RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 84/327458-22 (P)
Datum vonnis: 29 januari 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1966 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres 1] .
1. Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 15 januari 2026.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. H.J. Voors, advocaat in Zwolle, naar voren is gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennis genomen van wat door de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] is aangevoerd.
2. De tenlastelegging
en/of
De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
feit 1: in de periode van 23 januari 2014 tot en met 29 januari 2014 samen met anderen of alleen [slachtoffer 2] heeft opgelicht voor een bedrag van € 50.000,00 (primair), dan wel dat hij voornoemd bedrag uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking of beroep heeft verduisterd (subsidiair);
feit 2: in de periode van 24 april 2014 tot en met heden samen met anderen of alleen € 750.000,00 heeft witgewassen.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
1
[zaaksdossier 6]
hij in of omstreeks de periode vanaf 23 januari 2014 tot en met 29 januari 2014 te
Heeten en/of Vleuten en/of De Meern, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met (een) ander(en),
met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen
door (een) listige kunstgre(e)p(en) en/of een samenweefsel van verdichtsels W.
[slachtoffer 1] heeft bewogen tot de afgifte van:
- 50.000 euro [op of omstreeks 29 januari 2014 overgeboekt naar
[rekeningnummer 1] t.n.v. [bedrijf 1] BV met omschrijving “deelname
[omschrijving] [slachtoffer 1] ”, DOC-271, p. 2948],
immers heeft/hebben hij en/of zijn mededader(s) met vorenomschreven oogmerk
– zakelijk weergegeven — valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met
de waarheid onder andere voorgewend en/of doen voorwenden:
[DOC-593, pag. 3794 e.v.]
- in een mail d.d. 23 januari 2014; “In persoonlijk vertrouwen zenden wij je hierbij de
besproken stukken toe. Er is van de geaccordeerde Eur. 75.000,00 reeds Eur. 25.000,00
door [bedrijf 2] BV, [vestigingsplaats 1] voldaan. ING bank rekeningnummer >
[rekeningnummer 2]
Vriendelijk verzoek ik jou, conform gesprek, het aanvullende bedrag ad. Eur. 50.000,00
per heden te voldoen. Of gezien gemaakte afspraken s.v.p. uiterlijk vrijdag. Hiervan
zal, conform afspraak, direct Eur. 25.000,00 worden doorgeboekt en het 2e deel, zijnde
Eur. 25.000,00 , blijft in overleg staan tot medio februari 2014”, en/of
- in die mail een Joint Venture Agreement d.d. 8 april 2013 tussen [bedrijf 3]
en [bedrijf 4] AG (vertegenwoordigd door verdachte) bijgesloten
en/of in die Joint Venture Agreement is opgenomen dat [vertaling DOC-593a, pag.
3813 e.v.] de partijen bevestigen dat zij de onderhavige Joint venture-overeenkomst
wensen aan te gaan voor een bedrag van honderd miljoen USD aan obligaties van
de Centrale Bank van Venezuela, om te zetten in vijfenzestig miljoen EURO en/of
[bedrijf 4] AG ruimschoots gekwalificeerd zal worden zonder
uitzondering voor een vaste betaling van het aandeel van twee miljoen van de
beschikbare bruto handelsomzet volgens de Joint Venture
Handelsovereenkomst(en), en/of
[AG-005b d.d. 31 mei 2016, pag. 816]
- dat hij contacten heeft met een bankdirecteur, advocaat en de notaris, en/of
- dat die 50.000 euro nodig was voor beginkapitaal, en/of
[AG-005-01, proces-verbaal van een aanvullende aangifte, pag. 824]
- dat er geld vrij zou komen en hij dit verder met die [slachtoffer 1] zou gaan investeren,
- dat hij beschikte over waardepapieren waarin werd geïnvesteerd,
waardoor die [slachtoffer 1] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij in of omstreeks de periode vanaf 23 januari 2014 tot en met 4 februari 2014 te
Heeten en/of Vleuten en/of De Meern, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met (een) ander(en),
opzettelijk het ontvangen geld van [slachtoffer 1] , te weten
- 50.000 euro [op of omstreeks 29 januari 2014 overgeboekt naar
[rekeningnummer 1] t.n.v. [bedrijf 1] BV met omschrijving “deelname
[omschrijving] [slachtoffer 1] ”, DOC-271, p. 2948],
in elk geval enig goed,
terwijl
- die 50.000 euro geheel toebehorend aan [bedrijf 1] BV,
in elk geval aan (een) ander(en) dan aan verdachte en/of zijn mededaders, en welke
geldbedragen/goederen verdachte en/of zijn mededader(s) telkens uit hoofde van
zijn persoonlijke dienstbetrekking bij en/of als bestuurder van die [bedrijf 1]
BV, in elk geval anders dan door misdrijf, te weten als investering in een
Joint Venture Agreement d.d. 8 april 2013 tussen [bedrijf 3] en [bedrijf 4]
AG en/of als beginkapitaal, onder zich had(den),
wederrechtelijk zich heeft/hebben toegeëigend en/of doen/laten toe-eigenen;
2
[zaaksdossier 9]
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode vanaf 24 april 2014 tot en
met heden
te Vleuten en/of Zuidwolde en/of Groningen en/of Drachten althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met (een) ander(en),
meermalen
(van) één of meer voorwerp(en), te weten (een) (contant(e)) geldbedrag(en) van (in
totaal) (ongeveer) 750.000 euro [AMB-076a, pag. 1014],
in elk geval (van) enig geldbedrag en/of voorwerp,
de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding
en/of de verplaatsing heeft/hebben verborgen en/of verhuld en/of heeft/hebben
verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op voornoemd(e) geldbedrag
(en) was/waren en/of wie dat/die voorhanden had(den),
en/of
voornoemd(e) geldbedrag(en) en/of voorwerp(en) heeft/hebben verworven en/of
voorhanden heeft/hebben gehad en/of heeft/hebben overgedragen en/of
heeft/hebben omgezet en/of van voornoemd(e) geldbedrag(en) en/of voorwerp(en)
gebruik heeft/hebben gemaakt,
terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s), althans hij verdachte alleen, (telkens)
wist(en), dat bovenomschreven geldbedrag(en) en/of voorwerp(en) geheel en/of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.
3. De procesafspraken
Inleidende opmerkingen
Op 23 december 2025 heeft de officier van justitie de rechtbank geïnformeerd dat het Openbaar Ministerie en de verdediging overeenstemming hebben bereikt over de inhoud van procesafspraken, waaronder begrepen een afdoeningsvoorstel voor de onderhavige strafzaak. Het afdoeningsvoorstel dat door de officier van justitie en de verdediging aan de rechtbank is voorgelegd, houdt, voor zover relevant en zakelijk weergegeven, het volgende in:
het Openbaar Ministerie zal rekwireren tot een bewezenverklaring van de feiten 1 en 2;
de verdachte zal geen bewijs- of kwalificatieverweren voeren;
de verdachte zal geen onderzoekswensen indienen;
het Openbaar Ministerie eist ter terechtzitting het opleggen van een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van acht maanden met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf voor de duur van 240 uren, te vervangen door 120 dagen hechtenis;
de verdachte zal zich niet aan de tenuitvoerlegging van de in het kader van deze overeenkomst op te leggen straf onttrekken;
het Openbaar Ministerie vordert toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] tot een bedrag van € 50.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente.
Partijen zijn ter zitting tot de volgende procesafspraak gekomen, althans zij hebben ten aanzien van de procesafsprakenovereenkomst eensluidend als verduidelijking verschaft:
7. het Openbaar Ministerie vordert dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn vordering.
Inhoudelijke behandeling
Tijdens de inhoudelijke behandeling van de strafzaak op de zitting van 15 januari 2026 zijn de procesafspraken zoals deze zijn vervat in het afdoeningsvoorstel, indringend met de verdachte besproken. De verdachte heeft aangegeven goed te hebben begrepen wat de gemaakte afspraken inhouden en wat de gevolgen daarvan zijn. Hij heeft gezegd volledig achter die afspraken te staan, deze overeenkomst vrijwillig te zijn aangegaan en op geen enkele wijze onder druk te zijn gezet. Ook is duidelijk geworden dat verdachte bij het hele proces om tot afspraken te komen, steeds voorzien is geweest van rechtskundige bijstand.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank tot de overtuiging gekomen dat de verdachte vrijwillig en op basis van voor hem voldoende duidelijke informatie is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing om mee te werken aan wat in het afdoeningsvoorstel is overeengekomen. De rechtbank stelt daarnaast vast dat de verdachte zich bewust is van de rechtsgevolgen van de in de overeenkomst neergelegde procesafspraken en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten. Daarmee is tevens voldaan aan de eisen die artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (EVRM) stelt.
De rechtbank heeft benadrukt dat zij geen partij is bij de gemaakte procesafspraken en daaraan dus ook niet gebonden is. De rechtbank heeft een eigen verantwoordelijkheid en dat betekent dat bij de behandeling op de zitting de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) leidend is geweest.
4. De voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
5. De bewijsmotivering
Inleiding
De strafzaak tegen verdachte maakt deel uit van een omvangrijk strafrechtelijk onderzoek dat bekend staat onder de naam “Wakatobi”. Dit onderzoek is opgedeeld in drie afzonderlijke delen: Wakatobi I, II en III. De kern – en rode draad – in al deze deelonderzoeken is de verdenking dat sprake zou zijn van een groep personen, in wisselende samenstelling, die samenwerkt bij het voorspiegelen van onjuiste (hoge) rendementen aan potentiële beleggers met gebruikmaking van valse of vervalste documenten. Op de afgesproken momenten van terugbetaling van de investeringen en de uitbetaling van de rendementen, blijkt dit telkens door diverse (zogenaamde) oorzaken niet mogelijk te zijn. Vervolgens worden de investeerders aan het lijntje gehouden en wordt getracht hen te bewegen nog meer geld te betalen, om zodoende de ’verloren‘ investering terug te krijgen. Onderhavige strafzaak heeft specifiek betrekking op het tweede deel van het onderzoek, te weten Wakatobi II. Wakatobi II ziet op de verdenking van oplichting van [slachtoffer 3] , [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] door het voorspiegelen van rendementen uit investeringen in (onder meer) Venezolaanse en Chinese staatsobligaties, of, althans, verduistering in functie gepleegd omdat verstrekte gelden niet conform afspraak werden aangewend en terugbetaald. Deze verdenking is, voor zover ten aanzien van verdachte relevant, door de FIOD uitgewerkt in de zaaksdossiers 6 en 9.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft overeenkomstig het afdoeningsvoorstel gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft, onder verwijzing naar het afdoeningsvoorstel, geen bewijsverweren gevoerd.
Het oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het onder 1 primair tenlastegelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin Sv, zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen, te weten:
het proces-verbaal van de terechtzitting van 15 januari 2026, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte;
het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] van 7 januari 2016 (AG-005);
het proces-verbaal van verhoor van aangever [slachtoffer 1] van 31 mei 2016 (AG-005b);
een geschrift, te weten een bankafschrift van een bankrekening van [bedrijf 5] ten name van [slachtoffer 1] van 28 januari 2014 (DOC-271)
een geschrift, te weten een e-mail van [verdachte] aan [slachtoffer 1] van 23 januari 2014 (DOC-593).
De rechtbank is van oordeel dat het dossier onvoldoende bewijs bevat om vast te kunnen stellen dat in dit verband sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en één of meer anderen.
Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde.
5.4.2.1 De redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op basis van het dossier en hetgeen ter terechtzitting is besproken de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op 7 februari 2017 heeft [slachtoffer 2] (verder: [slachtoffer 2] ) aangifte gedaan van oplichting. Uit de aangifte leidt de rechtbank -onder meer- het navolgende af.
Tussen [slachtoffer 2] en [bedrijf 6] S.A. (verder: [bedrijf 6] ) is een overeenkomst van geldlening gesloten voor een bedrag van € 1.000.000,00, waarbij [bedrijf 6] optrad als leningnemer en [slachtoffer 2] als leninggever. De aflossing diende uiterlijk twaalf maanden na storting plaats te vinden, met een overeengekomen rente van zeven procent op jaarbasis. Het investeringsbedrag diende te worden gestort op de derdenrekening van het notariskantoor [bedrijf 7] B.V. (verder: [bedrijf 7] ) te [vestigingsplaats 2] , onder vermelding van “Leningnr [leningnummer] ”. De overeenkomst werd op 25 februari 2014 ondertekend door [slachtoffer 2] en [naam 1] , bestuurder van [bedrijf 6] (verder: [naam 1] ).
Op 21 maart 2014 passeerde de notariële akte van geldlening tussen [bedrijf 6] en [slachtoffer 2] ten overstaan van mr. [naam 2] , werkzaam als notaris bij [bedrijf 7] .
Op 25 maart 2014 werd € 1.000.000,00 ontvangen op de bankrekening van [bedrijf 6] , afkomstig van de derdenrekening van [bedrijf 7] . Uit de bankafschriften van [bedrijf 6] bleek dat op 27 maart 2014 bedragen van € 36.800,00, € 30.000,00 en nog eens € 30.000,00 waren overgemaakt naar [bedrijf 8] S.A. en de privérekeningen van [naam 3] (verder: [naam 3] ) respectievelijk [naam 1] . Voorts werd op 23 april 2014 een bedrag van € 750.000,00 overgemaakt naar een bankrekening op naam van [bedrijf 1] B.V. [naam 1] verklaarde dat deze overboeking verband hield met de aankoop van “Chinese Bonds”. Deze betaling was gebaseerd op een leningsovereenkomst tussen [bedrijf 6] en de onderneming [bedrijf 2] B.V., met een looptijd van twaalf weken en een rentepercentage van vijf procent. Het doel van de lening betrof “het verstrekken van financiële middelen teneinde financiering voor algemene zakelijke doeleinden te realiseren”. De leningsovereenkomst werd ondertekend op 27 maart 2014 door [verdachte] namens [bedrijf 2] B.V. en door [naam 1] en [naam 3] namens [bedrijf 6] .
Uit een uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel blijkt dat [bedrijf 2] B.V. is opgericht op 2 augustus 2000 en was gevestigd op het adres [adres 2] . De bedrijfsactiviteiten bestonden uit “assurantietussenpersoon, handel in eigen onroerend goed en organisatieadviesbureaus. Het bemiddelen bij afsluiten van assurantiën, financieringen, pensioenen en lijfrenten, waaronder ook te verstaan hypotheken, het bemiddelen bij aan- en verkoop van registergoederen en het verrichten van interim werkzaamheden onder andere op het gebied van financiële diensten”. De bestuurder en enig aandeelhouder van [bedrijf 2] B.V. was [bedrijf 1] B.V. [bedrijf 2] B.V. is op 4 januari 2017 in staat van faillissement verklaard. Uit de gegevens in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel blijkt dat [bedrijf 1] B.V. is opgericht op 27 december 2000 en was gevestigd op het adres [adres 2] . De bedrijfsactiviteiten bestonden uit “financiële holdingsactiviteiten”. De enige bestuurder en aandeelhouder was [verdachte] . [bedrijf 1] B.V. is op 27 december 2016 in staat van faillissement verklaard.
De FIOD heeft de bankmutaties van de bankrekening van [bedrijf 1] B.V. over de periode van 24 april 2014 tot en met 14 juli 2014 geanalyseerd. Uit dit onderzoek is gebleken dat in deze periode een totaalbedrag van € 721.667,00 van de rekening is afgeschreven, verdeeld over de volgende posten:
“ [bedrijf 9] B.V. – project [project]” € 250.000,00;
“ [bedrijf 9] B.V. – costs bonds” € 280.000,00;
“leningen” € 20.000,00;
“overboekingen gelieerde vennootschappen” € 100.775,00;
“naar privérekening [verdachte] ” € 58.500,00;
“belastingen, telefoon, bankkosten” € 212,00;
“diverse betaalde facturen” € 12.179,00.
Hieruit volgt dat in totaal € 530.000,00 werd overgemaakt naar [bedrijf 9] B.V. (verder [bedrijf 9] ). Deze overboeking was gebaseerd op een schuldregeling tussen [bedrijf 2] B.V. en [bedrijf 9] . De schuldregeling, ondertekend op 30 januari 2014 door [verdachte] en [naam 4] , betrof een schuldverhouding ontstaan met het oog op de aanschaf van een Venezolaanse staatsobligatie ter waarde van € 750.000,00, waarbij [bedrijf 9] vertegenwoordigd door [naam 4] en [bedrijf 2] als medefinancier optraden. [bedrijf 9] zou op 30 juli 2014 € 750.000,00 terugbetalen, vermeerderd met een “profitshare” van € 750.000,00, tegen een rentepercentage van tien procent.
De FIOD heeft de bankmutaties van de bankrekening van [bedrijf 9] over de periode van 25 april 2014 tot en met 8 juli 2014 onderzocht en geanalyseerd. Uit dit onderzoek is gebleken dat in deze periode een totaalbedrag van € 463.465,56 van de rekening is afgeschreven. De afschrijvingen betreffen in totaal twintig verschillende posten, te weten onder meer:
“costs and investments bonds” € 171.840,00;
“farmer bonds” € 31.000,00;
“costs brasil project” € 7.505,00;
“costs waterproject” € 32.250,00;
“levensmiddelen overige privé uitgaven” € 16.750,00;
“autokosten” € 8.663,00;
“overboekingen” € 20.720,00;
“belastingen/verzekeringen/bankkosten” € 1.572,00;
“leningen” € 20.780,00;
“creditcard en GWK-betalingen” € 4.457,00;
“contante opname” € 9.946,00;
“reis- en verblijfskosten” € 10.487,00;
“telefoonkosten” € 367,00;
“huis Oostenrijk” € 55.000,00;
“ [bedrijf 10] ” € 2.291,00;
“ [slachtoffer 1] ” € 50.000,00;
“Overige kosten” € 9.837,00;
“ [bedrijf 12] deelneming” € 10.000,00.
Op 10 maart 2015 ontving [slachtoffer 2] een bedrag van € 17.500,00 van [bedrijf 9] , met de vermelding “vooruitbetaalde rente”. Op 16 maart 2015 meldde financieel adviseur en accountant [naam 5] (verder: [naam 5] ) per e-mail aan [naam 1] dat, verwijzend naar een mondelinge afspraak gemaakt tijdens een telefoongesprek, het restant van het rendement en het investeringsbedrag van € 1.000.000,00 uiterlijk op 19 maart 2015 zouden worden betaald. [slachtoffer 2] heeft noch zijn volledige investering, noch de beloofde rendementen ontvangen.
5.4.2.2 Overwegingen van de rechtbank
Uit de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden volgt dat op de bankrekening van de onderneming van verdachte een bedrag van € 750.000,00 is ontvangen. Dit bedrag was afkomstig van [slachtoffer 2] en was bestemd om te worden geïnvesteerd in zogenoemde “Chinese Bonds”. Uit het onderzoek is gebleken dat verdachte nimmer dergelijke obligaties heeft aangeschaft. In plaats daarvan is een bedrag van € 530.000,00 vrijwel direct doorgestort naar [bedrijf 9] , waarvan medeverdachte [naam 4] de bestuurder was. Verdachte heeft verklaard dat hij het resterende bedrag van € 220.000,00 heeft behouden als ‘commissie’ voor het bij elkaar brengen van partijen. Verdachte heeft ter terechtzitting erkend dat dit een zeer hoog bedrag betrof. De rechtbank is van oordeel dat verdachte, door het bedrag van € 220.000,00 in afwijking van de gemaakte afspraken voor zichzelf te houden, zich dit bedrag opzettelijk wederrechtelijk heeft toegeëigend. Uit het overzicht van de bankmutaties van [bedrijf 1] B.V. volgt dat verdachte als heer en meester over het geldbedrag heeft beschikt. Daarmee heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan verduistering. Het geldbedrag is derhalve onmiddellijk afkomstig uit een door verdachte zelf gepleegd misdrijf. Door vervolgens het geldbedrag voor uiteenlopende doeleinden aan te wenden, zoals blijkt uit het overzicht van de hierboven weergegeven bankmutaties van [bedrijf 1] B.V. heeft verdachte het geldbedrag voorhanden gehad, omgezet en van het geldbedrag gebruik gemaakt. De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van witwassen.
De rechtbank is van oordeel dat het dossier onvoldoende bewijs bevat om vast te kunnen stellen dat in dit verband sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] en één of meer anderen.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:
1
[zaaksdossier 6]
hij in de periode vanaf 23 januari 2014 tot en met 29 januari 2014 in Nederland, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door een samenweefsel van verdichtsels [slachtoffer 1]
heeft bewogen tot de afgifte van:
- 50.000 euro [op of omstreeks 29 januari 2014 overgeboekt naar [rekeningnummer 1] t.n.v. [bedrijf 1] BV met omschrijving “deelname [omschrijving] [slachtoffer 1] ”], immers heeft hij) met vorenomschreven oogmerk – zakelijk weergegeven — valselijk en in strijd met de waarheid onder andere voorgewend:
- in een mail d.d. 23 januari 2014; “In persoonlijk vertrouwen zenden wij je hierbij de
besproken stukken toe. Er is van de geaccordeerde Eur. 75.000,00 reeds Eur. 25.000,00
door [bedrijf 2] BV, [vestigingsplaats 1] voldaan. ING bank rekeningnummer > [rekeningnummer 2]
Vriendelijk verzoek ik jou, conform gesprek, het aanvullende bedrag ad. Eur. 50.000,00
per heden te voldoen. Of gezien gemaakte afspraken s.v.p. uiterlijk vrijdag. Hiervan
zal, conform afspraak, direct Eur. 25.000,00 worden doorgeboekt en het 2e deel, zijnde
Eur. 25.000,00 , blijft in overleg staan tot medio februari 2014”, en
- in die mail een Joint Venture Agreement d.d. 8 april 2013 tussen [bedrijf 3]
en [bedrijf 4] AG (vertegenwoordigd door verdachte) bijgesloten en/of in die Joint Venture Agreement is opgenomen dat de partijen bevestigen dat zij de onderhavige Joint venture-overeenkomst wensen aan te gaan voor een bedrag van honderd miljoen USD aan obligaties van de Centrale Bank van Venezuela, om te zetten in vijfenzestig miljoen EURO en [bedrijf 4] AG ruimschoots gekwalificeerd zal worden zonder
uitzondering voor een vaste betaling van het aandeel van twee miljoen van de
beschikbare bruto handelsomzet volgens de Joint Venture
Handelsovereenkomst(en), en
- dat hij contacten heeft met een bankdirecteur, advocaat en de notaris, en
- dat die 50.000 euro nodig was voor beginkapitaal, en
- dat er geld vrij zou komen en hij dit verder met die [slachtoffer 1] zou gaan investeren, en
- dat hij beschikte over waardepapieren waarin werd geïnvesteerd,
waardoor die [slachtoffer 1] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;
2
[zaaksdossier 9]
hij in de periode vanaf 24 april 2014 tot en met heden in Nederland, meermalen één voorwerp, te weten enig geldbedrag, voorhanden heeft gehad, heeft omgezet en van voornoemd geldbedrag gebruik heeft gemaakt, terwijl hij, verdachte, wist, dat bovenomschreven geldbedrag geheel - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
6. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 326 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1 primair
het misdrijf: oplichting;
feit 2
het misdrijf: witwassen.
7. De strafbaarheid van verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.
8. De op te leggen straf of maatregel
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van acht maanden met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf voor de duur van 240 uren, te vervangen door 120 dagen hechtenis.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om de eis van de officier van justitie, die in overeenstemming is met het afdoeningsvoorstel, te volgen.
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan oplichting van [slachtoffer 1] voor een bedrag van € 50.000,00. Verdachte heeft het slachtoffer bewogen dit bedrag aan hem over te maken onder het voorwendsel dat dit bedrag zou worden aangewend voor investeringen teneinde rendementen te behalen. Er is nooit iets van deze investering terechtgekomen, het dossier ontbeert zelfs ieder aanknopingspunt dat ook maar één euro is belegd conform afspraak, en het geld is simpelweg verdwenen. Los van de formele kwalificatie van het bewezenverklaarde, is linksom of rechtsom sprake geweest van beleggingsfraude. Verdachte heeft met zijn handelen niet alleen het vertrouwen van het slachtoffer ernstig geschaad en grote financiële schade aan hem berokkend, maar ook het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer in investeringsrelaties moet kunnen worden gesteld, ondermijnd. De rechtbank rekent dit verdachte aan.
Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan witwassen van een geldbedrag
(€ 220.000) dat oorspronkelijk afkomstig was van [slachtoffer 2] , die slachtoffer is geworden van beleggingsfraude door anderen. Verdachte heeft dit bedrag verduisterd en vervolgens witgewassen. Door het handelen van verdachte, is de integriteit van het financieel en economische verkeer aangetast. Bij zijn handelen heeft verdachte slechts oog gehad voor zijn eigen financiële gewin en de nadelige gevolgen van zijn handelen voor het slachtoffer op de koop toegenomen. Ook dit rekent de rechtbank verdachte aan.
De rechtbank heeft bij het bepalen van (de hoogte van) de straf acht geslagen op de oriëntatiepunten voor fraude van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), waarbij het benadelingsbedrag in grote mate richtinggevend is. Deze oriëntatiepunten geven een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twaalf tot achttien maanden in overweging bij een benadelingsbedrag van € 250.000,00 tot € 500.000,00.
Met betrekking tot zijn persoonlijke omstandigheden heeft de rechtbank acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie over verdachte van 9 juli 2025, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld.
De rechtbank stelt voorop dat zij een eigen beoordeling heeft uitgevoerd bij de bepaling van de op te leggen straf. De rechtbank ziet na het afwegen van alle relevante factoren en belangen aanleiding om conform het thans voorliggende afdoeningsvoorstel een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van acht maanden met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf voor de duur van 240 uren, te vervangen door 120 dagen hechtenis, op te leggen. De rechtbank heeft daarbij in hoge mate rekening gehouden met het zeer aanzienlijke tijdsverloop sinds de pleegperiodes en de dientengevolge ontstane substantiële overschrijding van de redelijke termijn.
9. De schade van benadeelden
Benadeelde partij [slachtoffer 1]
De vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 1.950.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan.
De gevorderde schade bestaat uit de volgende posten:
A. “Mijn investering kosten- [naam 4] ” € 600.000,00;
B. “Mijn investering kosten- [verdachte] ” € 50.000,00;
C. “Tijdverlies” € 100.000,00;
D. “Geen rendement op beoogde investering” € 1.000.000,00;
E. “Verlies betaling onder dwang” € 100.000,00;
F. Immateriële schade € 100.000,00.
Ter terechtzitting heeft de benadeelde partij verklaard dat zij haar vordering jegens verdachte beperkt tot de schadepost onder B, te weten een bedrag van € 50.000,00.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft – conform het afdoeningsvoorstel – toewijzing van de vordering tot een bedrag van € 50.000,00 gevorderd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft onder verwijzing naar het afdoeningsvoorstel zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen tot een bedrag van € 50.000,00.
Het oordeel van de rechtbank
Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het onder 1 primair bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De opgevoerde schadepost onder B is niet betwist en voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van € 50.000,00, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
De schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het feit is toegebracht.
Als door de verdachte niet volledig wordt betaald, kan deze verplichting worden aangevuld met 225 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.
Benadeelde partij [slachtoffer 2]
De vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 135.282,45, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan.
De gevorderde schade bestaat uit de volgende posten:
A. “Levent Investigations/Bedrijfsrecherche” € 25.171,25;
B. “ [bedrijf 11] ” € 6.632,61;
C. Proceskosten € 103.478,59.
De benadeelde partij stelt daarnaast immateriële schade te hebben geleden, maar hij heeft geen bedrag genoemd. Nu geen bedrag is gevorderd, ligt op dit punt geen beslissing aan de rechtbank voor.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Daartoe heeft de officier van justitie aangevoerd dat geen sprake is van rechtstreekse schade als bedoeld in artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering (Sv).
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich eveneens op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] geen onderdeel heeft uitgemaakt van de tussen procespartijen gemaakte procesafspraken. De benadeelde partij is ter terechtzitting verschenen, heeft kennisgenomen van de procesafspraken en heeft zijn vordering, voor zover nodig, nader toegelicht.
De rechtbank is van oordeel dat door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting niet is komen vast te staan dat verdachte door het onder 2 bewezen verklaarde feit (witwassen) rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De rechtbank zal de vordering om die reden afwijzen.
10. De toegepaste wettelijke voorschriften
De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 57 Sr.
11. De beslissing
De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1 primair
het misdrijf: oplichting;
feit 2
het misdrijf: witwassen.
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 en 2 bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden;
- bepaalt dat deze gevangenisstraf in zijn geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van de proeftijd van 2 (twee jaren de navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:
- stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren;
- beveelt, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen;
schadevergoeding
- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] (feit 1 primair): van een bedrag van € 50.000,00 (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 januari 2014)
- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de maatregel op dat de verdachte verplicht is ter zake van het onder 1 primair bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 50.000,00, (zegge: vijftigduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 januari 2014 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 225 dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
- wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] (feit 2) af;
- bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Dit vonnis is gewezen door mr. R. ter Haar, voorzitter, mr. A.F. Germs-de Goede en mr. S.K. Huisman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.N. Esajas, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2026.
Buiten staat
Mr. Ter Haar en mr. Germs-de Goede zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.