[eiser], uit [woonplaats], eiser
en
College voor de Rechten van de Mens, verweerder
(gemachtigde: mr. D.V.R. Ramawadhdoebe).
Inleiding
1. Eiser heeft tegen de beslissing op bezwaar van verweerder van 2 december 2025 (het bestreden besluit) beroep ingesteld.
2. Eiser heeft op 7 januari 2026 aanvullende beroepsgronden ingediend.
Beoordeling door de rechtbank
2. Omdat de rechtbank onbevoegd is om van het beroep kennis te nemen, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De rechtbank legt hierna uit waarom zij onbevoegd is.
3. Op grond van artikel 8:5, eerste lid, van de Awb en de daarin genoemde Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak kan geen beroep worden ingesteld tegen besluiten die zijn genomen op grond van de Wet College voor de rechten van de mens (Wcrm), met uitzondering van de artikelen 14 tot en met 18. Dit betekent dat alleen tegen de beslissingen op grond van de artikelen 14 tot en met 18 van de Wcrm beroep bij de rechtbank kan worden ingesteld. Nu het beroepschrift van eiser ziet op de oordelende taak van verweerder die is geregeld in artikel 10 tot en met 12 Wcrm is de bestuursrechter niet bevoegd om kennis te nemen van het beroep van eiser. Zij zal zich dan ook onbevoegd verklaren. Wat eiser heeft aangevoerd maakt dit niet anders.
4. De rechtbank verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het beroep.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. De rechtbank heeft verder van eiser geen griffierecht geheven aangezien de rechtbank zich onbevoegd heeft verklaard. Alleen daarom al bestaat ook geen aanleiding voor het vergoeden van griffierecht.
Beslissing
De rechtbank verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P.W Esmeijer, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Oosterhaar, griffier. Uitgesproken in het openbaar op:
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.