RECHTBANK Overijssel
Civiel recht
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: C/08/340430 / HA ZA 25-385
Vonnis in incident van 11 februari 2026
in de zaak van
[partij A] ,
te [woonplaats],
eisende partij in de hoofdzaak,
gedaagde partij in het incident,
hierna te noemen: [partij A],
advocaat: mr. K. Colakoglu,
tegen
VAKANTIEPARK DE KLEINE BELTIES B.V.,
te Hardenberg,
gedaagde partij in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident,
hierna te noemen: De Kleine Belties,
advocaat: mr. P.H.J. Nij Bijvank.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding met producties 1 tot en met 26,
de incidentele conclusie houdende verzoek tot oproeping in vrijwaring met productie 1 van De Kleine Belties,
de conclusie van antwoord inzake incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring van [partij A].
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2. Het geschil
In de hoofdzaak
[partij A] vordert - samengevat - primair een verklaring voor recht dat de koopovereenkomst tussen [partij A] en De Kleine Belties nietig is. Subsidiair vordert [partij A] dat de koopovereenkomst moet worden ontbonden op grond van non-conformiteit, althans moet worden vernietigd op grond van dwaling. Daarnaast vordert [partij A] zowel primair als subsidiair betaling van de koopsom van € 46.000,- en een vergoeding van de gemaakte kosten voor de maandelijkse parkbijdrage, op straffe van een dwangsom. Ook vordert [partij A] een vergoeding van de gemaakte kosten voor de deskundigenrapporten. Meer subsidiair vordert [partij A] een schadevergoeding voor het herstel van het chalet, de gemiste huurinkomsten en de gemaakte reiskosten. Verder vordert [partij A] in alle gevallen betaling van de wettelijke rente over de hoofdsom, de buitengerechtelijke incassokosten, de proceskosten (vermeerderd met de wettelijke rente) alsmede de nakosten.
[partij A] legt aan haar vorderingen primair ten grondslag dat de koopovereenkomst tussen hem en De Kleine Belties betreffende een door De Kleine Belties aan [partij A] verkocht chalet nietig is op grond van artikel 3:39 BW in samenhang met artikel 7:2 lid 1 BW. Volgens [partij A] is namelijk niet voldaan aan het schriftelijkheidsvereiste. Subsidiair stelt [partij A] dat het chalet verschillende (ernstige) gebreken vertoont en effectief compleet opnieuw opgebouwd moet worden. Daardoor is het chalet niet geschikt voor normaal gebruik, aldus [partij A].
De Kleine Belties heeft in de hoofdzaak nog niet voor antwoord geconcludeerd.
In het incident
De Kleine Belties vordert in het incident dat haar wordt toegestaan om de heer [naam 1] en mevrouw [naam 2] (hierna gezamenlijk te noemen: [naam 1]) in vrijwaring op te roepen.
Aan haar vordering in het incident legt De Klein Belties ten grondslag dat het chalet eigendom was van [naam 1]. Het chalet is verkocht door [naam 1] aan [partij A], waarbij De Kleine Belties heeft bemiddeld en een vergoeding heeft ontvangen. Daarom stelt zij zich primair op het standpunt dat zij geen contractspartij is bij de aan- en verkoop van het chalet.
Subsidiair, voor zover zou worden geoordeeld dat zij wel contractspartij is, dan geldt volgens De Kleine Belties dat het chalet terstond na aanknoop van [naam 1] is doorverkocht aan [partij A]. Dat maakt volgens De Kleine Belties dat er een regresrecht bestaat jegens [naam 1].
[partij A] heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3. De beoordeling
In het incident
Voor de toewijzing van een incidentele vordering tot vrijwaring moet een partij zich kunnen beroepen op een rechtsverhouding met een derde die meebrengt dat deze derde verplicht is de nadelige gevolgen van een eventueel verlies van dezelfde partij in de hoofdzaak te dragen.
De Kleine Belties heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat er een rechtsverhouding bestaat tussen haar en [naam 1] die tot vrijwaring verplicht. Aan het vereiste voor oproeping in vrijwaring is dan ook voldaan. Aangezien [partij A] zich refereert aan het oordeel van de rechtbank, zal de incidentele vordering tot oproeping in vrijwaring worden toegewezen en De Kleine Belties worden toegestaan om [naam 1] in vrijwaring op te roepen.
Naar het oordeel van de rechtbank kan in het incident geen van partijen als de in het ongelijk gestelde partij worden beschouwd. Daarom zullen de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
In de hoofdzaak
De rechtbank zal de zaak naar de rol van 25 maart 2026 verwijzen voor het nemen van een conclusie van antwoord aan de zijde van De Kleine Belties.
4. De beslissing
De rechtbank
In het incident
staat toe dat [naam 1] door De Kleine Belties wordt gedagvaard tegen de rolzitting van 25 maart 2026,
compenseert de kosten van het incident tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
In de hoofdzaak
verwijst de zaak naar de rol van 25 maart 2026 voor het nemen van een conclusie van antwoord aan de zijde van De Kleine Belties,
bepaalt dat partijen op de rol van 25 maart 2026 schriftelijk de verhinderdata zullen opgeven voor de maanden mei, juni, juli, augustus en september 2026. Hierna zal datum en tijdstip van de mondelinge behandeling worden bepaald,
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.F. van Aalst en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2026.