RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 08.114641.23 (P)
Datum vonnis: 19 februari 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1991 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres 1] .
1. Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 5 februari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. R. van Veen, advocaat in Utrecht, naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte voertuigonderdelen voorhanden had waarvan hij wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat die goederen van diefstal afkomstig waren.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2021 tot en met 11 mei 2021 te Zwolle, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal een of meerdere voertuigonderdelen, te weten:- een carrosseriedeel van het voertuig met VIN [chassisnummer 1] (dossierp. 476) en/of- een stoel van het voertuig met VIN [chassisnummer 2] (dossierp. 476) en/of- meerdere interieurdelen waaronder stoelen, dashboard, airbags, bekledingspanelen en/of een dakhemel van het voertuig met VIN [chassisnummer 3] (dossierp. 476) en/of- een dakhemel van het voertuig met VIN [chassisnummer 4] (dossierp. 476) en/of- een zitting van een achterbank van het voertuig met VIN [chassisnummer 5] (dossierp. 476) en/of- een goudkleurig portier van het voertuig met VIN [chassisnummer 6] (dossierp. 477),
althans een of meer goederen heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed/deze goederen (telkens) wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.
3. De bewijsmotivering
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht opzetheling wettig en overtuigend bewezen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak van opzet- en schuldheling bepleit.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank leidt uit de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden af.
Op 11 mei 2021 zijn er tijdens een doorzoeking in een garagebox aan de [adres 2] diverse voertuigonderdelen aangetroffen. De forensische opsporing verrichtte nader onderzoek en daaruit volgde dat de voertuigonderdelen te herleiden waren naar verschillende aangiftes van diefstal van personen- en bedrijfsauto’s. De aangevers [aangever 1] , [aangever 2] , [aangever 3] , [aangever 4] , [aangever 5] en [aangever 6] verklaren allen in hun aangifte dat hun voertuig gestolen is.
De in de loods aangetroffen voertuigonderdelen betroffen:
een carrosserie deel van de Volkswagen Polo GTI, chassisnummer [chassisnummer 1] met kenteken [kenteken 1] van aangever [aangever 1] ;
een stoel van de Volkswagen Caddy, chassisnummer [chassisnummer 2] , kenteken [kenteken 2] van aangever [aangever 2] ;
diverse interieurdelen, waaronder stoelen, een dashboard, airbags, bekledingspanelen en een dakhemel van een Audi A8, chassisnummer [chassisnummer 3] , kenteken [kenteken 3] van aangever [aangever 3] ;
een dakhemel van een BMW X5 M, chassisnummer [chassisnummer 4] , kenteken [kenteken 4] van aangever [aangever 4] ;
een zitting van een achterbank van een Mercedes-Benz, [kenteken 5] , chassisnummer [chassisnummer 5] , kenteken [kenteken 7] van aangever [aangever 5] ;
een goudkleurig portier van een Mercedes-Benz Sprinter, kenteken [kenteken 6] van aangever [aangever 6] .
Verdachte was de huurder van de loods. Hij heeft ter zitting verklaard dat hij de voertuigonderdelen als één partij heeft gekocht bij een man in [plaats 1] . Hij heeft geen adres of naam van de verkoper. Hij kende de verkoper niet. De verkoper had aan verdachte verteld dat hij een hobby had en daarmee was gestopt. Hij vertelde niets over de herkomst van de goederen. Verdachte heeft de herkomst van de voertuigonderdelen niet gecontroleerd.
De administratie van verdachte lag bij zijn ouders, maar zij hebben zijn administratie weggegooid.
Bewijsoverwegingen
De rechtbank stelt vast dat de ten laste gelegde onderdelen die in de door verdachte gehuurde loods zijn aangetroffen, afkomstig waren van diefstal en dat verdachte deze goederen verworven en voorhanden had. Dit is ook niet betwist door verdachte. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of verdachte wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het door misdrijf verkregen goederen betroffen.
Verdachte heeft ter zitting toegelicht hoe hij aan de goederen kwam en verklaard dat hij de herkomst van de onderdelen niet heeft gecontroleerd. Verdachte heeft ter zitting een andere verklaring afgelegd dan bij de politie. Daar verklaarde hij dat hij de goederen her en der via Marktplaats had gekocht. De rechtbank gaat uit van de ter zitting afgelegde verklaring.
Verdachte heeft een grote partij auto-onderdelen opgekocht van een voor hem onbekende man. Daarbij heeft hij geen onderzoek verricht of proberen te verrichten naar de herkomst van de goederen. De rechtbank is van oordeel dat verdachte daarmee is tekortgeschoten in zijn onderzoeksplicht en heeft gehandeld in strijd met de geboden voorzichtigheid. Temeer nu de handel in voertuigonderdelen op dat moment zijn beroep was.
Nu verdachte niets bekend was over de verkoper en de herkomst van de goederen, had hij redelijkerwijs moeten vermoeden dat de goederen gestolen of van misdrijf afkomstig waren.
De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het impliciet subsidiair tenlastegelegde feit, schuldheling, heeft begaan.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het impliciet subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:
hij in de periode van 1 januari 2021 tot en met 11 mei 2021 te Zwolle, althans in Nederland, meerdere voertuigonderdelen, te weten:- een carrosseriedeel van het voertuig met VIN [chassisnummer 1] (dossierp. 476) en- een stoel van het voertuig met VIN [chassisnummer 2] (dossierp. 476) en- meerdere interieurdelen waaronder stoelen, dashboard, airbags, bekledingspanelen en een dakhemel van het voertuig met VIN [chassisnummer 3] (dossierp. 476) en- een dakhemel van het voertuig met VIN [chassisnummer 4] (dossierp. 476) en- een zitting van een achterbank van het voertuig met VIN [chassisnummer 5] (dossierp. 476) en- een goudkleurig portier van het voertuig met VIN [chassisnummer 6] (dossierp. 477),
heeft verworven en voorhanden heeft gehad,terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van deze goederen redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het door misdrijf verkregen goederen betroffen.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 417bis van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het impliciet subsidiair bewezenverklaarde levert op:
het misdrijf: schuldheling.
5. De strafbaarheid van verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.
6. De op te leggen straf of maatregel
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat aan verdachte een taakstraf voor de duur van 100 uur opgelegd dient te worden. De officier van justitie heeft bij haar strafeis rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman verzoekt bij het bepalen van de straf rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn en met een eerdere veroordeling overeenkomstig artikel 63 Sr.
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan schuldheling. Hij heeft voertuigonderdelen gekocht en in zijn loods in [plaats 2] opgeslagen die van diefstal afkomstig waren. Heling maakt het plegen van diefstallen en inbraken lucratief en houdt een afzetmarkt voor gestolen goederen in stand. De rechtbank rekent dit verdachte aan. Als handelaar in auto onderdelen had hij beter moeten weten.
De rechtbank heeft het strafblad van verdachte van 11 december 2025 bekeken. Hierop staan geen veroordelingen voor soortgelijke feiten, maar twee veroordelingen voor verkeerszaken. De rechtbank zal zijn strafblad daarom niet als strafverzwarend meewegen. Op grond van artikel 63 Sr houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de laatst opgelegde straf.
De rechtbank stelt vast dat sprake is van een overschrijding van de redelijke vervolgingstermijn. De rechtbank neemt de datum van het verhoor van verdachte, 13 juli 2022, als uitgangspunt voor het tijdstip dat verdachte in redelijkheid de verwachting kon hebben dat tegen hem strafvervolging zou worden ingesteld. Als uitgangspunt geldt dat de behandeling ter terechtzitting binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen afgerond moet zijn met een eindvonnis, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Van bijzondere omstandigheden is de rechtbank niet gebleken. Nu op 19 februari 2026 vonnis wordt gewezen, stelt de rechtbank vast dat de redelijke termijn met een jaar en zeven maanden is overschreden. De overschrijding van de redelijke termijn leidt in dit geval niet tot strafvermindering, omdat de rechtbank aan verdachte een taakstraf zal opleggen die minder is dan 100 uren (Hoge Raad 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578).
De rechtbank zal aan verdachte een taakstraf van 80 uren opleggen.
7. De schade van benadeelden
De vorderingen van de benadeelde partijen
Vordering [aangever 3]
heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om een schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 22.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde materiële schade bedraagt de aankoopprijs van haar gestolen auto.
Ter vergoeding van immateriële schade wordt een bedrag van € 2.500,-- gevorderd in verband met de emotionele gevolgen die de gewapende woningoverval waarbij haar auto is gestolen, op haar hebben gehad.
Vordering [aangever 2] B.V.
[naam] heeft zich namens [aangever 2] B.V. als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 19.078,70, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde materiële schade bedraagt de afboekingswaarde van de gestolen auto op 7 mei 2021.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat er een voldoende nauw verband bestaat tussen de diefstallen van de auto’s en de heling door verdachte. De vordering van [aangever 3] kan gedeeltelijk toegewezen worden met een bedrag van € 3.000,-- voor het materiële deel en de benadeelde dient voor het overige niet-ontvankelijk verklaard te worden. De vordering van [aangever 2] kan gedeeltelijk toegewezen worden met een bedrag van € 500,-- voor het materiële deel en de benadeelde dient voor het overige niet-ontvankelijk verklaard te worden.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman stelt zich op het standpunt dat de benadeelden niet-ontvankelijk verklaard dienen te worden in hun vordering, omdat er geen rechtstreeks verband bestaat tussen de schade die zij hebben geleden door de diefstal en de heling door verdachte.
Het oordeel van de rechtbank
De vorderingen van de benadeelde partijen zien op schades als gevolg van de diefstal van twee auto’s. De verdachte is niet vervolgd voor de diefstallen, maar voor de heling van onderdelen van deze auto’s. Voor benadeelde [aangever 3] gaat het om de heling van autostoelen, dashboard, airbags, bekledingspanelen en een dakhemel van een Audi A8. En voor benadeelde [aangever 2] ziet de heling op een autostoel van een Volkswagen Caddy.
Onder omstandigheden kan sprake zijn van een zodanig verband tussen de diefstal en de heling, dat ook de heler naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade als gevolg van de diefstal. Een zodanig dicht verband ziet de rechtbank echter niet. De auto van de benadeelde [aangever 3] is gestolen 5,5 maand voor het aantreffen van de onderdelen bij verdachte. De auto van [aangever 2] is vier dagen voor het aantreffen van een onderdeel bij verdachte, gestolen. Van deze auto is echter maar één onderdeel bij verdachte aangetroffen. De rechtbank ziet een te ver verwijderd verband tussen de diefstal van de auto’s en de heling van de onderdelen van de auto’s om de volledige aansprakelijkheid bij verdachte te leggen. Dat maakt dat de rechtbank de benadeelden niet-ontvankelijk zal verklaren in hun vordering nu geen sprake is van rechtstreekse schade als gevolg van de bewezenverklaarde heling. De rechtbank zal bepalen dat de benadeelde partijen de vorderingen in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen.
8. De toegepaste wettelijke voorschriften
De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 9, 22c, 22d en 63 Sr.
9. De beslissing
De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart niet bewezen dat verdachte het impliciet primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het impliciet subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het impliciet subsidiair bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
het misdrijf: schuldheling.
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 80 (tachtig) uren;
- beveelt, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 40 (veertig) dagen;
schadevergoeding
- bepaalt dat de benadeelde partij [aangever 3] en de benadeelde partij [aangever 2] B.V. beide in het geheel niet-ontvankelijk zijn in hun vordering, en dat de benadeelde partijen de vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen;
- bepaalt dat de benadeelde partijen en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Dit vonnis is gewezen door R.J. Postma, voorzitter, mr. G.H. Meijer en mr. J. de Ruiter, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Y.W. van den Bosch en mr. E.A.N. Sjerps, griffiers, en is in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2026.
Buiten staat
De griffier Sjerps is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage bewijsmiddelen
Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland met nummer ONRAA21014, onderzoeksnaam Dropshot, ordner 1.1. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
1. Het proces-verbaal onderzoek loods [adres 2] van 12 mei 2021, pagina’s 476-479, voor zover inhoudende:
Op woensdag 12 mei 2021 hebben wij een onderzoek ingesteld in een pand aan de [adres 2] .
Wij troffen onderdelen aan, welke fabrieksmatig te herleiden waren tot de volgende voertuigen:Personenauto, merk Volkswagen, type POLO GTI, voorzien van het V.I.N.
[chassisnummer 1] . Voor dit voertuig was in Nederland het kenteken [kenteken 1]
afgegeven. Dit voertuig stond als gestolen gesignaleerd voor Justitie. De diefstal signalering
was door politie organisatie PL1700 onder vermelding van referentienummer [nummer 1] .
Van dit voertuig troffen wij een carrosserie deel aan.
Bedrijfsauto, merk Volkswagen, type CADDY, voorzien van het V.I.N.
[chassisnummer 2] . Voor dit voertuig was in Nederland het kenteken [kenteken 2]
afgegeven. Dit voertuig stond als gestolen gesignaleerd voor Justitie. De diefstal signalering
was door politie organisatie PL0900 onder vermelding van referentienummer [nummer 2] .
Van dit voertuig troffen wij een stoel aan.
Personenauto, merk Audi, type AUDI A8, voorzien van het V.I.N. [chassisnummer 3] . Voor dit voertuig was in Nederland het kenteken [kenteken 3] afgegeven. Dit voertuig stond als gestolen gesignaleerd voor Justitie. De diefstal signalering was gedaan door politie organisatie PL0600 onder vermelding van referentienummer 2020615831-2. Van dit voertuig troffen wij een diverse interieurdelen aan, waaronder stoelen, dashboard, airbags, bekledingspanelen en een dakhemel.
Personenauto, merk BMW, type X5 M, voorzien van het V.I.N. [chassisnummer 4] . Voor dit voertuig was in Nederland het kenteken [kenteken 4] afgegeven. Dit voertuig stond als
gestolen gesignaleerd voor Justitie. De diefstal signalering was door politie organisatie
PL0600 onder vermelding van referentienummer [nummer 3] . Van dit voertuig troffen wij
een dakhemel aan.
Personenauto, merk Mercedes-Benz, type [kenteken 5] , voorzien van het V.I.N.
[chassisnummer 5] . Voor dit voertuig was in Nederland het kenteken [kenteken 7]
afgegeven. Dit voertuig stond als gestolen gesignaleerd voor Justitie. De diefstal signalering
was door politie organisatie PL1500 onder vermelding van referentienummer [nummer 4] .
Van dit voertuig troffen wij een zitting van een achterbank aan.
Wij troffen een opvallend goudkleurig portier van een Mercedes-Benz sprinter, kenteken [kenteken 6] . Op de buitenzijde van het portier waren plakletters aangebracht geweest, de tekst was nog zichtbaar in de stoflaag op het portier. De tekst verwees naar een bedrijf genaamd `de [bedrijf].nl'. Bij dit bedrijf bleek tevens een Mercedes-Benz Sprinter gestolen te zijn op 19-09-2020. Deze was volgens de informatie op internet voorzien van het kenteken [kenteken 6] en had een soortgelijk achterportier.
2. Het proces-verbaal van aangifte door [aangever 1] van 1 oktober 2019, pagina’s 480, 481, voor zover inhoudende:
Diefstal personenauto tussen dinsdag 1 oktober 2019 om 01:30 uur en dinsdag 1 oktober 2019 om 12:30 uur in Bleiswijk. Een zwarte Volkswagen Polo Gti, kenteken [kenteken 1] , chassisnummer [chassisnummer 1] .
3. Het proces-verbaal van aangifte door [aangever 2] B.V. van 7 mei 2021, pagina’s 484-487, voor zover inhoudende:
Diefstal bestelauto tussen 6 mei 2021 om 17:00 uur en 7 mei 2021 om 06:16 uur in Zeist. Een grijze bedrijfsauto, Volkswagen Caddy. Kenteken [kenteken 2] . Chassisnummer [chassisnummer 7] .
4. Een geschrift, een verzoek tot schadevergoeding van [aangever 3] op 24 juli 2024 ontvangen door het parket Oost-Nederland, voor zover inhoudende:
Op 29 op 30 december 2020 zijn wij door gewapende mannen overvallen in onze woning. Daarbij is de auto gestolen. Audi A8, kenteken [kenteken 3] .
5. Het proces-verbaal van aangifte door [aangever 4] van 14 december 2020, pagina’s 493, 494, voor zover inhoudende:
Diefstal personenauto tussen 3 december 2020 om 18:30 uur en 14 december 2020 om 08:30 uur in Genemuiden. Een donkerbruine BMW X5, kenteken [kenteken 4] , chassisnummer [chassisnummer 4] .
6. Het proces-verbaal van aangifte door [aangever 5] van 1 december 2020, pagina’s 497, 498, voor zover inhoudende:
Diefstal in/uit woning tussen 30 november 2020 om 18:15 uur en 1 december 2020 om 06:45 uur in ’s-Gravenhage. Auto gestolen, een grijze Mercedes E-klasse, kenteken [kenteken 7] , chassisnummer [chassisnummer 5] .
7. Het proces-verbaal van aangifte door [aangever 6] van 19 september 2020, pagina’s 502, 503, voor zover inhoudende:
Diefstal bestelauto tussen 17 september 2020 om 16:00 uur en 19 september 2020 om 09:15 uur in Rotterdam. Auto gestolen, een antraciet kleurige bedrijfsauto van Mercedes-benz, Sprinter, kenteken [kenteken 8], chassisnummer [chassisnummer 6] . Rondom bestickerd met het logo van [bedrijf], achtergrond is zwart, de letters zijn wit, logo zelf is goud en een strook van 1,5 meter in het goud met zwarte letters.
8. De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 5 februari 2026, voor zover inhoudende:
Ik was de huurder van de loods aan de [adres 2] . De voertuigonderdelen die jullie op 11 mei 2021 hebben aangetroffen zijn door mij gekocht bij een man in [plaats 1]. Ik heb geen adres of naam van de verkoper. Ik kocht de spullen kort voor 11 mei 2021. De verkoper had een garagebox waar de onderdelen in lagen. Ik kende hem niet, hij bood de spullen via Marktplaats aan. Hij zei dat hij een hobby had en daarmee gestopt was. Hij vertelde niets over de herkomst van de goederen. Ik kan zelf de herkomst van de losse onderdelen niet herleiden of controleren. Ik weet dat de politie mij staande kan houden en dat ik dan moet aantonen waar ik de spullen vandaan heb. Na de aankoop van de voertuigonderdelen heb ik de goederen in mijn loods gelegd. Mijn administratie lag bij mijn ouders, maar zij hebben mijn administratie weggegooid.