RECHTBANK Overijssel
Civiel recht
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: C/08/341786 / KG ZA 25-283
Vonnis in kort geding van 4 februari 2026
in de zaak van
NPB MEDIA B.V.,
te Haarlem,
eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: NPB,
advocaat: mr. M. de Waal,
tegen
GEMEENTE ZWOLLE,
te Zwolle,
gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: de gemeente,
advocaat: mr. J.H.C.A. Kok-Muller.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties,- de conclusie van antwoord met producties,- de nadere producties van de zijde van NPB,- de mondelinge behandeling van 21 januari 2026, waar partijen (vertegenwoordigd) zijn verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Partijen hebben hun standpunten tijdens de mondelinge behandeling toegelicht, waarbij NPB gebruik heeft gemaakt van een pleitnota. De griffier heeft tijdens de mondelinge behandeling aantekeningen gemaakt.
Het vonnis is bepaald op vandaag.
2. Samenvatting
Partijen hebben in 2015 onderhandeld over de verlenging/aanpassing van een concessieovereenkomst op grond waarvan NPB het (exclusieve) recht heeft om tegen betaling van een vergoeding en onder bepaalde voorwaarden lichtreclames aan te brengen en aangebracht te houden, aan op openbare grond geplaatste lichtmasten die eigendom zijn van de gemeente. De afspraken die partijen uiteindelijk zijn overeengekomen zijn vastgelegd in een eind april 2015 ondertekend addendum. In deze procedure staat de vraag centraal hoe de in het addendum opgenomen uitloopregeling van vijf jaar moet worden uitgelegd. NPB meent dat de uitloopregeling (ook) moet worden toegepast bij het van rechtswege expireren van de overeenkomst en vordert (primair) nakoming van de uitloopregeling en de gestarte aanbestedingsprocedure af te breken of (subsidiair) op te schorten in afwachting van de uitkomst van de bodemprocedure. De gemeente voert verweer en stelt dat de uitloopregeling (alleen) geldt bij opzegging van de overeenkomst en dat de regeling niet van toepassing is bij de aan de orde zijnde beëindiging van de overeenkomst van rechtswege. De gemeente vordert in reconventie dat NPB de lichtreclames verwijdert.
De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat NPB in de gegeven omstandigheden de uitloopregeling redelijkerwijs niet zo heeft mogen opvatten dat zij daar ook een beroep op kon doen na beëindiging van de overeenkomst van rechtswege. Dit betekent dat de primaire vorderingen van NPB worden afgewezen. Er bestaat ook geen aanleiding om de aanbestedingsprocedure op te schorten in afwachting van de uitkomst van een bodemprocedure. NPB zal worden geboden om de lichtreclames na definitieve gunning in de aanbestedingsprocedure te verwijderen, behoudens in het geval dat NPB de aanbesteding zelf wint. Het oordeel van de voorzieningenrechter wordt hierna toegelicht.
3. De feiten
NPB is een bedrijf dat zich bezighoudt met het verhuren van reclame aan elektriciteitsmasten en straatlantaarns in Nederlandse gemeenten en in het algemeen met de uitoefening van het reclamebedrijf.
In of omstreeks 1996 hebben de rechtsvoorganger van NPB en de gemeente een concessieovereenkomst (hierna: ook de overeenkomst) gesloten. In deze overeenkomst is aan (de rechtsvoorganger van) NPB (kort gezegd) het recht verleend om, met uitsluiting van anderen en behoudens eventuele rechten van derden, tegen vergoeding en onder bepaalde (nadere) voorwaarden, in totaal maximaal 250 lichtreclames aan te brengen en aangebracht te houden, aan op openbare grond geplaatste lichtmasten die eigendom zijn van de gemeente.
In deze overeenkomst is over de tussentijdse beëindiging (artikel 8) en de inwerkingtreding en beëindiging van de overeenkomst (artikel 10) het volgende opgenomen:
“(…)
8a. Van een tussentijdse beëindiging van deze overeenkomst is sprake indien City Sign:
- in staat van faillissement wordt verklaard of surseance van betaling aanvraagt;
- wordt ontbonden;
- haar ondernemersactiviteiten staakt;
In deze gevallen is de gemeente gerechtigd deze overeenkomst met onmiddellijke ingang tussentijds op te zeggen dan wel, voorzover de wet dat toelaat, met onmiddellijke ingang beëindigd te verklaren.
8b. City Sign is in dat geval gehouden aan de gemeente te vergoeden alle kosten, schaden en interessen welke voor de gemeente uit die tussentijdse beëindiging voortvloeien.
8c. Indien City Sign, respectievelijk de gemeente;
- in strijd handelt met het bepaalde in deze overeenkomst;
- na daartoe door de gemeente, respectievelijk City Sign te zijn aangemaand, haar verzuim in het nakomen van haar verplichtingen, welke uit de wet of uit deze of nadere overeenkomsten tussen partijen voortvloeien, niet binnen een door de gemeente. respectievelijk City Sign te stellen termijn herstelt, is de gemeente, respectievelijk City Sign gerechtigd deze overeenkomst met onmiddellijke ingang tussentijds op te zeggen, dan wel, voorzover de wet dit toelaat, met onmiddellijke ingang beëindigd te verklaren.
8d. City Sign. respectievelijk de gemeente is in het geval bedoeld in het vorige lid gehouden de gemeente, respectievelijk City Sign te vergoeden alle kosten, schaden en interessen welke voor de gemeente, respectievelijk City Sign uit de tussentijdse beëindiging voortvloeien.
(…)
10a. De overeenkomst wordt aangegaan voor een periode van 10 jaren, ingaande d.d. 1 januari 1996 en eindigende d.d. 31 december 2005.
10b. De overeenkomst wordt geacht telkens voor eenzelfde termijn te zijn verlengd, indien niet tenminste 12 maanden vóór de afloop van enige termijn door of vanwege één der partijen de overeenkomst bij aangetekende brief aan wederpartij is opgezegd.
10c. In geval van opzegging mogen de lichtreclames, welke met toestemming van de gemeente zijn aangebracht op de datum van ontvangst van de opzeggingsbrief, gehandhaafd blijven tot uiterlijk 5 jaren na beëindiging van de overeenkomst, uiteraard onder gelijkblijvende condities als ware deze overeenkomst niet beëindigd.
In geval van toepassing van dit artikel is door City Sign aan de gemeente voor het eerste uitloopjaar een vergoeding verschuldigd van 95% van het in artikel 2a. genoemde garantiebedrag.
Voor her tweede uitloopjaar is dit percentage 90%, voor het derde uitloopjaar 85%, voor het vierde uitloopjaar 75% en voor het vijfde 55% van de in 4a. genoemde vergoeding.
10d. Het is de gemeente niet toegestaan derde(n) een overeenkomst aan te bieden tegen voor die derde(n) gunstiger condities dan de City Sign aangeboden condities.
10e. Indien de gemeente bij verlenging van de overeenkomst met City Sign beschikt over een voor gemeente gunstiger aanbod, zal de gemeente City Sign in staat stellen, een overeenkomst aan te gaan op gelijke condities als door derde(n) aangeboden.
10f. In afwijking van het bepaalde in de artikelen 10d. en l0e. is de gemeente gerechtigd met een derde een overeenkomst aan te gaan onder voor de gemeente ongunstigere voorwaarden dan waaronder City Sign met de gemeente een overeenkomst had willen aangaan, indien van de gemeente in redelijkheid niet kan worden gevergd met City Sign (opnieuw) een overeenkomst aan te gaan.
10g. City Sign draagt zonder schriftelijke toestemming van de gemeente de uit deze overeenkomst voortvloeiende rechten niet over.”
In 2015 hebben partijen onderhandeld over aanpassing dan wel verlenging van de overeenkomst.
In een e-mailbericht van mevrouw [naam 1], werkzaam bij de gemeente (hierna: [naam 1]) gericht aan NPB van 19 maart 2015 staat voor zover van belang het volgende:
“(…)Er is bij ons begrip voor de verslechterde marktsituatie m.b.t. de lichtreclames, zodat we onze terughoudendheid t.a.v. een forse Verlaging van het garantiebedrag willen herzien.
Hoewel wij best water bij de wijn willen doen, verwachten we dat ook van jullie.
Ons voorstel is om de garantievergoeding vast te zetten op 80.000, - per jaar (vanaf 2016) bij een aantal van 80 objecten. Boven het aantal van 80 objecten wensen wij dan een vergoeding van € 850,- per object. Van onze kant zijn wij bereid om ook nog een optie tot verlenging van de overeenkomst met een periode van 5 jaar (2021 tm 2025) in te bouwen. Verder willen wij de door jullie genoemde inspanningsverplichting (…) om het aantal lichtmastreclames zo hoog mogelijk te houden en periodiek onze inspanningen en actieplannen met de gemeente bespreken, expliciet in de overeenkomst vastleggen.
(…)
Wij onderschrijven voor het overige de overeenstemming die we hebben op de volgende punten:
(…)
Geen uitloopperiode meer maar de 60 / 40 regeling.
Een looptijd van 5 jaar (2016-2020)
(…)”
NPB reageert daarop per e-mailbericht van 25 maart 2015, voor zover van belang, als volgt:
“(…)
Aangepast huurvergoeding van €. 104.000,- voor 2015 is niet akkoord. Deze houden op het niveau zoals overeengekomen in de overeenkomst. De overige punten zijn wel akkoord. Verder is het voor ons van belang dat ook de volgende punten in het addendum worden vastgelegd.
(…)
Als de gemeente akkoord kan gaan met een 10-jarige overeenkomst zullen wij de huidige lichtmastreclames binnen een periode van 3 jaren vervangen door energiezuinige reclames. Voor ieder geplaatste energiezuinige lichtmastreclame willen wij dan halvering van de huidige overeengekomen stroomkomsten.
Indien de gemeente toch de voorkeur heeft voor een contractduur van 5 jaren, zullen wij de huidige reclames blijven plaatsen.
(…)”
Op 27 maart 2015 heeft er een fysiek overleg plaatsgevonden, waarna [naam 1] bij e-mailbericht van 27 maart 2015 aan NPB heeft meegedeeld dat er over een aantal punten nog geen overeenstemming is bereikt en dat die eerst nog nader moeten worden uitgewerkt. Daartoe is een concept van het addendum meegestuurd waarin voor zover van belang het volgende staat.
“(…)
In afwijking van artikel 10b wordt de Overeenkomst tussen Gemeente en NPB verlengd voor een periode van vijf jaar, ingaande op 1 januari 2016 en eindigend op 31 december 2020.
Partijen hebben de optie om de Overeenkomst nogmaals met een periode van 5 jaar te verlengen (2021-2025) en dienen hierover vóór 1 januari 2020 een besluit te nemen.
(…)
10. Artikel 10c vervalt en in de plaats daarvan wordt de zogeheten 60/40 regeling toegepast, hetgeen inhoudt dat:
(NPB doet hier tekstvoorstel voor uitleg van deze 60/40 regeling of doet voorstel voor een ander alternatief)
(…)”
Bij e-mailbericht van 9 april 2015 heeft NPB enkele tekstvoorstellen gestuurd. Deze luiden voor zover van belang als volgt:
“Bij een opvolgende exploitant.
Variant 1
In geval van opzegging van de overeenkomst met NPB en er een nieuwe overeenkomst wordt afgesloten met een opvolgende exploitant zullen de overeenkomsten tussen NPB en de adverteerders overgaan naar de opvolgende exploitant. Voor deze overeenkomsten ontvangt NPB van de opvolgende exploitant een vergoeding. De hoogte van deze vergoeding is gesteld op 60% van de geboekte omzet in het laatste jaar van de vigerende overeenkomst en 40% van de geboekte omzet in het eerste jaar na de expiratiedatum. De opvolgende exploitant zal over de vergoedingen aan NPB een bankgarantie verstrekken. Betaling (60%) door de opvolgende exploitant zal dan respectievelijk plaatsvinden op de expiratiedatum van de vigerende overeenkomst en de volgend betaling (40%) exact 1 jaar na de expiratiedatum. Over de hoogte van dit bedrag zal een accountantsverklaring worden afgegeven.
Variant 2
In geval van opzegging van de overeenkomst mogen reclameobjecten welke aanwezig zijn of welke geplaatst worden voor de genoemde afloopdatum zullen de reclameobjecten geplaatst blijven tot uiterlijk vijf jaren na beëindiging van de overeenkomst, onder gelijk blijvende condities als ware deze overeenkomst niet beëindigd, met dien verstande dat de garantievergoeding per afloopdatum zal komen te vervallen.
Indien de gemeente stopt met lichtmastreclame geldt onderstaande onherroepelijk.
In geval van opzegging van de overeenkomst en de gemeente wenst verder geen overeenkomst aan te gaan met betrekking tot de exploitatie van lichtmastreclames, mogen reclameobjecten welke aanwezig zijn of geplaatst worden voor de expiratiedatum van de onderhavige overeenkomst geplaatst blijven tot uiterlijk 5 jaren na beëindiging van de overeenkomst, onder gelijkblijvende condities, met uitzondering van de garantievergoeding, als ware deze overeenkomst niet beëindigd. Dit om de verplichtingen tussen NPB en de adverteerders na te kunnen komen. De garantievergoeding zal per afloopdatum komen te vervallen.”
Op 15 april 2015 heeft [naam 1] een e-mailbericht aan NPB gestuurd, waarbij een aangepast addendum is meegestuurd, waarin, volgens het e-mailbericht, een essentiële wijziging is opgenomen, namelijk een contract voor 10 jaar, conform de mail van [naam 2] [, werkzaam bij NPB, toevoeging voorzieningenrechter] van 25 maart 2015. Het meegestuurde aangepaste addendum luidt voor zover van belang als volgt:
“(…)
2. In afwijking van artikel 10b eindigt de overeenkomst op 31 december 2025 van rechtswege.
(…)
11. Artikel 10c vervalt en in de plaats daarvan komt de volgende bepaling:
In geval van opzegging van de overeenkomst mogen reclameobjecten welke aanwezig zijn of welke geplaatst overeenkomst, onder gelijkblijvende condities als ware deze overeenkomst niet beëindigd, met dien verstande dat de garantievergoeding per afloopdatum zal komen te vervallen. NPB zal in dat geval een vergoeding van € 850,- per lichtreclameobject aan de Gemeente verschuldigd zijn. Er mogen na einddatum van de overeenkomst geen nieuwe objecten worden geplaatst.
(…)”
Op 22 april 2015 heeft NPB gereageerd per e-mailbericht en, voor zover van belang, het volgende meegedeeld:
“Verder zien wij graag een artikel toegevoegd dat NPB vanaf het 5 jaar bij een verlieslatende exploitatie de overeenkomst kan opzeggen, met een opzegtermijn van 9 maanden.”
Op 23 april 2015 heeft [naam 1] het volgende per e-mailbericht, voor zover van belang, aan NPB meegedeeld:
“Bijgaand het verder aangepaste addendum.
We hebben bijna alles (op 1 bepaling na) overgenomen met dien verstande dat we tussentijdse opzegging mogelijk maken voor beide partijen vanaf 2021.”
In het concept van het addendum is dat onder punt 3 als volgt verwoord:
“Beide partijen kunnen vanaf het 5e jaar (per 1 januari 2021) de overeenkomst tussentijds opzeggen, met een opzegtermijn van 9 maanden.”
Op diezelfde dag reageert NPB hier per e-mailbericht als volgt op:
“Even eerste reactie, Als de gemeente kan opzeggen na 5 jaar kunnen wij geen nieuwe lichtmastreclames plaatsen. Hiervoor is de investering veel te groot.”
[naam 1] antwoordt daarop op dezelfde dag per e-mailbericht:
“Ok. Dat begrijp ik, maar wanneer is sprake van verliesgevende exploitatie (bij minder dan 80 objecten)?”
De afspraken die partijen zijn overeengekomen zijn uiteindelijk vastgelegd in een (definitief) addendum d.d. 25 april 2015. Dit addendum luidt, voor zover van belang als volgt:
“(…)
overwegende dat:
- partijen de Overeenkomst van 1 januari 1996 (met een looptijd tot en met 31 december 2015 met een optie tot verlenging met 10 jaar) wensen te verlengen waarbij een aantal van deze overeenkomst afwijkende en aanvullende afspraken worden gemaakt, die partijen in dit addendum wensen vast te
leggen;
komen het volgende overeen:
1. In afwijking van artikel 10b wordt de Overeenkomst tussen Gemeente en NPB verlengd voor een periode van tien jaar, ingaande op 1 januari 2016 en eindigend op 31 december 2025.
2. In afwijking van artikel 10b eindigt de overeenkomst op 31 december 2025 van rechtswege.
3. NPB is bij verliesgevende exploitatie (= bij minder dan 80 reclames en geen uitzicht op verbetering van de markt) vanaf het 5° jaar (per 1 januari 2021) gerechtigd de overeenkomst tussentijds op te zeggen, met een opzegtermijn van 9 maanden.
(…)
8. Voor het vaststellen van de verschuldigde vergoeding voor de lichtreclames die het aantal van 100 overstijgen hanteert NPB de volgende werkwijze:
De verschuldigde vergoeding voor een lichtreclame wordt vastgesteld op basis van het aantal maanden dat deze lichtreclame in het betreffende kalenderjaar is geplaatst.
In die gevallen dat reclameobjecten voor een periode korter dan wel langer dan een maand aanwezig zijn, worden de vergoedingen naar evenredigheid berekend. Met dien verstande dat objecten die zijn geplaatst c.q. verwijderd op of vóór de 15° van enige maand, geacht worden te zijn geplaatst c.q. verwijderd in die maand. Reclameobjecten die zijn geplaatst c.q. verwijderd na de 15° van enige maand worden geacht te zijn geplaatst c.q. verwijderd in de daaropvolgende maand.
Voorgaande betekent dat NPB telkens na afloop van elk kwartaal de gemeente een vergoeding zal betalen voor het aantal lichtreclames dat boven het aantal van 100 objecten uitstijgt.
(…)
10. NPB zal zich maximaal inspannen om het aantal geplaatste lichtreclameobjecten zo hoog mogelijk te houden en verplicht zich daarbij de inspanningen en actieplannen op dit punt nadrukkelijk en tenminste eenmaal per jaar met de Gemeente te bespreken;
11. Ter stimulering van de verkoop en uitvoering van voornoemde inspanningsverplichting wordt het NPB toegestaan om maximaal 10 lichtreclameobjecten voor promotie-doeleinden in te zetten, zonder dat hiervoor een vergoeding aan de Gemeente is verschuldigd.
12. Artikel 10c vervalt en in de plaats daarvan komt de volgende bepaling:
In geval van opzegging van de overeenkomst mogen reclameobjecten welke aanwezig zijn of welke geplaatst worden voor de einddatum van het contract, geplaatst blijven tot uiterlijk vijf jaren na beëindiging van de overeenkomst, onder gelijkblijvende condities als ware deze overeenkomst niet beëindigd, met dien verstande dat de garantievergoeding per afloopdatum zal komen te vervallen. NPB zal in dat geval een vergoeding van € 850,- per lichtreclameobject aan de Gemeente verschuldigd zijn. Er mogen na einddatum van de overeenkomst geen nieuwe objecten worden geplaatst.
13. De bepalingen inzake het zogeheten matchingsrecht, zoals vermeld in de artikelen 10d, 10 e en 10f van de Overeenkomst, komen te vervallen.
(…)”
Vanaf omstreeks 6 mei 2025 hebben partijen contact gehad over het aflopen van de overeenkomst. In dat kader heeft de heer [naam 3] van NPB (hierna: [naam 3]) per e-mailbericht van 6 mei 2025 een voorstel gedaan aan [naam 1]. Bij e-mailbericht van 6 mei 2025 heeft [naam 1] aan [naam 3] het volgende meegedeeld:
“Het contract met NPB eindigt op 31 december 2025 en wordt opnieuw aanbesteed.
De huidige lichtmastreclame kan blijven zitten totdat het contract met de klant afloopt. Zie addendum.
In verband hiermee wil ik weten wanneer de verschillende contracten aflopen.”
Bij e-mailbericht van 21 juli 2025 heeft [naam 1] [naam 3] het volgende meegedeeld:
“Zoals bekend eindigt per 31 december 2025 van rechtswege de overeenkomst tussen de gemeente en
NPB over de exploitatie van lichtmastreclame.
Dat betekent dat de overeenkomst op die datum automatisch eindigt zonder dat daar een opzegging van de
gemeente voor nodig is.
Het gevolg hiervan is dat in beginsel alle in Zwolle aanwezige (105) lichtmastreclames uiterlijk op 31 december
2025 moeten worden verwijderd.
De overgangstermijn van maximaal 5 jaar na datum einde overeenkomst waar Npb tot dusver ten onrechte van
uit is gegaan (en zoals opgenomen in artikel 12 van het addendum bij de overeenkomst tussen de Gemeente
en NPB), is niet van toepassing.
Die overgangstermijn geldt alleen als er sprake is van een opzegging van de overeenkomst en niet in het geval
waarin de overeenkomst van rechtswege eindigt zoals in casu het geval is.
(…)”
In reactie daarop heeft [naam 3] [naam 1] per e-mailbericht van 22 juli 2025 het volgende meegedeeld:
“(…)
Tijdens ons prettige en open telefoongesprek van 23 juni jl. is onder meer gesproken over de overgangstermijn van maximaal vijf jaar na afloop van de overeenkomst, zoals vastgelegd in artikel 12 van het addendum van 25 april 2015. Deze bepaling is juist opgenomen om te zorgen dat de exploitatie niet abrupt eindigt en ondernemers niet de dupe worden van een concessiewissel. Het oorspronkelijke contract voorzag immers in stilzwijgende verlenging, waarmee de exploitatie altijd doorliep om ondernemers te ontzorgen. De uithangperiode van vijf jaar is in diezelfde lijn een logische voortzetting en vormt daarmee een essentieel onderdeel van de afspraken. Deze bepaling is niet voor niets, en na zorgvuldige overweging, nadrukkelijk overeengekomen tussen de gemeente en NPB, en daarom wederom expliciet opgenomen in het addendum.
Tijdens ons gesprek heb ik ook transparant gedeeld wat de gemiddelde contractwaarde per adverteerder is. Deze ligt aanzienlijk onder het marktniveau, wat ervoor zorgt dat veel lokale ondernemers gebruik kunnen maken van een betaalbaar reclamemedium. Juist deze betaalbaarheid verklaart het relatief hoge aantal lichtmastreclames, en dat willen wij, in lijn met de gemaakte afspraken, ook de komende jaren voortzetten. Ik heb aangegeven daarom formeel nog een opzegging te doen, je gaf toen aan dat dit volgens jou niet nodig is voor de uithangperiode. Maar ik lees dat je daar nu op terugkomt.
Bij deze zeggen wij de overeenkomst van 1996, inclusief addenda, formeel op per 31 december 2025, conform artikel 12 van het addendum d.d. 25 april 2015. Conform deze bepaling blijven de reeds aanwezige reclameobjecten na afloop van de overeenkomst geplaatst tot maximaal vijf jaar na 31 december 2025, onder gelijkblijvende condities, met uitzondering van de garantievergoeding per afloopdatum.
Wij vertrouwen erop dat deze werkwijze in lijn is met de geest van onze eerdere gesprekken.
(…)”
[naam 1] heeft daarop per e-mailbericht van 23 juli 2025 als volgt gereageerd:
“(…)
Wel willen we je er vast op wijzen dat de overeenkomst op dit moment niet opgezegd kan worden.
Artikel 8 van de overeenkomst en artikel 3 van het addendum beschrijven wanneer opzegging is
toegestaan.
Omdat de gronden voor opzegging zoals genoemd in artikel 8 van de overeenkomst en artikel 3 van
het addendum niet aan de orde zijn, is artikel 12 van het addendum niet van toepassing. Een
opzegging op dit moment is dan ook niet rechtsgeldig. (…)”
Vervolgens hebben partijen met elkaar gesproken en gecorrespondeerd. Dit heeft niet geleid tot een wijziging van standpunten.
Bij brief van 21 augustus 2025 heeft (de advocaat van) NPB (kort gezegd) haar visie (nogmaals) uiteengezet en de gemeente gesommeerd om te bevestigen dat de uitloop-regeling zoals vastgesteld in het addendum onverkort wordt toegepast en gehandhaafd bij de beëindiging van de overeenkomst van rechtswege.
Bij brief van 4 september 2025 heeft (de advocaat van) de gemeente gereageerd op de hiervoor genoemde brief van 21 augustus 2025. In deze brief is gemotiveerd kenbaar gemaakt dat de visie van NPB niet wordt gedeeld. In deze brief is ook meegedeeld dat op de gemeente een aanbestedingsplicht rust, dat zij, als NPB vasthoudt aan haar standpunt dat haar een beroep op de uitloopregeling toekomt, dit uiterlijk voor 11 september 2025 verneemt, zodat zij haar rechtspositie kan bepalen en dat zij hoopt dat NPB het niet zover laat komen en ervoor kiest haar kansen in de aanstaande aanbesteding te beproeven.
Bij brief van 18 september 2025 is namens NPB gereageerd op de brief van 4 september 2025 en is kenbaar gemaakt dat de uitleg van de gemeente geen steun vindt in de tussen partijen gevoerde onderhandelingen over de totstandkoming van het addendum en dat NPB haar standpunt(en) handhaaft.
Bij brief van 25 september 2025 is namens de gemeente gereageerd op de hiervoor genoemde brief van 18 september 2025. De gemeente blijft (kort gezegd) bij haar standpunt. In het kader van de aankomende aanbesteding heeft de gemeente NPB verzocht om haar zo snel mogelijk de beslissing om tegen het voornemen tot aanbesteden (al dan niet) een kort geding aanhangig te maken aan haar kenbaar te maken. Mocht NPB haar kansen in de aanbesteding wensen te beproeven, dan ontvangt de gemeente zo snel mogelijk de toezegging van NPB dat zij de uitkomst van de aanbesteding zal respecteren en derhalve (al dan niet onder voorbehoud van het recht op schadevergoeding) bereid is de reclameborden binnen een (nader tussen partijen overeen te komen) redelijke termijn na het bekend worden van de definitieve winnaar van de aanbesteding te verwijderen.
Bij brief van 8 oktober 2025 is namens NPB gereageerd op deze brief en is (kort gezegd) meegedeeld dat het standpunt van NPB ongewijzigd blijft. NPB meent dan ook dat zij er gerechtvaardigd van mag uitgaan dat de gemeente bij haar beoogde aanbesteding de contractuele rechten van NPB respecteert en volledig en correct na zal komen. NPB deelt in dat verband ook mee dat zij de reclameobjecten dan ook niet zal verwijderen bij het einde van de contractduur.
Na de brief van 8 oktober 2025 heeft de gemeente de aanbesteding voor lichtmastreclame (voor de eerste keer) aangekondigd. Bij brief van 16 oktober 2025 is namens de gemeente gereageerd op de brief van 8 oktober 2025 van de zijde van NPB, waarbij de (inhoudelijk) ingenomen standpunten zijn gehandhaafd. In dat kader is ook vermeld dat NPB verplicht is de lichtmastreclames met ingang van 1 januari 2026 te verwijderen (althans binnen de termijn van een maand nadat duidelijk is geworden dat zij niet de winnaar van de aanbesteding is).
De gemeente heeft op 7 november 2025 de aanbesteding alsnog Europees aangekondigd. In het beschrijvend document van de aanbesteding is een bijzondere rechtsmiddelenclausule opgenomen in het geval (potentiële) inschrijvers principiële bezwaren tegen de aanbesteding hebben. In de Nota’s van Inlichtingen zijn diverse vragen gesteld over de huidige concessieovereenkomst.
Bij brief van 21 november 2025 is namens NPB gereageerd op de brief van 18 oktober 2025. NPB ziet geen aanleiding om haar ingenomen standpunten te wijzigen. Zij constateert (ook) dat partijen in een impasse zijn geraakt en zij staat dan ook een minnelijke regeling voor. BNP verneemt graag van de gemeente of daartoe bereidheid bestaat. Bij e-mailbericht van 24 november 2025 is namens de gemeente medegedeeld dat niet op het voorstel van BNP kan worden ingegaan omdat de nieuwe aanbesteding reeds is aangevangen.
Begin december 2025 heeft NPB onderhavig kort geding aangevraagd bij deze rechtbank, locatie Almelo.
Bij brief van 11 december 2025 is namens de gemeente aan NPB meegedeeld dat de gemeente bereid is de bestaande, reeds aangebrachte lichtmastreclames hangende het kort geding en (na afwijzing daarvan) het verdere verloop van de aanbesteding te gedogen. Tevens heeft de gemeente NPB laten weten dat, indien NPB vanaf 1 januari 2026 het financiële voordeel van de aangebrachte lichtmastreclames wenst te genieten, zij voor dit (onrechtmatige) voortgezette gebruik een billijke gebruiksvergoeding is verschuldigd overeenkomstig de vergoeding zoals deze gedurende het laatst lopende contractjaar tussen partijen van toepassing was.
4. Het geschil
In conventie
NPB vordert (samengevat) dat de voorzieningenrechter bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
primair:
I. de gemeente veroordeelt tot nakoming van artikel 12 van het addendum, inhoudende dat NPB vanaf 1 januari 2026 een beroep kan doen op de uitloopregeling van vijf jaar;
II. de gemeente beveelt de lopende aanbestedingsprocedure af te breken en bij een nieuwe
aanbestedingsprocedure rekening te houden met het hiervoor onder I. gevorderde;
subsidiair:
de gemeente beveelt om de lopende aanbesteding op te schorten en opgeschort te houden in afwachting van de uitkomst van een bodemprocedure tussen partijen over artikel 12 van het addendum;
zowel primair als subsidiair:
de gemeente veroordeelt in de (na)kosten van deze procedure.
In reconventie
De gemeente vordert (samengevat), na eisvermindering tijdens de mondelinge behandeling, dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, zal bepalen dat:
NPB wordt geboden om alle 96 door haar aan de lichtmasten van de gemeente geplaatste, aangebrachte en/of aanwezige lichtreclames (vermeld in het Excel overzicht van 7 januari 2026), te verwijderen en verwijderd te houden, binnen 30 dagen (althans binnen een in goede justitie te bepalen termijn):
nadat NPB in het (definitieve) gunningsbesluit van de aanbesteding Lichtmastreclame van de gemeente Zwolle niet als winnaar wordt aangewezen, dan wel
nadat NPB de uiterste inschrijftermijn van de aanbesteding Lichtmastreclames ongebruikt laat verstrijken, dan wel
nadat NPB haar inschrijving op de aanbesteding intrekt dan wel,
nadat NPB haar inschrijving op de aanbesteding niet langer gestand doet en derhalve als ingetrokken moet worden beschouwd,
dit alles op straffe van verbeurte van een dwangsom en met veroordeling van NPB in de kosten van de procedure in reconventie, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Op de stellingen van partijen en het over en weer gevoerde verweer wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
5. De beoordeling in conventie en in reconventie
Vooraf
Omdat de vorderingen in conventie in reconventie nauw met elkaar samenhangen, bespreekt de voorzieningenrechter deze gezamenlijk.
In een kort geding, waarin in spoedeisende gevallen een voorlopige voorziening kan worden getroffen, moet onder meer worden beoordeeld hoe aannemelijk het is dat de vorderingen van partijen over en weer in een bodemprocedure zullen worden toegewezen. De voorzieningenrechter moet beoordelen of op basis van de door partijen aangevoerde feiten en omstandigheden hun vorderingen in een bodemprocedure een zodanig grote kans van slagen hebben dat, vooruitlopend daarop, toewijzing in kort geding gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in deze procedure geen plaats is voor nader onderzoek naar bepaalde feiten en omstandigheden en/of bewijslevering.
Het spoedeisend belang van de over en weer ingestelde vorderingen vloeit voldoende voort uit de stellingen van partijen en de aard van het geschil. Dit betekent dat de voorzieningenrechter toekomt aan een inhoudelijke beoordeling.
Uitleg addendum
De kern van het geschil tussen partijen betreft de uitleg van de overeenkomst en het daarbij behorende addendum, in het bijzonder de uitloopregeling die is neergelegd in artikel 12 van het addendum.
NPB stelt zich, kort gezegd, op het standpunt dat zij op grond van de overeenkomst en het daarbij behorende addendum vanaf 1 januari 2026, na het van rechtswege beëindigen van de overeenkomst, een beroep kan doen op de uitloopregeling. De gemeente betwist dit gemotiveerd en stelt dat de uitloopregeling geldt bij opzegging en niet van toepassing is bij (de huidige situatie van) beëindiging/expiratie van de rechtswege.
De voorzieningenrechter overweegt als volgt. De vraag wat de bedoeling van partijen is geweest met betrekking tot de uitloopregeling moet worden beantwoord met inachtneming van de Haviltex-maatstaf. Daarmee komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen van de overeenkomst mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan groot gewicht, zij het niet beslissende betekenis, toekomen aan de taalkundige betekenis van de gekozen bewoordingen. Van belang is daarbij voorts de aard en inhoud van de overeenkomst, de omvang en gedetailleerdheid van het contract en de wijze van totstandkoming. Bovendien is niet alleen het gedrag rondom het sluiten van de overeenkomst/het addendum van belang. Ook wat partijen ná het sluiten van de overeenkomst/het addendum gedaan hebben, kan een rol spelen bij het bepalen wát partijen zijn overeengekomen.
Verder geldt, op grond van de hoofdregel van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) dat NPB, als de partij die zich beroept op de rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten, de bewijslast draagt van die feiten. Deze hoofdregel is immers ook toepasselijk waar het gaat om het bestaan en de uitleg van overeenkomsten.
Tegen de achtergrond van het hiervoor geschetste toetsingskader is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat NPB in de gegeven omstandigheden de uitloopregeling redelijkerwijs niet zo heeft mogen opvatten dat zij daar ook een beroep op kon doen na beëindiging van de overeenkomst van rechtswege. Daartoe acht de voorzieningenrechter het volgende van betekenis.
Het gaat in dit geval om een door professioneel opererende partijen gesloten zakelijk(e) overeenkomst/addendum. Dat betekent niet dat de Haviltex-maatstaf niet geldt, maar maakt wel dat in beginsel groot gewicht toekomt aan de bewoordingen van artikel 12 van het addendum, gelezen in het licht van de overige, voor de uitleg relevante bepalingen van de overeenkomst met bijbehorend addendum. Dit geldt te meer nu partijen enige tijd hebben onderhandeld over het addendum. Uit de (definitieve) tekst van artikel 12 van het addendum blijkt niet dat sprake is van een uitloopregeling in de zin zoals NPB deze verstaat. Er staat duidelijk en ondubbelzinnig “in geval van opzegging”. Er is niet ondubbelzinnig opgenomen dat sprake zou zijn van een uitloopregeling bij beëindiging van de overeenkomst van rechtswege. Als partijen dat bedoeld hadden, had het, zoals de gemeente ook stelt, juist voor de hand gelegen om een bepaling van die vergaande strekking expliciet op te nemen. NPB stelt dat partijen vanaf aanvang van de onderhandelingen hebben beoogd dat er een nawerkingsregeling bij het einde van de overeenkomst van rechtswege moest worden overeengekomen en wijst daarbij op het concept van het addendum van 27 maart 2015 en de daaraan voorafgaande e-mailcorrespondentie. De gemeente heeft dit standpunt van NPB gemotiveerd betwist. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het concept van het addendum van 27 maart 2015 geen steun biedt voor deze stelling van NPB. Dit concept bevat immers nog geen concre(e)t(e) tekstuele bepaling/voorstel voor artikel 10c dat zou komen te vervallen. De gemeente verzoekt NPB om een voorstel te doen voor de 60/40-regeling of een voorstel voor een ander alternatief. Uit de wijze waarop dat verzoek is gedaan kan niet worden afgeleid dat het de bedoeling van partijen was een regeling te treffen die van toepassing zou zijn na de beëindiging van de overeenkomst van rechtswege. Dit kan evenmin worden afgeleid uit de tot dat moment gewisselde e-mailberichten tussen partijen. De door NPB uitgewerkte voorstellen duiden er ook niet op dat partijen deze bedoeling hadden. Daarin wordt immers ook steeds (alleen) de term opzegging gebruikt. Dat NPB als “leek” zou hebben teruggegrepen op tekstvoorstellen van andere concessie-overeenkomsten voor onbepaalde tijd, zoals zij stelt, leidt niet tot een andersluidend oordeel. Zoals hiervoor is overwogen is NPB een professionele partij die, volgens het overgelegde uittreksel van de Kamer van Koophandel, al jarenlang actief is in de reclamewereld en in dat verband ook veelvuldig overeenkomsten heeft gesloten en sluit. Bovendien volgt uit de omstandigheid dat partijen hebben gesproken over een 60/40-regeling ook niet, anders dan NPB stelt, duidelijk dat partijen een nawerkingsregeling bij beëindiging van de overeen-komst van rechtswege voor ogen hadden. Niet valt in te zien dat een dergelijke regeling ook niet zou kunnen gelden bij een opzegging van een overeenkomst. Daarnaast kan niet uit het oog worden verloren dat partijen nadien nog verder hebben onderhandeld. Daarbij is uiteindelijk niet gekozen voor een 60/40-regeling. Ook de duur van de overeenkomst is nog onderwerp van debat geweest. Uiteindelijk is er - op verzoek van NPB - overeenstemming bereikt over een (veel) langere duur van de overeenkomst, namelijk 10 jaar, zonder de mogelijkheid van verlenging (een mogelijkheid die in de eerdere concepten nog was opgenomen) en is er in de loop van de onderhandelingen gesproken over opzeggings-mogelijkheden. In dat kader acht de voorzieningenrechter van belang dat NPB dit zelf aan de orde heeft gesteld in haar e-mailbericht van 22 april 2015. Dat heeft ertoe geleid dat de gemeente in het daaropvolgende concept van het addendum een opzeggingsbevoegdheid voor beide partijen heeft opgenomen, welke uiteindelijk, nadat NPB daartegen bezwaar had geuit, is beperkt tot een opzeggingsbevoegdheid van NPB (onder bepaalde voorwaarden).
De omstandigheid dat er op eerdere momenten in het onderhandelingstraject door partijen niet (expliciet) is gesproken over (andere) tussentijdse opzegmogelijkheden rechtvaardigt, anders dan NPB meent, naar het oordeel van de voorzieningenrechter in het licht van het voorgaande niet de conclusie dat partijen dus hebben beoogd dat de uitloop-regeling van vijf jaar van toepassing zou zijn bij beëindiging van de overeenkomst van rechtswege. Het verzoek tot een opzeggingsbevoegdheid van NPB sluit in dat kader ook aan bij de tekstvoorstellen die NPB zelf heeft gedaan voor artikel 12 van het addendum. Partijen zijn het er op zichzelf over eens dat het niet logisch is om bij de in (het gehandhaafde) artikel 8 van de overeenkomst vermelde opzeggingsbevoegdheden een uitloopregeling te hanteren, maar dat doet er niet aan af dat uiteindelijk wel een specifieke opzegbevoegdheid voor NPB (en dus op haar eigen verzoek) is opgenomen in artikel 3 van het addendum.
NPB betoogt dat het niet logisch zou zijn om bij een verliesgevende exploitatie gebruik te maken van een uitloopregeling. Wat hier ook van zij, dat doet geen afbreuk aan het op zichzelf niet tussen partijen in geschil zijnde gegeven dat een uitloopregeling verband houdt met de omstandigheid dat een exploitant, zoals NPB, met haar cliënten separate overeenkomsten sluit met diverse looptijden. In dat licht bezien kan niet worden gezegd dat aan een uitloopregeling geen betekenis toekomt bij een opzegging. Daar komt bij dat een opzegbevoegdheid in zekere zin een onzeker element in zich heeft. Het is namelijk niet duidelijk of er gebruik van zal (moeten) worden gemaakt. Dit ligt anders bij een beëindiging van een overeenkomst van rechtswege. Zoals de gemeente ook naar voren heeft gebracht, brengt dat met zich dat de lichtreclames na afloop van de periode verwijderd moeten worden. Dat is op zichzelf duidelijk en NPB kon haar overeenkomsten met cliënten daar ook op afstemmen. De stelling van NPB dat nergens uit de overeenkomst volgt dat het de bedoeling van partijen is dat zij de lichtmastreclames dient te verwijderen na beëindiging van de overeenkomst van rechtswege deelt de voorzieningenrechter dan ook niet. Als partijen zouden hebben beoogd daarop een uitzondering te maken had het, zoals hiervoor ook is overwogen, voor de hand gelegen om dat expliciet in het addendum op te nemen. Dat is niet gebeurd en uit de gewisselde correspondentie tussen partijen in de onderhandelings-fase kan ook niet worden afgeleid dat partijen, ondanks de duidelijke bewoordingen in het addendum, wel bedoeld hebben een dergelijke uitzondering te maken.
NPB heeft ter ondersteuning van haar uitleg van de uitloopregeling gewezen op haar, in het addendum vastgelegde, inspanningsverplichting en stelt dat de visie van de gemeente over de uitloopregeling daarmee niet strookt. In het verlengde daarvan betoogt zij dat een uitloopregeling bij beëindiging van de overeenkomst van rechtswege zich ook in financieel opzicht laat verklaren. De gemeente heeft dit gemotiveerd weersproken en stelt dat deze inspanningsverplichting verband houdt met de door partijen overeengekomen lagere financiële afdracht. Dit is volgens de gemeente heel wat anders dan een afspraak dat de exploitatierechten zouden doorlopen na afloop van de overeenkomst. Een dergelijke afspraak is niet gemaakt, aldus de gemeente. De voorzieningenrechter overweegt dat hetgeen NPB tegenover de gemotiveerde betwisting in dit verband naar voren heeft gebracht onvoldoende is om voorshands tot het oordeel te komen dat de uitloopregeling van toepassing is bij de beëindiging van de overeenkomst van rechtswege.
NPB heeft een ter onderbouwing van haar uitleg ter zake de toepasselijkheid van de uitloopregeling ook nog een beroep gedaan op het e-mailbericht van [naam 1] van 6 mei 2025. Aan NPB kan weliswaar worden toegegeven dat de inhoud van dit e-mailbericht aansluit bij haar uitleg van de uitloopregeling, doch de voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat, in het licht van alle omstandigheden, aan dit e-mailbericht niet de waarde kan worden gehecht die NPB daaraan toekent. Daarbij kan er ook niet aan voorbij worden gegaan dat het e-mailbericht is verstuurd op een moment dat er (ongeveer) tien jaar zijn verstreken nadat de onderhandelingen over de overeenkomst/het addendum hebben plaatsgevonden en dat [naam 1] (kort) daarna, in ieder geval bij haar e-mailbericht van 21 juli 2025, duidelijk kenbaar heeft gemaakt dat de overgangstermijn van 5 jaar alleen geldt bij opzegging en niet in het geval waarin de overeenkomst van rechtswege eindigt (zoals in casu het geval is).
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de door NPB overgelegde overeenkomsten met andere gemeenten, waarin dezelfde bewoordingen zijn gehanteerd ter zake de uitloopregeling NPB niet kan baten. Nog daargelaten dat de gemeente kritische kanttekeningen heeft geplaats bij (een aantal van) deze overeenkomsten zien deze overeenkomsten op andere partijen.
Op basis van wat partijen naar voren hebben gebracht en hebben onderbouwd, komt de voorzieningenrechter dan ook tot het oordeel dat voorshands onvoldoende aannemelijk is dat de primaire vorderingen van NPB in een bodemprocedure worden toegewezen.
Opschorting van de aanbestedingsprocedure
Het subsidiair gevorderde door NPB strekt tot opschorting van de (al lopende) aanbestedingsprocedure in afwachting van een rechterlijk oordeel over de uitloopregeling in een bodemprocedure. De gemeente heeft tegen deze vordering gemotiveerd verweer gevoerd.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat aan de gemeente kan worden toegegeven dat de vordering te ruim is geformuleerd. Dat neemt echter niet weg dat het de voorzieningenrechter vrij staat om - als het mindere van het gevorderde - een minder verstrekkende voorziening te treffen (door bijvoorbeeld een (korte) termijn voor het betekenen van de dagvaarding toe te voegen). De voorzieningenrechter ziet daarvoor echter geen aanleiding. Nu voorshands onvoldoende aannemelijk is dat het beroep van NPB op de uitloopregeling in een bodemprocedure slaagt, valt onder die omstandigheden naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet in te zien waarom de gemeente de aanbestedingsprocedure zou moeten uitstellen..
Belangenafweging
Een belangenafweging in kort geding leidt niet tot een andere uitkomst. De belangen die de gemeente heeft bij voortzetting van de aanbestedingsprocedure wegen voorshands niet minder zwaar dan het belang van NPB om de uitloopregeling op de haar voorgestane manier toe te passen dan wel om de uitkomst van een bodemprocedure over de uitleg van de uitloopregeling af te wachten. Daarbij weegt de voorzieningenrechter ook mee dat, zoals hierna zal blijken bij zijn oordeel in reconventie, de lichtmastreclames nog niet direct hoeven te worden verwijderd.
Gelet op het vorenoverwogene wordt het door NPB gevorderde in conventie afgewezen.
Verwijdering van de lichtmastreclames
De vordering in reconventie van de gemeente strekt tot verwijdering van de lichtreclames. Uit het oordeel van de voorzieningenrechter in conventie vloeit voort dat NPB de lichtreclames moet verwijderen. De gemeente is daarbij uitgegaan van verschillende situaties. NPB heeft daartegen verweer gevoerd in die zin dat volgens haar niet valt in te zien waarom niet in alle gevallen het definitieve gunningsbesluit zou kunnen worden afgewacht nu de gemeente een gebruiksvergoeding ontvangt voor het voortgezette gebruik. De voorzieningenrechter volgt NPB in dit verweer. Juist gelet op de omstandigheid dat NPB een vergoeding betaalt hangende de aanbestedingsprocedure en gezien de brief van (de advocaat van) de gemeente van 11 december 2025, heeft de gemeente onvoldoende onderbouwd waarin haar belang is gelegen om in de situaties zoals omschreven in haar vordering onder sub b tot en met d eerdere verwijdering van de lichtreclames te verlangen. Het spreekt, gelet op de wijze waarop het door de gemeente onder sub a gevorderde is geformuleerd, voor zich en dat is ook niet in geschil dat NPB de lichtreclames niet hoeft te verwijderen als zij de aanbesteding wint (mits deze in overeenstemming zijn met de gestelde eisen in de aanbesteding, doch dat gaat het bestek van deze procedure te buiten).
NPB heeft bezwaar gemaakt tegen de termijn waarbinnen zij de lichtmastreclames moet verwijderen. Alles afwegende is de voorzieningenrechter van oordeel dat een termijn van zes weken passend is. De gevorderde dwangsom zal worden toegewezen met dien verstande dat het maximumbedrag zal worden gematigd tot € 500.000,-.
Slotsom en proceskosten
De slotsom is dat de vorderingen in conventie worden afgewezen en dat het gevorderde in reconventie voor een groot deel wordt toegewezen. Dit betekent dat NPB in conventie en in reconventie (grotendeels) in het ongelijk is gesteld. Zij moet daarom de proceskosten (inclusief de nakosten) betalen.
De proceskosten in conventie van de gemeente worden begroot op:
- griffierecht
€
735,00
- salaris advocaat
€
1.177,00
- nakosten
€
148,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.060,00
De proceskosten in reconventie van de gemeente worden begroot op:
- salaris advocaat
€
588,50
(factor 0,5 × 1.177,00)
- nakosten
€
148,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
736,50
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten in conventie en in reconventie wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
6. De beslissing
De voorzieningenrechter
in conventie
wijst de vorderingen in conventie af,
in reconventie
gebiedt NPB om alle 96 door haar aan de lichtmasten van de gemeente geplaatste, aangebrachte en/of aanwezige lichtreclames (zoals vermeld in het Excel overzicht van 7 januari 2026), te verwijderen en verwijderd te houden, binnen zes weken nadat NPB in het (definitieve) gunningsbesluit van de aanbesteding Lichtmastreclame (kenmerk 556194) van de gemeente niet als winnaar wordt aangewezen,
veroordeelt NPB om aan de gemeente een dwangsom te betalen van € 50,- per dag per geplaatst, aangebrachte en/of aanwezige lichtreclame voor iedere dag of een gedeelte daarvan zij in gebreke blijft aan het onder 6.2. gebod te voldoen, tot een maximum van € 500.000,- is bereikt,
in conventie en in reconventie
veroordeelt NPB in de proceskosten (in conventie en in reconventie) van (in totaal) € 2.796,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend,
veroordeelt NPB tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek (BW) over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 6.2., tot en met 6.5. genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde (in reconventie) af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.E. Zweers en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2026.