RECHTBANK OVERIJSSEL
Strafrecht
Zittingsplaats Almelo
raadkamernummer : 25-030136
Beschikking van de enkelvoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[klaagster] B.V.
in deze zaak woonplaats kiezende te [woonplaats] ,
vertegenwoordigd door gevolmachtigde mr. H.J.M. Hofman,
hierna te noemen: de klaagster,
1. Het verloop van de procedure
Het klaagschrift, gedateerd 19 november 2025 is op 21 november 2025 op de griffie van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, ontvangen. Het klaagschrift is namens klaagster ingediend door mr. H.J.M. Hofman. Het klaagschrift betreft een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag op een BMW 5-serie met kenteken [kenteken 1] (hierna: de auto). Er wordt geklaagd over het uitblijven van een last tot teruggave van de auto aan klaagster als rechthebbende.
Het klaagschrift is behandeld op de openbare terechtzitting van 18 februari 2026. Bij de behandeling zijn de officier van justitie mr. A.M. Tromp en klaagster gehoord. Belanghebbenden [belanghebbende 1] (hierna: [belanghebbende 1] ), bijgestaan door mr. J.M. Geelkerken en [belanghebbende 2] B.V. (hierna: [belanghebbende 2] ), vertegenwoordigd door [belanghebbende 3] en bijgestaan door mr. J.W. Koehoorn, die beiden tevens een klaagschrift hebben ingediend, zijn in raadkamer verschenen.
De raadkamer heeft kennisgenomen van het door de officier van justitie overgelegde dossier van de strafzaak naar aanleiding waarvan de inbeslagneming heeft plaatsgevonden. De raadkamer heeft daarnaast kennisgenomen van de door de officier van justitie overgelegde conclusie met betrekking tot de omstandigheden waaronder het beslag heeft plaatsgevonden en het standpunt van het Openbaar Ministerie met betrekking tot het al dan niet handhaven van het beslag.
2. De standpunten van klaagster, de vertegenwoordiger en de officier van justitie
Het standpunt van klaagster en de vertegenwoordiger
Namens klaagster heeft de vertegenwoordiger bezwaar gemaakt tegen de inbeslagneming en het uitblijven van een last tot teruggave van de auto aan klaagster. In zijn klaagschrift heeft de vertegenwoordiger aangevoerd dat klaagster en [bedrijf] B.V. (een vennootschap waarvan [bedrijf] B.V. de bestuurder is) (hierna: [belanghebbende 2] ), in juni 2024 een operational leaseovereenkomst hebben gesloten met betrekking tot de auto voor een periode van (tenminste) twaalf maanden. Kern van de overeenkomst is dat klaagster de auto heeft verhuurd aan [belanghebbende 2] , waarbij het volledig eigendomsrecht bij klaagster berust. Dit is ook vastgelegd in de leaseovereenkomst. [belanghebbende 2] heeft de auto vervolgens in augustus 2025 onderverhuurd aan een persoon genaamd “ [naam 1] ”. De auto is door [naam 1] ‘verkwanseld’ aan ‘een handelaar’. Het is klaagster bekend geworden dat [belanghebbende 2] aangifte heeft gedaan van diefstal van de auto en naar aanleiding daarvan is de auto door de politie van de weg gehaald en in beslag genomen onder een persoon genaamd [belanghebbende 1] in [plaats 1] . Klaagster neemt aan dat deze persoon ‘de handelaar’ zal zijn aan wie [naam 1] de auto heeft ‘verkwanseld’. Het is voor klaagster onbekend hoe deze handelaar de auto in handen heeft gekregen. De auto staat op naam van klaagster en de tenaamstellingscode ligt in de kluis bij klaagster. Daarnaast is in het RDW-register te zien dat het gaat om een leasevoertuig. De status van het voertuig is dus voor iedereen kenbaar. Op grond van de operational leaseovereenkomst tussen klaagster en [belanghebbende 2] is de auto eigendom van klaagster. De leaseovereenkomst is inmiddels geëxpireerd en klaagster heeft daarmee het recht op onmiddellijke afgifte van de auto. Volgens het standpunt van het Openbaar Ministerie bestaat er geen strafvorderlijk belang meer om de inbeslagname van de auto de te handhaven. Blijkens wet (artikel 116 lid 1 Sv) en jurisprudentie (ECLL:NL:PHR:2010:BL2823) geldt in dat geval als uitgangspunt dat een in beslag genomen voorwerp moet worden afgegeven aan de beslagene, tenzij een ander als redelijkerwijs rechthebbende moet worden aangemerkt. Het is evident dat de auto eigendom is van klaagster. Dit volgt niet alleen uit het leasecontract, maar dit wordt ook bevestigd in het door [belanghebbende 2] ingediende klaagschrift. Ten slotte is van belang te benoemen dat de beslagene niet als bezitter te goeder trouw ex art. 3:86 van het Burgerlijk Wetboek kan worden aangemerkt. De beslagene beweert dat hij de auto (die was voorzien van valse kentekenplaten en papieren) heeft gekocht, tegen een contante betaling van € 36.000,= die niet bewijsbaar is en die bovendien ver onder de marktwaarde van de auto ligt. Onder die omstandigheden kan goede trouw onmogelijk worden aangenomen. Daarbij komt dat het om een gestolen auto gaat, waardoor klaagster bovendien wordt beschermd door art. 3:86 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek. De vertegenwoordiger stelt zich op het standpunt dat het klaagschrift gegrond moet worden verklaard en verzocht wordt om te gelasten dat de inbeslaggenomen auto per heden wordt teruggegeven aan klaagster.
In aanvulling op het klaagschrift heeft de vertegenwoordiger, zakelijk weergegeven, het volgende naar voren gebracht. Beslagene stelt dat hij contact heeft gehad met de BMW dealer en dat hem zou zijn toegezegd dat er niets aan de hand is met de auto. Echter, is er vanuit BMW contact geweest met de BMW dealer en nagevraagd is wat er nu precies is besproken met beslagene [belanghebbende 1] . De BMW dealer gaf aan dat beslagene uitdrukkelijk is gewaarschuwd om behoedzaam te zijn bij de aankoop van de auto. Immers leek het de dealer een te mooie koop om waar te zijn. Daar komt bij dat het eigenlijk ook zinloos is om aan een Nederlandse dealer dergelijke vragen te stellen over een auto met Duitse kentekenpapieren. De rechtbank moet naar waarheid worden geïnformeerd en dat is niet gebeurd door beslagene. Beslagene heeft een groot risico genomen met de aankoop van de auto. Het is een voorbeeld van schimmige handel, gelet op de contante betaling op een parkeerplaats door een derde, de levering die ook plaatsvindt via een derde en de koopprijs die ver onder de marktwaarde ligt. Het loopt op heel veel punten spaak en via verschillende lijnen kan worden bepleit dat het eigendomsrecht bij [klaagster] rust.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het beslag wegens het ontbreken van strafvorderlijk belang dient te worden opgeheven, dat het klaagschrift van klaagster gegrond moet worden verklaard en dat de auto teruggegeven dient te worden aan klaagster als de redelijkerwijs rechthebbende.
3. De bevoegdheid van de rechtbank
De rechtbank Overijssel is bevoegd van het klaagschrift kennis te nemen.
4. De ontvankelijkheid
Het klaagschrift is ontvankelijk.
5. De beoordeling
Op grond van de stukken en de behandeling op de zitting stelt de raadkamer het volgende vast.
Maatstaf
Het beklag richt zich tegen een beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv. De raadkamer dient daarom a) te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen, b) de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp aan de beslagene te gelasten, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van die voorwerpen dient te worden beschouwd. In dat laatste geval moet het beklag ongegrond worden verklaard.
Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave, indien het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen. Voorts verzet het door artikel 94 Sv beschermde belang van strafvordering zich tegen teruggave, indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen. De raadkamer stelt hierbij voorop dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Niet gevergd kan worden dat ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak wordt getreden.
Feiten en omstandigheden
Op 4 september 2025 is op grond van artikel 94 Sv beslag gelegd op de hiervoor genoemde auto. Uit de stukken blijkt dat klaagster en [belanghebbende 2] op 14 juni 2024 een leaseovereenkomst hebben gesloten voor de verhuur van een auto, een BMW 5-serie ( [kenteken 1] ). In de leaseovereenkomst is opgenomen dat klaagster het volledige eigendom van de auto houdt gedurende de looptijd van de overeenkomst. De auto staat op naam van klaagster en de tenaamstellingscode ligt in de kluis bij klaagster. Ook is er in het RDW register te zien dat het gaat om een leasevoertuig. De status van het voertuig is dus voor iedereen kenbaar. [belanghebbende 2] , een professioneel autoverhuurbedrijf heeft de auto vervolgens van 28 augustus 2025 tot 11 september 2025 aan de heer [naam 1] verhuurd. [belanghebbende 2] heeft daarbij één autosleutel overgedragen, samen met de kentekenkaart. Op 3 september 2025 heeft [belanghebbende 2] contact opgenomen met [naam 1] . Daarop gaf [naam 1] te kennen dat de auto gestolen zou zijn. De verzekeraar van [belanghebbende 2] heeft naar aanleiding hiervan een onderzoek ingesteld en met [naam 1] gesproken. [naam 1] heeft daarbij verklaard dat hij voorafgaand aan de diefstal, de auto op 3 september 2025 had geparkeerd aan de [adres] . [naam 1] heeft melding gemaakt van de diefstal bij de politie, maar hij heeft geen daadwerkelijke aangifte gedaan. [belanghebbende 2] heeft wel aangifte gedaan van diefstal. Omdat het voertuig voorzien was van een trackingsysteem heeft de politie de auto op 3 september 2025 terug kunnen vinden. De auto werd met Duitse kentekenplaten ( [kenteken 2] ) aangetroffen in de schuur bij de heer [belanghebbende 1] in [plaats 1] . Terwijl het Nederlandse kenteken ( [kenteken 3] ) het originele kenteken is, dat bij de auto hoort. [belanghebbende 1] heeft een bedrijf in tuinmeubelen en koopt en verkoopt als hobby sporadisch een auto. Aan de politie heeft [belanghebbende 1] laten zien dat hij in het bezit was van een Duits kentekenbewijs, deel 1 en 2, een koopovereenkomst en een kopie van een Duits paspoort van de heer [naam 2] (de particuliere verkoper van de auto). De politie constateerde dat het kentekenbewijs was afgegeven voor een grijze BMW, kenteken [kenteken 2] , chassisnummer [nummer] . Tevens heeft [belanghebbende 1] twee verschillende autosleutels aan de politie overhandigd. Uit het proces-verbaal van bevindingen van 5 januari 2026 blijkt dat één van de sleutels bij een andere auto hoort dan de door [belanghebbende 1] gekochte auto en dat in de kofferruimte van de auto een witte kentekenplaat lag met het originele Nederlandse kenteken “ [kenteken 3] ”. [belanghebbende 1] heeft verklaard dat hij de auto op 1 september 2025 via whatsapp heeft gekocht naar aanleiding van een advertentie op de Duitse website [website] van [naam 2] . [belanghebbende 1] heeft verklaard dat hij bij [klaagster] en het RDW navraag heeft gedaan naar de auto en dat aan hem door beide instanties is bevestigd dat er niets vreemds met de auto aan de hand was. Het contact met de verkoper verliep via whatsapp en een enkel telefoongesprek. De auto is uiteindelijk door een vriend van [belanghebbende 1] in [plaats 2] (Nederland) opgehaald en werd geleverd op een parkeerterrein door een man met een Syrisch uiterlijk, volgens de verkoper in Duitsland de zwager van hem. Uit het proces-verbaal van bevindingen van 22 december 2025 zou afgeleid kunnen worden dat de verkoop vermoedelijk in Eindhoven heeft plaatsgevonden. De identiteit van de verkoper noch die van de man die de auto heeft afgeleverd is afdoende gecontroleerd. Voor de auto is ter plekke een contant bedrag van € 36.000,= betaald. Volgens [belanghebbende 1] is dat een gangbare prijs voor de auto, gezien de schade die de auto had. Volgens klaagster ligt de prijs ver onder de marktwaarde, gezien de leeftijd en de kilometerstand van de auto. Volgens het onderzoeksrapport van de verzekeraar van [belanghebbende 2] is de catalogusprijs circa €75.000,=. Wat betreft de door [belanghebbende 1] gestelde (aanzienlijke) schade aan de auto is zowel door [belanghebbende 2] als door Hofman namens [klaagster] opgemerkt dat hen van enige schade aan de auto niets bekend is. Ook overigens blijkt uit het dossier niet van (aanzienlijke) schade aan de auto.
De officier van justitie heeft te kennen gegeven dat er geen strafvorderlijk belang meer is om het beslag te handhaven en dat klaagster als de redelijkerwijs rechthebbende dient te worden aangemerkt.
Beoordeling
Voor beoordeling van de onderhavige zaak is artikel 3:86 BW van belang. Ondanks onbevoegdheid van de ontvreemder is een overdracht overeenkomstig artikel 90, 91, of 93 van een roerende zaak, niet registergoed, of een recht aan toonder of order geldig, indien de overdracht anders dan om niet geschiedt en de verkrijger te goeder trouw is. Niettemin kan de eigenaar van een roerende zaak, die het bezit daarvan door diefstal heeft verloren, deze gedurende drie jaren te rekenen vanaf de dag van de diefstal, als zijn eigendom opeisen, tenzij de verkrijger als natuurlijke persoon niet handelend in de uitoefening van een beroep of bedrijf de zaak heeft gekocht van een persoon die van het verhandelen aan het publiek van soortgelijke zaken, anders dan als veilinghouder, zijn bedrijf maakt in een daartoe bestemde bedrijfsruimte.
De raadkamer heeft onweersproken vastgesteld dat klaagster eigenaar is van de auto. Dit blijkt niet alleen uit de leaseovereenkomst van 14 juni 2024 tussen klaagster en [belanghebbende 2] , maar daarnaast staat de auto ook op naam van klaagster en is zij in het bezit van de tenaamstellingscode. Tevens is het in RDW-register voor iedereen zichtbaar dat het gaat om een leasevoertuig. [belanghebbende 2] heeft de auto op haar beurt per 28 augustus 2025 verhuurd aan [naam 1] . Op 3 september 2025 heeft [naam 1] daarnaar gevraagd verklaard dat de auto, was gestolen. [naam 1] heeft daarvan geen aangifte gedaan. Vervolgens blijkt dat [belanghebbende 1] de auto op 1 september 2025 heeft gekocht van een particulier in Duitsland, genaamd [naam 2] . Vast staat dat [belanghebbende 1] op 1 september 2025 bezitter is geworden van een auto die blijkens de stukken - minst genomen - is verduisterd door [naam 1] .
Op basis van de stukken en de toelichtingen op de zitting door klaagster en de belanghebbenden is de raadkamer van oordeel dat [belanghebbende 1] niet als derde verkrijger te goeder trouw kan worden aangemerkt nu hij meer onderzoek had moeten doen naar de herkomst van de auto en de beschikkingsbevoegdheid van de rechtsvoorgangers. De raadkamer overweegt daartoe dat [belanghebbende 1] naar aanleiding van een advertentie op de Duitse website [website] de auto heeft gekocht. Het is een feit van algemene bekendheid dat er op dit soort websites regelmatig gestolen en verduisterde auto’s worden aangeboden. Vaak worden auto’s verhuurd en vervolgens verduisterd. Binnen de autobranche is bekend, dat voertuigen die worden verduisterd snel op een ander kenteken kunnen worden gezet, omdat er dan vaak nog geen besef is bij een verhuurbedrijf/ leasemaatschappij, dat een voertuig is verduisterd en er dus ook meldingen ontbreken in allerlei signaleringssystemen, zoals die van Sirene en de RDW. De raadkamer neemt daarnaast in aanmerking dat de auto door een Duitse man op een Duitse website te koop is aangeboden en verkocht, maar dat de aflevering van de auto door zijn zwager in Nederland, op een parkeerplaats in Deurne is gedaan aan een vriend van [belanghebbende 1] tegen contante betaling. De identiteit van de verkoper en de leverancier is hierbij niet gecontroleerd. Ook merkt de raadkamer op dat [belanghebbende 1] twee sleutels heeft gekregen, maar dat één van deze sleutels niet bij de auto hoort. De sleutels zijn dus niet gecontroleerd door [belanghebbende 1] . Ook de auto zelf is niet voldoende gecontroleerd. Immers is door de politie onder een plaat in de kofferbak een origineel Nederlandse kentekenplaat aangetroffen. Verder is van belang dat sprake is van fraudeleuze papieren. Dit geldt in ieder geval voor de autopapieren, nu de auto nooit in Duitsland is ingevoerd en derhalve geen originele Duitse autopapieren kan hebben. De originele voertuigpapieren zijn in het bezit van [klaagster] met de tenaamstellingscode. Het is in de autobranche een feit van algemene bekendheid dat er valse Duitse autopapieren in omloop zijn. Tot slot acht de raadkamer van belang dat de prijs die [belanghebbende 1] heeft betaald voor de auto ver onder de marktwaarde ligt. Gezien deze omstandigheden had van [belanghebbende 1] veel meer onderzoek verwacht mogen worden bij de aankoop van de auto op 1 september 2025.
Ook indien zou worden aangenomen dat [belanghebbende 1] wel als te goeder trouw zou kunnen worden aangemerkt (quod non), dan geldt het volgende. Uit de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat het in art. 3:86 lid 3 BW gehanteerde begrip "diefstal" ruim geïnterpreteerd dient te worden, in die zin dat hiertoe alle vormen van bezitsverlies ten gevolge van een strafbaar feit gerekend dienen te worden, derhalve ook verduistering, waarvan in het onderhavige geval klaarblijkelijk sprake is. (ECLI:NL:GHLEE:2005:AU0823 en ECLI:NL:HR:2005:AU2555). Hieruit volgt dat [belanghebbende 1] , zelfs als hij te goeder trouw zou zijn, toch geen eigenaar van de auto is geworden omdat ingevolge art. 3:86 lid 3 BW de eigenaar van een roerende zaak, die het bezit daarvan door onvrijwillig bezitsverlies - i.c. verduistering - heeft verloren, deze gedurende drie jaren te rekenen vanaf de dag van dat onvrijwillige bezitsverlies als zijn eigendom kan opeisen. Het arrest van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:1999:ZD1744) doet daaraan niet af nu er met de later gewezen arresten (ECLI:NL:GHLEE:2005:AU0823 en ECLI:NL:HR:2005:AU2555) kennelijk sprake is van voortschrijdend inzicht op basis waarvan onder diefstal in artikel 3:86 lid 3 BW iedere vorm van onvrijwillig bezitsverlies moet worden begrepen.
Gelet hierop is de raadkamer van oordeel dat klaagster als redelijkerwijs rechthebbende van de auto moet worden aangemerkt, zodat de raadkamer het klaagschrift van klaagster gegrond zal verklaren.
Conclusie
De raadkamer is op grond van het voorgaande van oordeel dat het klaagschrift gegrond moet worden verklaard en dat klaagster als redelijkerwijs rechthebbende moet worden aangemerkt.
6. De beslissing
De raadkamer verklaart het klaagschrift gegrond.
Deze beschikking is gegeven door mr. B.W.M. Hendriks, rechter, in tegenwoordigheid van I.T.H. Praster, griffier, ondertekend door de rechter en de griffier en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026.