RECHTBANK OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 11939824 \ CV EXPL 25-3416
Vonnis van 10 februari 2026
in de zaak van
de publiekrechtelijke rechtspersoon GEMEENTE KAMPEN,
gevestigd te Kampen,
eisende partij,
hierna te noemen: de gemeente,
gemachtigde: [gemachtigde]
tegen
de besloten vennootschap [gedaagde],
gevestigd te IJsselmuiden,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
procederend bij de heer [naam], eigenaar van [gedaagde].
1. De procedure
De gemeente is deze procedure begonnen met een dagvaarding, uitgebracht op
20 oktober 2025. Op de rolzitting van 11 november 2025 heeft de heer [naam] gereageerd op de dagvaarding (de conclusie van antwoord). Vervolgens heeft de gemeente daar weer op gereageerd, met een conclusie van repliek.
[gedaagde] is in de gelegenheid gesteld om op de verdere onderbouwing van de gemeente in de conclusie van repliek te reageren. Dat heeft [gedaagde] niet gedaan.
De kantonrechter heeft vervolgens bepaald dat er vandaag een vonnis in deze zaak zal komen.
2. Het geschil en de beoordeling daarvan
De gemeente vordert – samengevat – veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 9.457,85, vermeerderd met rente en kosten.
De gemeente heeft het volgende aangevoerd. [gedaagde] heeft werkzaamheden aan kabels of leidingen in of op de openbare gronden van de gemeente uitgevoerd. De gemeente heeft zogeheten ‘degeneratiekosten’ bij [gedaagde] in rekening gebracht. Dit zijn kosten voor het extra onderhoud dat de gemeente moet verrichten als gevolg van de werkzaamheden van (in dit geval) [gedaagde].
[gedaagde] heeft op de rolzitting van 11 november 2025 verweer gevoerd. De heer [naam] heeft toen aan de rechter verteld dat de werkzaamheden van de gemeente nog niet opgeleverd waren, en dat hij de helft van de factuur heeft voldaan. Ook heeft [naam] verteld dat hij geen factuurnummer weet, en dat hij niet weet of het factuurbedrag met of zonder btw is. [naam] heeft daar meerdere keren over gebeld naar de gemeente, want verwerking van de factuur moet wel kloppen in de boekhouding van [gedaagde].
De gemeente heeft op het verweer van [naam] namens [gedaagde] gereageerd en haar vordering nader onderbouwd in de conclusie van repliek. Zo heeft de gemeente uitgelegd dat zij de degeneratiekosten in rekening brengt op basis van gemeentelijke regelgeving, en dat die kosten niet pas in rekening mogen worden gebracht na afloop van de werkzaamheden. Bovendien had de gemeente een goede reden om niet meteen onderhoudswerkzaamheden te verrichten. Ook heeft de gemeente uitgelegd dat het factuurnummer meerdere keren in correspondentie met [gedaagde] is genoemd, en dat toen ook is genoemd dat het factuurbedrag zonder btw is.
[gedaagde] heeft daarna niet meer gereageerd, terwijl zij daarvoor wel de gelegenheid heeft gekregen. De nadere onderbouwing van de gemeente is door [gedaagde] niet meer betwist en moet daarom als vaststaand worden aangenomen. De kantonrechter zal de vordering van de gemeente dan ook als onvoldoende betwist toewijzen.
Buitengerechtelijke incassokosten
De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zijn als op de wet gegrond ook toewijsbaar. De gemeente heeft namelijk voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht.
De wettelijke handelsrente
De gemeente vordert betaling van de wettelijke handelsrente over de factuur. Dit wijst de kantonrechter af. De wettelijke handelsrente geldt namelijk bij handelsovereenkomsten. Door de gemeente is niet uitgelegd waarom er volgens haar in dit geval sprake is van een (handels)overeenkomst. Dat daar sprake van is, is de kantonrechter verder ook niet gebleken. De wettelijke rente is wel toewijsbaar, en zal worden toegewezen zoals in de beslissing staat.
De proceskosten
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de gemeente worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
147,42
- griffierecht
€
543,00
- salaris gemachtigde
€
678,00
(2 punten × € 339,00)
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.503,42
3. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om aan de gemeente te betalen een bedrag van € 7.151,46, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 met ingang van 15 maart 2024, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] om aan de gemeente te betalen een bedrag van € 886,41 aan buitengerechtelijke kosten,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.503,42, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.F. van Aalst en in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2026. (wv)