RECHTBANK OVERIJSSEL
Strafrecht
Zittingsplaats Almelo
raadkamernummer : 25-027570
Beschikking van de enkelvoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 552a jo. art. 116 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[klaagster] B.V.
vertegenwoordigd door [naam 1], in deze zaak woonplaats kiezende te [woonplaats], ten kantore van dhr. mr. M.H.J. Booijink,
bijgestaan door mr. M.H.J. Booijink, te Amsterdam,
hierna te noemen: de klaagster,
1. Het verloop van de procedure
Het klaagschrift, gedateerd 28 oktober 2025 is op 30 oktober 2025 op de griffie van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, ontvangen. Het klaagschrift is namens klaagster ingediend door mr. M.H.J. Booijink. Het klaagschrift betreft een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag op een Volkswagen, model Tiguan, met het kenteken [kenteken], (hierna: de auto). Er wordt geklaagd over het uitblijven van een last tot teruggave van de auto aan klaagster als rechthebbende.
De zaak is eerder in het openbaar behandeld door de raadkamer op 10 december 2025. De zaak is toen op voorhand aangehouden omdat het dossier incompleet was. Daarbij is opdracht gegeven aan het Openbaar Ministerie om het dossier aan te vullen met de aangifte van [naam 2] (hierna: [naam 2]) in Frankrijk, de mededeling ex art. 116 lid 3 Sv van 22 oktober 2025 van de officier van justitie aan [klaagster] B.V. en de (adres)gegevens van belanghebbende Volkswagen Bank/ Finance (hierna: Volkswagen) die ook zelf een klaagschrift kan indienen en daarop gewezen moet worden. De behandeling van het klaagschrift is op 11 februari 2026 in openbare raadkamer hervat. Bij die behandeling zijn de officier van justitie mr. K.J.L. de Valk, de raadsman en de vertegenwoordiger van [klaagster] B.V., dhr. [naam 1] gehoord. De belanghebbende Volkswagen is kennis gegeven van de behandeling van het klaagschrift, maar is niet verschenen en heeft ook geen klaagschrift ingediend. Bij de hervatting van de behandeling op 11 februari 2026 is gebleken dat de mededeling ex. art. 116 lid 3 Sv van 22 oktober 2025, waar de raadsman in zijn klaagschrift naar verwijst nog niet aan het dossier is toegevoegd, ondanks het verzoek daartoe van de voorzitter. De raadsman antwoordt daarnaar gevraagd door de voorzitter dat de mededeling ex artikel 116 lid Sv per e-mail door het Openbaar Ministerie aan klager is verzonden op 22 oktober 2025. Die mededeling waas reden voor [bedrijf 2] B.V. en haar raadsman om op 28 oktober 2025 een klaagschrift in te dienen tegen het voornemen van de officier van justitie om de auto af te geven aan de redelijkerwijs rechthebbende, niet zijnde klager/beslagene [bedrijf 2].
De raadkamer heeft kennisgenomen van het door de officier van justitie overgelegde dossier van de strafzaak naar aanleiding waarvan de inbeslagneming heeft plaatsgevonden. De raadkamer heeft daarnaast kennisgenomen van de door de officier van justitie overgelegde conclusie met betrekking tot de omstandigheden waaronder het beslag heeft plaatsgevonden en het standpunt van het Openbaar Ministerie met betrekking tot het al dan niet handhaven van het beslag.
2. De standpunten van klaagster, de raadsman en de officier van justitie
Het standpunt van klaagster en de raadsman
Namens klaagster heeft de raadsman bezwaar gemaakt tegen de inbeslagneming en het uitblijven van een last tot teruggave van de auto aan klaagster. In zijn klaagschrift heeft de raadsman aangevoerd dat de heer [naam 3] (hierna [naam 3]) de auto op 3 september 2024 heeft gekocht in Parijs van de heer [naam 4] (hierna [naam 4]) voor een bedrag van € 34.750,=. [naam 3] heeft met klaagster een koopovereenkomst gesloten en heeft de auto op 24 maart 2025 aan klaagster verkocht voor een bedrag van € 37.500,=. Dit is een gangbare prijs voor dit type voertuig met een kilometerstand van 2075 kilometer. Op 25 maart 2025 heeft klaagster een bedrag aanbetaald van € 500,=. Op 27 maart 2025 heeft klaagster een bedrag van € 27.500 voldaan en het restantbedrag van € 10.000 is cash voldaan bij aflevering van de auto. Op de bankafschriften staat de naam [bedrijf 1] vermeld. Dit is het autocentrum van [naam 3]. De auto is geleverd aan klaagster en zij kreeg per 27 maart 2025 de beschikking over de auto. [naam 3] was eigenaar van het voertuig en dus beschikkingsbevoegd. Het dossier biedt in ieder geval geen enkele aanleiding om aan te nemen dat [naam 3] in het verleden geen rechtmatig eigenaar is geworden en dus niet beschikkingsbevoegd was. Klaagster wist niet en kon ook niet weten dat het voertuig van diefstal afkomstig was. Daarvoor is van belang dat klaagster de auto bij [bedrijf 1] heeft gekocht. Dit is een professionele partij en het verhandelen van voertuigen is wat zij dagelijks doet. Zij heeft bij de verkoop van het voertuig aan klaagster ook gehandeld in de normale uitoefening van hun bedrijf. Klaagster heeft het voertuig gekocht en opgehaald bij [bedrijf 1] en daar stonden vele auto’s op een terrein achter een gesloten hek. Het was duidelijk dat het ging om het bedrijf waar vele auto’s stonden om te worden verhandeld. Gelet op het voorgaande geldt de mogelijkheid van revindicatie niet voor de oorspronkelijk eigenaar. Daar komt bij dat niet is gebleken dat de oorspronkelijk eigenaar (of eigenaresse) het voertuig opeist. Laat staan dat gebleken is dat hij (of zij) hierop een beroep deed binnen de daarvoor gestelde termijn van drie (3) jaar. Klaagster wordt bescherming geboden en zij is derhalve aan te merken als rechtmatig eigenaresse. De raadsman stelt zich op het standpunt dat het klaagschrift gegrond moet worden verklaard nu klaagster te goeder trouw was bij de aankoop van de auto en verzocht wordt om te gelasten dat de inbeslaggenomen auto per heden wordt teruggegeven aan klaagster.
In aanvulling op het klaagschrift heeft de raadsman, zakelijk weergegeven, het volgende naar voren gebracht. Het Openbaar Ministerie stelt in het standpunt van 8 december 2025 dat het een feit van algemene bekendheid is dat er in Duitsland enige jaren geleden een grote hoeveelheid blanco kentekenbewijzen zijn gestolen van de overheid. Voor klaagster was dit echter volstrekt onbekend, maar daarnaast heeft klaagster de kentekenbewijzen gecontroleerd op echtheid en daaruit ontstond geen enkele aanleiding tot wantrouwen. Ook is niet gebleken dat één van die gestolen kentekenbewijzen zou zijn gebruikt voor deze auto. Voorts merkt de raadsman op dat ook het feit dat het onderhoudsboekje in de Franse taal is geschreven, geen aanleiding geeft om extra onderzoek te doen. In de autobranche is het gebruikelijk dat als een auto in Duitsland wordt opgehaald, er soms ook nog andere autopapieren in de auto zitten. Dat zijn geen bewijsstukken. Ten slotte is van belang dat er twee originele autosleutels bij de auto zijn afgegeven.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich - anders dan in de schriftelijke conclusie van het Openbaar Ministerie- op het standpunt dat het beslag wegens het ontbreken van strafvorderlijk belang dient te worden opgeheven, dat het klaagschrift van klaagster gegrond moet worden verklaard en dat het voertuig teruggegeven dient te worden aan klaagster. De auto is gekocht door klaagster waarbij klaagster te goeder trouw heeft gehandeld. Klaagster heeft de papieren en de tenaamstelling gecontroleerd en had geen enkele reden om te twijfelen aan de beschikkingsbevoegdheid van de verkoper. Volkswagen kan zich niet beroepen op artikel 3:86 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek omdat er geen sprake is van diefstal, maar van verduistering.
3. De bevoegdheid van de rechtbank
De rechtbank Overijssel is bevoegd van het klaagschrift kennis te nemen.
4. De ontvankelijkheid
Het klaagschrift is ontvankelijk.
5. De beoordeling
Op grond van de stukken en de behandeling op de zitting stelt de raadkamer het volgende vast.
Maatstaf
Het beklag richt zich tegen een beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv. De raadkamer dient daarom a) te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen, b) de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp aan de beslagene te gelasten, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van die voorwerpen dient te worden beschouwd. In dat laatste geval moet het beklag ongegrond worden verklaard.
Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave, indien het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen. Voorts verzet het door artikel 94 Sv beschermde belang van strafvordering zich tegen teruggave, indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen. De raadkamer stelt hierbij voorop dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Niet gevergd kan worden dat ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak wordt getreden.
Feiten en omstandigheden
Op 11 april 2025 is op grond van artikel 94 Sv beslag gelegd op de hiervoor genoemde auto. Uit de stukken blijkt dat [bedrijf 1] de auto heeft gekocht van [naam 4]. Op 4 november 2024 heeft [naam 2], namens Volkswagen aangifte gedaan van oplichting. [naam 4] had een huurovereenkomst gesloten voor drie jaren voor een auto, de Tiguan [kenteken]. Daarbij heeft hij diverse documenten afgegeven en is hem op 23 augustus 2024 de auto overhandigd. [naam 4] heeft daarna een nieuwe aanvraag ingediend voor een ander voertuig en uit grondig onderzoek bleek dat het identiteitsbewijs vals was. De auto bleek uiteindelijk te zijn verduisterd. Klaagster heeft naar aanleiding van een advertentie op de Duitse website www.mobile.de voor een klant de auto op 24 maart 2025 voor een bedrag van € 37.500,= gekocht van [bedrijf 1] in Duitsland. Klaagster heeft het chassisnummer nagetrokken en dit leek in orde, want het voertuig stond niet als gestolen gesignaleerd en er zaten originele papieren van het voertuig bij. Op 25 maart 2025 heeft klaagster een aanbetaling gedaan van € 500,00,=. Hiervoor heeft klaagster contact gehad met een medewerker van [bedrijf 1]. De heer [naam 5] (hierna [naam 5]), werkzaam als chauffeur van klaagster heeft de auto op 27 maart 2025 voor [klaagster] B.V. opgehaald bij het bedrijfspand van [bedrijf 1] in [plaats] (Duitsland). [naam 5] heeft bij de politie verklaard dat hij is geholpen door twee mannen waarvan hij de identiteit niet heeft gecontroleerd. De auto zou volgens de mannen in Duitsland door hen verkocht moeten worden op verzoek van een klant (vrouw) omdat zij en haar man gingen scheiden. [naam 5] heeft de auto ter plaatse gecontroleerd en geen bijzonderheden geconstateerd. De autopapieren, inhoudende een Duitse brief met alle gegevens, inclusief het chassisnummer heeft hij ook gecontroleerd. Klaagster heeft die dag per bankoverschrijving een bedrag van € 27.000,= voldaan en [naam 5] heeft ter plaatse € 10.000,= contant voldaan. Bij aanmelding van de auto bij het RDW door klaagster bleek dat de auto door oplichting is vervreemd.
De officier van justitie heeft te kennen gegeven dat er geen strafvorderlijk belang meer is om het beslag te handhaven nu er geen sprake is van verdenking van een strafbaar feit door klaagster. In dat geval wordt het beslag volgens de hoofdregel van artikel 116 Sv teruggegeven aan beslagene, in dit geval [bedrijf 2] B.V. tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende moet worden aangemerkt. Volgens de officier van justitie is geen sprake van enig strafbaar feit door klaagster en moet klaagster bovendien als te goeder trouw worden aangemerkt bij de verkrijging van de auto. Het beslag op de auto dient daarom te worden opgeheven nu er geen strafvorderlijk belang meer is en de auto dient teruggegeven te worden aan klaagster.
Beoordeling
Voor beoordeling van de onderhavige zaak is artikel 3:86 BW van belang. Ondanks onbevoegdheid van de ontvreemder is een overdracht overeenkomstig artikel 90, 91, of 93 van een roerende zaak, niet registergoed, of een recht aan toonder of order geldig, indien de overdracht anders dan om niet geschiedt en de verkrijger te goeder trouw is. Niettemin kan de eigenaar van een roerende zaak, die het bezit daarvan door diefstal heeft verloren, deze gedurende drie jaren te rekenen vanaf de dag van de diefstal, als zijn eigendom opeisen, tenzij de verkrijger als natuurlijke persoon niet handelend in de uitoefening van een beroep of bedrijf de zaak heeft gekocht van een persoon die van het verhandelen aan het publiek van soortgelijke zaken, anders dan als veilinghouder, zijn bedrijf maakt in een daartoe bestemde bedrijfsruimte.
De raadkamer heeft onweersproken vastgesteld dat klaagster de auto op 24 maart 2025 van [bedrijf 1] heeft gekocht. De auto is vervolgens aan hem (via zijn chauffeur [naam 5]) geleverd op 27 maart 2025. Er is een koopovereenkomst opgesteld in de Duitse taal. Bij de levering is de identiteit van de verkoper niet gecontroleerd. Het chassisnummer is door klaagster en zijn chauffeur gecontroleerd en leek in orde te zijn.
Klaagster is een onderneming genaamd ‘[klaagster] B.V.’. De onderneming richt zich op de verkoop van o.a. tweedehands auto’s aan particulieren, onderhoud en verkoop van onderdelen. Vast staat dat klaagster door de levering op 27 maart 2025 bezitter is geworden van een auto die blijkens de stukken op zijn minst genomen is verduisterd van Volkswagen. Op basis van de beschikbare stukken en de toelichting daarop is de raadkamer van oordeel dat klaagster niet als derde verkrijger te goeder trouw kan worden aangemerkt nu klaagster meer onderzoek had moeten doen naar de herkomst van de auto en de beschikkingsbevoegdheid van de rechtsvoorgangers. De raadkamer overweegt daartoe dat klaagster de auto heeft gekocht naar aanleiding van een advertentie op de Duitse website www.mobile.de. Het is een feit van algemene bekendheid dat er op dit soort websites regelmatig gestolen en verduisterde auto’s worden aangeboden. Vaak worden auto’s verhuurd en vervolgens verduisterd. Binnen de autobranche is bekend, dat voertuigen die worden verduisterd snel op een ander kenteken kunnen worden gezet, omdat er dan vaak nog geen besef is bij een verhuurbedrijf/ leasemaatschappij, dat een voertuig is verduisterd en er dus ook meldingen ontbreken in allerlei signaleringssystemen, zoals die van Sirene en de RDW. Gezien deze omstandigheden had van klaagster als professioneel autohandelaar meer onderzoek verwacht mogen worden bij de aankoop van de auto op 25 maart 2025. Door klaagster en zijn chauffeur is de identiteit van de verkoper niet gecontroleerd en ook is niet gebleken op welke wijze het chassisnummer en de kentekenbewijzen zijn gecontroleerd. Ten slotte had het feit dat de verkopers van [bedrijf 1] bij de levering van de auto op 27 maart 2025 aan [naam 5] vertelden dat zij de auto verkochten voor een vrouw die in scheiding lag, terwijl de auto al in september 2024 in Parijs door een zekere [naam 4] aan [naam 3] verkocht was, aanleiding kunnen en moeten geven tot het doen van meer onderzoek aan de zijde van klaagster naar de gang van zaken rond de aankoop van de auto door [naam 3] namens [bedrijf 1] in [plaats]. Gelet op de overweging van de advocaat-generaal in zijn conclusie (ECLI:NL:HR:2020:1782 RvdW 2020/1201, punt 2.25) had klaagster meer onderzoek moeten doen en door dat na te laten heeft klaagster niet voldaan aan zijn onderzoeksplicht, nota bene als professioneel handelaar in auto’s, te meer nu er op basis van de beschreven gang van zaken alle aanleiding had moeten zijn voor klaagster om nader onderzoek te verrichten. Door zonder verder onderzoek over te gaan tot aankoop van de auto van [bedrijf 1] kan niet gezegd worden dat klaagster als een derde verkrijger te goeder trouw kan worden aangemerkt.
Ook indien zou worden aangenomen dat klaagster als te goeder trouw zou kunnen worden aangemerkt, kan niet gezegd worden dat zij als de rechtmatige eigenaar van de auto kan gelden. Uit de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat het in art. 3:86 lid 3 BW gehanteerde begrip "diefstal" ruim geïnterpreteerd dient te worden, in die zin dat hiertoe alle vormen van bezitsverlies ten gevolge van een strafbaar feit gerekend dienen te worden, derhalve ook verduistering, waarvan in het onderhavige geval klaarblijkelijk sprake is. (ECLI:NL:GHLEE:2005:AU0823 en ECLI:NL:HR:2005:AU2555).
Hieruit volgt dat ook al zou worden aangenomen dat klaagster te goeder trouw is (quod non), zij toch geen eigenaar van de auto is geworden omdat ingevolge art. 3:86 lid 3 BW de eigenaar van een roerende zaak, die het bezit daarvan door onvrijwillig bezitsverlies - i.c. verduistering - heeft verloren, deze gedurende drie jaren te rekenen vanaf de dag van dat onvrijwillige bezitsverlies als zijn eigendom kan opeisen.
Gelet hierop is de raadkamer van oordeel dat Volkswagen als redelijkerwijs rechthebbende van de auto kan worden aangemerkt, zodat de raadkamer het klaagschrift van klaagster ongegrond zal verklaren.
Conclusie
De raadkamer is op grond van het voorgaande van oordeel dat het klaagschrift ongegrond moet worden verklaard.
6. De beslissing
De raadkamer verklaart het klaagschrift ongegrond.
Deze beschikking is gegeven door mr. B.W.M. Hendriks, rechter, in tegenwoordigheid van I.T.H. Praster, griffier, ondertekend door de rechter en de griffier en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2026.