RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 08.165507-25 (P)
Datum vonnis: 17 februari 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 1992 in [geboorteplaats] ,
wonende aan het [adres] .
1. Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van
3 februari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. M.H.A. Horsch, advocaat in Maastricht, naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
De verdenking komt er, kort en bondig weergegeven, op neer dat verdachte op 21 mei 2025 in Kalenberg zijn drie maanden oude zoontje [slachtoffer] opzettelijk heeft op- en/of vastgepakt en/of zeer krachtig (repeterend) heeft geschud en/of ander (botsend) geweld op zijn hoofdje heeft uitgeoefend, dat hij ten gevolge hiervan op 6 juni 2025 is overleden.
Dit is ten laste gelegd als doodslag (primair), dan wel zware mishandeling, de dood ten gevolge hebbend (subsidiair).
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
primair hij op of omstreeks 21 mei 2025 te Kalenberg, in de gemeente Steenwijkerland, opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] (geboren [geboortedatum 2] 2025) van het leven heeft beroofd, door voornoemde [slachtoffer] -op- en/of vast te pakken en/of (daarbij) (zeer) krachtig (repeterend) te schudden en/of -enig ander botsend en/of gewelds(kracht)inwerking op diens hoofd uit te oefenen.
subsidiair hij op of omstreeks 21 mei 2025 te Kalenberg, in de gemeente Steenwijkerland, aan zijn kind, te weten [slachtoffer] (geboren [geboortedatum 2] 2025) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel te weten ernstig hersenletsel (subduraal hematoom beiderzijds onder het harde hersenvlies) heeft toegebracht, door zijn kind -op- en/of vast te pakken en/of (vervolgens) (zeer) krachtig (repeterend) te schudden en/of -enig ander botsend en/of gewelds(kracht)inwerking op diens hoofd uit te oefenen, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] op 06 juni 2025 is overleden.
3. De bewijsmotivering
Het standpunt van de officier van justitie
De officier vindt de primair ten laste gelegde doodslag wettig en overtuigend bewezen.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit dat verdachte wegens een gebrek aan wettig en overtuigend bewijs volledig van zowel het primair (doodslag) als het subsidiair (zware mishandeling, de dood ten gevolge hebbend) ten laste gelegde moet worden vrijgesproken.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank komt op grond van redengevende feiten en omstandigheden, die in de bewijsmiddelen zijn vervat en waarop de bewezenverklaring steunt, tot een bewezenverklaring van de primair ten laste gelegde doodslag.
De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
De feiten en omstandigheden
Het overlijden van [slachtoffer]
Op 21 mei 2025 om 19:09 uur belt verdachte 112, omdat zijn zoontje [slachtoffer] buiten bewustzijn is geraakt en wordt gereanimeerd. is een jongen en de helft van een tweeling van drie maanden oud. Hij, zijn tweelingbroertje [tweelingbroertje] , zijn vader en zijn moeder wonen op het adres [adres] . Meerdere ambulances en een traumahelikopter gaan ter plaatse. [slachtoffer] wordt met de ambulance naar het ziekenhuis in Zwolle gebracht. Er wordt een CT-scan van zijn hoofd gemaakt. Hierbij wordt onder meer een bloeding onder het harde hersenvlies waargenomen. Op 22 mei 2025 komt [slachtoffer] net na middernacht in het UMCG aan. Hij wordt dan en ook de dagen erna uitgebreid door meerdere medisch professionals onderzocht. Er wordt een melding gedaan bij Veilig Thuis. Op 5 juni 2025 wordt besloten om de behandeling van [slachtoffer] op de IC te stoppen. Hij vertoont een niet met het leven verenigbaar neurologisch beeld. De volgende dag, op 6 juni 2025, om 11:30 uur overlijdt [slachtoffer] na het stoppen van de beademing. [slachtoffer] , met 34 weken geboren op [geboortedatum 2] 2025, is dan drieënhalve maand oud. In het UMCG verricht een forensisch arts direct na het overlijden van [slachtoffer] , om 11:45 uur, een schouw. De forensisch arts constateert dat de bevindingen bij de schouw passen bij een niet-natuurlijk overlijden door uitgebreid hersenletsel. Samen met de andere aangetroffen letsels leiden de bevindingen bij de forensisch arts niet op voorhand tot de overtuiging dat sprake is van accidenteel letsel.
De rechtbank stelt op basis van het voorgaande vast dat [slachtoffer] op 6 juni 2025 is overleden.
- Als gevolg waarvan is [slachtoffer] overleden?
Het overlijden van [slachtoffer] leidt tot een strafrechtelijk onderzoek. De vader van [slachtoffer] , verdachte, wordt als verdachte aangemerkt. De rechtbank moet de vraag beantwoorden of, en zo ja in welke mate, sprake is van betrokkenheid van verdachte bij het overlijden van [slachtoffer] . Om die vraag te kunnen beantwoorden moet allereerst de doodsoorzaak worden vastgesteld.
Het letsel bij [slachtoffer] en zijn doodsoorzaak
Op 7 juni 2025 om 10:30 uur verricht de senior-forensisch patholoog dr. V. Soerdjbalie-Maikoe, MD, PhD, verbonden aan Eurofins TMFI, een gerechtelijke sectie op het lichaam van [slachtoffer] . Ook laat zij aanvullend onderzoek verrichten door andere medische professionals, waaronder de kinderradioloog prof. dr. S.G.F. Robben, de (neuro)patholoog dr. J.C. Beckervordersandforth en de patholoog dr. R.M. Verdijk.
Dr. Soerdjbalie-Maikoe constateert dat bij [slachtoffer] , bij leven, het volgende letsel is ontstaan:
in het hoofd: een bloeduitstorting onder het harde hersenvlies, hersenschade door zuurstofgebrek en schade aan de uitlopers van zenuwcellen,
in de ogen: meerdere netvliesbloedingen in beide ogen, in alle vier kwadranten, bloedingen in het glasvocht en bloedingen in de oogzenuwen. Ook is sprake van ijzerafzetting, wat wijst op een incident meerdere dagen voor het overlijden of meerdere incidenten;
in het beenderenstelsel: ribbreuken en meerdere breuken in de pijpbeenderen van de onderste ledematen. Het gaat dan om metafysaire avulsiefracturen van de ribben, metafysaire hoekfracturen en avulsies van de pijpbeenderen van de onderste ledematen. Hierbij geldt dat sommige het beeld vertoonden van bucket handle-fracturen;
in de huid: een hematoom aan het hoofd. Bij een op 24 mei 2025 verricht klinisch onderzoek zijn letsels aan het lichaam waargenomen: een huidontvelling aan de kin, meerdere hematomen op het lichaam, ook ter hoogte van de borst en de rechteronderarm, een kraswond op de borst en een kraswond op het rechteronderbeen. Deze huidletsels kunnen twee weken later (ten tijde van de sectie) reeds zijn genezen. Dr. Soerdjbalie-Maikoe kan die huidletsels dus niet meer vaststellen.
Het overlijden van baby [slachtoffer] , vijftien dagen na het ontstaan van de reanimatiebehoeftige toestand, wordt volgens dr. Soerdjbalie-Maikoe verklaard door verwikkelingen van een ernstig hoofdtrauma, wat heeft geleid tot letsels in het hoofd en letsels in de oogbollen/oogzenuwen. De ernstig traumatische letsels in het hoofd hebben geleid tot een medische noodsituatie, het reanimatiebehoeftig worden, de noodzaak tot hospitalisatie en uitgebreid medisch handelen en verwikkelingen. Er is sprake van uitgebreide hersenschade door zuurstofgebrek (hypoxische encephalopathie). Hierdoor zijn hersenfunctiestoornissen ontstaan met daardoor slecht behandelbare epilepsie, een slecht vooruitzicht en noodzaak tot het beëindigen van de behandeling (abstinerend beleid). Dr. Soerdjbalie-Maikoe is op de zitting gehoord en verklaart dat het ernstige hersenletsel de doodsoorzaak is van [slachtoffer] .
De forensisch arts KNMG, dr. W.A. Karst, NRGD-deskundige op het gebied van Forensisch Medisch Onderzoek minderjarigen, verbonden aan het Landelijk Onderzoeks- en Expertisebureau FMO, interpreteert, met collegiale review van dr. W. Duijst, die eveneens forensisch arts en NRGD-deskundige is, het bij [slachtoffer] aangetroffen letsel.
Dr. Karst onderschrijft de bevindingen van dr. Soerdjbalie-Maikoe als het gaat om het letsel bij [slachtoffer] en zijn doodsoorzaak. Het hersenletsel heeft volgens dr. Karst geleid tot een reanimatiesetting. Dit zeer ernstige hersenletsel, met een hersenzwelling, versterf van hersencellen door zuurstoftekort en schade aan de zenuwuitlopers, is fataal gebleken.
De rechtbank stelt op basis van voorgaande vast dat [slachtoffer] ten gevolge van zeer ernstig hersenletsel is overleden.
Het ontstaan van het letsel bij [slachtoffer]
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld hoe het letsel bij [slachtoffer] is ontstaan.
Dr. Soerdjbalie-Maikoe stelt dat het letsel bij [slachtoffer] niet als gevolg van een medische oorzaak (ziekte) of door geboorte kan zijn ontstaan. Dit heeft zij op de zitting benadrukt. “Absoluut niet. Het kan ook niet zijn ontstaan door iets wat tijdens de bevalling is gebeurd.”, zo verklaart zij op zitting.
Dr. Karst is het met de bevindingen van dr. Soerdjbalie-Maikoe eens. Hij stelt dat het letsel bij [slachtoffer] niet past bij een natuurlijke oorzaak (ziekte/aandoening). Er zijn ook geen aanwijzingen gevonden dat een medische aandoening en/of het gebruik van medicijnen invloed kan hebben gehad op het ontstaan van of de omvang van de letsels. Subdurale hematomen en retinale bloedingen komen bij een niet-zieke baby normaal gesproken niet voor zonder dat sprake is geweest van een forse krachtsinwerking. Ter zitting verklaart
dr. Karst dat het letsel, bijvoorbeeld de aangetroffen metafysaire hoekfracturen, ook niet door een medische toedracht of door een geboortetrauma (bijvoorbeeld door een rebleeding) kunnen zijn ontstaan. Ten aanzien van dit laatste geldt dat de medisch wetenschappelijke literatuur overigens ook geen casus beschrijft waarbij een baby als gevolg van een rebleeding acuut klinische verschijnselen ontwikkelt.
Het letsel bij [slachtoffer] kan volgens dr. Soerdjbalie-Maikoe alleen op grond van ernstig hoofdtrauma worden verklaard. Het gaat dan om:
een niet-accidenteel ofwel toegebracht hoofdtrauma (Abusive Head Trauma (AHT)):
een schudtrauma van het hoofd (repeterend acceleratie-deceleratie trauma); het hoofd wordt hevig heen en weer (voor- en achterwaarts) geschud (acceleratie en deceleratie), soms (tevens) zijwaarts (rotatoir);
een hevige stomp (botsende) gewelds(krachts)inwerking (hevige impact) op het hoofd, zoals slaan op het hoofd (al dan niet met of tegen structuren, stompen op/tegen hoofd of stompen met het hoofd tegen structuren, of gooien van een grote hoogte;
of een combinatie van beide;
een accidenteel hoofdtrauma: een hoogenergetisch trauma (zoals een val van grote hoogte, een transportongeval). Een simpele huis-, tuin- en keukenval, een val van korte hoogte zoals van een bank (een short distance fall: een val van minder dan drie meter hoog, veelal minder dan 1,5 meter hoog) kan dergelijke traumatische hoofdletsels met een fataal beloop doorgaans niet verklaren. Dr. Soerdjbalie-Maikoe verklaart op de zitting dat een short distance fall, zoals een val van een bankje of een bed er niet toe leidt dat een baby zodanig in de problemen komt dat deze reanimatiebehoeftig wordt en komt te overlijden. De medisch-wetenschappelijke literatuur leert dat het letsel bij [slachtoffer] daar niet door kan worden verklaard. Bovendien kan een short distance fall evenmin veroorzaken dat een baby van drie maanden zo slap als een vaatdoek op de grond ligt en buiten bewustzijn is.
Dr. Karst sluit zich aan bij de bevindingen van dr. Soerdjbalie-Maikoe. Hij stelt dat bij [slachtoffer] sprake is van zeer ernstig, uiteindelijk fataal verlopen hersenletsel, als gevolg van een accidentele of niet-accidentele forse krachtsinwerking op het hoofd en/of een hevig repeterende schudbeweging. In algemene zin geldt dat een val van een bank op de grond, al dan niet uit een wipstoeltje, bij een baby van drie maanden oud normaal gesproken niet tot ernstig hersenletsel leidt. Reacties op schrik en/of pijn na een val zijn doorgaans huilen, rood aanlopen, zweten en andere tekenen van ongemak. Bij zo’n val is de algemene verwachting dat er nadien geen letsels zijn of dat er beperkte letsels zijn, zoals onderhuidse bloeduitstortingen op lichaamslocaties die door de val in contact gekomen zijn met al dan niet uitstekende delen. Het is heel ongebruikelijk dat een kind daadwerkelijk beademd en/of gereanimeerd moet worden enkel vanwege een val van een bank, al dan niet uit een wipstoel. Op de zitting verklaart dr. Karst dat het hersenletsel bij [slachtoffer] niet door een short distance fall kan zijn ontstaan. Dit sluit aan bij wat dr. Soerdjbalie-Maikoe heeft verklaard.
Dr. Karst verklaart dat de impact voor het veroorzaken van hersenletsel waarbij zelfs schade ontstaat aan de uitlopers van zenuwen heel duidelijk de kracht overstijgt van bijvoorbeeld een val van een commode of een val op een tafel. Een voorbeeld is dat het hoofdje van [slachtoffer] met toegevoegde kracht op een commode of een tafel moet zijn geslagen. Een eenvoudige val zonder toegevoegde kracht, zoals een val uit een wipstoel, waarbij het hoofdje van [slachtoffer] al dan niet tegen een tafel is gevallen, een val van een stoel of een andere val van lage hoogte kan het letsel dus niet verklaren. Dat bij het eerste onderzoek van [slachtoffer] geen uiterlijke letsels zijn waargenomen die wijzen op een val (ergens tegenaan), maakt niet dat hij niet ergens tegenaan kan zijn gevallen. Huidletsels kunnen later zichtbaar worden of zelfs afwezig blijven doordat krachten dieper in het lichaam letsel hebben opgeleverd.
De meeste schade is inwendig te zien. De afwezigheid van uitwendig letsel sluit een forse impact niet uit.
Dr. Soerdjbalie-Maikoe concludeert dat het letsel bij [slachtoffer] (in het hoofd, de ogen/oogzenuwen, de beenderen en de huid) en de combinatie daarvan beter passen bij een niet-accidentele (toegebrachte) ontstaanswijze (AHT) dan bij een accidentele ontstaanswijze. Bij het nemen van die conclusie houdt zij ook rekening met letsel dat niet van belang is geweest voor het overlijden. Het gaat dan om (typische) breuken van het beenderstelsel en mogelijk meerdere hematomen aan de huid, die zijn opgelopen door inwerking van uitwendig mechanisch stomp botsend comprimerend of trekkend, duwend, schokkend geweld op de beenderen en de huid. Ter zitting verklaart dr. Soerdjbalie-Maikoe daarover dat de combinatie van het letsel past bij een schudtoedracht. Het zijn niet alleen de (typische) breuken van het beenderstelsel maar ook de bloedingen in de ogen/oogzenuwen die daarbij aansluiten. Als een kind wordt geschud, dan ontstaat er doorgaans een bungelende beweging waarbij de beentjes en de armpjes ook gaan schudden. Er ontstaat dan wrijving op de plek waar de lange pijpbeenderen tegen elkaar aan zitten, op de gewrichtsspleten. De metafysaire hoekfracturen, en ook de ribfracturen op verschillende niveaus, onderstrepen de gedachte dat het lichaam van [slachtoffer] rondom de borst stevig is vastgehouden en dat er behoorlijk met hem moet zijn geschud. Hoewel ribfracturen in zijn algemeenheid door reanimatie kunnen zijn ontstaan, zijn er ribfracturen aangetroffen die heel suggestief zijn voor het stevig omvatten van de borst. Kortom, de combinatie van de letsels past bij een schudtoedracht.
Ook dr. Karst acht de combinatie van zijn bevindingen veel waarschijnlijker na een niet-accidentele krachtsinwerking dan na een accidentele krachtsinwerking. Het letsel kan zijn ontstaan door een fors schudincident, omdat dit het geheel aan letsels kan verklaren.
De combinatie van letsels kan niet verklaard worden door al dan niet hardhandig uitgevoerde reanimatiehandelingen. Sommige ribbreuken (niet aan de achterzijde) en huidletsels kunnen daar mogelijk wel bij passen. Trillen geeft (ruimschoots) onvoldoende krachten voor het ontstaan van het geconstateerde hersenletsel of de combinatie ervan. De letsels kunnen ook niet ontstaan doordat een baby van drie maanden met eigen kracht zijn hoofd tegen de reling van de box heeft bewogen, omdat de benodigde krachten ruimschoots de krachten van zo’n baby overstijgen. Hoewel ribfracturen wel door reanimatie kunnen ontstaan, verklaart
dr. Karst dat het uitzonderlijk is dat door een reanimatie ribfracturen aan de achterzijde van het lichaam ontstaan. Het is niet uit te sluiten, maar de kans is aanzienlijk groter wanneer de ribfracturen zijn toegebracht dan dat deze door reanimatie zijn ontstaan. Een metafysaire hoekfractuur kan bijvoorbeeld ook door een verschoningshandeling ontstaan, als een baby niet wil worden verschoond en verzet pleegt en het beentje van de baby daarop abrupt met kracht naar beneden wordt getrokken. De aangetroffen fracturen, in combinatie met het overige letsel, passen echter bij een schudincident. De overige letsels (naast het hersenletsel) wijzen vooral op een ontstaansmechanisme, namelijk een forse krachtsinwerking, en zijn afzonderlijk bezien niet ernstig met een (bij leven) genezingsduur van maximaal enkele weken. Het geheel aan letsel dat bij [slachtoffer] is aangetroffen was dusdanig gevaarlijk, dat hij ondanks medische behandeling op een intensive care is overleden as gevolg van de letsels. [slachtoffer] is ten gevolge van schade van het hersenweefsel in een reanimatiesetting gekomen.
De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat het ernstige hersenletsel bij [slachtoffer] niet door een medische oorzaak of geboortetrauma kan zijn ontstaan maar is ontstaan door een ernstig toegebracht hoofdtrauma in de vorm van een schudtrauma en/of een hevige stomp (botsende) gewelds(krachts)inwerking (hevige impact) op het hoofd.
[slachtoffer] is als gevolg daarvan overleden. Het ernstige hersenletsel, in combinatie met de overige letsels, dus zowel het fataal als het niet-fataal geworden letsel, maakt het naar het oordeel van de rechtbank hoogst aannemelijk dat er in ieder geval een zeer gewelddadig (schud)incident met [slachtoffer] heeft plaatsgevonden. De rechtbank stelt vast dat het letsel bij [slachtoffer] door een niet-accidentele krachtsinwerking is ontstaan, wat betekent dat het letsel door een ander is toegebracht. Het voorgaande brengt met zich dat het ernstige hersenletsel bij [slachtoffer] niet kan zijn ontstaan door een short distance fall, zoals een val uit de wipstoel van een bank, waarbij [slachtoffer] al dan niet met zijn hoofd tegen een tafel terecht is gekomen. De impact van zo’n eenvoudige val, die door verdachte als verklaring is gegeven, is volstrekt onvoldoende om zulk hersenletsel te veroorzaken, hetgeen door dr. Soerdjbalie-Maikoe ter zitting nog eens desgevraagd is benadrukt. Evenmin kan [slachtoffer] door een short distance fall reanimatiebehoeftig zijn geworden of buiten bewustzijn zijn geraakt in die zin dat hij zo slap als een vaatdoek op de grond zou hebben gelegen.
- Het rapport van de gepensioneerd kinderarts-neonatoloog dr. L. van Sonderen
De verdediging heeft een rapport ingebracht van de gepensioneerd kinderarts-neonatoloog dr. L. van Sonderen. Hoewel zij medische kennis zal hebben (gehad, zij is immers al jaren met pensioen en van actuele kennis en het bijhouden van medische ontwikkelingen getuigt haar CV niet) op het gebied van kindergeneeskunde is de rechtbank van oordeel dat dit niet impliceert dat zij als deskundige op het gebied van forensische (kinder)geneeskunde gezien kan worden, bij uitstek het specialisme dat in deze strafzaak antwoord kan geven op de in deze zaak relevante vragen. De rechtbank zal om die reden geen gebruikmaken van de inhoud van het rapport van dr. Van Sonderen.
- Wanneer is het letsel bij [slachtoffer] toegebracht?
Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord wanneer het letsel bij [slachtoffer] is toegebracht.
Dr. Soerdjbalie-Maikoe stelt dat het geweld dat heeft geleid tot het letsel in het hoofd/de ogen/de oogzenuwen en waardoor uiteindelijk het overlijden van [slachtoffer] is ontstaan op een moment kort voordat de medische noodsituatie (de onwelwording van de baby of “het slecht worden van de baby”) ontstond. Een baby met zulk ernstig hersenletsel is niet meer in staat normaal te functioneren (dus kan bijvoorbeeld niet meer een flesje normaal opdrinken of normaal reageren). De hospitalisatie van [slachtoffer] heeft ongeveer twee weken geduurd. De ouderdom van de bloeduitstorting onder het harde hersenvlies wordt geschat op circa twee weken. De ijzerdepositie in de ogen sluit daar bij aan. Oudere subdurale hematomen zijn niet aangetroffen, wat betekent er geen ouder hoofdletsel aanwezig was. Dr. Soerdjbalie-Maikoe bevestigt het voorgaande op de zitting.
De bevindingen van dr. Karst sluiten aan bij de bevindingen van dr. Soerdjbalie-Maikoe. Hij stelt ook dat het hersenletsel direct na de veroorzakende krachtsinwerking moet zijn ontstaan, en dat dit hersenletsel nadien door onvoldoende zuurstoftoevoer naar de hersenen kan zijn verergerd. De (neuro)patholoog constateert dat het bloed langs de hersenen naar schatting twee weken oud was. Hoewel een (deels) in de tijd gescheiden ontstaan van het geheel aan letsel niet kan worden uitgesloten, is bij neuropathologisch onderzoek geen letsel aangetoond waarvan is vastgesteld dat dit ouder is dan de dag van de onwelwording van [slachtoffer] . Als [slachtoffer] tot het moment van de onwelwording normaal heeft gefunctioneerd, moet op basis van de ernst van het letsel direct aansluitend op de benodigde krachtsinwerking sprake zijn geweest van een bewustzijnsvermindering (te merken aan slapte en niet of niet-adequaat reageren) en ademhalingsproblemen (een onregelmatige of afwezige ademhaling, vaak leidend tot het bleek worden van de huid), dan wel trekkingen in het lichaam of een harststilstand. Als sprake is van een acute klinische noodsituatie met bewustzijnsvermindering en ademhalingsproblemen bij een tot die tijd normaal functionerend kind, en nadien zeer ernstig hersenletsel met hersenweefselversterf wordt geconstateerd, dan is de krachtsinwerking zo fors geweest dat het na de krachtsinwerking niet mogelijk is geweest om normaal te functioneren (adequaat een flesje drinken, normaal huilen, verschoond worden met een normale spierspanning). Reflexmatige zuigbewegingen of huilgeluiden (vaak hoger of scheller dan gebruikelijk) zijn soms nog wel mogelijk. Dr. Karst stelt ten slotte dat als de verklaring van de moeder van [slachtoffer] over het functioneren van [slachtoffer] toen zij de woning verliet (op 21 mei 2025 om 18:30 uur) juist is, het letsel bij [slachtoffer] niet kan zijn ontstaan toen de moeder nog in de woning was. Er zit immers geen tijd tussen het ontstaan van het letsel in het hoofd en de lichamelijke/geestelijke reactie daarop van [slachtoffer] (slap worden/niet bij bewustzijn zijn).
Op basis van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat het zeer ernstige hersenletsel bij [slachtoffer] direct na een zeer forse krachtsinwerking is ontstaan, wat direct heeft geleid tot een medische noodsituatie (de onwelwording) en dat het zeer ernstige hersenletsel dus kort voor de ziekenhuisopname van [slachtoffer] op 21 mei 2025 moet zijn toegebracht. De rechtbank stelt ook vast dat [slachtoffer] nadien niet meer in staat kan zijn geweest om normaal te functioneren.
- Wie heeft [slachtoffer] het letsel toegebracht?
De vraag die vervolgens moet worden beantwoord is wie het fatale hersenletsel bij [slachtoffer] heeft toegebracht.
Voordat verdachte op 21 mei 2025 112 belde, heeft hij om 19:05 uur zijn moeder gebeld. [moeder van verdachte] , de moeder van verdachte, verklaart hierover dat verdachte aan de telefoon iets zei als “Help, kom mama, help”, waarna zij gelijk naar verdachte is gegaan. [moeder van verdachte] woont op ongeveer 500 meter afstand van de woning van verdachte. Deze afstand kan in ongeveer twee minuten en 50 seconden wandelend worden afgelegd. Als [moeder van verdachte] de woning van verdachte binnenkomt, ligt [tweelingbroertje] in de box en [slachtoffer] op de bank. Verdachte zit op dat moment op zijn knieën voor de bank. [moeder van verdachte] ziet dat verdachte [slachtoffer] aan het beademen is. Zij heeft het zelf meteen van verdachte overgenomen en is begonnen met reanimeren. [moeder van verdachte] zegt tegen verdachte dat hij 112 moet bellen. Verdachte verklaart op zitting dat zijn moeder, en daarna ook een buurman, [slachtoffer] tot de komst van de hulpdiensten hebben gereanimeerd.
[partner van verdachte] , de partner van verdachte en de moeder van de tweeling, verklaart tegenover de politie dat verdachte op 21 mei 2025 rond 17:00 uur thuiskwam. Verdachte en [partner van verdachte] hebben toen samen gegeten. [partner van verdachte] is rond 18:30 uur gaan sporten. Voordat zij ging sporten, hebben zij de tweeling samen de fles gegeven. De situatie was rustig toen [partner van verdachte] wegging. Toen zij wegging, sliep de tweeling rustig in de box. Dit sluit aan bij wat verdachte op zitting verklaart. “Toen [partner van verdachte] ging sporten, lag de tweeling rustig in de box te slapen”. Daarna was verdachte alleen met de tweeling in de woning.
De rechtbank stelt op basis van het voorgaande vast dat [slachtoffer] op 21 mei 2025 tot 18:30 uur nog normaal functioneerde en om en nabij 19:05 uur reanimatiebehoeftig was. Omdat in dat tijdsbestek naast verdachte geen andere personen dan de tweeling in de woning aanwezig waren, komt de rechtbank tot het oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte op
21 mei 2026 tussen 18:30 uur en 19:05 uur [slachtoffer] het ernstige hersenletsel heeft toegebracht.
- De verklaring van verdachte is niet passend bij de doodsoorzaak
De verdediging stelt dat de verklaringen van verdachte betrouwbaar zijn en dat deze daarom bij de beoordeling van het bewijs als uitgangspunt moeten worden genomen.
De rechtbank overweegt daarover het volgende.
De verklaringen van verdachte houden onder meer in dat hij vanwege huilen [slachtoffer] uit de box heeft gepakt en in een wipstoeltje heeft gezet op de bank, waarna het wipstoeltje van de bank is gevallen. Verdachte hoorde een klap, keerde zich bij de box waar hij toen weer stond om en heeft [slachtoffer] , die slap was, opgepakt, licht geschud en geklopt op het ruggetje. Hoe dat is gegaan heeft hij in een reconstructie getoond.
De rechtbank acht de verklaringen van verdachte over de toedracht van het letsel niet aannemelijk geworden, nu deze geen steun vinden in het dossier. De rechtbank is het met de officier van justitie eens dat de verklaringen van verdachte over de toedracht van het letsel bij [slachtoffer] op geen enkele manier te rijmen zijn met de bewijsmiddelen en de eerdere vaststellingen van de rechtbank in dit vonnis en dat zijn verklaringen daarom ongeloofwaardig zijn. Gelet op de verklaring van verdachte over het verrichten van meerdere schud- en wrijfbewegingen, overweegt de rechtbank in aanvulling op de eerste overwegingen in dit vonnis het volgende.
Dr. Soerdjbalie-Maikoe verklaart op de zitting dat het schudden van [slachtoffer] met de kracht zoals verdachte bij de reconstructie heeft voorgedaan, niet de oorzaak kan zijn van dergelijk ernstig hersenletsel zoals bij [slachtoffer] het geval is. Het moet dan gaan om een hevig krachtige schudbeweging van het hoofd, waarbij het hoofd en de niet-ontwikkelde nek van een baby heel hard heen en weer gaat. Het betreft geen simpele beweging. Het is heel confronterend als een omstander zoiets zou ziet. Bij de reconstructie heeft verdachte het schudden niet met die kracht voorgedaan.
Dr. Karst is het met dr. Soerdjbalie-Maikoe eens. Als sprake is geweest van een schudincident, dan is dat zeer gewelddadig geweest. Hij stelt dat omstanders die een dergelijk schudincident zien, direct de grote schadelijkheid voor het kind herkennen.
In die gevallen waarbij een kind als gevolg van hersenletsel door schudden overlijdt, zijn de krachten zo groot dat een omstander direct zegt het gaat om levensgevaarlijke handelingen. De krachtsinwerking is dan zo fors, dat een kind dus dood wordt geschud. Dat staat ver af van wat verdachte bij de reconstructie heeft gedemonstreerd als het gaat om het schudden. Het letsel kan niet zijn ontstaan door het schudden zoals verdachte dit bij de reconstructie heeft voorgedaan. De impact zoals verdachte dit bij de reconstructie heeft gedemonstreerd, is dus onvoldoende voor het ontstaan van het ernstige en fataal verlopen hersenletsel bij [slachtoffer] . Dr. Karst verklaart ten slotte dat het letsel bij [slachtoffer] , vergeleken met andere slachtoffers van toegebracht hersenletsel en gelet op zijn overlijden, het meest in de buurt komt van de 20% van de gevallen met het meest heftige letsel.
De rechtbank kan op basis van het procesdossier en de behandeling op de zitting niet vaststellen wat er zich precies heeft afgespeeld en wat daartoe voor verdachte de aanleiding is geweest. Op basis van de bewijsmiddelen kan het naar het oordeel van de rechtbank echter niet anders zijn dan dat verdachte zeer gewelddadig heeft gehandeld in de richting van zijn drie maanden oude zoontje [slachtoffer] , waarbij sprake is geweest van een forse krachtsinwerking op het hoofd en/of hevig schudden, waardoor bij [slachtoffer] onder meer zeer ernstig hersenletsel is ontstaan en ten gevolge waarvan hij is overleden. De rechtbank stelt dit dan ook vast, met ook de vaststelling dat in ieder geval sprake is geweest van een zeer fors schudincident omdat dit aansluit bij het letsel bij [slachtoffer] .
- Doodslag
Voor een bewezenverklaring van de primair ten laste gelegde doodslag is ten slotte vereist dat verdachte opzet had op de dood van [slachtoffer] . De vraag die in dit verband voorligt is of verdachte heeft gehandeld met vol opzet dan wel met voorwaardelijk opzet.
De rechtbank is van oordeel dat op grond van bewijsmiddelen niet kan worden vastgesteld dat verdachte het vol opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer] . De verklaringen van verdachte bieden daartoe ook geen aanknopingspunten.
Dat neemt niet weg dat het handelen van verdachte ook het voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer] kan inhouden. Hiervan is sprake als een verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg kan intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Het zal dan moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
Voor de vaststelling dat verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zo’n kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedragingen bewust heeft aanvaard. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer te zijn gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.
Algemene ervaringsregels leren dat de kans dat een drie maanden oude (premature) baby door heftig schudden en/of een contacttrauma op het hoofd komt te overlijden aanmerkelijk is te achten. Baby’s, zeker die van pas drie maanden oud, zijn bij uitstek kwetsbaar. Alhoewel dit een feit van algemene bekendheid is, heeft verdachte dit op de zitting ook nog eens bevestigd. Daarnaast wist hij hoe hij een baby bij de billetjes en het hoofdje moest oppakken, en dat daarbij in het bijzonder het nekje moet worden ondersteund. Verder wist verdachte dat de schedeldelen van een baby nog niet aan elkaar zijn gegroeid en dat het schedeltje daarom broos is, aldus de verklaring van verdachte op de zitting. Verdachte moet zich er dan ook bewust van zijn geweest dat in zijn algemeenheid het uitoefenen van een forse krachtsinwerking op het hoofd en/of hevig schudden van een drie maanden oude baby fatale gevolgen, in de zin van overlijden, voor die baby kan hebben. Bovendien geldt in algemene zin dat de krachten bij het hard schudden van baby’s en de impact daarvan zo groot zijn, dat omstanders hard schudden direct als zeer gevaarlijk of levensgevaarlijk zouden kwalificeren. Dit hebben de deskundigen dr. Soerdjbalie-Maikoe en dr. W.A. Karst op de zitting benadrukt. De handelingen die verdachte heeft verricht moeten naar hun uiterlijke verschijningsvorm dan ook worden aangemerkt als zozeer gericht op de dood van [slachtoffer] , dat het niet anders kan zijn geweest dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op het intreden van de dood van [slachtoffer] bewust heeft aanvaard. Van contra-indicaties is de rechtbank niet gebleken. Dit brengt de rechtbank – in tegenstelling tot wat de verdediging heeft betoogd – tot het oordeel dat verdachte het voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer] .
De rechtbank acht de primair ten laste gelegde doodslag dan ook wettig en overtuigend bewezen.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de inhoud van de opgegeven bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op 21 mei 2025 te Kalenberg opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] (geboren op
[geboortedatum 2] 2025) van het leven heeft beroofd, door [slachtoffer] - op en/of vast te pakken en/of (daarbij) (zeer) krachtig (repeterend) te schudden en/of - enig ander(e) botsend en/of gewelds(kracht)inwerking op diens hoofd uit te oefenen.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:
primair
het misdrijf: doodslag.
5. De strafbaarheid van verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezen verklaarde feit.
6. De motivering van de straf
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht jaren met aftrek van het voorarrest.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging voert geen strafmaatverweer.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank houdt bij het opleggen van de na te melden straf rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank vindt daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
De aard en de ernst van het gepleegde feit
Verdachte heeft zijn slechts drie maanden oude zoontje [slachtoffer] opzettelijk van het leven beroofd. Hiermee heeft hij zich schuldig gemaakt aan doodslag. [slachtoffer] is als gevolg van zeer ernstig hersenletsel overleden. Dit letsel kan slechts zijn ontstaan door een ernstig toegebracht hoofdtrauma in de vorm van een schudtrauma en/of een hevig stomp (botsende) gewelds(kracht) inwerking (hevige impact) op het hoofd. Het zeer ernstige hersenletsel, in combinatie bezien met al het overige letsel, maakt dat in ieder geval een zeer gewelddadig (schud)incident met [slachtoffer] heeft plaatsgevonden.
[slachtoffer] was een zeer jonge kwetsbare baby die volkomen weerloos was. Hij was aan de verantwoordelijkheid van zijn vader als ouder toevertrouwd. [slachtoffer] was voor zijn welzijn volledig van zijn ouders afhankelijk. Als vader en een van de opvoeders van [slachtoffer] had verdachte hem zorg, geborgenheid en bescherming moeten bieden. Door het uitoefenen van zeer gewelddadig geweld op [slachtoffer] , is verdachte daar in op de meest vergaande wijze die men zich kan voorstellen tekortgeschoten. Met zijn handelen heeft verdachte [slachtoffer] het recht op leven ontnomen. Hiermee is een onomkeerbaar verlies teweeggebracht en aan de moeder van [slachtoffer] en aan andere nabestaanden onherstelbaar leed en verdriet toegebracht. Omdat verdachte de enige persoon is die bij [slachtoffer] was op het moment dat het letsel is ontstaan en hij tot op heden niet heeft verklaard wat de ware toedracht precies is geweest, zullen de nabestaanden (waaronder het tweelingbroertje [tweelingbroertje] ) in de toekomst achterblijven met de indringende vraag wat zich precies heeft afgespeeld en waarom. Dit zal de verwerking van de dood van [slachtoffer] voor hen nog moeilijker maken. De rechtbank rekent dit verdachte aan.
De persoon van verdachte
Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op het strafblad van verdachte van 23 december 2025. De inhoud daarvan heeft geen invloed op de strafmaat in deze zaak. Ook heeft de rechtbank acht geslagen op het rapport van Reclassering Nederland van 29 januari 2026 en op wat verdachte ter terechtzitting heeft verklaard.
Verdachte heeft een eigen bedrijf, werkt als timmerman en is de kostwinner van het gezin. Hij en zijn partner hebben een koopwoning en zij dragen de zorg voor hun zoontje [tweelingbroertje] , het tweelingbroertje van [slachtoffer] . Er zijn geen geldzorgen. Als verdachte tot een gevangenisstraf wordt veroordeeld, dan wordt het voor hem moeilijker om in de toekomst zijn bedrijf voort te kunnen zetten. Het overlijden van [slachtoffer] heeft de wereld van verdachte op z’n kop gezet, zoals hij heeft verklaard. Verdachte heeft het er moeilijk mee dat [slachtoffer] is overleden. Het werk is een uitlaatklep voor hem en daarnaast ervaart hij veel steun vanuit zijn naaste omgeving en de kerkgemeenschap van zijn partner. Hoewel er volgens de reclassering geen aanwijzingen zijn voor ernstige psychiatrische stoornissen, ontwikkelingsproblematiek of middelenproblematiek, is de beperkte emotionele expressie van verdachte en zijn stresshantering in emotioneel belastende situaties een aandachtspunt.
De oplegging van een gevangenisstraf
De rechtbank is van oordeel dat vanwege de aard en de ernst van het bewezen verklaarde feit, zoals hiervoor omschreven, en rekening houdend met straffen die in (enigszins) vergelijkbare gevallen door rechters zijn opgelegd, een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf de enige passende straf is. De rechtbank neemt bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf als uitgangspunt dat voor doodslag van een baby doorgaans een gevangenisstraf van acht jaren wordt opgelegd. De rechtbank ziet geen omstandigheden die aanleiding geven om de straf te verzwaren of te verminderen. Er is dus geen aanleiding om af te wijken van de straf die de officier van justitie heeft gevorderd.
De rechtbank acht het, alles afwegend, passend en geboden om verdachte te veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van acht jaren, met aftrek van het voorarrest.
De tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
7. De voorlopige hechtenis
De officier van justitie heeft gevorderd de schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte op te heffen.
De rechter-commissaris heeft op 20 juni 2025 vanwege de zogenoemde 12-jaarsgrond en de ernstig geschokte rechtsorde een bevel tot bewaring gegeven voor de duur van veertien dagen, maar tegelijkertijd de bewaring met onmiddellijke ingang geschorst.
De officier van justitie is tegen deze beschikking in hoger beroep gegaan.
De raadkamer heeft op 25 juni 2025 de schorsingsbeschikking van de rechter-commissaris vernietigd, omdat een schorsing van de voorlopige hechtenis zich - behoudens zeer bijzondere omstandigheden dan wel zeer zwaarwegende persoonlijke belangen aan de zijde van verdachte - niet verhoudt met de aan de orde zijnde “12-jaarsgrond”. De raadkamer zag in de persoonlijke belangen van verdachte, waaronder een ongestoord rouwproces, geen zodanig persoonlijk belang dat het strafvorderlijk belang daarvoor diende te wijken. Dit had tot gevolg dat verdachte weer kwam vast te zitten.
Op 2 juli 2025 heeft de raadkamer de gevangenhouding bevolen voor de duur van 90 dagen en een schorsingsverzoek van de verdediging afgewezen. De raadkamer heeft naast de 12-jaarsgrond ook herhalingsgevaar aan het bevel ten grondslag gelegd en dit als volgt gemotiveerd: “Enerzijds ontbreekt inzicht in de psychische gesteldheid van verdachte. Zolang geen duidelijkheid bestaat over de onderliggende oorzaken van het vermoedelijk grensoverschrijdend gedrag van verdachte bestaat er gevaar voor herhaling. Anderzijds verblijft het tweelingbroertje van het slachtoffer nog in het gezin waarin het incident heeft plaatsgevonden. De aanwezigheid van een baby in dezelfde thuissituatie als waarin het letsel van het slachtoffer is ontstaan, maakt dat de zorg voor diens veiligheid momenteel onvoldoende gewaarborgd is. Gelet op de ernst van het letsel dat bij het slachtoffer is vastgesteld en de specifieke kwetsbaarheid van zeer jonge kinderen is het herhalingsgevaar aanwezig.”. De verdediging is in hoger beroep gegaan.
Het gerechtshof heeft op 6 augustus 2025 de beschikking van de rechtbank waarin de gevangenhouding van verdachte is bevolen met overneming van de overwegingen bevestigd. Het gerechtshof heeft evenwel onvoldoende aanknopingspunten gezien om de recidivegrond aan te nemen, zodat deze is komen te vervallen. Het gerechtshof heeft “in de bijzondere omstandigheden van dit geval” redenen gezien voor schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte. De voorlopige hechtenis van verdachte is met ingang van diezelfde dag onder een zevental voorwaarden geschorst.
De rechtbank oordeelt dat zij, gelet op de inhoud van dit vonnis en de hoogte van de opgelegde vrijheidsstraf, de voorlopige hechtenis van verdachte niet zal opheffen.
De ernstige bezwaren en het herhalingsgevaar (zoals de raadkamer op 2 juli 2025 heeft gemotiveerd) die tot het bevel tot voorlopige hechtenis hebben geleid, bestaan immers ook nog op dit moment. De 12-jaarsgrond is naar het oordeel van de rechtbank niet langer aan de orde. In aanvulling op wat de raadkamer op 2 juli 2025 ten aanzien van het herhalingsgevaar heeft overwogen, overweegt de rechtbank het volgende. Verdachte heeft zich als opvoeder en verantwoordelijke ouder schuldig gemaakt aan doodslag op zijn drie maanden oude zoontje [slachtoffer] . De rechtbank vreest dat een soortgelijke situatie zich ook kan voordoen bij [tweelingbroertje] , het tweelingbroertje van [slachtoffer] . Verdachte is ook verantwoordelijk voor de zorg en opvoeding van [tweelingbroertje] . Hij heeft geen inzicht getoond in de zorgen die op dit punt bestaan. Verdachte blijft vasthouden aan zijn verhaal over de toedracht die tot het overlijden van [slachtoffer] heeft geleid. En hij heeft op de zitting gezegd dat hij het vier-ogen-principe dat tot op heden wordt toegepast niet nodig vindt. In algemene zin geldt dat het aan de samenleving niet is uit te leggen dat een verdachte een eventuele berechting in hoger beroep in vrijheid mag afwachten, terwijl de rechtbank aan hem een gevangenisstraf van acht jaren oplegt voor doodslag op een baby. De rechtbank zal daarom de schorsing van de voorlopige hechtenis opheffen. Dit betekent dat de voorlopige hechtenis in afwachting van een eventueel hoger beroep wordt voortgezet en dat verdachte (als hij niet in hoger beroep gaat) de opgelegde gevangenisstraf direct moet uitzitten.
8. De toegepaste wettelijke voorschriften
De hierna te nemen beslissing berust op artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht.
9. De beslissing
De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
primair
het misdrijf: doodslag;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) jaren;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;
opheffing schorsing voorlopige hechtenis
- heft de schorsing van de voorlopige hechtenis op met ingang van heden.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. van Holten, voorzitter, mr. G.H. Meijer en
mr. M. van Bruggen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N. Klunder en F. Dussel MSc, griffiers, en is in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2026.