. De meterkast bevatte wel een deur en die zat ten tijde van de brand dicht. De badkamer is rondom zwaar beroet. De badkamerdeur zat dicht tijdens de brand, omdat de binnen- en buitenzijde van de badkamerdeur egaal beroet zijn. Het glas van het bovenlicht van de badkamer is geknapt en ligt deels op de vloer van de overloop. De badkamerdeur is de enige toegang om de badkamer in en uit te gaan.
Op basis van het aangetroffen schadebeeld is het volgende scenario door de verbalisanten geschetst. De ontploffing in de hal heeft bestaan uit een heftige drukgolf, gecombineerd met een vlamfront - dat zich razendsnel verspreidde - dat is veroorzaakt door de explosieve verbranding van een gas-luchtmengsel. Door deze drukgolf is een gasleiding en/of gasdrukregelaar in de meterkast in de hal beschadigd, waardoor een gaslek is ontstaan, waarbij aardgas onbelemmerd uit de huisgasinstallatie kon stromen. Ten gevolge van de schadeveroorzakende drukgolf en het vlamfront is in de hal brand uitgebroken, waarbij het gas dat vrijkwam uit de lek geraakte huis-gasaansluiting in de meterkast, in brand is geraakt. Vanuit de hal is de brand uitgebreid naar de woonkamer. De brand is ook door het dak uitgeslagen langs de buitengevel naar het bovengelegen slaapkamerraam op de eerste etage. Dit raam is geknapt door de hitte van de rookgassen. De hete en verstikkende rookgassen zijn via de benedenverdieping en via het slaapkamerraam naar de overloop op de eerste etage getrokken. Ten gevolge van de extreme hitte van de rookgassen is het glas van het bovenlicht van de badkamer geknapt en zijn de rookgassen via dat kapotte raam de badkamer ingetrokken, waar [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zich op dat moment schuilhielden. Zij zijn daar geconfronteerd met de hete en verstikkende rookgassen.
NFI-rapportage
Het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) heeft onderzoek verricht naar de oorzaak van de ontploffing en naar de in de woning aangetroffen gasflessen en heeft de volgende conclusies getrokken.
Op basis van de videobeelden - waarop het sissende geluid is te horen - staat vast dat er gedurende maximaal een minuut gas de woning in heeft kunnen stromen uit de tweede gasfles die verdachte heeft opgepakt. De kraan van gasfles AAQV2726NL stond dicht en de kraan van gasfles AAQV2727NL (waarvan de draaiknop op de kraan ontbrak) stond open. Het gas moet dus uit gasfles AAQV2727NL zijn gestroomd. De hals van de onderzochte gasflessen bevat een opschrift met een aantal eigenschappen van de gasfles. In het rapport bevindt zich een detailfoto van het opschrift van gasfles AAQV2727NL. Daarop is onder meer “butane” en “propane” te lezen.
De werking van de kraan van dergelijke gasflessen wordt als volgt beschreven. Of er daadwerkelijk gas uit de kraan stroomt, is afhankelijk van de positie van het puntstuk. Dit puntstuk is verbonden aan de draaiknop. Door middel van de schroefdraad kan het puntstuk omhoog of naar beneden bewogen worden door te draaien aan de draaiknop. Wanneer het puntstuk helemaal naar beneden gedraaid wordt, blokkeert deze de stroming van het gas. De kraan zit dan dicht. Hoe verder het puntstuk naar boven wordt gedraaid, hoe meer gas er via de uitstroomopening de kraan uit kan stromen. De kraan staat dan open. Om dergelijke kranen met de hand te kunnen bedienen is de aanwezigheid van de draaiknop vereist. De kraan op gasfles AAQV2727NL is niet meer te bedienen, omdat de draaiknop niet meer aanwezig is. Er is geen uitstroombeveiliging aanwezig in de kraan die een (onbedoeld) grote of langdurige stroom voorkomt. Het wordt mogelijk geacht dat de beschadiging aan de kraan op gasfles AAQV2727NL is veroorzaakt door hitte-inwerking van de brand.
Het NFI concludeert ook dat er - reeds voor de ontploffing - geen deur in het kozijn tussen de hal en de woonkamer aanwezig was. Daarmee vormden de hal, woonkamer en de gang een aaneengesloten ruimte (ook wel compartiment). Het gas uit de gasfles heeft dus in de hal, woonkamer en gang kunnen stromen en de ontstekingsbron heeft zich dus in één van deze drie ruimtes bevonden.
Een gas-luchtmengsel is pas explosief als de onderste explosiegrens (LEL) voor een mengsel van propaan en butaan gepasseerd wordt. Uit de modelberekeningen van het NFI volgt dat de onderste explosiegrens voor een staande gasfles na ongeveer een minuut wordt bereikt. Bij een liggende gasfles wordt de onderste explosiegrens al bereikt binnen tien seconden. In het compartiment (de hal, woonkamer en gang) waren echter veel objecten aanwezig, waardoor het effectieve volume in werkelijkheid kleiner is dan die is gebruikt in de modelberekening. Dit betekent dat de onderste explosiegrens in het onderhavige geval mogelijk al eerder bereikt kon worden, maar zeker niet later. Het NFI concludeert dat er in ieder geval binnen het tijdsbestek van een minuut een explosief gas-luchtmengsel in de woning kon ontstaan.
Wanneer een brandbaar gas-luchtmengsel zich binnen de explosiegrenzen bevindt, is er nog een geschikte ontstekingsbron nodig om een gasexplosie te laten plaatsvinden. Een geschikte ontstekingsbron geeft lokaal energie af aan het gas-luchtmengsel. Op die plek warmt het gas-luchtmengsel op en wordt de verbrandingsreactie, en daarmee de explosie, in gang gezet. Veelvoorkomende ontstekingsbronnen in een woning zijn open vuur, elektrische vonken en hete oppervlakken. Naast de in de woning aanwezige gaskachel zullen er ook nog een verscheidenheid aan andere mogelijke ontstekingsbronnen in de woning aanwezig zijn geweest. De waakvlam van de gaskachel (als continue ontstekingsbron tijdens het incident) wordt door het NFI als de meest aannemelijke ontstekingsbron gezien, nu deze waakvlam zich bevond ter hoogte van het explosieve gas-luchtmengsel. Na het ontsteken ontstaat er een vlamfront dat zich door de ruimte heen beweegt. Doordat hierbij veel hitte ontstaat, vond er in de woning een drukopbouw plaats. Nadat het vlamfront van de explosie in contact is gekomen met andere brandbare materialen, zoals uitstromend gas uit een gasfles, is er brand ontstaan.
Aanvullend forensisch onderzoek
Uit het aanvullend proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 1] - ter beantwoording van vragen van de verdediging - volgt dat de kraan van gasfles AAQV2727NL niet open is geraakt, door het afbreken van de draaiknop van de kraan. Voor het openen en sluiten van de kraan van een gasfles is een draaibeweging in horizontale richting nodig van de draaiknop van de kraan. Voor het geheel openen van een gesloten kraan zijn meerdere omwentelingen van de draaiknop nodig. De kraan van gasfles AAQV2727NL (waarvan de draaiknop van de kraan ontbrak) moet zich dus reeds voor het verdwijnen van de draaiknop in opengedraaide stand hebben bevonden.
Verklaring van verdachte
Verdachte heeft verklaard dat hij op 27 december 2024 bij de woning was. [slachtoffer 1] wilde de voordeur niet voor hem openen en wilde hem niet “normaal” te woord staan. Daardoor werd verdachte heel kwaad en ging hij “van nul tot honderd”. Hij heeft achtereenvolgens twee gasflessen uit de voortuin gepakt, die allebei leeg waren, en daarmee geprobeerd de voordeur open te krijgen door herhaaldelijk met die gasflessen tegen de voordeur, het hekwerk en de ruit van die deur te bonken. Beide gasflessen zijn in de woning beland, omdat [slachtoffer 1] ze naar binnen heeft getrokken. Verdachte heeft zelf geen enkele gasfles gegooid of opengedraaid. Hij heeft ook geen uitstromend gas gehoord of geroken. Hij weet precies hoe gasflessen werken en hij is zich ervan bewust dat gas levensgevaarlijk is. Hij heeft de bewoordingen, zoals die zijn vastgelegd door de beveiligingscamera, richting [slachtoffer 1] geuit.
Het oordeel van de rechtbank
Feit 1: brandstichting
Oorzaak ontploffing, brand en overlijden slachtoffers
De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat er in de woning van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] een gas-luchtmengsel is ontstaan, doordat gas uit de gasfles met de open kraan (met SIN AAQV2727NL) de woning is ingestroomd. Deze gasfles bevond zich in de hal. Het gas-luchtmengsel heeft (in ieder geval binnen een tijdsbestek van een minuut) de onderste explosiegrens bereikt en is vervolgens in aanraking gekomen met één van de ontstekingsbronnen in de woning, waarvan de waakvlam van de gaskachel de meest aannemelijke is geweest. De rechtbank stelt vast dat deze gaskachel in werking was, nu de brandweer de daarop aangesloten, gevulde gasfles met openstaande kraan heeft aangetroffen. De ontsteking van het explosieve gas-luchtmengsel heeft geleid tot een ontploffing in de hal van de woning. Deze ontploffing heeft een vlamfront veroorzaakt dat vervolgens in contact is gekomen met ander brandbaar materiaal, waaronder het resterende uitstromende gas uit de gasfles en het gaslek in de meterkast, dat is ontstaan door de drukopbouw van de ontploffing. Vanaf dat moment heeft de brand zich verder uitgebreid naar de woonkamer en de bovengelegen slaapkamer. Door de brand werden hete en verstikkende rookgassen in de woning verspreid. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zaten opgesloten in de badkamer en zijn om het leven gekomen door het inademen van die hete brandrook, die na verloop van tijd de badkamer is binnengedrongen. Dit maakt dat de rechtbank van oordeel is dat hun dood het gevolg is geweest van de ontploffing en de daaropvolgende brand in hun woning.
Verdachte heeft ter zitting een alternatief scenario voor de oorzaak van de ontploffing en de brand geschetst. Volgens verdachte is de (eerste) gasfles door [slachtoffer 1] naar binnen getrokken en daarbij tegen een leiding in de meterkast aangekomen, waardoor deze leiding kapot is gegaan en een gaslek is veroorzaakt. Dit gaslek zou tot de ontploffing moeten hebben geleid. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte enkel algemene stellingen naar voren gebracht en deze op geen enkele manier onderbouwd. De lezing van verdachte vindt geen enkele steun in het dossier, nu uit het forensisch onderzoek van de politie volgt dat de meterkastdeur voorafgaand aan de ontploffing dicht heeft gezeten en dat de schade aan de meterkast (het gaslek) een logisch gevolg is geweest van de ontploffing in de hal. De rechtbank acht het geschetste alternatieve scenario onaannemelijk en schuift dit terzijde.
In verlengde hiervan ziet de rechtbank geen aanleiding om nader onderzoek te laten verrichten naar/aan voormelde (gasaansluiting in de) meterkast.
De gedragingen van verdachte
De vraag die vervolgens aan de rechtbank voorligt, is welke gedragingen verdachte met de gasfles (met SIN AAQV2727NL) - die de ontploffing heeft veroorzaakt - heeft verricht.
De rechtbank stelt voorop dat de kraan van een dergelijke gasfles enkel open kan worden gezet met een horizontale, draaiende beweging aan de draaiknop van de kraan. Dat brengt met zich dat de kraan niet open kan zijn gegaan door het afbreken, dan wel wegsmelten van de draaiknop, en dat de kraan dus moet zijn opengedraaid voordat die draaiknop verdween. Anders gezegd, de kraan van de gasfles kan niet zijn opengegaan door met diezelfde gasfles ergens tegenaan te rammen.
Op de camerabeelden is te zien dat verdachte de tweede gasfles oppakt en dat hij daarmee naar de voordeur van de woning loopt. Ook is te zien dat de gasfles op dat moment nog een draaiknop bevat. Op het moment van het oppakken van de gasfles is er geen sissend geluid te horen. Enkele seconden later is een duidelijk sissend geluid te horen dat door een verbalisant wordt herkend als het geluid van een gasfles, waarvan de kraan is opengedraaid. De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat verdachte de kraan van die gasfles op dat moment heeft opengedraaid en dat als gevolg daarvan het sissende geluid te horen is. De verklaring van verdachte dat hij dit sissende geluid niet zou hebben gehoord, acht de rechtbank op basis van de geluidsopnames in het dossier en het feit dat een getuige die zich op enige afstand van de woning bevond het geluid ook heeft gehoord, ongeloofwaardig.
Dat verdachte de gasfles heeft opengedraaid en daarmee gas in de woning heeft gespoten wordt bevestigd in de getuigenverklaring van [naam 2] . [naam 2] is met verdachte naar de woning gelopen en heeft tot ruim een halve minuut voor de ontploffing naast verdachte in de voortuin van de betreffende woning gestaan. Op de camerabeelden is te zien dat zij continu in de richting van verdachte kijkt. De rechtbank is daarom van oordeel dat zij goed heeft kunnen zien wat zich daar voor de voordeur afspeelde. [naam 2] heeft tijdens de eerste verhoren bij de politie verklaard dat zij heeft gezien dat verdachte de tweede gasfles heeft opengedraaid, dat hij daarmee gas naar binnen spoot, dat hij de gasfles recht voor zich uit hield en dat zij gas heeft gehoord en geroken. Op het moment dat zij gas rook, is zij weggelopen en heeft ze haar vriendin [naam 3] gebeld.
[naam 3] heeft verklaard dat [naam 2] haar aan de telefoon vertelde dat verdachte met een opengedraaide gasfles stond. Kort daarna hoorde [naam 3] in persoon van [naam 2] dat verdachte een gasfles had opengedraaid en dat hij door het kapotte raam gas naar binnen spoot. In die zin ondersteunt de verklaring van [naam 3] de verklaring van [naam 2] .
De verdediging heeft aangevoerd dat aan de hand van deze getuigenverklaringen niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat verdachte gas in de woning heeft gespoten, maar de rechtbank is van oordeel dat [naam 2] en [naam 3] dit beiden wel duidelijk hebben verklaard. Op verzoek van de verdediging is een letterlijke uitwerking van deze verklaringen aan het dossier toegevoegd. De rechtbank gaat uit van die versies van de getuigenverklaringen. Daaruit volgt dat [naam 2] herhaaldelijk heeft verklaard zeker te weten dat zij verdachte heeft zien spuiten met de gasfles en dat zij heeft gezien dat verdachte met gas naar binnen aan het spuiten was.
Voor zover de verdediging heeft aangevoerd dat [naam 2] de inhoud van haar eerste verklaring op een later moment bij de rechter-commissaris heeft genuanceerd, overweegt de rechtbank dat zij de eerste verklaring van [naam 2] het meest betrouwbaar acht. Deze verklaring is gedetailleerd en kort na het incident afgelegd, toen haar herinneringen aan deze gebeurtenissen nog vers in haar geheugen zaten, en wordt gedeeltelijk ondersteund door de verklaring van [naam 3] . Bovendien heeft [naam 2] in haar veel latere getuigenverhoor bij de rechter-commissaris (op 21 mei 2025) verklaard dat zij in de tussentijd EMDR-therapie heeft gevolgd, waardoor haar herinneringen aan het incident zijn vervaagd. Dit maakt haar verklaring bij de rechter-commissaris minder betrouwbaar. De rechtbank zal de eerste verklaring van [naam 2] bezigen voor het bewijs.
Daarnaast heeft [slachtoffer 1] in het telefoongesprek met de brandweermeldkamer verklaard dat er een gasfles die open stond door de ramen naar binnen is gegooid en dat “het” (de rechtbank begrijpt: gas) naar binnen heen straalde.
Verdachte heeft aanvankelijk - in zijn eerste twee verhoren bij de politie - verklaard dat hij de gasflessen bij de woning naar binnen heeft gegooid. De verdediging heeft aangevoerd dat deze verklaringen niet helemaal waarheidsgetrouw zijn, omdat verdachte kort na het voorval onder invloed zou kunnen zijn geweest van pijnstillers vanwege de verwondingen die hij door de ontploffing heeft opgelopen. Echter, ook drie weken na de ontploffing heeft verdachte herhaald dat hij twee gasflessen naar binnen heeft gegooid. Dit volgt uit het uitgewerkte tapgesprek dat verdachte op 17 januari 2025 vanuit de penitentiaire inrichting met zijn partner heeft gevoerd. Daarbij overweegt de rechtbank dat het sissende geluid van het uitstromende gas uit de tweede gasfles op de camerabeelden al snel hoorbaar in volume afneemt, wat erop duidt dat de fles naar binnen wordt gericht, dan wel dat de fles zich reeds achter de voordeur in de hal bevindt. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verdachte met de tweede gasfles gas naar binnen heeft gespoten en dat hij deze gasfles vervolgens bij de woning naar binnen heeft gegooid.
Op basis van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat verdachte de tweede gasfles (met SIN AAQV2727NL) heeft opengedraaid, dat hij met die gasfles gas in de woning heeft gespoten en dat hij die gasfles daarna bij de woning naar binnen heeft gegooid.
Voorwaardelijk opzet
De volgende vraag die aan de rechtbank voorligt, is of verdachte met deze gedragingen opzet heeft gehad op het teweegbrengen van de ontploffing.
Naar het oordeel van de rechtbank kan op basis van de inhoud van het dossier niet worden vastgesteld dat verdachte vol opzet had op het veroorzaken van een ontploffing.
Opzet kan echter ook bestaan in de vorm van voorwaardelijk opzet. Van voorwaardelijk opzet is sprake als verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat een bepaald gevolg (in dit geval de ontploffing) zal intreden. Vooropgesteld wordt dat de beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, afhankelijk is van de omstandigheden van het geval. Hierbij komt betekenis toe aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Verdachte moet zich bewust zijn geweest van deze kans en moet deze kans ook hebben aanvaard. Verder is van belang dat naar vaste rechtspraak bepaalde handelingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer te zijn gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat degene die de handelingen heeft verricht de aanmerkelijke kans op dat gevolg bewust heeft aanvaard.
Naar algemene ervaringsregels heeft naar het oordeel van de rechtbank te gelden dat het (voor langere tijd) naar binnen laten stromen van gas in een woning en het naar binnen gooien van een opengedraaide gasfles in een woning de aanmerkelijke kans oplevert dat een explosief gas-luchtmengsel ontstaat en dat een in de woning aanwezig zijnde ontstekingsbron (in de vorm van vuur, een elektrische vonk of een heet oppervlak) eenvoudigweg kan leiden tot een ontploffing. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat gasophoping in een ruimte onder omstandigheden tot een ontploffing kan leiden, hetgeen ook een voorzienbaar gevolg van het handelen van verdachte moet zijn geweest. Bovendien heeft verdachte ter zitting verklaard dat hij precies weet hoe gasflessen werken, dat hij zich ervan bewust is dat gas levensgevaarlijk is en dat dergelijke handelingen met een gevulde gasfles dus een groot gevaar opleveren. Verdachte was zich dus ook daadwerkelijk bewust van die aanmerkelijke kans op een ontploffing. De verrichte gedragingen van verdachte (het opendraaien van de gasfles, het spuiten van gas in een woning en het naar binnen gooien van een opengedraaide gasfles in diezelfde woning) zijn naar het oordeel van de rechtbank zozeer gericht geweest op het ervoor zorgen dat de woning zich vulde met gas en dus op het veroorzaken van een ontploffing dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans op een ontploffing heeft aanvaard. De rechtbank betrekt bij dit oordeel ook de uitlatingen die verdachte tussentijds richting [slachtoffer 1] heeft gedaan, zoals “Anders gaat je hele gevel eruit!” en “Moet ik verder gaan?”. Die laatste uitlating deed hij kort voordat hij de tweede gasfles opendraaide.
Van contra-indicaties voor die bewuste aanvaarding is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake, ondanks dat door de verdediging is aangevoerd dat verdachte zijn eigen leven en dat van de honden niet bewust op het spel zou zetten. Opzet in de zin van artikel 157 Wetboek van Strafrecht (Sr) hoeft slechts gericht te zijn op het veroorzaken van de ontploffing. Het opzet hoeft niet gericht te zijn op het teweegbrengen van de in onderdeel 1-3 van het wetsartikel genoemde gevolgen (het gevaar voor goederen, levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel). Het gevaar moet ten tijde van het teweegbrengen van de ontploffing wel naar algemene ervaringsregels voorzienbaar zijn geweest en daarbij is niet van belang dat de verdachte zelf dat gevaar wellicht niet heeft voorzien. Los van het feit dat het intreden van de dood dus een geobjectiveerd gevolg is van het teweegbrengen van een ontploffing, is de rechtbank van oordeel dat verdachte onverschillig heeft gestaan tegenover de gevolgen van zijn handelen. Gelet op de staat waarin verdachte verkeerde en zijn handelingen die steeds in ernst toenamen - van schreeuwen, naar het met zijn handen bonken, naar het met een gasfles bonken en deze naar binnen gooien, naar het opendraaien van een tweede gasfles, daarmee gas naar binnen spuiten en ook die gasfles vervolgens naar binnen gooien - was het enige doel van verdachte om de voordeur open te krijgen, ongeacht de voorzienbare gevolgen die hij daarmee veroorzaakte. In die razernij stond noch zijn eigen leven noch het leven van de honden voorop.
Op grond van het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het teweegbrengen van een ontploffing in de woning aan de [adres 1] .
Gevaarzetting
[slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn als gevolg van de ontploffing en de daaropvolgende brand komen te overlijden. [slachtoffer 1] stond tijdens de ontploffing achter/in de buurt van de voordeur en heeft daardoor - voorafgaand aan zijn overlijden - tweedegraads brandwonden opgelopen. Daarnaast vond de ontploffing plaats in de avond, rond de feestdagen, midden in een woonwijk. Veel mensen waren op dat moment thuis, zo blijkt ook uit de vele getuigenverklaringen van buurtbewoners die de ontploffing hebben gehoord en gevoeld. Door de ontploffing, de brand, de rookontwikkeling en de rondvliegende brokstukken hebben dus ook de omwonenden gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en levensgevaar gelopen.
Gelet op de omvang en de gevolgen van de ontploffing en de brand is het naar het oordeel van de rechtbank vanzelfsprekend dat ook gemeen gevaar voor goederen te duchten was. De brand is dusdanig verwoestend geweest dat de woning van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en de naastgelegen woning op nummer [adres 2] , bewoond door mevrouw [benadeelde partij] , onbewoonbaar zijn geraakt en de gehele inboedel van die woningen verloren is gegaan.
Conclusie
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, in onderling verband en samenhang bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit onder 1 heeft begaan.
Feiten 2 en 3: bedreiging en vernieling
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte deze feiten heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin, Sv, zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Feit 2
Het proces-verbaal van de terechtzitting van 15 januari 2026, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte;
het proces-verbaal van verhoor verdachte van 28 december 2024 (pagina’s 53-58);
het proces-verbaal van bevindingen van 3 januari 2025 (pagina’s 201-218);
het proces-verbaal van bevindingen, betreffende de letterlijke uitwerking van het verhoor van [naam 2] , van 7 augustus 2025 (pagina’s 287-314).
Feit 3
Het proces-verbaal van de terechtzitting van 15 januari 2026, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte;
het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 2] van 9 januari 2025 (pagina’s 315-325).
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de opgegeven en in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:
1. primair
hij op 27 december 2024 te Vroomshoop opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht in een woning gelegen aan de [adres 1] ,
- door een gasfles open te draaien, waardoor brandbaar gas is vrijgekomen, en deze gasfles naar binnen in de woning te richten, waardoor brandbaar gas de woning in is gekomen, en
- een fles, gevuld met brandbaar gas, in voornoemde woning naar binnen te gooien, waardoor brandbaar gas is vrijgekomen, waarna vrijgekomen gas de woning is ingegaan (waarna dat gas in contact is gekomen met een warmtebron),
terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten aan voornoemde woning en omliggende woningen en de in de woning(en) aanwezige goederen, en
- levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten voor de in de omgeving aanwezige personen en voor de in de omliggende woningen aanwezige personen te duchten was, terwijl dit feit de dood van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ten gevolge heeft gehad;
2
hij op 27 december 2024 te Vroomshoop [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling en met brandstichting, door
- met een gasfles tegen de voordeur en tegen het raam van de woning gelegen aan de [adres 1] te bonzen, en
- tegen de rolluiken te bonzen en tegen de voordeur van voornoemde woning te trappen, en
- meerdere gasflessen de woning in te gooien, en
- gas vanuit een (geopende) gasfles in voornoemde woning te spuiten, en
- daarbij dreigend de woorden toe te voegen: ‘doe nu open zeg ik je, anders gaat je hele gevel eruit’ en ‘ik vermoord jou, doe die deur open’;
3
hij op 27 december 2024 te Vroomshoop opzettelijk en wederrechtelijk het raam en de tralies van de voordeur van de woning gelegen aan de [adres 1] , die aan een ander toebehoorden, heeft vernield.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 157, 285 en 350 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
ten aanzien van feit 1 primair, feit 2 en feit 3:
de eendaadse samenloop van de misdrijven:
opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is, en het feit iemands dood ten gevolge heeft (feit 1 primair);
en
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, zware mishandeling en brandstichting, meermalen gepleegd (feit 2);
en
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen (feit 3).
5. De strafbaarheid van verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezen verklaarde feiten.
6. De op te leggen straf of maatregel
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren aan verdachte op te leggen, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
Het standpunt van de verdediging
In het geval van een bewezenverklaring voor het primaire feit onder 1, heeft de raadsman betoogd dat een lagere gevangenisstraf aan verdachte moet worden opgelegd dan zoals die door de officier van justitie is gevorderd, omdat in dat geval sprake is van de ondergrens van opzet. Ook moet rekening worden gehouden met de (hoge) leeftijd en de zwakke gezondheid van verdachte.
Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat de getuigenverklaring van [naam 2] van
28 december 2024 aanvankelijk inhoudelijk onjuist is geverbaliseerd, waardoor de verbaliseringsplicht ex artikel 152 Sv is geschonden. Dit levert een vormverzuim op, wat moet leiden tot strafvermindering. In het (initiële) proces-verbaal is namelijk niet opgenomen dat [naam 2] heeft verklaard het niet zeker te weten of zij verdachte met de gasfles naar binnen heeft zien spuiten, zoals uit de later opgemaakte, letterlijke uitwerking van dat verhoor wel zou volgen.
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
De ernst van de feiten
Verdachte is op 27 december 2024 vanuit [plaats 1] naar [plaats 2] gereden om een door hem gefokte hond op te halen bij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Verdachte kende [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] niet, maar was van mening dat er iets moest worden ‘rechtgezet’, omdat [slachtoffer 1] de hond te koop had aangeboden, terwijl hij er zelf niets voor had betaald aan de vorige eigenaren. Toen [slachtoffer 1] die avond de deur niet voor verdachte opende, is verdachte compleet door het lint gegaan en heeft hij alles gedaan wat in zijn macht lag om toegang tot de woning en daarmee de hond te krijgen. De woning van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] was voorzien van een beveiligingscamera, die heeft vastgelegd hoe verdachte, eenmaal voor de deur van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , steeds kwader en agressiever werd, waarbij hij ook bedreigende uitspraken deed. Ook is te horen dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hard om hulp riepen, dat [slachtoffer 1] op enig moment de politie belde met het verzoek om met spoed naar de woning te komen, en dat verdachte op dit alles niets uit deed. Nadat verdachte ongecontroleerd tekeer is gegaan met een gasfles en daarmee een gat heeft geslagen in de ruit van de voordeur, heeft hij een tweede gasfles opengedraaid en gas door dat gat in de voordeur naar binnen gespoten. Daarna heeft hij die gasfles de woning in gegooid. Daardoor is razendsnel een gasexplosie ontstaan, wat heeft geleid tot een catastrofale woningbrand. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] vluchtten naar de badkamer en belden 112. De opname van dit gesprek zit in het dossier en legt hun laatste, zeer angstige momenten vast. Terwijl de brand in hun woning razendsnel om zich heen greep, zaten zij opgesloten. De paniek, doodsangst en radeloosheid in hun stemmen gaat door merg en been. Hulp kwam te laat en beiden zijn diezelfde avond overleden als gevolg van het inademen van de hete rookgassen die de badkamer zijn binnengedrongen. Ook de drie in de woning aanwezige honden zijn als gevolg van de brand overleden.
Hoewel verdachte niet de intentie heeft gehad om hen om het leven te brengen, is hij wel verantwoordelijk voor hun dood. Verdachte heeft in blinde razernij een ontploffing teweeggebracht op een plek waar [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zich bij uitstek veilig zouden moeten kunnen voelen, namelijk in hun woning. Aan de nabestaanden is onbeschrijflijk en onherstelbaar leed toegebracht, zoals op indrukwekkende wijze naar voren is gekomen tijdens de uitoefening van hun spreekrecht ter zitting. Zij blijven achter met vele vragen, wetende dat zij het gemis van hun dierbaren de rest van hun leven met zich mee moeten dragen. Een drama als dit schokt de hele samenleving en zorgt voor veel angst en onveiligheid, zeker bij de buurtbewoners. De brand heeft bovendien een enorme ravage aangericht. De buurvrouw van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] (de benadeelde partij [benadeelde partij] ) heeft noodgedwongen moeten verhuizen en is haar volledige inboedel kwijtgeraakt. Dit alles rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.
Hoewel de verdachte zich na de ontploffing direct bij de politie meldde, heeft hij vervolgens geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn daden. Hij blijft beweren dat [slachtoffer 1] de ontploffing zelf heeft veroorzaakt en dat het allemaal niet gebeurd zou zijn als [slachtoffer 1] maar anders had gehandeld. De rechtbank acht deze uitspraken zeer kwalijk en bijzonder pijnlijk voor de nabestaanden.
Verdachte heeft zich daarnaast ook schuldig gemaakt aan bedreiging en vernieling.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie betreffende verdachte van 17 december 2025. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit.
De rechtbank heeft kennis genomen van het NIFP-trajectconsult van 22 januari 2025, opgesteld door V. Terra, GZ-psycholoog, waarin wordt beschreven dat bij verdachte aanwijzingen worden gezien voor psychopathologie (persoonlijkheidsproblematiek). Op grond daarvan wordt een multidisciplinair psychologisch en psychiatrisch Pro Justitia onderzoek geadviseerd. Ook wordt aanbevolen om aanvullende consultatie bij het Neuroloket van het Pieter Baan Centrum te overwegen, gezien de aanwijzingen voor neurologische/neuropsychologische problematiek.
Verder heeft de rechtbank rekening gehouden met het over verdachte opgemaakte Pro Justitia rapport van 7 mei 2025, opgesteld door dr. R.W. Blaauw, gezondheidszorgpsycholoog en gerechtelijk deskundige. Daarin wordt geschreven dat bij verdachte geen psychische stoornissen zijn geconstateerd. Het psychologisch onderzoek richtte zich bijna volledig op de verdachte zelf. Er was namelijk geen informatie uit het verleden beschikbaar. Daarnaast kon de psycholoog nauwelijks anderen uit zijn omgeving spreken. Het onderzoek was lastig, omdat de verdachte zijn problemen kleiner maakte dan ze zijn en de schuld buiten zichzelf legde. Ook had verdachte de kenmerkende neiging om zichzelf in een positief daglicht te plaatsen. De psycholoog is er daarom niet van overtuigd dat een volledig betrouwbaar beeld van verdachte is verkregen. Hoewel verdachte kenmerken heeft van narcisme, zijn deze kenmerken niet voldoende in ernst en aantal aanwezig om te kunnen spreken van een narcistische of antisociale persoonlijkheidsstoornis. De psycholoog is van mening dat verdachte niet voldoet aan de diagnostische criteria van enige stoornis. Verdachte heeft in 2021 een TIA gehad zonder restschade. Er bestaan ook geen duidelijke indicaties voor verstoord functioneren na niet aangeboren hersenletsel. Nu geen stoornis bij verdachte is vastgesteld, adviseert de psycholoog om het tenlastegelegde volledig aan verdachte toe te rekenen. Er is geen sprake van doorwerking van een stoornis in het tenlastegelegde. Daardoor is ook geen sprake van een risicoprognose vanuit stoornissen en kan de psycholoog geen interventieadviezen geven ter vermindering van het eventuele recidiverisico.
Ter terechtzitting is gebleken dat er geen psychiatrisch Pro Justitia rapport over verdachte is opgesteld, omdat verdachte daaraan niet wilde meewerken op advies van zijn vorige advocaat.
De reclassering heeft in haar rapport van 12 juni 2025 opgenomen dat verdachte zijn leven
- kort voor zijn detentie - op veel vlakken op orde had. Er zijn geen financiële problemen of problemen op het gebied van middelengebruik vastgesteld. Er wordt ook geen patroon van boze reacties bij verdachte waargenomen. De reclassering kan geen factoren benoemen waarop een plan van aanpak om de recidivekans te verlagen zich nu zou moeten richten. Verdachte heeft zijn leven zonder ondersteuning van professionele hulpverlening ingericht en zal dat na detentie naar verwachting weer doen. In het geval van een veroordeling zal de reclassering verdachte in de detentie-situatie volgen en beoordelen of hij hulp nodig heeft bij een goede re-integratie zodra verdachte toe is aan voorwaardelijke invrijheidsstelling. Daarbij kijkt de reclassering vooral naar hoe hij omgaat met boosheid. Bij een veroordeling adviseert de reclassering een straf zonder bijzondere voorwaarden.
Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij in de penitentiaire inrichting EMDR-therapie volgt naar aanleiding van de psychische klachten die hij ervaart door de gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden op 27 december 2024.
De rechtbank zal - in lijn met het advies van de psycholoog - het ten laste gelegde bij de strafoplegging volledig aan verdachte toerekenen.
Geen onherstelbaar vormverzuim
De rechtbank overweegt dat - voor zover aanvankelijk sprake zou zijn geweest van schending van de verbaliseringsplicht en daarmee een vormverzuim - dit is hersteld door het betreffende getuigenverhoor letterlijk uit te werken en aan het dossier te voegen. Er is dus geen sprake van een onherstelbaar vormverzuim in het vooronderzoek als bedoeld in artikel 359a Sv. Daarom wordt het verweer van de verdediging verworpen.
De op te leggen straf
Bij de feiten 1 primair, 2 en 3 is sprake van eendaadse samenloop als bedoeld in artikel 55 Sr. Gelet op het bepaalde in dit artikel zal de rechtbank bij de bepaling van de strafmaat uitgaan van de strafbepaling waarop de zwaarste hoofdstraf is gesteld, in dit geval artikel 157 onderdeel 3° Sr. Dit betreft een van de zwaarste in het Wetboek van Strafrecht voorkomende strafbare feiten, nu dit kan worden bestraft met een levenslange gevangenisstraf. Er zijn geen landelijke oriëntatiepunten vastgesteld voor een dergelijk feit. De rechtbank heeft bij de strafoplegging acht geslagen op uitspraken in soortgelijke zaken, waarbij heeft te gelden dat deze zaak zich moeilijk laat vergelijken met andere zaken.
Vanwege de ernst van de gepleegde feiten, in het bijzonder het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing met de dood van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] tot gevolg, en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, kan daarop niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank zal aan verdachte een langere gevangenisstraf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank weegt in strafverzwarende zin mee dat verdachte het recht in eigen hand heeft genomen op een van de meest vergaande manieren denkbaar. Hij wilde koste wat kost de hond meekrijgen en schuwde daarbij geen enkel middel. Hoewel hij meerdere momenten had om na te denken en te stoppen, deed hij dat niet. In plaats daarvan koos hij, zich volledig bewust van het gevaar, voor steeds erger geweld en het moedwillig spuiten van gas in een woning waarin op dat moment mensen en dieren aanwezig waren, met alle gevolgen van dien. De op te leggen straf dient niet alleen ter vergelding van het feit dat verdachte [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] het leven heeft ontnomen maar ook ter generale preventie om anderen ervan te weerhouden om dergelijke misdrijven te begaan.
Alles afwegende, zal de rechtbank aan verdachte opleggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van veertien jaren, met aftrek van de tijd die hij in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv.
7. De schade van benadeelden
De vorderingen van de benadeelde partijen
De vordering van [nabestaande 1]
heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 25.367,32 (vijfentwintigduizend driehonderd zevenenzestig euro en tweeëndertig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:
- niet door de verzekering gedekte kosten uitvaart € 1.248,02
- kosten grafmonument € 2.400,00
- kosten grafrechten € 3.946,80
- kosten bloemen uitvaart € 272,50.
Ter vergoeding van immateriële schade (affectieschade) wordt een bedrag van € 17.500,00 gevorderd.
De vordering van [nabestaande 2]
heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 17.669,73 (zeventienduizend zeshonderd negenenzestig euro en drieënzeventig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde materiële/verplaatste schade bestaat uit de volgende posten:
- kosten kleding [slachtoffer 2] voor uitvaart € 79,98
- kosten aanvragen tenaamstelling voertuig slachtoffers € 39,80
- kosten wijzigen postadres van slachtoffers € 49,95.
Ter vergoeding van immateriële schade (affectieschade) wordt een bedrag van € 17.500,00 gevorderd.
De vordering van [benadeelde partij]
heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van
€ 10.423,00 (tienduizend vierhonderd drieëntwintig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:
- eigen risico inboedelverzekering € 150,00
- verhuiskosten (forfaitaire verhuiskostenvergoeding) € 7.673,00.
Ter vergoeding van immateriële schade wordt een bedrag van € 2.600,00 gevorderd.
De vordering van [bedrijf]
heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 6.450,00 (zesduizend vierhonderd vijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde materiële schade bestaat uit de kosten voor de sloop en herbouw van de woning aan de [adres 1] , voor zover die niet door de verzekering zijn gedekt.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier heeft zich samengevat op de volgende standpunten gesteld.
De vorderingen van de beide benadeelde partijen [nabestaande 1] moeten in het geheel worden toegewezen, inclusief de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De door de benadeelde partij [benadeelde partij] gevorderde materiële schade moet worden toegewezen, inclusief de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De door haar gevorderde immateriële schade moet worden afgewezen, omdat haar geestelijk letsel onvoldoende is onderbouwd. Uit de stukken blijkt niet dat een diagnose is gesteld. De gestelde immateriële schade kan evenmin worden afgeleid uit de aard en ernst van de normschending.
De vordering van [bedrijf] komt ook voor toewijzing in aanmerking.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft samengevat het volgende aangevoerd.
Wat betreft de vorderingen van de beide benadeelde partijen [nabestaande 1] wordt gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De door de benadeelde partij [benadeelde partij] gevorderde verhuiskosten moeten worden afgewezen of de benadeelde partij moet in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. Die kosten zien namelijk op het inrichten van de tuin van haar nieuwe woning. Dit betreft geen rechtstreeks geleden schade. Ook de gevorderde immateriële schade komt niet voor toewijzing in aanmerking, omdat onvoldoende is onderbouwd dat sprake is van aantasting in de persoon op andere wijze.
Bij de vordering van de benadeelde partij [bedrijf] ontbreekt een uittreksel van de Kamer van Koophandel en een machtiging voor het indienen van die vordering, wat ertoe moet leiden dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering. Subsidiair is verzocht de vordering af te wijzen, omdat de schade onvoldoende is onderbouwd, nu de bijgevoegde offerte ziet op een andere woning en geen rekeningafschrift is overgelegd waaruit blijkt dat de factuur daadwerkelijk door [bedrijf] is betaald.
Het juridisch kader
De rechtbank wijdt eerst een aantal overwegingen aan onderwerpen die voor de vorderingen van de benadeelde partijen [nabestaande 1] en [nabestaande 2] relevant zijn. Het betreft de kosten voor lijkbezorging en de affectieschade. Onder 7.5 zullen vervolgens de gevolgen van deze overwegingen per afzonderlijke vordering worden toegelicht.
Kosten van lijkbezorging
Op grond van artikel 51f, lid 2, Sv in samenhang met artikel 6:108, lid 2, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan degene die kosten heeft gedragen van lijkbezorging van een slachtoffer, dat als gevolg van een strafbaar feit is overleden, een vordering indienen om die kosten op de verdachte in het strafproces te verhalen. De term lijkbezorging is een verzamelterm en omvat meer dan enkel begrafeniskosten. De kosten dienen echter, gelet op de omstandigheden waaronder de overledene leefde, in redelijkheid te worden gemaakt.
Affectieschade
Op 1 januari 2019 is de Wet affectieschade en verplaatste schade in werking getreden en is het voor nabestaanden van overleden slachtoffers mogelijk om vergoeding van affectieschade te vorderen op grond van artikel 6:108, lid 3 en 4, BW. Het overlijden van het slachtoffer moet dan het gevolg zijn van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is. De rechtbank benadrukt dat deze vergoeding naar haar aard een symbolisch karakter heeft, omdat zij geen volledige compensatie kan bieden voor het verdriet van de naasten. De kring van gerechtigden is beperkt. Het bedrag waarop zij aanspraak kunnen maken, is vastgelegd in het Besluit vergoeding affectieschade.
Het oordeel van de rechtbank
De vordering van [nabestaande 1]
Materiële schade
Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezen verklaarde feit onder 1 primair rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De opgevoerde schadeposten zijn niet betwist en voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank is van oordeel dat de kosten van lijkbezorging in redelijkheid zijn gemaakt en zal de gevorderde materiële schade daarom toewijzen tot een bedrag van € 7.867,32.
Immateriële schade
De rechtbank overweegt dat de vordering namens de zoon van het dodelijke slachtoffer
[slachtoffer 2] is ingediend. [slachtoffer 2] is als gevolg van het strafbare feit onder 1 primair overleden. De benadeelde partij [nabestaande 1] , zijnde het meerderjarige niet-thuiswonende kind van [slachtoffer 2] , valt onder de beperkte kring van gerechtigden die aanspraak kunnen maken op vergoeding van affectieschade. Naar het oordeel van de rechtbank is komen vast te staan dat verdachte door het bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij in de vorm van affectieschade. Deze schadepost is niet betwist en voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank stelt vast dat het gevorderde schadebedrag overeenkomt met het vastgestelde bedrag in het Besluit vergoeding affectieschade. De rechtbank zal de gevorderde immateriële schade daarom toewijzen tot een bedrag van € 17.500,00.
Conclusie
De vordering van de benadeelde partij [nabestaande 1] zal in zijn geheel worden toegewezen tot een totaalbedrag van € 25.367,32, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan, zijnde 27 december 2024.
De vordering van [nabestaande 2]
Materiële/verplaatste schade
Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezen verklaarde feit onder 1 primair rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De opgevoerde schadeposten zijn niet betwist en voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat de kosten van lijkbezorging in redelijkheid zijn gemaakt en zal de gevorderde materiële schade daarom toewijzen tot een bedrag van € 169,73.
Immateriële schade
De rechtbank overweegt dat de vordering namens de zoon van het dodelijke slachtoffer
[slachtoffer 2] is ingediend. [slachtoffer 2] is als gevolg van het strafbare feit onder 1 primair overleden. De benadeelde partij [nabestaande 2] , zijnde het meerderjarige niet-thuiswonende kind van [slachtoffer 2] , valt onder de beperkte kring van gerechtigden die aanspraak kunnen maken op vergoeding van affectieschade. Naar het oordeel van de rechtbank is komen vast te staan dat verdachte door het bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij in de vorm van affectieschade. Deze schadepost is niet betwist en voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank stelt vast dat het gevorderde schadebedrag overeenkomt met het vastgestelde bedrag in het Besluit vergoeding affectieschade. De rechtbank zal de gevorderde immateriële schade daarom toewijzen tot een bedrag van € 17.500,00.
Conclusie
De vordering van de benadeelde partij [nabestaande 2] zal in zijn geheel worden toegewezen tot een totaalbedrag van € 17.669,73, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan, zijnde 27 december 2024.
De vordering van [benadeelde partij]
Materiële schade
Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezen verklaarde feit onder 1 primair rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De opgevoerde schadepost die ziet op het eigen risico van de inboedelverzekering is niet betwist en voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal deze post toewijzen.
De opgevoerde schadepost die ziet op de verhuiskosten is door de verdediging betwist. De rechtbank overweegt dat deze schadepost niet ziet op de kosten voor de tuin (zoals door de verdediging is gesteld), maar op de kosten die de benadeelde partij heeft moeten maken door de noodgedwongen verhuizing, zoals namens haar is toegelicht ter terechtzitting. Voor de hoogte van die kosten is aansluiting gezocht bij de forfaitaire verhuiskostenvergoeding in artikel 7:220, lid 5 en lid 6, BW. De rechtbank overweegt hierover dat hoewel de forfaitaire verhuiskostenvergoeding zijn grondslag vindt in de contractuele relatie tussen een huurder en verhuurder, het bedrag is gebaseerd op de in het normale geval aan verhuizen en herinrichten te relateren kosten. Dit zijn geen andere kosten dan de kosten die de benadeelde partij in redelijkheid voor haar verhuizing heeft moeten maken. Door de verdediging is ook niet weersproken dat dergelijke kosten door [benadeelde partij] zijn gemaakt als gevolg van de noodgedwongen verhuizing. De rechtbank stelt daarom vast dat ook deze schadepost rechtstreekse schade betreft die verdachte door het bewezen verklaarde feit onder 1 primair aan de benadeelde partij heeft toegebracht en zal de gevorderde verhuiskosten daarom toewijzen tot een bedrag van € 7.673,00.
Immateriële schade
Op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, BW heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding, anders dan vermogensschade als de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in haar eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in haar persoon is aangetast. Er is in ieder geval sprake van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’, indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die hier een beroep op doet, zal voldoende concrete gegevens dienen aan te voeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld.
Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In een dergelijk geval zal degene die zich hierop beroept, de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Het is voor het aannemen van een persoonsaantasting niet voldoende dat sprake is geweest van meer of minder sterk psychisch onbehagen of een zich gekwetst voelen. Dat is slechts anders, indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Er is bij de enkele schending van een fundamenteel recht niet reeds sprake van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW.
Hoewel door middel van het door de benadeelde partij aangeleverde huisartsenjournaal niet naar objectieve maatstaven vastgesteld kan worden dat sprake is van een diagnose en daarmee geestelijk letsel, is de rechtbank van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Daartoe overweegt de rechtbank dat de benadeelde partij van het ene op het andere moment haar vertrouwde woonplek en gehele inboedel is verloren en noodgedwongen heeft moeten verhuizen, zonder afscheid te kunnen nemen van haar woning en spullen (waaronder dierbare spullen op de slaapkamer van haar overleden bonuszoon). De benadeelde partij is sinds de gebeurtenissen op 27 december 2024 en tot op heden onder behandeling van de praktijkondersteuner voor de mentale klachten die zij als gevolg daarvan ondervindt. Ter zitting is namens de benadeelde partij toegelicht dat zij zich onder behandeling moet laten stellen van een psycholoog, als de klachten binnen twee maanden niet verminderen. Gelet op het voorgaande, stelt de rechtbank vast dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ sprake is. Daarmee is vast komen te staan dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden die voor vergoeding in aanmerking komt. De rechtbank acht het gevorderde bedrag aan immateriële schade billijk. De rechtbank zal de gevorderde immateriële schade daarom toewijzen tot een bedrag van € 2.600,00.
Conclusie
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] zal in zijn geheel worden toegewezen tot een totaalbedrag van € 10.423,00, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan, zijnde 27 december 2024.
De vordering van [bedrijf]
De door de benadeelde partij opgevoerde schade is onvoldoende komen vast te staan, omdat de gestelde schade onvoldoende is onderbouwd, terwijl namens verdachte de omvang ervan gemotiveerd is betwist. Er is een kostenoverzicht overgelegd dat niet te herleiden is naar het dossier, nu dit ziet op een andere woning dan die aan de [adres 1] . Bovendien wordt in de toelichting op de vordering vermeld dat een bepaald deel van de vordering reeds door de verzekeraar is vergoed, maar het is de rechtbank onduidelijk welk deel dit precies betreft. Stukken waaruit dit kan worden afgeleid zijn niet bij de vordering gevoegd. Gelet op deze omstandigheden kan de rechtbank niet vaststellen welke schade de benadeelde partij ten gevolge van de ontploffing en daaropvolgende brand heeft geleden. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om de vordering alsnog nader te onderbouwen levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. Daarbij komt dat er geen vertegenwoordiger van [bedrijf] ter terechtzitting aanwezig was. De rechtbank zal de benadeelde partij die gelegenheid mede daarom niet bieden. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom in de vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
De schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partijen hebben verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
De rechtbank zal ten aanzien van iedere voornoemde vordering de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partijen naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het primaire feit onder 1 aan hen is toegebracht. Als door de verdachte niet of niet volledig wordt betaald, kan gijzeling worden toegepast voor het volgende aantal dagen:
Vordering van [nabestaande 1]
142 dagen
Vordering van [nabestaande 2]
113 dagen
Vordering van [benadeelde partij]
77 dagen
Toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
8. De toegepaste wettelijke voorschriften
De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen.
9. De beslissing
De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
ten aanzien van feit 1 primair, feit 2 en feit 3:
de eendaadse samenloop van de misdrijven:
opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is, en het feit iemands dood ten gevolge heeft (feit 1 primair);
en
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, zware mishandeling en brandstichting, meermalen gepleegd (feit 2);
en
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen (feit 3).
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 primair, 2 en 3 bewezenverklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 (veertien) jaren;
- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;
schadevergoeding (feit 1 primair)
- wijst de vordering van de benadeelde partij [nabestaande 1] in zijn geheel toe tot een bedrag van € 25.367,32 (bestaande uit € 7.867,32 materiële schade en € 17.500,00 immateriële schade);
- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [nabestaande 1] van een bedrag van € 25.367,32 (vijfentwintigduizend driehonderd zevenenzestig euro en tweeëndertig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 december 2024;
- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de maatregel op dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 25.367,32 (vijfentwintigduizend driehonderd zevenenzestig euro en tweeëndertig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 december 2024, ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 142 dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
- wijst de vordering van de benadeelde partij [nabestaande 2] in zijn geheel toe tot een bedrag van € 17.669,73 (bestaande uit € 169,73 materiële schade en € 17.500,00 immateriële schade);
- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [nabestaande 2] van een bedrag van € 17.669,73 (zeventienduizend zeshonderd en negenenzestig euro en drieënzeventig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf
27 december 2024;
- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de maatregel op dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 17.669,73 (zeventienduizend zeshonderd en negenenzestig euro en drieënzeventig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 december 2024, ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 113 dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
- wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] in zijn geheel toe tot een bedrag van € 10.423,00 (bestaande uit € 7.823,00 materiële schade en € 2.600,00 immateriële schade);
- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij] van een bedrag van € 10.423,00 (tienduizend vierhonderd drieëntwintig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 december 2024;
- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de maatregel op dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 10.423,00 (tienduizend vierhonderd drieëntwintig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 december 2024, ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 77 dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
- bepaalt dat de benadeelde partij [bedrijf] in het geheel niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
- bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.A.M. Miltenburg, voorzitter, mr. M.A.H. Heijink en
mr. R.G.J. Gehring, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K.J. ten Brink, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2026.
Bijlage bewijsmiddelen
Leeswijzer
Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland met nummer PL0600-2025288542 en onderzoeksnummer ON2R024091, onderzoek Wolga24, gesloten op 11 augustus 2025, ook inhoudende het forensisch dossier van politie eenheid Oost-Nederland, Dienst Regionale Recherche, Afdeling Specialistische ondersteuning, Team Forensische Opsporing, met nummer
PL0600-2024605500, gesloten op 6 augustus 2025. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
Feit 1 primair
1. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 15 januari 2026, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:
Ik was op 27 december 2024 bij de woning aan de [adres 1] . Toen [slachtoffer 1] de voordeur niet voor mij opende en mij niet normaal te woord wilde staan, werd ik heel kwaad en ging ik van nul tot honderd. Ik heb achtereenvolgens twee gasflessen uit de voortuin gepakt en daarmee geprobeerd de voordeur open te krijgen door herhaaldelijk met die gasflessen tegen de voordeur, het hekwerk en de ruit van die deur te slaan. Beide gasflessen zijn uiteindelijk in de woning beland. Ik weet precies hoe gasflessen werken. Ik ben mij ervan bewust dat gas levensgevaarlijk is. Het klopt dat ik de bewoordingen richting [slachtoffer 1] heb geuit, zoals die te horen zijn op de camerabeelden van de beveiligingscamera die aan zijn woning was bevestigd.
2. Het proces-verbaal van verhoor verdachte van 28 december 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pagina’s 54-55):
A: Ik heb zelf ook gasflessen. Ik weet dus wel heel goed hoe ik daar mee om moet gaan. Ik had nooit met die dingen moeten gooien.
A: Ik pakte op een gegeven moment een gasfles. Hij (de rechtbank begrijpt:
[slachtoffer 1] ) ging weer weglopen en hij liet mij weer gewoon staan. Toen werd ik helemaal hotel de botel. Er ontstond een gat in het hekwerk bij de deur. Ik heb toen de eerste fles naar binnen gegooid en toen pakte ik de tweede fles en die heb ik ook naar binnen gegooid.
3. De schriftelijke uitwerking van het tapgesprek (herkomst 3009904621) van
17 januari 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pagina’s 468-470):
24 januari 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pagina’s 938 en 940-943):
27 januari 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pagina’s 966, 968-969 en 971-972):
5 augustus 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pagina’s 662, 664-665, 669, 672-676, 680-681, 685-686, 689-690 en 697-701):
Beller:
Naam: [verdachte]
Datum: 17-01-2025
Gebelde:
Tnv: [naam 4]
NNV (de rechtbank begrijpt: [naam 4] ):
Dus jij hebt geen gasfles naar binnen gegooid?
NNM (de rechtbank begrijpt: verdachte):
Ja, ik heb er twee naar binnen gegooid.
NNM: Het is dat die vent zo...
NNM: Gruwelijk... zo vervelend deed in een keer. En die wou me terugsturen naar huis.
NNV: Ja, en dan gaat bij jou het lampje uit.
NNM: Ja!
NNV: Dan gaat het lampje uit. Dan word jij boos. En dan pak je wat je pakken kan, om er naar binnen te komen.
NNM: Ja, dat is ook gebeurd.
4. Het proces-verbaal van bevindingen, betreffende de letterlijke uitwerking van het verhoor van [naam 2] , van 7 augustus 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pagina’s 287-288, 292-293 en 301-304):
Op 28 december 2024 werd getuige [naam 2] verhoord. Het verhoor werd auditief geregistreerd.
Het desbetreffende verhoor werd door mij zoveel mogelijk letterlijk uitgewerkt.
V = verhoorder
G = getuige
G: Hij (de rechtbank begrijpt: verdachte) bleef net zo lang rammen totdat hij door het raam heen was. Toen ben ik volgens mij een paar stappen achteruitgelopen, heeft hij... nou een andere gasfles gepakt.
G: Maar nou weet ik niet of dat hij al met gas naar binnen aan het spuiten was of niet.G: Ik weet dat ik dat gezien heb.
G: Ik stond ernaast.
G: Ik weet dat hij... ergens een van de twee gasflessen heeft opengedraaid.
G: Ik weet ook dat ik... hem heb zien staan met die gasfles. Die open was. Ik heb gas geroken. Ik heb gas gehoord.
V: Maar je zegt wel dat je zeker weet dat je hem hebt zien spuiten op een gegeven moment.G: Ja, dat heb ik gezien.
G: Hij hield die gasfles voor zich uit.
G: Gewoon recht voor zijn gezicht.G: Recht voor hem.
5. Het proces-verbaal van bevindingen, betreffende de letterlijke uitwerking van het verhoor van [naam 3] , van 7 augustus 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pagina’s 336, 348-349 en 357):
Op 28 december 2024 werd getuige [naam 3] verhoord. Het verhoor werd auditief geregistreerd.
Het desbetreffende verhoor werd door mij zoveel mogelijk letterlijk uitgewerkt.
V = verhoorder
G = getuige
V: En dan word je op gegeven moment gebeld zei je.
G: Door [naam 2] (de rechtbank begrijpt: [naam 2] ).
V: [naam 2] geeft dan aan dat het helemaal uit de hand loopt. Na tien minuten, kwartier, zei je he?
G: Ja, tien minuten, kwartier ongeveer. Zij geeft aan dat het uit de hand loopt en dat [verdachte] (de rechtbank begrijpt: verdachte) met een open gasfles in zijn handen staat.
G: Met een opengedraaide gasfles.
V: “Toen uit de auto gestapt en onderweg ernaartoe, kwamen we [naam 2] tegen”. En toen?
G: Toen vertelde zij dat hij (de rechtbank begrijpt: verdachte) dus een glasfles had opengedraaid.
G: [verdachte] die draaide zich om. Die is richting de poort gelopen. Toen heeft [verdachte] een nieuwe gasfles gepakt. Die daar stond.
G: Toen heeft hij schijnbaar op dat moment dus die gasfles opengedraaid. Nou en [naam 2] hoorde dat en die rook dat en die is weggelopen.
V: En wat deed hij toen met die gasfles?
G: Zoals ik het begreep, stond hij door dat kapotte raam het naar binnen te spuiten.
6. Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 5] van 28 december 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pagina 419):
A: Wij waren gisteren (de rechtbank begrijpt: op 27 december 2024) thuis. Buiten aangekomen hoorde ik geluiden van een ruzie. Plotseling hoorde ik een soort sissend geluid, gevolgd door een enorme knal. Toen zag ik vuur bij de woning van
onze achterburen (de rechtbank begrijpt: de woning aan de [adres 1] ).
7. Het proces-verbaal van bevindingen van 7 januari 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pagina’s 167-168):
Voor het onderzoek Wolga24 heb ik, verbalisant [verbalisant 3] , de geluidsopname beluisterd van het telefoongesprek met de brandweermeldkamer en deze woordelijk uitgewerkt in dit proces-verbaal van bevindingen.
Dit betreft een geluidsopname van een telefoongesprek waarin een persoon, die zich voorstelde als een persoon die binnen in de woning is aan de [adres 1] (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 1] ), melding doet van een brand in zijn woning.
Geluidsopname 1
Medewerker meldkamer:
Meldkamer brandweer, uit welke plaats belt u?
Bewoner [adres 1] :
[adres 1] grote woning brand, een gasfles is in huis, ik word aangevallen.
Bewoner [adres 1] :
[adres 1] is een gasfles naar binnen gegooid die openstond (stem klinkt buiten adem) ik stond helemaal in de brand.
Bewoner [adres 1] :
Ik sta in de badkamer met een brand beneden.
Bewoner [adres 1] :
Mijn vrouw en ik in de badkamer.
Bewoner [adres 1] :
Hij gooit het dwars door de ramen en het straalde naar binnen heen.
8. Het proces-verbaal van bevindingen van 29 december 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pagina’s 160-161):
Op 28 december 2024 heb ik telefonisch contact gehad met de 1e bevelvoerder van de brandweer die ter plaatse is geweest bij de brand aan de [adres 1] .
Hij heeft op mijn verzoek zijn bevindingen zelf op papier gezet. Deze heb ik hieronder weergegeven:
Wij werden gealarmeerd voor een woningbrand aan de [adres 1] . Tijdens het aanrijden zagen wij dat de brand volledig uitslaand was, hierop heb ik de [nummer] een blussing laten uitvoeren op de voorzijde van het pand.
Ik werd door de [nummer] naar de voorkant geroepen omdat deze hier een gasfles aantrof. Hij gaf aan de voordeur te hebben verwijderd om beter bij de vuurhaard te komen. Samen hebben wij de gasfles weggehaald en daardoor zag ik zelf nog een 2e gasfles staan. Ook deze fles weggehaald.
De andere manschappen waren op dat moment aan de achterzijde bezig om naar binnen te komen en konden dit via de ladder die daar al stond doen op de 1e verdieping. Zij hebben daar alle ruimtes gescand en zagen de twee slachtoffers liggen in de badkamer. Beide slachtoffers zijn naar beneden gehaald en overgedragen aan de ambulance.
Gasfles nummer 1 stond bij de deur naar de woonkamer en hiervan was de draaiknop al weg. Gasfles nummer 2 stond rechts achter de voordeur en was nog dicht. Gasfles nummer 3 stond samen met een kachel in de hoek van de woonkamer naar de trapopgang.
9. Het proces-verbaal van bevindingen van 3 januari 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pagina’s 201-213):
Ik, verbalisant, heb ten behoeve van het onderzoek de camerabeelden bekeken en uitgewerkt. Het betreffen bewegende beelden met geluid van 27 december (de rechtbank begrijpt: 27 december 2024), tussen de tijdstippen 19.45 - 20.00 uur.
De beelden zijn afkomstig van de beveiligingscamera van de woning aan de [adres 1] . De beveiligingscamera was bevestigd aan de voorgevel en gericht op de voortuin en een gedeelte van de voordeur.
Op de beelden zijn twee personen te zien en te horen en door mij aangeduid en beschreven als:
Persoon l: Verdachte [verdachte] . De verdachte herken ik op de foto’s die gemaakt zijn van de verdachte na aanhouding op 27 december 2024.
Persoon 2 (de rechtbank begrijpt: [naam 2] ).
Foto 3 19:50:07
Op de beelden is te zien dat verdachte [verdachte] en persoon 2 door de geopende poort de voortuin inlopen.
[afbeelding]
19:51:19
Een man zegt: “ [verdachte] . Ja, [verdachte] . Doe de deur open.”.
19:54:11
Een man schreeuwt: “Ik tel tot drie. Eén, twee! Doe je em nou open of nie?”.
19:54:20
Een man schreeuwt: “Doe nu open zeg ik je. Anders gaat je hele gevel eruit!”.
19:54:51
Een man schreeuwt: “De deur eruit of opendoen!”.
Foto 7 19:55:06
Linksonder in beeld is een voorwerp te zien dat lijkt op een bovenkant van een
gasfles. Op de beelden is te zien en te horen dat er met dit voorwerp hard tegen de ruit van de voordeur wordt geslagen.
Ik hoor vervolgens dat er glas breekt.
[afbeelding]
19:55:22 - 19:55:40
Er is een luid slaan en bonkend geluid te horen en onverstaanbaar geschreeuw. Een man schreeuwt: “Doe de deur open zeg ik!”. Een man schreeuwt: “Nee. Ik vermoor (de rechtbank begrijpt: vermoord) jou, doe die deur open!”.
19:55:45 - 19:56:10
Er is aanhoudend een geluid te horen dat lijkt op het breken van glas.
19:55:59
Een man schreeuwt: “Doet die deur open!”.
Een bonkend geluid, schreeuwen en brekend glas blijft aanhouden.
Een man schreeuwt: “Ja, ken je gillen wat je wilt!”.
19:56:13 -19:56:40
Het geluid van brekend glas en onverstaanbaar geschreeuw blijft aanhouden.
19:56:35
Een man schreeuwt: “Moet ik verder gaan?”
19:56:37
Een man schreeuwt: “Doet die deur open!” Het geluid van brekend glas blijft aanhouden.
19:56:40 - 19:56:50
Het geluid van brekend glas blijft aanhouden.
Foto 9 19:56:50
Op de beelden is te zien dat verdachte [verdachte] een voorwerp pakt. Dit voorwerp lijkt op de bovenkant van een gasfles. Dit voorwerp staat tegen het muurtje rechts van de poort, (aangeduid met rode pijl). Persoon 2 kijkt toe.
[afbeelding]
Foto 10 19:56:51
Op de beelden is te zien dat verdachte [verdachte] zich omdraait met de gasfles in zijn hand en richting de voordeur links uit het beeld verdwijnt.
[afbeelding]
Foto 11 19:56:52
Op de beelden is te zien dat de bovenkant van het genoemde voorwerp niet meer tegen het muurtje staat (aangeduid met gele pijl).
[afbeelding]
19:56:54
Er is een slaand geluid te horen.
De persoon met de bontmuts (de rechtbank begrijpt: [naam 2] ) blijft toekijken.
19:56:56 -19:57:59
Er is een aanhoudend sissend geluid te horen.
Foto 12 19:57:03
Op de beelden is te zien dat de persoon met bontmuts achterwaarts naar de poort loopt en toekijkt in de richting van de voordeur. Daarbij blijft het aanhoudende sissende geluid en brekend glas te horen.
[afbeelding]
19:57:18-19:57:58
Er is veel geschreeuw, gesis, en geluid van brekend glas te horen.
19:57:32
Een man blijft aanhoudend schreeuwen: “Help… help… help… help… help!”.
Foto 15 19:57:58
Op de beelden is er bij de voordeur van de woning een ontploffing te zien en horen.
[afbeelding]
Foto 16 19:57:59
Er zijn vlammen zichtbaar bij de voordeur.
[afbeelding]
10. Het proces-verbaal van bevindingen van 13 januari 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pagina’s 198-199):
De camera aan de voorgevel neemt het volgende beeld op:
[afbeelding]
Dit betreft de voorzijde van de woning aan de [adres 1] . Midden in het opgenomen beeld, naast de toegangspoort aan de rechterzijde, gezien vanaf de woning, zie ik een gasfles staan. De beelden zijn van 27-12-2024 vanaf 00:00 uur opgenomen. Er valt dus te zeggen dat op 27-12-2024, de gasfles welke te zien is op camerabeeld, er al stond.
[afbeelding]
Op 27-12-2024, om 14:31 uur, is de gasfles te zien bij daglicht. De gasfles zelf is grijs/wit van kleur. Ik zie dat er een zwarte draaidop/kraan aanwezig is op de gasfles aan de bovenzijde van de gasfles. Ik zie dat het middengedeelte van de draaidop/kraan wit/grijs is van kleur. Dit betreft een rondje.
[afbeelding]
Om 19:55 uur, op voorgenoemde datum, zie ik links onderin een voorwerp in beeld, gelijkend op een gasfles. Ik zie dat deze een gelijkende kleur heeft als de gasfles, welke nog steeds bij de toegangspoort staat. Ik zie dat in het midden van de gasfles een zwarte kleur te zien is. Om de zwarte kleur is een wit/grijze kleur te zien.
11. Het proces-verbaal forensisch onderzoek van 6 februari 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pagina’s 1000-1001):
E: Onderzoek en beschrijven van de camerabeelden voor het moment dat er een “sissend geluid” te horen is.
Door mij, verbalisant [verbalisant 2] , zijn de videobeelden van de “Camera voorzijde 19.55.00-20.00.00” nader beluisterd en bekeken.
19:56:54Aansluitend is onder het “hellup” geroep van [slachtoffer 1] een luid gesis te horen. Dit gesis is van een lager volume in geluid naar een harder geluid gegaan, door mij wordt aangenomen en hoorbaar herkend dat het hier gaat om een gasfles waarvan de gaskraan is opengedraaid.
19:56:58
Het gesis is hier op zijn hardst. Dit duurt enkele seconden.
19:57:00Het sissende geluid is niet consistent/homogeen, maar wordt kennelijk in zijn uitstroom beïnvloed. Het is mogelijk dat er met de opening naar binnen wordt gespoten of dat de fles naar binnen wordt gewerkt, door het opengebroken bovendeel van de toegangsdeur waar het rooster en het glas van de ruit aanwezig waren, waarbij de uitstroom langs de aanwezige randen van de voordeur heen gaat, dan wel een combinatie van deze handelingen.
19:57:13Vanaf dit tijdstip klinkt het sissende geluid van de gasfles gedempter, alsof deze nu in de woning achter de voordeur in de hal staat dan wel ligt.
19:57:58Op dit moment vindt de gasexplosie plaats met een grote steekvlam. De voordeur en het donkere paneel rechts naast de voordeur zijn op dit moment weggeblazen.
12. Het schouwverslag van de GGD van 28 december 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pagina’s 578-579):
[slachtoffer 1]
Man is in de ambu (de rechtbank begrijpt: ambulance) nog gereanimeerd, maar daar overleden. Door politie gelogd op overleden om [tijd] .
De huid is voor een groot deel losgelaten en of verdwenen. Het deel waar de huid is verdwenen ziet rood en past bij een tweedegraads verbranding. Het betreft met name het voorhoofd, de neus, de linker- en rechterzijde van het aangezicht.
Rechter arm de huid ter hoogte van de elleboog is losgelaten en/of verdwenen. Het deel waar de huid is verdwenen ziet rood en past bij een tweedegraads verbranding. De onderarm is beroet.
Aan de binnenzijde van de rechter onderarm zien we nog een 4-tal losgelaten en/of verdwenen huiddelen. Het deel waar de huid is verdwenen ziet rood en past bij een tweedegraads verbranding.
Linker onderarm en hand zijn fors verbrand en de huid is voor een groot deel hier ook losgelaten. Het deel waar de huid is verdwenen ziet rood en past bij een tweedegraads verbranding.
13. Het NFI-rapport, inhoudende het forensisch pathologisch onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet-natuurlijke aard van overlijden, van
1 Overledene
Naam [slachtoffer 1]
Bovengenoemde persoon is overleden op [adres 1] op
27 december 2024.
5 Resultaten
B. Uit- en inwendige schouwing
4. Aan het lichaam was roetbevuiling.
6 Interpretatie van resultaten
Brand
Het lichaam toonde tekenen van verblijf in een brand met inademing van hete brandrook. Hierbij was er roetafzetting in de luchtwegen, hittebeschadiging van de luchtwegen en koolmonoxidestapeling in het bloed.
De verhoogde concentratie koolmonoxide in het lichaam (mogelijk in combinatie met andere brandgassen zoals cyanide) kan samen met de inwendige brandbeschadiging van de luchtwegen (en ziekelijke longafwijkingen) het ontstaan van een reanimatie-behoeftige toestand en het uiteindelijke overlijden verklaren.
7 Conclusie
Het ontstaan van een reanimatiebehoeftige toestand en het uiteindelijke overlijden
van [slachtoffer 1] , kan worden verklaard op basis van inademing van hete brandrook. Bestaande ziekelijke longafwijkingen kunnen een bijdrage hebben geleverd aan het overlijden. Een andere doodsoorzaak is niet gebleken.
14. Het schouwverslag van de GGD van 28 december 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pagina’s 586 en 588):
[slachtoffer 2]
Evaluatie
BE is gereanimeerd en naar het ziekenhuis in Zwolle overgebracht. Daar bleek dat de schade door zuurstofgebrek/inademen rook voor hersenschade en multi
orgaan-falen had geleid. Bij infauste prognose is de behandeling gestaakt en is BE overleden.
15. Het NFI-rapport, inhoudende het forensisch pathologisch onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet-natuurlijke aard van overlijden, van
1 Overledene
Naam [slachtoffer 2]
Bovengenoemde persoon is overleden in het Isala Zwolle op 27 december 2024.
5 Resultaten
B. Uit- en inwendige schouwing
4. Aan het lichaam was roetbevuiling.
6 Interpretatie van resultaten
Brand
Het lichaam toonde tekenen van verblijf in een brand met inademing van hete brandrook. Hierbij was er roet in de diepe luchtwegen, hittebeschadiging van de luchtwegen en koolmonoxidestapeling in het bloed.
De verhoogde concentratie koolmonoxide in het lichaam (mogelijk in combinatie met andere brandgassen zoals cyanide) kan samen met de inwendige brandbeschadiging van de luchtwegen en de ziekelijke hartafwijkingen het ontstaan van een reanimatie-behoeftige toestand en het uiteindelijke overlijden verklaren.
Een andere doodsoorzaak is niet gebleken.
7 Conclusie
Het ontstaan van een reanimatiebehoeftige toestand en het uiteindelijke overlijden
van [slachtoffer 2] , kan worden verklaard op basis van inademing van hete brandrook. De bestaande ziekelijke hartafwijkingen kunnen een bijdrage hebben geleverd aan het overlijden. Een andere doodsoorzaak is niet gebleken.
16. Het proces-verbaal forensisch ontploffing- en brand onderzoek van
EERSTE UITGEVOERDE ONDERZOEK PLAATS DELICT Brandschade hal: Wij zagen dat er, met name op de begane grond, een forse brand in deze woning had gewoed. Wij zagen aan de voorzijde van de woning dat de kleine hal, in de uitbouw rechts tegen de voorgevel, volledig was uitgebrand.
Ontploffing in de hal [adres 1] :
Uit de bevindingen van de volledig afgebroken kozijnstijl van de voordeur, de weggeslingerde dakpannen van de daken van de uitbouw van nummer [adres 1] en nummer [adres 2] , gecombineerd met de informatie dat voorafgaand aan de brand een ontploffing had plaatsgevonden, bleek ons dat deze ontploffing zich vermoedelijk had voorgedaan in de hal achter de voordeur van de [adres 1] .
Brandschade woonkamer:
Vanuit de hal de woonkamer in gezien, zagen wij dat er in de woonkamer eveneens een forse brand had gewoed. Vanaf de hal de woonkamer in gezien zagen wij verder dat de brandschade aan meubels en overige goederen afnam naar gelang de afstand tot de hal groter werd, met andere woorden; hoe verder vanaf de hal de woonkamer in, hoe minder brandschade de meubels en overige goederen vertoonden. Dit brandbeeld in de woonkamer kon passen bij een brandontwikkeling die in de hal het meest heftig is geweest en die vanuit de hal de woonkamer is ingetrokken.
Badkamer Wij zagen verder dat de badkamer, aan de rechter achterzijde van de woning, rondom zwaar beroet was. Aan de hand van egale beroeting van de buitenzijde en binnenzijde van de badkamerdeur bleek ons dat deze deur tijdens de brand dicht was geweest. Wij zagen boven de badkamerdeur een bovenlicht. Wij zagen dat het glas van dit bovenlicht geknapt was en deels op de vloer van de overloop lag. De badkamerdeur betrof de enige toegang om de badkamer in en uit te gaan.
Informatie brandweer: Op ons verzoek verscheen ter plaatse de brandweerman die de voorgaande avond bij het ter plaatse blussen van de brand de rol van bevelvoerder had gehad. Hij vertelde ons dat:- de brandweerlieden op de begane grond op de vloer achter in de woonkamer ter hoogte van de keuken een gaskachel met een aangesloten gasfles hadden aangetroffen.
- De kraan van deze gasfles openstond en waarop deze kraan was dichtgedraaid.
Ontbrekende deur van de hal naar woonkamer: Vanaf de woonkamer gezien zagen wij boven- en onderaan aan de linkerzijde van het kozijn scharnierpunten op dit woonkamer-kozijn gemonteerd. Wij zagen op/bij de scharnierpunten van het kozijn geen contra-scharnierpunten welke aan de kopse kant van een deur bevestigd zouden zijn geweest. Gezien de zeer zware brandschade aan dit kozijn was de verwachting, wanneer voorafgaand aan de brand een deur in deze deuropening aanwezig was geweest, dat deze deur dan mogelijk volledig was weggebrand. Echter, in dat geval zouden twee metalen scharnierpunten, welke aan de deur gemonteerd zouden zijn geweest, nog aanwezig zijn op/bij de aanwezige scharnierpunten van het kozijn. Uit het feit dat deze scharnierpunten van de deur niet aanwezig waren, en wij bij de door de brandweer uit de verschillende kozijnen verwijderde deuren geen deur aangetroffen die qua brandschade kon passen bij de brandschade bij dit kozijn, bleek ons dat er in dit kozijn van de hal naar de woonkamer voorafgaande aan de brand vermoedelijk geen deur aanwezig was geweest.
Gasflessen op de oprit:
Wij zagen op de oprit twee gasflessen staan die rondom zwaar verbrand waren. Wij zagen dat van één van deze gasflessen de draaidop van de kraan ontbrak. Wij begrepen dat dit de twee gasflessen betroffen welke door de brandweer in de brandende hal van de woning waren aangetroffen.
Ik, verbalisant, heb de twee verbrande gasflessen veiliggesteld en inbeslaggenomen. De gasfles zonder draaidop van de kraan is voorzien van SIN AAQV2727NL en de gasfles met de volledige kraan is voorzien van SIN AAQV2726NL.
TWEEDE UITGEVOERDE ONDERZOEK PLAATS DELICT
Positie meterkastdeur bij de brand:
Wij zagen onderaan de linker kozijnstijl van de meterkast het onderste scharnier waarmee de meterkastdeur had gescharnierd. Wij zagen dat dit scharnier bestond uit het scharnierdeel dat vastzat aan de kozijnstijl met daarbovenop het scharnierdeel dat vast had gezeten aan de meterkastdeur. Hieruit konden wij opmaken dat de deur van deze meterkast, hoewel nu volledig weggebrand, voorafgaand aan de brand aanwezig was geweest. Was deze deur voorafgaand aan de brand namelijk niet aanwezig geweest, dan was het stuk scharnier, dat vast had gezeten aan de kopse kant van deze deur, logischerwijze ook niet aanwezig geweest. Dit stuk scharnier zit namelijk met de horizontale pen vast in de zijkant van de deur en waarbij deze pen zich evenwijdig aan de voorzijde van de deur bevindt.
Wij zagen dat de aanwezige pen van het stuk scharnier, die zich in de kopse kant van de deur had bevonden, zich nu in een evenwijdige positie ten opzichte van de voorzijde van de meterkast bevond. Deze stand van het scharnier wordt verkregen wanneer de meterkastdeur gesloten is en waaruit derhalve kon blijken dat de deur van deze meterkast ten tijde van de brand dicht had gezeten.
NADER INTERN ONDERZOEK VEILIGGESTELDE SPORENDRAGERS:
Gasfles met gaskachel uit woonkamer SIN AAQR0608NL en AAQR0609NL:
De gaskachel met SIN AAQR0609NL en de daarop aangesloten gasfles met SIN AAQR0608NL vertoonden beide brandschade. Derhalve betroffen dit vermoedelijk de gaskachel en de bijbehorende gasfles welke door de brandweer achter in de woonkamer waren aangetroffen. Bij het schudden voelde ik een vloeistof in deze gasfles klotsen. Ik begreep hieruit dat er een hoeveelheid gas in vloeibare vorm in deze gasfles aanwezig was.
Wanneer deze gaskachel, waar deze gasfles op aangesloten was geweest, in werking was dan bevond zich in deze kachel een open vuur. Ik zag nu dat deze kachel beroet was en dat diverse kunststofdelen aan de buitenzijde gesmolten waren. Hieruit bleek mij dat deze kachel vanaf de buitenzijde beschadigd was geraakt door hitte en rookgassen, wat overeenkwam met de locatie waar deze kachel was aangetroffen; achter in de woonkamer waarin een brand gaande was.
OORZAAK VAN DE ONTPLOFFING EN DE DAAROPVOLGENDE BRAND: Vermoedelijk gas dat uit één of beide van deze gasflessen, welke in de hal werden aangetroffen, is de enige bron die in deze hal een ontploffing kon hebben veroorzaakt. Afgezien van deze gasflessen is door ons, verbalisanten, in deze hal namelijk geen ander voorwerp c.q. bron of omstandigheid aangetroffen die in deze hal onder de gegeven omstandigheden een ontploffing kon hebben veroorzaakt.
SCENARIO Door ons, verbalisanten, is uit bovenstaande onderzoeksbevindingen, het volgende meest waarschijnlijke scenario voor het ontstaan van de ontploffing en de daaropvolgende brand in de woning aan de [adres 1] bepaald:De ontploffing in de hal heeft bestaan uit een heftige drukgolf, veroorzaakt door de plotselinge volume-toename van het ontplofte gas-luchtmengsel, gecombineerd met een vlamfront veroorzaakt door de explosieve verbranding van dit gas-luchtmengsel.Door de vrijgekomen heftige drukgolf is tevens de in de hal aanwezige meterkast zwaar beschadigd en waarbij de huis-gasaansluiting dusdanig beschadigd is geraakt dat een gasleiding en/of de gasdrukregelaar in deze meterkast dusdanig beschadigd zijn geraakt dat er in de gasleiding en/of gasdrukregelaar een lekkage is ontstaan en waarna aardgas onbelemmerd uit deze huisgasinstallatie kon uitstromen.Het ontstane vlamfront heeft zich met de drukgolf razendsnel verspreid.Ten gevolge van de schadeveroorzakende drukgolf en het vlamfront is in de hal brand uitgebroken en waarbij het gas, wat vervolgens vrijkwam uit de lek geraakte huis-gasaansluiting in de meterkast, in brand is geraakt.De brand is vervolgens vanuit de hal de woonkamer ingetrokken. Het nog aanwezige gas in de bewuste gasfles met opengedraaide kraan is brandend uitgestroomd totdat deze gasfles leeg was.
De mannelijke bewoner en vrouwelijke bewoonster zijn vervolgens op de eerste etage in de badkamer gaan schuilen voor de uitgebroken brand.De brand heeft zich in de woonkamer dusdanig uitgebreid dat er op een gegeven moment, wanneer de deur van de kamer naar de gang gesloten is geweest, een gat is ontstaan in de gesloten deur, waarna hete en verstikkende rookgassen vanuit de woonkamer de gang zijn ingetrokken.Deze hete en verstikkende rookgassen zijn vervolgens razendsnel via de trap naar de overloop op de eerste etage getrokken.De brand heeft zich in de hal bij de voordeur dusdanig uitgebreid dat hij via het dak van deze hal is uitgeslagen en vervolgens langs de buitengevel naar een bovengelegen raam van de slaapkamer op de eerste etage is getrokken.Door de hitte van de rookgassen is het glas van dit raam geknapt. De hete en verstikkende rookgassen zijn via dit raam de slaapkamer ingetrokken en hebben zich verder verspreid richting overloop.Onder het plafond van de overloop is vervolgens een steeds dikkere laag zeer hete en verstikkende rookgassen ontstaan. De hitte van deze rookgassen hebben op een gegeven moment het glas van het raam boven de badkamerdeur laten knappen en waarna deze hete en verstikkende rookgassen de badkamer zijn ingetrokken.De man en vrouw zijn vervolgens in de badkamer geconfronteerd met deze hete en verstikkende rookgassen.
Gemeen gevaar voor goederen: Bij de ontploffing is de woning zwaar beschadigd geraakt; een kozijn van de voordeur is afgebroken en waarna de voordeur deels naar buiten is geblazen, ook is de huis-gasaansluiting beschadigd geraakt waardoor deze lek is geraakt en zijn diverse dakpannen van het dak van de hal van deze woning en van de naastgelegen woning weggeslingerd. Er was gemeen gevaar voor goederen te duchten.
Levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander: Tijdens de ontploffing was de mannelijke bewoner (het slachtoffer [slachtoffer 1] ) vermoedelijk aanwezig in de hal achter de voordeur of vooraan in de woonkamer.
Bij de ontploffing van het gas-luchtmengsel ontstond een heftige drukgolf gecombineerd met een vlamfront. De mannelijke bewoner is vervolgens in de hal of vooraan in de woonkamer geconfronteerd met deze drukgolf en het vlamfront. Deze heftige drukgolf, dusdanig heftig dat onder meer het kozijn van de voordeur isafgebroken, had zwaar inwendig letsel bij de mannelijke bewoner kunnen veroorzaken met alle lichamelijke risico's van dien. Er was bij deze ontploffing derhalve levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten.
Levensgevaar voor een ander en het feit iemands dood ten gevolge heeft: Ten gevolge van deze brand zijn de mannelijke en vrouwelijke bewoner van deze woning om het leven gekomen. Er was bij deze ontploffing derhalve levensgevaar voor een ander te duchten en dit feit heeft iemands dood ten gevolge.
17. Het aanvullend, herzien NFI-rapport, inhoudende het brandtechnisch onderzoek naar aanleiding van een explosie en een brand in een woning in Vroomshoop op 27 december 2024 van 28 augustus 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pagina’s 7, 9, 11-14, 16-17, 19, 22, 26-27 en 31):
7 Dossieronderzoek
Resultaten
Ventilatie in de woning
- In het deurkozijn tussen de hal en de woonkamer zijn scharnierpunten aanwezig. Er zijn echter geen contra-scharnierpunten aanwezig. Indien er een deur in dit deurkozijn aanwezig was die tijdens het incident is weggebrand, zouden de contra-scharnierpunten van die deur nog wel zichtbaar moeten zijn. Uit het feit dat deze niet zichtbaar zijn, volgt dat er in de opening tussen de hal en de woonkamer al voor het incident vermoedelijk geen deur aanwezig was.
Ontstekingsbronnen
Ter verwarming van de woning werden gaskachels gebruikt die vermoedelijk in
werking waren voor en ten tijde van het incident.
Interpretatie
Pas nadat de verdachte een tweede gasfles uit de voortuin pakt, is een sissend geluid te horen (vanaf 19:56:55) gedurende circa één minuut tot de explosie (19:57:58). Hieruit valt op te maken dat alleen uit deze tweede gasfles gas heeft gestroomd gedurende dat tijdsbestek. Op basis van de beelden staat enkel vast dat er gedurende maximaal één minuut gas de woning in heeft kunnen stromen. Hier zal in het restant van dit rapport dan ook vanuit gegaan worden.
Uit de relevante informatie blijkt dat de doorgang tussen de hal en woonkamer geen
deur bevatte. Van de deur tussen de woonkamer en de gang valt niet met zekerheid te zeggen dat deze dicht zat. In dit rapport wordt er daarom vanuit gegaan dat deze deur geopend was. Daarmee vormden de hal, woonkamer en de gang een aaneengesloten ruimte, ook wel compartiment genoemd. Het gas heeft dus zowel de hal, de woonkamer als de gang in kunnen stromen. Daarmee kon de ontstekingsbron van de explosie zich zowel in de hal, woonkamer als de gang bevinden.
De brandweer heeft verklaard dat er in de hal twee gasflessen zijn aangetroffen. Bij een van de twee gasflessen zat de kraan dicht en bij de andere gasfles ontbrak de draaiknop op de kraan. Hieruit volgt dat het gas niet uit gasfles [AAQV2726NL] kan zijn gestroomd, waarvan de kraan gesloten was. Dus moet het gas gestroomd zijn uit gasfles [AAQV2727NL], waarvan de draaiknop op de kraan ontbrak.
8 Technisch onderzoek gasflessen
Resultaten
Visueel onderzoek en foto’s
De opbouw is voor alle gasflessen gelijk. De hals van de gasfles bevat een opschrift met een aantal eigenschappen van de gasflessen. Deze opschriften zijn ook op de aangetaste gasflessen nog terug te vinden (zie de detailfoto van het opschrift van gasfles [AAQV2727NL] in figuur 5).
[afbeelding]
Kranen van gasflessen [AAQV2726NL] en [AAQV2727NL]
Zie figuur 6 voor foto's van de kranen zoals deze door het NFI zijn ontvangen. De kraan van gasfles [AAQV2726NL] stond dicht en de kraan van gasfles [AAQV2727NL] stond open.
[afbeelding]
Figuur 7 toont een schematische tekening van de kranen aan de hand waarvan de werking van de kranen wordt omschreven. Via de instroomopening (I) kan het gas vanuit de gasfles de kraan instromen. Via de uitstroomopening (U) kan het gas de kraan uitstromen. Of er daadwerkelijk gas vanuit de instroomopening via de uitstroomopening uit de kraan stroomt is afhankelijk van de positie van het puntstuk (P). Dit puntstuk is verbonden aan de draaiknop (D) . Door middel van de schroefdraad kan het puntstuk omhoog dan wel naar beneden bewogen worden, door te draaien aan de draaiknop. Wanneer het puntstuk helemaal naar beneden gedraaid wordt, blokkeert deze de stroming van het gas: de kraan zit dicht. Hoe verder het puntstuk naar boven gedraaid wordt, hoe meer gas er via de uitstroomopening de kraan uit kan stromen: de kraan staat open.
[afbeelding]
Interpretatie
Kranen en uitstroombeveiliging Zoals beschreven in paragraaf 8.2.2 kunnen kranen zoals gebruikt op gasflessen
[AAQV2726NL] en [AAQV2727NL] open of dicht gezet worden door aan de draaiknop te draaien. Om dergelijke kranen dus met de hand te kunnen bedienen is de aanwezigheid van deze draaiknop vereist. De kraan op gasfles [AAQV2727NL] is niet meer te bedienen, omdat de draaiknop niet meer aanwezig is.
De resultaten tonen dat de uitstroom van gas uit de kranen alleen belet wordt door het puntstuk wanneer dit helemaal naar beneden is gedraaid. Wanneer het puntstuk omhoog wordt gedraaid zal gas, indien aanwezig in de gasfles, door de kraan naar buiten stromen. Er is dus geen uitstroombeveiliging aanwezig in de kraan die een (onbedoeld) grote of langdurige uitstroom voorkomt.
Schade aan kraan gasfles [AAQV2727NL]
Het schadebeeld van de verhitte referentiekraan is in enige mate vergelijkbaar met dat van de kraan op gasfles [AAQV2727NL]. Het wordt daardoor mogelijk geacht dat de beschadiging aan de kraan op gasfles [AAQV2727NL] is veroorzaakt door hitte-inwerking van de brand.
10 Gasverspreiding: literatuuronderzoek en modellering
Ontstekingsbronnen
Wanneer een brandbaar gas-luchtmengsel zich binnen de explosiegrenzen bevindt, is er nog een geschikte ontstekingsbron nodig om een gasexplosie te laten plaatsvinden. Een geschikte ontstekingsbron geeft lokaal energie af aan het gas-
luchtmengsel. Op die plek warmt het gas-luchtmengsel op en wordt de verbrandingsreactie, en daarmee de explosie, in gang gezet.
Ontstekingsbronnen komen voor in verschillende verschijningsvormen. Veelvoorkomende ontstekingsbronnen in een woning zijn bijvoorbeeld:
- open vuur, zoals bijvoorbeeld de vlam van een kaars of de waakvlam van huishoudelijke apparatuur.
- Elektrische vonken, veroorzaakt door statische elektriciteit, het omzetten van (licht)schakelaars of het (al dan niet automatisch) aanslaan of afschakelen van elektronische apparatuur.
- Hete oppervlakken, zoals bijvoorbeeld de verwarmingselementen van gaskachels.
Behalve de gaskachel zullen ook nog een verscheidenheid aan andere mogelijke ontstekingsbronnen aanwezig zijn geweest in de woning, zoals elektronische apparatuur, die de explosie konden veroorzaken.
Van alle mogelijke ontstekingsbronnen wordt geacht dat de waakvlam van de kachel de meest aannemelijke ontstekingsbron is.
Modellering gasverspreiding
Modelparameters en waarden
Of het gas-luchtmengsel dat ontstaat ook daadwerkelijk explosief is hangt af van of de onderste explosiegrens (LEL) op enig moment gepasseerd wordt.
Samenvattend zijn de volgende waarden gebruikt:
- Lower Explosive Limit (LEL)
De onderste explosiegrens ofwel LEL voor een mengsel van propaan en butaan zoals LPG is ongeveer 2%.
Resultaten
Uit de modelberekeningen volgden de volgende resultaten:
- voor een staande gasfles wordt de LEL bereikt na ongeveer een minuut als uitgegaan wordt van een perfect twee-lagen systeem in de gehele, lege ruimte.
- Als aangenomen wordt dat de gasfles lag en er vloeistof uit de kraan stroomde wordt, onafhankelijk van het gekozen effectieve volume, de LEL bereikt binnen 10 seconden.
Interpretatie
Voor een gasexplosie moet aan twee voorwaarden worden voldaan. Ten eerste moet
er in het compartiment een explosief gas-luchtmengsel aanwezig zijn. Ten tweede
moet er een ontstekingsbron aanwezig zijn dat het mengsel doet ontsteken.
Uit de resultaten van het model blijkt dat, als er wordt uitgegaan van een twee-lagen systeem, er na ongeveer één minuut een explosief gas-luchtmengsel kan ontstaan in de gehele lege ruimte wanneer de gasfles staat. Als de gasfles ligt is deze periode aanzienlijk korter. Deze resultaten volgen uit een theoretisch model.
In het compartiment, en in het bijzonder de woonkamer, was een grote verscheidenheid aan objecten aanwezig. Deze objecten nemen ruimte in waardoor het effectieve volume in werkelijkheid kleiner is dan het effectieve volume dat gebruikt is binnen het model. In werkelijkheid zal de onderste explosiegrens dus mogelijk wat eerder bereikt kunnen worden dan voorspeld is door het model, maar zeker niet later.
Gegeven de hierboven besproken kanttekeningen moeten de resultaten van het model gezien worden als een inschatting van de tijd waarbinnen een explosief mengsel kan ontstaan. Aangezien door het model is voorspeld dat na ongeveer een minuut een explosief gas-luchtmengsel kan ontstaan, kan geconcludeerd worden dat het in werkelijkheid zeker mogelijk is dat na een minuut een explosief gas-luchtmengsel ontstaat.
In de woning waren meerdere mogelijke ontstekingsbronnen aanwezig. Hiervan wordt de waakvlam van de kachel in de woonkamer het meest aannemelijk geacht. De waakvlam vormde een continue ontstekingsbron ten tijde van het incident en bevond zich ter hoogte van het explosieve gas-luchtmengsel. Samenvattend is bij het incident dus aan beide voorwaarden voor een gasexplosie voldaan.
11 Beantwoording vragen
12. Is het mogelijk om aan de hand van de beelden, de aangeleverde SVO's, de
tekening van deze woning en de aangeleverde informatie aan te geven hoe het
verloop van de explosie geweest kan zijn?
Wanneer een brandbaar gas een ruimte instroomt en mengt met lucht, neemt de concentratie van dat brandbare gas toe. Na verloop van tijd wordt de onderste explosiegrens overschreden en ontstaat een explosief mengsel. Ingeschat wordt dat dit voor het in de woning uitstromende gas uit gasfles [AAQV2727NL] in een minuut kon gebeuren. Wanneer het gas-luchtmengsel zich tussen de explosiegrenzen bevindt kan het ontstoken worden door een ontstekingsbron, zoals de waakvlam van een gaskachel, die zich in het mengsel bevindt. Na het ontsteken ontstaat er een vlamfront dat zich door de ruimte heen beweegt. Doordat hierbij veel hitte ontstaat, vond er in de woning een drukopbouw plaats waardoor de schade kan zijn ontstaan die op het beeldmateriaal te zien is. Nadat het vlamfront van de explosie in contact is gekomen met andere brandbare materialen, zoals uitstromend gas uit een gasfles, is er brand ontstaan.
18. Het aanvullend proces-verbaal beantwoording vragen van raadsman van
11 november 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pagina’s 2 en 8-9):
BEANTWOORDING VRAGEN VAN RAADSMAN:
39. Wat is het voortschrijdend inzicht of de aanvullend verkregen informatie, dan wel de onderzoeksbevindingen die ertoe hebben geleid dat uw standpunt hieromtrent is gewijzigd?
Antwoord:
Nadat tijd werd gevonden om de theoretische werking van dergelijke gaskranen nader te bestuderen bleek dat dergelijke kranen slechts open kunnen gaan door een draaiende beweging van de draaiknop, en dat dergelijke kranen niet open konden gaan doordat een zwaar voorwerp, bij een rechtopstaande gasfles, boven op de draaiknop viel.
Aan de binnenzijde van de buisvormige kraan bevond zich inwendig schroefdraad. De draaiknop boven op de kraan was verbonden met een soort plunjer/staaf, voorzien van uitwendig schroefdraad. Deze plunjer/staaf bevond zich in de buisvormige kraan en door de aanwezige schroefdraad bewoog de plunjer, bij het draaien van de draaiknop, omhoog en omlaag in de kraan.
De onderzijde van deze plunjer was voorzien van een punt. Halverwege de buisvormige kraan bevond zich een opening waarlangs het gas vanuit de fles naar buiten kon. Bij een geheel dichtgedraaide kraan bevond de punt van de plunjer zich naar beneden richting de gasfles, voorbij de opening in de buisvormige kraan en waardoor deze opening was afgesloten door de plunjer en er geen gas uit de gasfles kon komen.
Bij een opengedraaide kraan bevond de punt van de plunjer zich naar boven, voorbij de opening in de buisvormige kraan en waardoor deze opening geopend was en gas uit de gasfles kon uitstromen. Voor het openen en sluiten van de kraan was dus een draaibeweging nodig van de draaiknop van de kraan. Voor het geheel openen van een gesloten kraan waren meerdere omwentelingen van de draaiknop nodig.
Wanneer bij een dergelijke gasfles een zwaar voorwerp boven op de draaiknop van de rechtopstaande gasfles valt dan wordt er een verticale naar beneden gerichte kracht op deze draaiknop uitgeoefend en waarbij deze draaiknop mogelijk kan afbreken, maar waarbij de kraan niet geopend zal worden. Voor het openen van de draaiknop is bij een staande gasfles namelijk een draaiende kracht in horizontale richting nodig.
Bij onderzoek van het NFI bleek dat de kraan van de gasfles met SIN AAQV2727NL, waarvan de draaiknop van de kraan ontbrak, zich in een geopende stand bevond.
Uit bovenstaande blijkt derhalve dat de kraan van deze gasfles zich, reeds voor het
verdwijnen van de draaiknop, in opengedraaide stand moet hebben bevonden.