RECHTBANK OVERIJSSEL
Strafrecht
Zittingsplaats Almelo
raadkamernummer : 25-029405
Beschikking van de enkelvoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[de klager] ,
geboren op [geboortedatum] 1988, wonende op het adres [adres 1] ,
in deze zaak woonplaats kiezende ten kantore van [adres 2] ,
bijgestaan door mr. J.M. Geelkerken, advocaat te Amsterdam,
hierna te noemen: de klager
1. Het verloop van de procedure
Het klaagschrift, gedateerd 20 oktober 2025 is op 17 november 2025 op de griffie van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, ontvangen. Het klaagschrift is namens klager ingediend door mr. J.M. Geelkerken. Het klaagschrift betreft een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag op een BMW 5-serie met kenteken [kenteken 1] (hierna: de auto). Er wordt geklaagd over het uitblijven van een last tot teruggave van de auto aan klager als rechthebbende.
Het klaagschrift is behandeld op de openbare terechtzitting van 18 februari 2026. Bij de behandeling zijn de officier van justitie mr. A.M. Tromp en klager gehoord. Belanghebbenden [belanghebbende] B.V. (hierna [belanghebbende] ), vertegenwoordigd door mr. H.J.M. Hofman en [bedrijf 2] en [bedrijf 3] B.V. (hierna [bedrijf 3] ), vertegenwoordigd door [naam 1] en bijgestaan door mr. J.W. Koenhoorn, die beiden tevens een klaagschrift hebben ingediend, zijn in raadkamer verschenen.
De raadkamer heeft kennisgenomen van het door de officier van justitie overgelegde dossier van de strafzaak naar aanleiding waarvan de inbeslagneming heeft plaatsgevonden. De raadkamer heeft daarnaast kennisgenomen van de door de officier van justitie overgelegde conclusie met betrekking tot de omstandigheden waaronder het beslag heeft plaatsgevonden en het standpunt van het Openbaar Ministerie met betrekking tot het al dan niet handhaven van het beslag.
2. De standpunten van klager, de raadsman en de officier van justitie
Het standpunt van klager en de raadsman
Namens klager heeft de raadsman bezwaar gemaakt tegen de inbeslagneming en het uitblijven van een last tot teruggave van de auto aan klager. In zijn klaagschrift heeft de raadsman aangevoerd dat klager de auto op 1 september 2025 de auto heeft gekocht van een zekere heer [naam 2] uit [plaats 1] in Duitsland (hierna: [naam 2] ). De koop is vastgelegd in een schriftelijke koopovereenkomst. De overeengekomen koopprijs bedroeg € 36.000,- en is door klager volledig voldaan. Deze prijs was, hoewel lager dan de reguliere marktwaarde van een onbeschadigd exemplaar, volledig marktconform. De auto had ten tijde van de aankoop aanzienlijke en duidelijk zichtbare zijschade, die vervanging van twee deuren en het achterscherm vereiste. Voorafgaand aan de aankoop stelt klager gedegen onderzoek te hebben verricht naar het voertuig. Hij heeft telefonisch contact opgenomen met een officiële BMW -dealer, [bedrijf 4] in [vestigingsplaats] met de vraag of er bijzonderheden over de auto bekend waren. Uit deze verificatie kwamen geen onregelmatigheden naar voren, en er was geen melding van diefstal bekend. Bij de aankoop ontving klager alle bij de auto behorende officiële Duitse documenten, te weten de Zulassungsbescheinigung Deel 1 (kentekenbewijs) en Deel II (eigendomsbewijs), alsmede twee originele autosleutels. De documenten gaven geen aanleiding tot argwaan. Klager stelt zich op het standpunt dat hij de rechtmatige eigenaar van het voertuig is. Hij heeft de auto te goeder trouw verkregen in de zin van artikel 3:86 van het Burgerlijk Wetboek. De voortduring van het beslag is dan ook onrechtmatig en dient te worden beëindigd. De goede trouw van klager blijkt uit de volgende feiten en omstandigheden. Klager heeft aan zijn onderzoeksplicht voldaan. Hij heeft niet
alleen de documenten en sleutels gecontroleerd, maar ook proactief navraag gedaan bij een
officiële merkdealer. Er waren geen signalen die hem redelijkerwijs hadden moeten doen
twijfelen aan de beschikkingsbevoegdheid van de verkoper. Daarnaast was de koopprijs gezien de aanzienlijke schade aan het voertuig, reëel en marktconform. Er was geen sprake van een prijs die dusdanig laag was dat deze argwaan had moeten wekken. De aanwezigheid van de complete set originele Duitse papieren en twee sleutels versterkte het beeld van een legitieme transactie. Ter plaatse hebben de verbalisanten tegenover klager bevestigd dat hij niet meer onderzoek had kunnen doen om deze situatie te voorkomen. Dit is een duidelijke indicatie dat ook de opsporingsambtenaren de goede trouw van klager hebben onderkend.
Het strafvorderlijk belang rechtvaardigt de voortduring van het beslag niet. De auto is niet
noodzakelijk voor de waarheidsvinding, nu de identificerende kenmerken van het voertuig zijn vastgelegd en het voertuig zelf geen direct bewijs vormt voor een eventueel begaan strafbaar feit. Het belang van klager bij teruggave van wat hij beschouwt als zijn rechtmatige eigendom weegt derhalve zwaarder.
De raadsman stelt zich op het standpunt dat het klaagschrift gegrond moet worden verklaard en verzocht wordt om te gelasten dat de inbeslaggenomen auto per heden wordt teruggegeven aan klager.
De raadsman legt in raadkamer een pleitnota over waarvan de inhoud als hier ingelast dient te worden beschouwd en welke aan deze beschikking wordt gehecht.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het beslag wegens het ontbreken van strafvorderlijk belang dient te worden opgeheven, dat het klaagschrift van klager ongegrond moet worden verklaard en dat het voertuig teruggegeven dient te worden aan belanghebbende [belanghebbende] .
3. De bevoegdheid van de rechtbank
De rechtbank Overijssel is bevoegd van het klaagschrift kennis te nemen.
4. De ontvankelijkheid
Het klaagschrift is ontvankelijk.
5. De beoordeling
Op grond van de stukken en de behandeling op de zitting stelt de raadkamer het volgende vast.
Maatstaf
Het beklag richt zich tegen een beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv. De raadkamer dient daarom a) te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen, b) de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp aan de beslagene te gelasten, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van die voorwerpen dient te worden beschouwd. In dat laatste geval moet het beklag ongegrond worden verklaard.
Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave, indien het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen. Voorts verzet het door artikel 94 Sv beschermde belang van strafvordering zich tegen teruggave, indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen. De raadkamer stelt hierbij voorop dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Niet gevergd kan worden dat ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak wordt getreden.
Feiten en omstandigheden
Op 4 september 2025 is op grond van artikel 94 Sv beslag gelegd op de hiervoor genoemde auto. Uit de stukken blijkt dat [belanghebbende] en [bedrijf 3] op 14 juni 2024 een leaseovereenkomst hebben gesloten voor de verhuur van een auto, een BMW 5-serie ( [kenteken 1] ). In de leaseovereenkomst is opgenomen dat [belanghebbende] het volledige eigendom van de auto houdt gedurende de looptijd van de overeenkomst. De auto staat op naam van [belanghebbende] en de tenaamstellingscode ligt in de kluis bij [belanghebbende] . Ook is er in het RDW register te zien dat het gaat om een leasevoertuig. De status van het voertuig is dus voor iedereen kenbaar. [bedrijf 3] , een professioneel autoverhuurbedrijf heeft de auto vervolgens van 28 augustus 2025 tot 11 september 2025 aan de heer [naam 3] verhuurd. [bedrijf 3] heeft daarbij één autosleutel overgedragen, samen met de kentekenkaart. Op 3 september 2025 heeft [bedrijf 3] contact opgenomen met [naam 3] . Daarop gaf [naam 3] te kennen dat de auto gestolen zou zijn. De verzekeraar van [bedrijf 3] heeft naar aanleiding hiervan een onderzoek ingesteld en met [naam 3] gesproken. [naam 3] heeft daarbij verklaard dat hij voorafgaand aan de diefstal, de auto op 3 september 2025 had geparkeerd aan de [adres 3] . [naam 3] heeft melding gemaakt van de diefstal bij de politie, maar hij heeft geen daadwerkelijke aangifte gedaan. [bedrijf 3] heeft wel aangifte gedaan van diefstal. Omdat het voertuig voorzien was van een trackingsysteem heeft de politie de auto op 3 september 2025 terug kunnen vinden. De auto werd met Duitse kentekenplaten ( [kenteken 2] ) aangetroffen in de schuur bij klager in [plaats 2] . Terwijl het Nederlandse kenteken ( [kenteken 3] ) het originele kenteken is, dat bij de auto hoort. Klager heeft een bedrijf in tuinmeubelen en koopt en verkoopt als hobby sporadisch een auto. Aan de politie heeft klager laten zien dat hij in het bezit was van een Duits kentekenbewijs, deel 1 en 2, een koopovereenkomst en een kopie van een Duits paspoort van de heer [naam 2] In [plaats 1] (de particuliere verkoper van de auto). De politie constateerde dat het kentekenbewijs was afgegeven voor een grijze BMW , kenteken [kenteken 2] , chassisnummer [nummer] . Tevens heeft klager twee verschillende autosleutels aan de politie overhandigd. Uit het proces-verbaal van bevindingen van 5 januari 2026 blijkt dat één van de sleutels bij een andere auto hoort dan de door klager gekochte auto en dat in de kofferruimte van de auto een witte kentekenplaat lag met het originele Nederlandse kenteken “ [kenteken 3] ”. Klager heeft verklaard dat hij de auto op 1 september 2025 via whatsapp heeft gekocht naar aanleiding van een advertentie op de Duitse website [internetsite] van [naam 2] . Klager heeft verklaard dat hij bij [belanghebbende] Nederland en het RDW navraag heeft gedaan naar de auto en dat aan hem door beide instanties is bevestigd dat er niets vreemds met de auto aan de hand was. Het contact met de verkoper verliep via whatsapp en een enkel telefoongesprek. De auto is uiteindelijk door een vriend van klager in [plaats 3] (Nederland) opgehaald en werd geleverd op een parkeerterrein door een man met een Syrisch uiterlijk, volgens de verkoper in Duitsland de zwager van hem. Uit het proces-verbaal van bevindingen van 22 december 2025 zou afgeleid kunnen worden dat de verkoop vermoedelijk in Eindhoven heeft plaatsgevonden. De identiteit van de verkoper noch die van de man die de auto heeft afgeleverd is afdoende gecontroleerd. Voor de auto is ter plekke een contant bedrag van € 36.000,= betaald. Volgens klager is dat een gangbare prijs voor de auto, gezien de schade die de auto had. Volgens [belanghebbende] ligt de prijs ver onder de marktwaarde, gezien de leeftijd en de kilometerstand van de auto. Volgens het onderzoeksrapport van de verzekeraar van [bedrijf 3] is de catalogusprijs circa €75.000,=. Wat betreft de door klager gestelde (aanzienlijke) schade aan de auto is zowel door [bedrijf 3] als door Hofman namens [belanghebbende] opgemerkt dat hen van enige schade aan de auto niets bekend is. Ook overigens blijkt uit het dossier niet van (aanzienlijke) schade aan de auto.
De officier van justitie heeft te kennen gegeven dat er geen strafvorderlijk belang meer is om het beslag te handhaven en dat belanghebbende [belanghebbende] als de redelijkerwijs rechthebbende dient te worden aangemerkt.
Beoordeling
Voor beoordeling van de onderhavige zaak is artikel 3:86 BW van belang. Ondanks onbevoegdheid van de ontvreemder is een overdracht overeenkomstig artikel 90, 91, of 93 van een roerende zaak, niet registergoed, of een recht aan toonder of order geldig, indien de overdracht anders dan om niet geschiedt en de verkrijger te goeder trouw is. Niettemin kan de eigenaar van een roerende zaak, die het bezit daarvan door diefstal heeft verloren, deze gedurende drie jaren te rekenen vanaf de dag van de diefstal, als zijn eigendom opeisen, tenzij de verkrijger als natuurlijke persoon niet handelend in de uitoefening van een beroep of bedrijf de zaak heeft gekocht van een persoon die van het verhandelen aan het publiek van soortgelijke zaken, anders dan als veilinghouder, zijn bedrijf maakt in een daartoe bestemde bedrijfsruimte.
De raadkamer heeft onweersproken vastgesteld dat belanghebbende [belanghebbende] eigenaar is van de auto. Dit blijkt niet alleen uit de leaseovereenkomst van 14 juni 2024 tussen [belanghebbende] en [bedrijf 3] , maar daarnaast staat de auto ook op naam van [belanghebbende] en is zij in het bezit van de tenaamstellingscode. Tevens is het in RDW-register voor iedereen zichtbaar dat het gaat om een leasevoertuig. Belanghebbende [bedrijf 3] heeft de auto op haar beurt per 28 augustus 2025 verhuurd aan [naam 3] . Op 3 september 2025 heeft [naam 3] daarnaar gevraagd verklaard dat de auto, was gestolen. [naam 3] heeft daarvan geen aangifte gedaan. Vervolgens blijkt dat klager de auto op 1 september 2025 heeft gekocht van een particulier in Duitsland, genaamd [naam 2] . Vast staat dat klager op 1 september 2025 bezitter is geworden van een auto die blijkens de stukken - minst genomen - is verduisterd door [naam 3] .
Op basis van de stukken en de toelichtingen op de zitting door klager en de belanghebbenden is de raadkamer van oordeel dat klager niet als derde verkrijger te goeder trouw kan worden aangemerkt nu hij meer onderzoek had moeten doen naar de herkomst van de auto en de beschikkingsbevoegdheid van de rechtsvoorgangers. De raadkamer overweegt daartoe dat klager naar aanleiding van een advertentie op de Duitse website [internetsite] de auto heeft gekocht. Het is een feit van algemene bekendheid dat er op dit soort websites regelmatig gestolen en verduisterde auto’s worden aangeboden. Vaak worden auto’s verhuurd en vervolgens verduisterd. Binnen de autobranche is bekend, dat voertuigen die worden verduisterd snel op een ander kenteken kunnen worden gezet, omdat er dan vaak nog geen besef is bij een verhuurbedrijf/ leasemaatschappij, dat een voertuig is verduisterd en er dus ook meldingen ontbreken in allerlei signaleringssystemen, zoals die van Sirene en de RDW. De raadkamer neemt daarnaast in aanmerking dat de auto door een Duitse man op een Duitse website te koop is aangeboden en verkocht, maar dat de aflevering van de auto door zijn zwager in Nederland, op een parkeerplaats in [plaats 3] is gedaan aan een vriend van klager tegen contante betaling. De identiteit van de verkoper en de leverancier is hierbij niet gecontroleerd. Ook merkt de raadkamer op dat klager twee sleutels heeft gekregen, maar dat één van deze sleutels niet bij de auto hoort. De sleutels zijn dus niet gecontroleerd door klager. Ook de auto zelf is niet voldoende gecontroleerd. Immers is door de politie onder een plaat in de kofferbak een origineel Nederlandse kentekenplaat aangetroffen. Verder is van belang dat sprake is van fraudeleuze papieren. Dit geldt in ieder geval voor de autopapieren, nu de auto nooit in Duitsland is ingevoerd en derhalve geen originele Duitse autopapieren kan hebben. De originele voertuigpapieren zijn in het bezit van [belanghebbende] met de tenaamstellingscode. Het is in de autobranche een feit van algemene bekendheid dat er valse Duitse autopapieren in omloop zijn. Tot slot acht de raadkamer van belang dat de prijs die klager heeft betaald voor de auto ver onder de marktwaarde ligt. Gezien deze omstandigheden had van klager veel meer onderzoek verwacht mogen worden bij de aankoop van de auto op 1 september 2025.
Ook indien zou worden aangenomen dat klager wel als te goeder trouw zou kunnen worden aangemerkt (quod non), dan geldt het volgende. Uit de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat het in art. 3:86 lid 3 BW gehanteerde begrip "diefstal" ruim geïnterpreteerd dient te worden, in die zin dat hiertoe alle vormen van bezitsverlies ten gevolge van een strafbaar feit gerekend dienen te worden, derhalve ook verduistering, waarvan in het onderhavige geval klaarblijkelijk sprake is. (ECLI:NL:GHLEE:2005:AU0823 en ECLI:NL:HR:2005:AU2555). Hieruit volgt dat klager, zelfs als hij te goeder trouw zou zijn, toch geen eigenaar van de auto is geworden omdat ingevolge art. 3:86 lid 3 BW de eigenaar van een roerende zaak, die het bezit daarvan door onvrijwillig bezitsverlies - i.c. verduistering - heeft verloren, deze gedurende drie jaren te rekenen vanaf de dag van dat onvrijwillige bezitsverlies als zijn eigendom kan opeisen. Het arrest van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:1999:ZD1744) doet daaraan niet af nu er met de later gewezen arresten (ECLI:NL:GHLEE:2005:AU0823 en ECLI:NL:HR:2005:AU2555) kennelijk sprake is van voortschrijdend inzicht op basis waarvan onder diefstal in artikel 3:86 lid 3 BW iedere vorm van onvrijwillig bezitsverlies moet worden begrepen.
Gelet hierop is de raadkamer van oordeel dat [belanghebbende] als redelijkerwijs rechthebbende van de auto moet worden aangemerkt, zodat de raadkamer het klaagschrift van klager ongegrond zal verklaren.
Conclusie
De raadkamer is op grond van het voorgaande van oordeel dat het klaagschrift ongegrond moet worden verklaard en dat [belanghebbende] als redelijkerwijs rechthebbende moet worden aangemerkt.
6. De beslissing
De raadkamer verklaart het klaagschrift ongegrond.
Deze beschikking is gegeven door mr. B.W.M. Hendriks, rechter, in tegenwoordigheid van I.T.H. Praster, griffier, ondertekend door de rechter en de griffier en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026.