RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Almelo
Parketnummer: 08-110081-25 (P)
Datum vonnis: 17 februari 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2006 in [geboorteplaats] ,
nu verblijvende in de P.I. [locatie 1] ,
hierna: [verdachte] .
1. Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van
3 februari 2026.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door [verdachte] en zijn raadsman mr. R. Schreudering, advocaat in Utrecht, naar voren is gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennis genomen van wat door de benadeelde partij [slachtoffer 3] en namens de benadeelde partij [slachtoffer 1] door [naam 1] , werkzaam bij Slachtofferhulp Nederland, is aangevoerd.
2. De tenlastelegging
De verdenking komt er na wijziging van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van 2 december 2025, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat [verdachte] samen met anderen of alleen in de periode van 13 maart 2025 tot en met
8 april 2025 aangevers [slachtoffer 2] , [slachtoffer 1] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] heeft opgelicht (feiten 1 tot en met 4) en van hen geld heeft gestolen door onbevoegd met hun bankpassen te pinnen (feit 5).
Voluit luidt de tenlastelegging aan [verdachte] , dat:
1hij op of omstreeks 8 april 2025 te Noord-Sleen (gemeente Coevorden), althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 2] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten de afgifte van haar sieraden en/of bankpas en/of pincode en/of mobiele telefoon en/of tablet, door- zich ten aanzien van voornoemde [slachtoffer 2] voor te doen als [naam 2] , een medewerker van de politie, en/of- (vervolgens) zich ten aanzien van voornoemde [slachtoffer 2] voor te doen als [naam 3] , een medewerker van de politie, en/of- te zeggen dat verdachte(n) het adres van voornoemde [slachtoffer 2] hebben, en/of- te zeggen dat [naam 4] / [naam 5] [naam 6] / [naam 7] van de politie naar de woning van voornoemde [slachtoffer 2] komt om sieraden en/of bankpas en/of pincode en/of mobiele telefoon en/of tablet op te halen, en/of- zich naar de woning van voornoemde [slachtoffer 2] te begeven en/of bij de woning van voornoemde [slachtoffer 2] aan te bellen en/of zich de toegang tot de woning van voornoemde [slachtoffer 2] te verschaffen, en/of- de voornoemde sieraden en/of (contant) geld en/of bankpas en/of pincode en/of mobiele telefoon en/of tablet mee te nemen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 8 april 2025 te Noord-Sleen (gemeente Coevorden), althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, sieraden en/of (contant) geld en/of bankpassen en/of pincodes en/of mobiele telefoons en/of een tablet, althans een of meer goederen heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed/deze goederen wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;
2hij op of omstreeks 8 april 2025 te Tubbergen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 1] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten de afgifte van haar sieraden en/of (contant) geld en/of bankpas en/of pincode en/of een mobiele telefoon, door- zich ten aanzien van voornoemde [slachtoffer 1] voor te doen als [naam 2] , een medewerker van de politie, en/of- (vervolgens) zich ten aanzien van voornoemde [slachtoffer 1] voor te doen als [naam 3] , een medewerker van de politie, en/of- te zeggen dat verdachte(n) het adres van voornoemde [slachtoffer 1] hebben, en/of- te zeggen dat [naam 4] / [naam 5] [naam 6] / [naam 7] van de politie naar de woning van voornoemde [slachtoffer 1] komt om sieraden en/of (contant) geld en/of bankpas en/of pincode en/of mobiele telefoon op te halen, en/of- zich naar de woning van voornoemde [slachtoffer 1] te begeven en/of bij de woning van voornoemde [slachtoffer 1] aan te bellen en/of zich de toegang tot de woning van voornoemde [slachtoffer 1] te verschaffen, en/of- de voornoemde sieraden en/of (contant) geld en/of bankpas en/of pincode en/of mobiele telefoon mee te nemen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 8 april 2025 te Tubbergen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, sieraden en/of (contant) geld en/of bankpassen en/of pincodes en/of mobiele telefoons en/of een tablet, althans een of meer goederen heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed/deze goederen wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;
3hij op of omstreeks 13 maart 2025 te Zuidhorn (gemeente Westerkwartier), althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 3] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten de afgifte van haar sieraden en/of (contant) geld en/of bankpas en/of pincode, door- zich ten aanzien van voornoemde [slachtoffer 3] voor te doen als [naam 3] , een medewerker van de politie, en/of- te zeggen dat verdachte(n) het adres van voornoemde [slachtoffer 3] hebben, en/of- te zeggen dat [naam 4] / [naam 5] [naam 6] / [naam 7] van de politie naar de woning van voornoemde [slachtoffer 3] komt om sieraden en/of (contant) geld en/of bankpas en/of pincode op te halen, en/of- zich naar de woning van voornoemde [slachtoffer 3] te begeven en/of bij de woning van voornoemde [slachtoffer 3] aan te bellen en/of zich de toegang tot de woning van voornoemde [slachtoffer 3] te verschaffen, en/of- de voornoemde sieraden en/of (contant) geld en/of bankpas en/of pincode mee te nemen;
4hij op of omstreeks 16 maart 2025 te Koningsbosch (gemeente Echt-Susteren), althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 4] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten de afgifte van zijn sieraden en/of (contant) geld en/of bankpas en/of pincode, door- zich ten aanzien van voornoemde [slachtoffer 4] voor te doen als [naam 3] , een medewerker van de politie, en/of- te zeggen dat verdachte(n) het adres van voornoemde [slachtoffer 4] hebben, en/of- te zeggen dat [naam 4] / [naam 5] [naam 6] / [naam 7] van de politie naar de woning van voornoemde [slachtoffer 4] komt om sieraden en/of (contant) geld en/of bankpas en/of pincode op te halen, en/of- zich naar de woning van voornoemde [slachtoffer 4] te begeven en/of bij de woning van voornoemde [slachtoffer 4] aan te bellen en/of zich de toegang tot de woning van voornoemde [slachtoffer 4] te verschaffen, en/of- de voornoemde sieraden en/of (contant) geld en/of bankpas en/of pincode mee te nemen;
5hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 13 maart 2025 tot en met 8 april 2025 te Geesteren, Niekerk, Sleen, Nieuwstadt, Maarheeze en/of Geldrop, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meer geldbedragen (met een totale waarde van €4050,-), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen geldbedrag(en) en/of goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door met een meerdere bankpassen en/of bijbehorende pincode(s) tot het gebruik waarvan hij, verdachte, niet gerechtigd was, (een) geldbedrag(en) te pinnen, ten gevolge waarvan genoemde geldbedrag(en) van de rekening van voornoemde [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] werd(en) afgeschreven.
3. De bewijsmotivering
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle ten laste gelegde feiten – indien van toepassing in de primaire variant – wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. Het ten laste gelegde onder feit 2 laat zich kwalificeren als oplichting. De essentie van oplichting is het bewegen tot afgifte van een goed en dit was al gebeurd voordat [verdachte] de goederen meenam.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat [verdachte] moet worden vrijgesproken van het onder feit 2 primair ten laste gelegde, omdat geen sprake is geweest van afgifte van goederen door aangeefster en het laste gelegde daarom niet als oplichting kan worden gekwalificeerd. Voor het overige heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
De verklaring van [verdachte]
heeft bekend dat hij telkens onder de valse naam en hoedanigheid van wijkagent of rechercheur [naam 4] naar de woningen van aangevers ging, dat hij de klaargelegde goederen uit de woningen heeft meegenomen en dat hij vervolgens met de pinpassen van aangevers bedragen pinde bij geldautomaten. [verdachte] kreeg instructies hiertoe van anderen en volgde deze op.
De redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op grond van het dossier en hetgeen ter zitting is besproken de volgende feiten en omstandigheden vast.
- De modus operandi
In een korte periode is – veelal door alleenstaande ouderen – vier keer aangifte gedaan van zogenoemde nepagentfraude, in de vorm van oplichting en diefstal door middel van met die oplichting verkregen bankpassen, gepleegd tussen 13 maart 2025 en 8 april 2025. Bij de fraude is in grote lijnen steeds – met enkele van ondergeschikt belang zijnde variaties – de volgende werkwijze gevolgd.
Alle aangevers worden in de namiddag of avond op hun huistelefoon gebeld door een persoon die zich voordoet als [naam 3] , werkzaam bij de politie. In sommige gevallen hadden aangevers daarvoor een telefoongesprek met een persoon die zich voordoet als [naam 2] , eveneens werkzaam bij de politie. Aangevers wordt een verzonnen verhaal voorgehouden met als strekking dat er verdachten zijn opgepakt die uit zouden zijn op een woninginbraak bij de aangevers. Hierdoor worden aangevers ertoe bewogen hun waardevolle spullen zoals sieraden, contant geld, elektronische apparaten en pinpassen klaar te leggen voor wijkagent ‘ [naam 4] ’. Ook worden aangevers ertoe bewogen hun mobiele telefoon in een kookpan met daarop een deksel te leggen, omdat daarop virussen zouden staan. Terwijl aangevers nog telefonisch contact hebben met [naam 3] wordt op enig moment aangebeld door [verdachte] die zich voordoet als politiemedewerker [naam 4] . Hij maakt melding van eenzelfde veiligheidscode als eerder door [naam 3] aan de aangevers is verteld. Door dit alles verkeren aangevers in de veronderstelling dat ze daadwerkelijk te maken hebben met medewerkers van de politie en geven zij waardevolle goederen, geld en bankpassen af aan [verdachte] . Ook delen alle aangevers hun pincode. [verdachte] verlaat de woningen met de waardevolle goederen, pinpassen en met kennis van de bijbehorende pincodes. Bij pinautomaten worden kot daarna geldbedragen opgenomen van de rekeningen van de aangevers.
- Maart 2025
Deze modus operandi is op 13 maart 2025 toegepast bij [slachtoffer 3] (hierna: [slachtoffer 3] ). [verdachte] is op die dag in haar woning in [plaats 1] binnengelaten en heeft daar de door [slachtoffer 3] klaargelegde sieraden, contant geld en een pinpas (met bijbehorende pincode) meegenomen. Hierna heeft [verdachte] in totaal € 950,00 van de rekening van [slachtoffer 3] gepind bij een Geldmaat in Niekerk.
Op 16 maart 2025 was de werkwijze identiek. [verdachte] is binnengelaten in de woning van [slachtoffer 4] (hierna: [slachtoffer 4] ) en heeft ook daar de door [slachtoffer 4] klaargelegde sieraden, het contante geld en een pinpas (met bijbehorende pincode) meegenomen. Hierna heeft [verdachte] in totaal € 1.800,00 van de rekening van [slachtoffer 4] gepind bij verschillende Geldmaten in Nieuwstadt, Maarheeze en Geldrop.
- 8 april 2025
[verdachte] en medeverdachten [medeverdachte 1] (hierna [medeverdachte 1] ) en [medeverdachte 2] (hierna [medeverdachte 2] ), alle drie wonende in [woonplaats] , maken op 8 april 2025 samen gebruik van een door [medeverdachte 2] gehuurde auto. [medeverdachte 2] is op papier de huurder van de auto, maar in werkelijkheid is de huur betaald door een niet nader geïdentificeerde persoon die in een Snapchat groepschat de gebruikersnaam ‘ [gebruikersnaam 1] ’ gebruikt en blijkens de chats de telefonische contacten met de slachtoffers onderhoudt dan wel doet onderhouden.
De auto is gehuurd voor de periode van 7 april 2025 om 08:00 uur tot 9 april 2025 om 08:00. Naast de bij de verhuur inbegrepen 200 kilometers zijn 1.000 extra kilometers gehuurd. Op 7 april 2025 is de auto naar meerdere plekken in verschillende provincies gereden.
In de ochtend van 8 april 2025 vertrekken [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] met de huurauto vanuit [woonplaats] . [medeverdachte 2] is die dag bestuurder van de auto, [medeverdachte 1] is de bijrijder en [verdachte] zit achter in de auto. In een Snapchat-gesprek waarvan [verdachte] (onder de gebruikersnaam [gebruikersnaam 2] ), ‘ [gebruikersnaam 1] ’ en de niet nader geïdentificeerde ‘ [gebruikersnaam 3] ’/’ [gebruikersnaam 4] ’ onderdeel uitmaken worden die dag adressen en instructies gedeeld. ‘ [gebruikersnaam 1] ’ speelt in deze chats een aansturende rol. Ook wordt op meerdere momenten in de groepschat gebeld door en met de deelnemers van de chat. [medeverdachte 2] krijgt in ieder geval van [verdachte] te horen naar welke adressen hij moet rijden.
Na verschillende tussenstops verspreid door Nederland rijdt het drietal in de avond van 8 april 2025 vanuit Friesland naar [plaats 3]. Aangeefster [slachtoffer 2] , wonende aan de [adres 1] , voert op dat moment een telefoongesprek met [naam 3] conform de hiervoor omschreven modus operandi. Haar huisadres wordt door [gebruikersnaam 1] genoemd in het Snapchat gesprek. Omstreeks 18:53 uur wordt [verdachte] door [slachtoffer 2] binnengelaten in haar woning. Omstreeks 19:30 uur verlaat hij de woning met een iPhone, een iPad, meerdere sieraden, een pinpas van ABN AMRO en € 150,00 contant geld, die door [slachtoffer 2] aan [verdachte] zijn overhandigd. [slachtoffer 2] heeft ook haar pincode aan [verdachte] gegeven. [verdachte] stapt weer in de auto bij [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] . Het drietal rijdt naar een Geldmaat aan de [adres 4] en om 19:42 uur pint [verdachte] in twee transacties in totaal € 800,00 van de rekening van [slachtoffer 2] . Deze transacties, opgeteld bij het contant meegenomen bedrag, maken dat op die dag in totaal € 950,00, afkomstig van aangeefster in handen is van de inzittenden van de auto.
Om 19:42 uur (UTC +0) (de rechtbank begrijpt: om 21:42 uur Nederlandse tijd en zal verdere tijdstippen van chats in de Nederlandse tijd benoemen) stuurt [gebruikersnaam 1] chats met de tekst ‘ [adres 2] ’, ‘Ik geef groen licht’ en ‘vertrekken’. [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] rijden richting [plaats 2] en parkeren de auto in de directe omgeving van de [adres 2] . De daar woonachtige [slachtoffer 1] voert op dat moment een telefoongesprek met [naam 3] en laat [verdachte] binnen in haar woning. [slachtoffer 1] heeft op verzoek van [naam 3] haar sieraden, contant geld (in totaal
€ 120,00) en een pinpas op tafel gelegd. Ook geeft zij telefonisch haar pincode door aan [naam 3] . Terwijl [verdachte] in de woning van [slachtoffer 1] is, stuurt hij een video in het Snapchat-gesprek waarop sieraden, geld, een huistelefoon en een mobiele telefoon met daarop de Rabobank app te zien zijn. [verdachte] pakt de mobiele telefoon van [slachtoffer 1] uit de kookpan. [slachtoffer 1] moet een envelop pakken en haar handtekening op de achterkant zetten. Op enig moment krijgt [slachtoffer 1] argwaan en pakt zij het contante geld dat zij heeft klaargelegd terug. [slachtoffer 1] zegt tegen [verdachte] dat ze de politie gaat bellen, die hierop de huistelefoon van haar pakt en de overige klaargelegde goederen van de tafel meeneemt. [verdachte] verlaat de woning met sieraden, een bankpas, de huistelefoon en een mobiele telefoon. [verdachte] chat om 22:18 uur ‘ben loesoe’ en [gebruikersnaam 1] vraagt of ze nog kunnen pinnen. [gebruikersnaam 1] stuurt om 22:20 uur het adres [adres 3] in de chat. Het drietal rijdt weg en om 22:29 uur wordt er door [verdachte] € 500,00 euro gepind van de rekening van [slachtoffer 1] bij een Geldmaat op het adres [adres 3] , Overijssel. Gelet op het feit dat aangeefster het klaargelegde geld terugpakt, betekent dit dat € 500,00, van haar afkomstig, zich in handen van de inzittenden van de auto bevindt.
Kort daarna, om 22.52 uur, worden [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] , die in een witte Volkswagen Up zitten en in de richting van Albergen/Almelo rijden, aangehouden. De bij de aanhouding betrokken verbalisant ziet dat [medeverdachte 1] , de bijrijder, met zijn been een wit papieren tasje tegen de middenconsole probeert te drukken. In het tasje bevindt zich een envelop met daarin tientallen sieraden, waaronder de bij [slachtoffer 1] weggenomen sieraden. Achter de bestuurdersstoel wordt een bruin doosje aangetroffen met daarin meerdere sieraden. In de jaszak van [medeverdachte 1] wordt een contant geldbedrag van € 500,00 aangetroffen en in een zakje op de mouw van zijn vest wordt een contant geldbedrag van
€ 950,00 aangetroffen. Alle aangetroffen geldbiljetten waren glad en niet gekreukeld. Bij [verdachte] worden de pinpas en mobiele telefoon van [slachtoffer 1] aangetroffen.
De overwegingen van de rechtbank
Oplichting feit 2 primair
Hoewel vast staat dat [verdachte] de goederen heeft meegenomen, ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of de situatie zoals deze zich heeft voorgedaan in de woning van aangeefster [slachtoffer 1] , zich laat kwalificeren als oplichting. Voor oplichting in de zin van artikel 326, eerste lid, Wetboek van Strafrecht (Sr) is vereist dat iemand door een oplichtingsmiddel – in dit geval door het aannemen van een valse naam en een valse hoedanigheid – wordt "bewogen" tot de in die bepaling bedoelde handelingen – in dit geval de afgifte van enig goed. In de jurisprudentie wordt het bestanddeel ‘afgifte van enig goed’ ruim uitgelegd. Zo kan ook het gedogen dat een goed wordt weggenomen onder omstandigheden als ‘afgeven’ worden aangemerkt. Voor een voltooide oplichting moet het goed uit de beschikkingsmacht van een ander raken, zonder dat noodzakelijk is dat het in de macht van de oplichter komt. Onder beschikkingsmacht wordt verstaan het hebben van de feitelijke en exclusieve heerschappij.
De vraag of bepaalde gedragingen "wegnemen" opleveren in het verband van art. 312 Sr of "afgifte" in de zin van art. 317 Sr, valt niet steeds ondubbelzinnig te beantwoorden. Er bestaat tussen de inhoud die aan beide begrippen toekomt geen scherpe grens. Het is aan de feitenrechter om bepaalde gedragingen als afgifte dan wel als wegnemen als hiervoor bedoeld te kwalificeren.
De rechtbank oordeelt als volgt. Door het telefoongesprek dat [slachtoffer 1] met [naam 3] voert, die daarbij gebruik maakt van een valse naam en een valse hoedanigheid, is zij ertoe bewogen sieraden, contant geld en haar pinpas op tafel klaar te leggen voor [verdachte] , die eveneens gebruik maakt van een valse naam en een valse hoedanigheid. Ook werd zij ertoe bewogen haar mobiele telefoon in een pan te doen omdat er een virus op zou staan. Daarna komt [verdachte] binnen, introduceert zich als de aangekondigde politiefunctionaris, pakt de telefoon van [slachtoffer 1] uit de pan en legt deze bij de door [slachtoffer 1] klaargelegde goederen op de tafel. [slachtoffer 1] heeft dit gedoogd, omdat zij in de veronderstelling is dat [verdachte] een politiemedewerker is. Vervolgens maakt [verdachte] foto’s van de goederen die op tafel liggen. Dit is het moment dat [slachtoffer 1] niet langer de feitelijke en exclusieve heerschappij over de goederen had en de goederen dus buiten haar beschikkingsmacht zijn geraakt. Met het neerleggen van de goederen voor [verdachte] , het gedogen dat [verdachte] haar telefoon pakt, en het toestaan dat [verdachte] vervolgens foto’s maakt van de goederen, heeft [slachtoffer 1] de goederen die in de tenlastelegging staan dus onder valse voorwendselen afgegeven. De oplichting is daarmee op dat moment al voltooid. Dat de intentie tot bezitsoverdracht van [slachtoffer 1] hierna nog wijzigt, doet hier niet aan af. Zij had immers op dat moment niet langer de feitelijke en exclusieve heerschappij over de goederen.
Bewezenverklaring
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van de onder feit 1 primair, feit 2 primair, feit 3, feit 4 en feit 5 ten laste gelegde feiten op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu [verdachte] deze feiten heeft bekend en door of namens hem geen (integrale) vrijspraak is bepleit (behalve vanwege het gevoerde kwalificatieverweer ten aanzien van feit 2 primair waarop de rechtbank hiervoor is ingegaan)- conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Feit 1 primair, feit 2 primair, feit 3, feit 4 en feit 5
- Het proces-verbaal van de terechtzitting van 3 februari 2026, inhoudende de bekennende verklaring van [verdachte] ;
Feit 1 primair en feit 5
Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] van 8 april 2025 (pag. 445-448);
Het proces-verbaal van bevindingen van 9 april 2025 (pag. 449-459);
Feit 2 primair en feit 5
Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] van 9 april 2025 (pag. 36-44);
Het proces-verbaal van bevindingen van 9 april 2025 (pag. 45-49);
Feit 3 en feit 5
- Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] van 13 maart 2025 (pag. 612-617);
Feit 4 en feit 5
- Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 4] van 17 maart 2025
(pag. 494-497);
- Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 4] van 11 april 2025
(pag. 498-500).
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:
1.hij op of omstreeks 8 april 2025 te Noord-Sleen (gemeente Coevorden), althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 2] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, en het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten de afgifte van haar sieraden en/of bankpas en/of pincode en/of mobiele telefoon en/of tablet, door- zich ten aanzien van voornoemde [slachtoffer 2] voor te doen als [naam 2] , een medewerker van de politie, en/of- (vervolgens) zich ten aanzien van voornoemde [slachtoffer 2] voor te doen als [naam 3] , een medewerker van de politie, en/of- te zeggen dat verdachte(n) het adres van voornoemde [slachtoffer 2] hebben, en/of- te zeggen dat [naam 4] /[naam 5] [naam 6] / [naam 7] van de politie naar de woning van voornoemde [slachtoffer 2] komt om sieraden en/of een bankpas en/of de pincode en/of een mobiele telefoon en/of een tablet op te halen, en/of- zich naar de woning van voornoemde [slachtoffer 2] te begeven en/of bij de woning van voornoemde [slachtoffer 2] aan te bellen en/of zich de toegang tot de woning van voornoemde [slachtoffer 2] te verschaffen, en/of- de voornoemde sieraden en/of het (contant) geld en/of de bankpas en/of de pincode en/of de mobiele telefoon en/of de tablet mee te nemen;
2.hij op of omstreeks 8 april 2025 te Tubbergen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 1] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, en het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten de afgifte van haar sieraden en/of (contant) geld en/of bankpas en/of pincode en/of een mobiele telefoon, door- zich ten aanzien van voornoemde [slachtoffer 1] voor te doen als [naam 2] , een medewerker van de politie, en/of- (vervolgens) zich ten aanzien van voornoemde [slachtoffer 1] voor te doen als [naam 3] , een medewerker van de politie, en/of- te zeggen dat verdachte(n) het adres van voornoemde [slachtoffer 1] hebben, en/of- te zeggen dat [naam 4] / [naam 5] [naam 6] / [naam 7] van de politie naar de woning van voornoemde [slachtoffer 1] komt om sieraden en/of (contant) geld en/of een bankpas en/of de pincode en/of een mobiele telefoon op te halen, en/of- zich naar de woning van voornoemde [slachtoffer 1] te begeven en/of bij de woning van voornoemde [slachtoffer 1] aan te bellen en/of zich de toegang tot de woning van voornoemde [slachtoffer 1] te verschaffen, en/of- de voornoemde sieraden en/of het (contant) geld en/of de bankpas en/of de pincode en/of de mobiele telefoon mee te nemen;
3.hij op of omstreeks 13 maart 2025 te Zuidhorn (gemeente Westerkwartier), althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 3] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, en het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten de afgifte van haar sieraden en/of (contant) geld en/of een bankpas en/of de pincode, door- zich ten aanzien van voornoemde [slachtoffer 3] voor te doen als [naam 3] , een medewerker van de politie, en/of- te zeggen dat verdachte(n) het adres van voornoemde [slachtoffer 3] hebben, en/of- te zeggen dat [naam 4]/ [naam 5] [naam 6] / [naam 7] van de politie naar de woning van voornoemde [slachtoffer 3] komt om sieraden en/of (contant) geld en/of een bankpas en/of de pincode op te halen, en/of- zich naar de woning van voornoemde [slachtoffer 3] te begeven en/of bij de woning van voornoemde [slachtoffer 3] aan te bellen en/of zich de toegang tot de woning van voornoemde [slachtoffer 3] te verschaffen, en/of- de voornoemde sieraden en/of het (contant) geld en/of de bankpas en/of de pincode mee te nemen;
4.hij op of omstreeks 16 maart 2025 te Koningsbosch (gemeente Echt-Susteren), althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 4] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, en het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten de afgifte van zijn sieraden en/of (contant) geld en/of een bankpas en/of de pincode, door- zich ten aanzien van voornoemde [slachtoffer 4] voor te doen als [naam 3] , een medewerker van de politie, en/of - te zeggen dat verdachte(n) het adres van voornoemde [slachtoffer 4] hebben, en/of- te zeggen dat [naam 4] / [naam 5] [naam 6] / [naam 7] van de politie naar de woning van voornoemde [slachtoffer 4] komt om sieraden en/of (contant) geld en/of een bankpas en/of de pincode op te halen, en/of- zich naar de woning van voornoemde [slachtoffer 4] te begeven en/of bij de woning van voornoemde [slachtoffer 4] aan te bellen en/of zich de toegang tot de woning van voornoemde [slachtoffer 4] te verschaffen, en/of- de voornoemde sieraden en/of het (contant) geld en/of de bankpas en/of de pincode mee te nemen;
5.hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 13 maart 2025 tot en met 8 april 2025 te Geesteren, Niekerk, Sleen, Nieuwstadt, Maarheeze en/of Geldrop, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meer geldbedragen (met een totale waarde van €4050,-), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen geldbedrag(en) en/of goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door met een meerdere bankpassen en/of bijbehorende pincode(s) tot het gebruik waarvan hij, verdachte, niet gerechtigd was, (een) geldbedrag(en) te pinnen, ten gevolge waarvan genoemde geldbedrag(en) van de rekening van voornoemde [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] werd(en) afgeschreven.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan [verdachte] meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 47, 311 en 326 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1 primair, feit 2 primair, feit 3 en feit 4
telkens het misdrijf: medeplegen van oplichting;
feit 5
het misdrijf: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd.
5. De strafbaarheid van [verdachte]
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van [verdachte] uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat [verdachte] strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.
6. De op te leggen straf of maatregel
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie ziet onvoldoende aanknopingspunten voor toepassing van het adolescentenstrafrecht. Zij heeft gevorderd om aan [verdachte] op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en daaraan gekoppeld de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden en met aftrek van de tijd die [verdachte] in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht het jeugdstrafrecht toe te passen en aan [verdachte] een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan de tijd die [verdachte] tot nu toe in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Een aanvullende straf in onvoorwaardelijke, dan wel voorwaardelijke zin, is niet noodzakelijk.
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van [verdachte] zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
Ernst van de feiten
[verdachte] heeft zich in een korte periode samen met anderen schuldig gemaakt aan sluwe oplichtingspraktijken. Het dossier geeft een beeld van een samenwerkingsverband van personen die gericht op zoek gaan naar (alleenstaande) ouderen, van wie bekend is dat zij over het algemeen een kwetsbare doelgroep zijn voor dit soort feiten. Op slinkse wijze en met gebruik van een weloverwogen script werd ernstig misbruik gemaakt van het vertrouwen en de angst van de slachtoffers, die immers dachten dat zij in gesprek waren met politieambtenaren die hen wilden helpen in een risicovolle situatie. Er werd alles aan gedaan om het vertrouwen van de slachtoffers te winnen om hen zo waardevolle goederen afhandig te maken.
Als slachtoffers argwanend werden werd er op hen ingepraat of hen zelfs bevolen excuses aan te bieden voor het feit dat zij de wijkagent niet binnen wilde laten, hetgeen de brutaliteit van de oplichtingspraktijken nog eens onderstreept.
Door deze handelswijze zijn de slachtoffers ertoe bewogen hun waardevolle en veelal dierbare goederen af te geven aan [verdachte] . Met de weggenomen pinpassen en bijbehorende pincodes werd hierna in een korte periode zoveel mogelijk geld van de rekeningen van slachtoffers gepind. [verdachte] heeft op geen enkele wijze rekening gehouden met de gevolgen van de oplichtingen voor de slachtoffers en heeft alleen oog gehad voor zijn eigen financieel gewin zodat zijn schulden konden worden afgelost. Uit het dossier blijkt hoeveel impact de feiten op de slachtoffers hebben. Zij voelen zich niet langer veilig in hun woningen, zijn het vertrouwen in medemensen verloren en kijken argwanend naar professionele instanties als de politie. Hoe ernstig het vertrouwen van de slachtoffers is geschaad blijkt uit het feit dat een van de slachtoffers, toen zij na het incident een 112-melding deed, de daadwerkelijke centralist niet vertrouwde omdat ook diegene sprak over een veiligheidscode die door de aanrijdende politieagenten genoemd zou worden.
Bovendien heeft het overgrote deel van de slachtoffers dierbare bezittingen zoals sieraden van (overleden) geliefden of familieleden – waarvan de waarde niet in geld in is uit te drukken – niet meer teruggekregen. Naast de gevolgen die onderhavige feiten voor de slachtoffers hebben gehad, zorgen feiten als deze ook voor gevoelens van angst en wantrouwen in de samenleving, met name bij kwetsbare groepen zoals ouderen. De rechtbank rekent dit [verdachte] aan.
Persoon van [verdachte]
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van [verdachte] van 5 september 2025. Hieruit blijkt dat [verdachte] in de afgelopen vijf jaren is veroordeeld voor strafbare feiten, maar niet voor een soortgelijk strafbaar feit.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het meest recente reclasseringsrapport dat over [verdachte] is opgemaakt van 21 januari 2026. De reclassering rapporteert het volgende. Verschillende leefgebieden van [verdachte] zijn als criminogeen te bestempelen. [verdachte] heeft schulden en woont in een [woonplaats] achterstandswijk waar hij wordt benaderd voor criminele activiteiten. Het sociale netwerk van [verdachte] bevindt zich in diezelfde buurt. Ten tijde van het ten laste gelegde was [verdachte] achttien jaar oud en overzag hij de gevolgen van zijn gedrag niet. [verdachte] wekt de indruk dat hij niet in staat is zelfstandig te stoppen met het delictgedrag. Er zijn duidelijke aanwijzingen voor een (beginnende) pro-criminele houding. De afwijzende houding van de ouders van [verdachte] tegenover grensoverschrijdend gedrag en hun steunende opstelling bij het maken van de juiste keuzes wordt als positieve factor gezien. [verdachte] leek in eerste instantie intrinsiek gemotiveerd voor hulp en toezicht door de reclassering. Deze motivatie nam af en [verdachte] weigerde mee te werken aan verdiepingsdiagnostiek en het opstellen van een plan van aanpak. Er zijn vermoedens van verminderde verstandelijke vermogens en de inschatting is dat [verdachte] de gevolgen van zijn keuze om niet mee te werken onvoldoende overziet. De reclassering acht hulpverlening in een gedwongen kader noodzakelijk om het risico op recidive te verminderen. Na toepassing van het Wegingskader ASR en meerdere contactmomenten met de Raad voor de Kinderbescherming, Jeugdbescherming [locatie 2] (waar [verdachte] eerder onder toezicht heeft gestaan) en de William Schrikker Stichting jeugdbescherming & jeugdreclassering concludeert de reclassering dat er aanknopingspunten zijn voor toepassing van het jeugdstrafrecht. Ten tijde van de feiten volgde [verdachte] voltijds school, had en heeft nog geen startkwalificatie en woonde nog thuis. Daarnaast zijn er vermoedens van een (licht) verstandelijke beperking en is er nog sprake van pedagogische beïnvloeding. Het advies is om het jeugdstrafrecht toe te passen en aan [verdachte] een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. Omdat de reclassering – vanwege de beperkte responsiviteit – een volwassenaanpak voor wat betreft het toezicht passender acht, adviseert zij om het toezicht niet bij de jeugdreclassering maar bij de reclassering neer te leggen.
Adolescentenstrafrecht
[verdachte] was ten tijde van het plegen van de feiten achttien jaar oud en dus meerderjarig. Uitganspunt is dat een jongvolwassen [verdachte] die ten tijde van het strafbare feit meerderjarig is, volgens het volwassenenstrafrecht wordt berecht. Op grond van het bepaalde in artikel 77c Sr kan bij de afdoening van een strafzaak recht gedaan worden op grond van het jeugdstrafrecht als de rechter daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan.
De rechtbank ziet in hetgeen over [verdachte] is gerapporteerd, in hetgeen ter terechtzitting over hem is gebleken en in de omstandigheden waaronder het feit is begaan onvoldoende grond het jeugdstrafrecht toe te passen. Hoewel de reclassering dit wel adviseert, stelt zij tegelijkertijd dat een eventueel toezicht in een volwassen kader moet plaatsvinden omdat dit passender wordt geacht. Een (niet onderbouwd) vermoeden van een (licht) verstandelijke beperking biedt onvoldoende grondslag voor toepassing van het jeugdstrafrecht. De rechtbank zal het volwassenstrafrecht toepassen.
Op te leggen straf
De rechtbank is van oordeel dat de ernst en de hoeveelheid van de feiten een onvoorwaardelijk strafdeel in de vorm van een gevangenisstraf rechtvaardigt. Hoewel door de reclassering bijzondere voorwaarden zijn geadviseerd, heeft [verdachte] ter zitting zeer duidelijk verklaard dat hij geen behoefte heeft aan reclasseringsbemoeienis. [verdachte] staat door eerdere negatieve ervaringen met name afwijzend tegenover de voorwaarden die een hulpverlenend karakter hebben of waarbij specifiek naar de persoon van [verdachte] wordt gekeken, zoals het afnemen van diagnostiek met een IQ-onderzoek en (indien geïndiceerd) een ambulante behandeling. De rechtbank is daarom van oordeel dat het opleggen van het geadviseerde pakket aan bijzondere voorwaarden geen toegevoegde waarde heeft. [verdachte] heeft ter zitting verklaard dat hij nooit meer terug wil naar de gevangenis. Deze intrinsieke motivatie, gecombineerd met een extrinsieke motivatie in de vorm van een voorwaardelijke gevangenisstraf, moet [verdachte] ervan weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan strafbare feiten. De rechtbank hoopt dat [verdachte] , ondanks dat er nog sprake lijkt van een hoog risico op recidive, zijn woorden waar kan maken, en zijn leven – zonder hulp van de reclassering – een positieve wending kan geven.
Alles overwegende acht de rechtbank passend en geboden aan [verdachte] wordt opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en met aftrek van de tijd die [verdachte] in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
Voorlopige hechtenis
De rechtbank zal vanwege het hiervoor overwogene – in het bijzonder ten aanzien van de ernst van het feit en de hoogte van de op te leggen gevangenisstraf – het door de raadsman gedane verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis afwijzen. Hieruit blijkt immers dat er sprake is van ernstige bezwaren en nu verdachte expliciet heeft aangegeven dat hij geen hulp wenst van de reclassering, is de grote recidivegrond nog onverkort aanwezig. Er is gelet op de opgelegde straf evenmin sprake van een situatie zoals bedoeld in artikel 67a lid 3 Sv.
7. De schade van benadeelden
De vorderingen van de benadeelde partijen
[slachtoffer 2]
heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert [verdachte] te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 2.764,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:
- sieraden € 500,00
- iPad € 409,00
- iPhone € 655,00
- cash geld € 150,00
- geld uit pinautomaat € 800,00
Ter vergoeding van immateriële schade wordt een bedrag van € 250,00 gevorderd.
[slachtoffer 1]
heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert [verdachte] te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 1.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde materiële schade bestaat uit de post ‘opname geldautomaat’ ter hoogte van € 500,00. Ter vergoeding van immateriële schade wordt een bedrag van
€ 1.000,00 gevorderd.
[slachtoffer 3]
heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert [verdachte] te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van
€ 3.300,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:
- nieuwe telefoon € 249,99
- pintransactie € 750,00
- pintransactie € 250,00
- contant geld € 250,00
- sieraden € 1.850,00
[slachtoffer 4]
heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert [verdachte] te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 1.850,- De totale schade van [slachtoffer 4] bedroeg € 7.300,00 (bestaande uit de schadepost ‘pintransacties ter waarde van € 1.800,00 en de schadepost ‘diverse juwelen’ ter waarde van € 5.500,00). Door de verzekering is – ter vergoeding van de juwelen van de benadeelde partij en rekening houdend met een eigen risico van € 50,00 – een bedrag van € 5.450,00 uitgekeerd aan de benadeelde partij. De resterende niet-vergoede schade bedraagt daarom in totaal € 1.850,00.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle vorderingen van de benadeelde partijen moeten worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zicht op het standpunt gesteld dat de benadeelde partijen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in het immateriële deel van de vorderingen. De door [slachtoffer 2] gevorderde schadevergoeding voor de iPad en de iPhone is onvoldoende onderbouwd. Voor het overige heeft de raadsman zich (ten aanzien van alle vorderingen) gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
Materiële schade
[slachtoffer 2]
Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat [verdachte] door het bewezen verklaarde feit 1 primair en feit 5 rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De schadeposten ‘sieraden’, ‘cash geld’ en ‘geld uit pinautomaat’ zijn niet betwist en met de in het dossier beschikbare processen-verbaal voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal deze gevorderde materiële schadeposten daarom toewijzen tot een bedrag van € 1.450,00, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
De onder de posten ‘iPad’ en ‘iPhone’ opgevoerde schade is onvoldoende komen vast te staan, omdat de gestelde schade niet is onderbouwd, terwijl namens [verdachte] de omvang ervan gemotiveerd is betwist. Hoewel voor de rechtbank niet ter discussie staat dat de iPad en de iPhone zijn weggenomen bij aangever, ontbreken controleerbare en verifieerbare gegevens zoals om welk type iPhone of iPad het gaat, en wat de aankoopwaarde is geweest, waardoor de rechtbank de waarde van de goederen niet kan vaststellen, noch een gegronde schatting kan maken. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om deze schadeposten alsnog nader te onderbouwen levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal de benadeelde partij die gelegenheid niet bieden. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
[slachtoffer 1]
Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat [verdachte] door het bewezen verklaarde feit 2 primair en feit 5 rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De opgevoerde schadepost is niet betwist en voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal deze gevorderde materiële schadepost daarom toewijzen tot een bedrag van € 500,00, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
[slachtoffer 3]
Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat [verdachte] door het bewezen verklaarde feit 3 en feit 5 rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De opgevoerde schadeposten zijn niet betwist en voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal de gevorderde materiële schadeposten daarom toewijzen tot een bedrag van € 3.300,00, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
[slachtoffer 4]
Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat [verdachte] door het bewezen verklaarde feit 4 en feit 5 rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De opgevoerde schadeposten zijn niet betwist en voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal de gevorderde materiële schade toewijzen tot een bedrag van € 1.850,00, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Immateriële schade [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1]
Met betrekking tot de gevorderde immateriële schade overweegt de rechtbank als volgt. Uit de vordering blijkt dat de bewezenverklaarde oplichtingen grote impact hebben gehad op het welbevinden en de gemoedsrust van de benadeelde partijen. De rechtbank heeft er au fond begrip voor dat de benadeelde partijen de immateriële schade die zij hierdoor lijden, op de daders willen verhalen. Echter: als geen sprake is van lichamelijk letsel, zoals in dit geval, kan op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) slechts een vergoeding voor immateriële schade worden toegewezen indien de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Daarvan is bij oplichting als zodanig in beginsel geen sprake. Dat kan slechts anders zijn indien sprake is van objectief vast te stellen geestelijk letsel, of indien sprake is van dermate ingrijpende gevolgen dat op grond daarvan een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van objectief vast te stellen geestelijk letsel is bij beide benadeelde partijen echter niet gebleken, en de gevolgen die de oplichtingen in de onderhavige zaak voor de benadeelde partijen hebben gehad, zijn niet dermate ingrijpend (en van de gebruikelijke gevolgen afwijkend) dat zij een uitzondering op de regel rechtvaardigen.
Gezien deze beperking laat de wet geen mogelijkheid de immateriële schade van de benadeelde partijen toe te wijzen. De rechtbank zal daarom de vorderingen afwijzen voor zover die vorderingen betrekking hebben op het verzoek om de immateriële schade te vergoeden.
Hoofdelijkheid
[verdachte] is voor de door [slachtoffer 2] en de [slachtoffer 1] geleden schade naar burgerlijk recht met zijn mededaders hoofdelijk aansprakelijk. Dit betekent dat [verdachte] tegenover de benadeelde partijen voor het hele bedrag aansprakelijk is.
De schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
De rechtbank zal ten aanzien van iedere voornoemde vordering de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien [verdachte] jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht (mede) aansprakelijk is voor de schade die door de feiten is toegebracht.
Als door [verdachte] niet volledig wordt betaald, kan gijzeling worden toegepast voor het volgende aantal dagen:
Vordering van [slachtoffer 2]
14 dagen
Vordering van [slachtoffer 1]
5 dagen
Vordering van [slachtoffer 3]
33 dagen
Vordering van [slachtoffer 4]
18 dagen
Toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
8. De toegepaste wettelijke voorschriften
De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c en 57 Sr.
9. De beslissing
De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat [verdachte] het onder feit 1 primair, feit 2 primair, feit 3, feit 4 en feit 5 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan [verdachte] meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1 primair, feit 2 primair, feit 3 en feit 4
telkens het misdrijf: medeplegen van oplichting;
feit 5
het misdrijf: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd;
strafbaarheid [verdachte]
- verklaart [verdachte] strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt [verdachte] tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden;
- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 6 (zes) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien [verdachte] voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:
- stelt als algemene voorwaarde dat [verdachte] zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- bepaalt dat de tijd die [verdachte] voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;
schadevergoeding [slachtoffer 2]
- veroordeelt [verdachte] (hoofdelijk) tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] (feiten 1 en 5) van een bedrag van € 1.450,00 (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 april 2025) met dien verstande dat als en voor zover al door een ander/anderen (gedeeltelijk) is betaald, [verdachte] (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;
- veroordeelt [verdachte] daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de maatregel op dat [verdachte] verplicht is ter zake van de bewezen verklaarde feiten tot hoofdelijke betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 1.450,00, (zegge: duizend vierhonderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 april 2025 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 14 dagen kan worden toegepast, (een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan). Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat als [verdachte] heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van [verdachte] om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als [verdachte] aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
- bepaalt dat de benadeelde partij voor een deel van € 1.064,00 niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
- wijst de vordering voor zover die ziet op vergoeding van immateriële schade af;
schadevergoeding [slachtoffer 1]
- veroordeelt [verdachte] (hoofdelijk) tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] (feiten 2 en 5) van een bedrag van € 500,00 (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 april 2025) met dien verstande dat als en voor zover al door een ander/anderen (gedeeltelijk) is betaald, [verdachte] (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;
- veroordeelt [verdachte] daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de maatregel op dat [verdachte] verplicht is ter zake van de bewezen verklaarde feiten tot hoofdelijke betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 500,00, (zegge: vijfhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 april 2025 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 5 dagen kan worden toegepast, (een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan). Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat als [verdachte] heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van [verdachte] om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als [verdachte] aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
- wijst de vordering voor zover die ziet op vergoeding van immateriële schade af;
schadevergoeding [slachtoffer 3]
- veroordeelt [verdachte] tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 3] (feiten 3 en 5) van een bedrag van € 3.300,00 (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 maart 2025);
- veroordeelt [verdachte] daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de maatregel op dat [verdachte] verplicht is ter zake van de bewezen verklaarde feiten tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 3.300,00, (zegge: drieduizend driehonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 maart 2025 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 33 dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat als [verdachte] heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van [verdachte] om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als [verdachte] aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
schadevergoeding [slachtoffer 4]
- veroordeelt [verdachte] tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 4] (feiten 4 en 5) van een bedrag van € 1.850,00 (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 maart 2025);
- veroordeelt [verdachte] daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de maatregel op dat [verdachte] verplicht is ter zake van de bewezen verklaarde feiten tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 1.850,00, (zegge: duizend achthonderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 maart 2025 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 18 dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat als [verdachte] heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van [verdachte] om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als [verdachte] aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
voorlopige hechtenis
- wijst af het verzoek tot onmiddellijke opheffing van de voorlopige hechtenis
-heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan die van de onvoorwaardelijke straf.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Venekatte, voorzitter, mr. R.A. Heblij en mr. I. Piksen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.A.B. Kroeze, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2026.
Buiten staat
De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.