RECHTBANK Overijssel
Civiel recht
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: C/08/335234 / HA ZA 25-209
Vonnis van 18 februari 2026
in de zaak van
[partij A] ,
te [woonplaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [partij A] ,
advocaat: mr. J.E. de Groot en mr. S.F.J. Wammes,
tegen
1. [partij B 1] ,
te [woonplaats 2] ,2. [partij B 2],
te [woonplaats 3] ,
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [partij B] ,
advocaat: mr. G. Bosma en mr. T.I. van Stelten.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 t/m 10,- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie met producties 1 t/m 13,- het e-mailbericht van de rechtbank van 20 augustus 2025, waarin is meegedeeld dat een descente en mondelinge behandeling is bepaald,
- de conclusie van antwoord in reconventie tevens houdende wijziging van eis in conventie met productie 11,
- de akte overlegging aanvullende producties van [partij B] , met producties 14 t/m 19,- de bezichtiging ter plaatse (descente)van de betreffende strook grond op 3 december 2025, waarvan door de griffier een proces-verbaal is opgemaakt,
- de mondelinge behandeling op de rechtbank op 3 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- de wijziging van eis in reconventie, schriftelijk overgelegd op de mondelinge behandeling,
- akte uitlating na wijziging van eis in reconventie.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. Waar de zaak over gaat
Het geschil heeft betrekking op een strook grond die in eigendom is van de gemeente Kampen. De betreffende strook grond ligt ten noordoosten van een gedeelte van de kadastrale grens tussen het perceel dat [partij A] (eiser in conventie, verweerder in reconventie) als pachter in gebruik heeft van de gemeente en het perceel dat [partij B] (gedaagden in conventie, eisers in reconventie) als eigenaren van een opstalrecht in gebruik hebben. [partij A] , wil dat [partij B] niet langer gebruik mogen maken van de strook en dat zij de beplanting daarvan zullen verwijderen, op straffe van een dwangsom. [partij B] stellen daarentegen dat zij de strook rechtmatig gebruiken omdat er door verjaring een opstalrecht op de strook is ontstaan. De rechtbank komt tot het oordeel dat er geen grond bestaat voor het gebruik van de strook op basis van een opstalrecht. Dat oordeel wordt in dit vonnis toegelicht.
3. De feiten
De Gemeente Kampen is eigenaar van de percelen gelegen in de gemeente Kampen, [locatie 2] . De percelen bevinden zich in het gebied van het Kamper eiland.
In het verleden waren achtereenvolgens eerst de vader en daarna de moeder van [partij A] pachters van de Gemeente Kampen. [partij A] heeft de pacht vanaf 22 februari 2002 voortgezet. Hij pacht sindsdien van de Gemeente Kampen het [locatie 1] dat ook wordt aangeduid als [adres 1] . De afspraken tussen de Gemeente Kampen en [partij A] zijn vastgelegd in de pachtwijzigingsovereenkomst uit 2007. De algemene voorwaarden genaamd “De algemene pachtvoorwaarden voor stadserven der gemeente Kampen 1976, gewijzigd bij raadsbesluit d.d. 30 oktober 1986”, zijn op de pachtovereenkomst van toepassing.
[partij B 1] en [partij B 2] zijn echtgenoten, gehuwd in algehele gemeenschap van goederen. Op 29 december 2006 hebben [partij B] na aankoop geleverd gekregen
“het recht van opstal van een aan de gemeente Kampen in bloot eigendom toebehorend perceel grond, gelegen aan de [adres 2] , kadastraal bekend gemeente Kampen [locatie 3] (groot 31 are en tachtig centiare), met de eigendom van de zich daarop bevindende woonboerderij, garage, erf en tuin.”
De percelen [locatie 1] en [locatie 3] grenzen aan elkaar. Op 11 april 2023 heeft het kadaster op verzoek van [partij A] een grensreconstructie uitgevoerd. Dat leidt tot het volgende kaartje:
Tussen partijen bestaat discussie over het gebruik van een strook grond langs de noordoost grens van perceel [locatie 3], ten oosten van de ingetekende schuine lijn tussen de piketpaaltjes ‘(5)’ en ‘(7)’ en met de blauwe aanduiding ‘VW16’. Dit stuk grond wordt hierna aangeduid als ‘de strook’.
Op de strook staat sinds 2010 een rij fruitbomen. De bomen zijn destijds geleverd door de Gemeente Kampen.
4. Het geschil
in conventie
[partij A] vordert, na wijziging van eis, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaren vonnis:
I) Voor recht te verklaren dat op of ten behoeve van het perceel kadastraal bekend als Gemeente Kampen, [locatie 1] , geen recht van opstal is ontstaan op grond waarvan [partij B] gerechtigd zijn om dit perceel, meer in het bijzonder de strook, te beplanten en/of anderszins te gebruiken;
II) [partij B] te veroordelen om binnen 21 kalenderdagen (i) na het te wijzen vonnis en (ii) nadat de eigenaar van de strook toestemming heeft verleend tot verwijdering van de beplantingen, alle door of namens hem op of aan de strook aangebrachte beplantingen volledig te verwijderen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per kalenderdag dat hij hiermee in gebreke blijft met een maximum van € 15.000,00;
III) [partij B] te verbieden om op enigerlei wijze gebruik te maken van de strook, behalve ter uitvoering van het gebod onder vordering II, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,00 per overtreding met een maximum van € 50.000,00;
IV) [partij B] te veroordelen tot betaling van € 460,00 aan [partij A] binnen 14 kalenderdagen na het te wijzen vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien niet tijdig betaald wordt;
V) [partij B] te veroordelen in de buitengerechtelijke kosten en de kosten van dit geding, waaronder de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten vanaf 14 dagen na het te wijzen vonnis tot aan de dag van volledige betaling.
[partij B] voeren verweer. [partij B] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [partij A] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [partij A] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [partij A] in de kosten van deze procedure. Hun verweer mondt uit in een vordering in reconventie (dat wil zeggen een tegenvordering)
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
[partij B] vorderen na wijziging van eis
A) primair voor recht te verklaren dat [partij B] rechtmatig gebruik maken van de strook grond zoals thans tussen partijen in geschil, zoals feitelijk in gebruik en begrensd door (thans) de fruitbomen, op grond van verkrijgende dan wel – subsidiair – bevrijdende verjaring van een opstalrecht;
B) [partij A] te veroordelen zo nodig mee te werken aan wat nodig is voor [partij B] om het door hen hiervoor onder (A) bedoelde gebruiksrecht en/of verkregen opstalrecht te formaliseren althans deugdelijk vast te leggen;
C) [partij A] te veroordelen in de kosten van de procedure, waaronder begrepen de proceskosten, het griffierecht en de nakosten, te voldoen binnen 7 dagen na dagtekening van het vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente over de kosten te rekenen vanaf de 8e dag na dagtekening van het vonnis.
[partij A] voert verweer. [partij A] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [partij B] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [partij B] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [partij B] in de kosten van deze procedure.
Op de stellingen van partijen - in conventie en in reconventie - wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5. De beoordeling
in conventie en in reconventie
Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zullen deze vorderingen gezamenlijk worden behandeld.
Uitgangspunten
De rechtbank stelt voorop dat beide partijen het erover eens zijn dat zij niet de eigenaar zijn van de strook grond waarover zij een geschil hebben.
[partij B] hebben in 2006 van de rechtsvoorganger van de gemeente (de Stadswerven) een opstalrecht gekocht en geleverd gekregen. In de wet is in artikel 5:101 BW omschreven wat een opstalrecht inhoudt, namelijk: Het recht van opstal is een zakelijk recht om in, op of boven een onroerende zaak van een ander gebouwen, werken of beplantingen in eigendom te hebben of te verkrijgen. [partij B] zijn dus eigenaar van de opstallen zoals genoemd in de akte van levering van het opstalrecht. Dat zijn de woonboerderij, garage, erf en tuin. Partijen zijn het erover eens dat zij geen eigenaar zijn van de onderliggende grond. Het perceel grond waarop de opstallen van [partij B] zijn gelegen wordt kadastraal aangeduid als perceel [locatie 3]. [partij A] heeft het daarnaast gelegen aangrenzende perceel grasland, aangeduid als [locatie 1] , in gebruik en beheer als pachter van de gemeente. Partijen zijn het erover eens dat ook hij geen eigenaar is van die grond. Ten aanzien van beide percelen geldt dat de gemeente daarvan de eigenaar is.
Het kadaster heeft in 2023 op verzoek van [partij A] de erfgrens tussen de beide percelen gereconstrueerd. Tussen partijen staat vast dat uit de grensreconstructie volgt dat de strook waarop dit geschil betrekking heeft, is gelegen op [locatie 1] . Dat is dus op het perceel dat in pacht is uitgegeven aan [partij A] . Toch stellen [partij B] dat zij rechtmatig gebruik maken van de strook op basis van een opstalrecht dat zij hebben verkregen op basis van verkrijgende dan wel bevrijdende verjaring. Als gevolg daarvan strekt het opstalrecht zich volgens [partij B] uit tot en met de strook, die volgens [partij B] wordt begrensd door de rij fruitbomen die in het veld aanwezig zijn. [partij B] hebben in reconventie een verklaring voor recht gevorderd, waarbij zij van deze stelling uitgaan. Volgens [partij A] maken [partij B] aldus inbreuk op (de uitoefening van) zijn pachtrecht en handelen zij aldus onrechtmatig.
Bezit en verjaring
Voor een geslaagd beroep op verjaring is inbezitneming vereist. De verjaringstermijn in geval van verkrijgende verjaring door een bezitter te goeder trouw bedraagt 10 jaren (artikel 3:99 BW). De rechtbank is van oordeel dat bezit te goeder trouw met betrekking tot een opstalrecht op de strook aan de zijde van [partij B] niet kan worden aangenomen. De strook is immers eigendom van de gemeente en er is in de openbare registers niets vastgelegd waaruit zou blijken dat al eerder op de strook, als onderdeel van [locatie 1] , een opstalrecht is gevestigd. Er bestond dus wat dat betreft geen aanleiding voor [partij B] om er te goeder trouw vanuit te mogen gaan dat zij rechthebbenden waren van een dergelijk opstalrecht op de strook, zodat zij het in bezit mochten nemen.
Ook voor bevrijdende verjaring is inbezitneming vereist. De termijn om een goed, en dus in dit geval een opstalrecht, via verjaring in eigendom te krijgen bedraagt voor bevrijdende verjaring 20 jaren (artikel 3:306 BW). De rechtbank is van oordeel dat [partij B] ten aanzien van de strook geen opstalrecht hebben verkregen door bevrijdende verjaring. Dat wordt hierna nader toegelicht.
Geen inbezitneming van een opstalrecht op de strook
De rechtbank stelt voorop dat het in dit geval niet gaat om de verkrijging van het eigendomsrecht op een stuk grond maar om de verkrijging van een beperkt zakelijk recht, namelijk een opstalrecht. Omdat voor verkrijging daarvan langs de weg van bevrijdende verjaring inbezitneming van dat beperkte recht vereist is, moet de partij die zich daarop beroept feiten stellen waaruit die inbezitneming van dat beperkte recht blijkt. Het moet daarbij gaan om ondubbelzinnige bezitsdaden die voor buitenstaanders kenbaar zijn. In het geval van [partij B] levert dat de moeilijkheid op dat niet gemakkelijk van buitenaf kan worden waargenomen of [partij B] dan wel hun rechtsvoorganger de strook hebben gebruikt uit hoofde van een (beperkt) recht of op grond van iets anders, zoals een contractuele afspraak, een persoonlijk gebruiksrecht, een pretentie eigenaar te zijn of een simpelweg gedogen (van de grondeigenaar of van de pachter). De rechtbank is van oordeel dat [partij B] geen feiten hebben gesteld waaruit ondubbelzinnig de inbezitneming van een opstalrecht op de strook kan worden afgeleid. De rechtbank zal dat nader toelichten.
Volgens [partij B] werd de strook in het verleden afgescheiden van de rest van [locatie 1] door een draadafrastering. Dat zou al zijn gebeurd in 1972 door de heer [naam 1], een rechtsvoorganger van [partij A] . Die draadafrastering heeft volgens [partij B] gestaan op de lijn waarop in 2010 fruitbomen zijn geplaatst. [partij A] betwist dat. [partij A] heeft bij de bezichtiging aangegeven dat de draadafrastering ook een periode bovenop het talud heeft gestaan en dat die afrastering later naar de onderkant van het talud is verplaatst. Verder heeft de heer [naam 2]. – die voorafgaand aan de pacht van [partij A] dit perceel pachtte – tijdens de bezichtiging als informant verklaard dat hij niet met zekerheid in het veld kan aanwijzen waar destijds de draadafrastering heeft gestaan omdat de situatie in de loop van de tijd compleet is veranderd. De rechtbank overweegt daarom dat - zelfs als de door [partij B] bedoelde voormalige draadafrastering beschouwd zou kunnen worden als een daad van inbezitneming -, niet vast is komen te staan op welke plek de afrastering heeft gestaan. Daarbij komt dat [partij B] niet hebben gesteld dat zij of hun rechtsvoorgangers de draadafrastering hebben aangebracht. Het ligt voor de hand te veronderstellen dat dat juist de rechtsvoorgangers van [partij A] zijn, nu het ging om een afrastering ten behoeve van het [locatie 1] . Als de rechtsvoorgangers van [partij A] de draadafrastering hebben aangebracht, kan dat niet gelden als een inbezitneming (van wat dan ook) door (rechtsvoorgangers van) [partij B] . De rechtbank kan uit hetgeen [partij B] over de draadafrastering naar voren hebben gebracht dus niet afleiden dat [partij B] op enigerlei wijze door een vorm van inbezitneming een opstalrecht op de nu bedoelde strook hebben verkregen.
Tussen partijen staat wel vast dat er in de periode dat zij de percelen in gebruik hadden een draadafrastering heeft gestaan in het weiland van [locatie 1] . Over hetgeen partijen daarover in 2010 met elkaar hebben besproken, verschillen partijen van mening. Het staat echter wel vast dat naar aanleiding daarvan in 2010 de draadafrastering is verwijderd en dat er fruitbomen zijn geplant. Volgens [partij B] zijn die fruitbomen geplant op de lijn van de eerdere draadafrastering, maar [partij A] betwist dat. Volgens [partij A] is de bomenrij juist meer het land in geplaatst. Wat hiervan ook zij, de rechtbank kan aan de hand van de rij met fruitbomen uit 2010 niet vaststellen dat dit te maken had met de inbezitneming van een opstalrecht door [partij B] . Tussen partijen staat immers vast dat de fruitbomen zijn geleverd door (de rechtsvoorganger van) de gemeente. De fruitbomen zijn dus geen eigendom van [partij B] , zodat daaruit ook geen opstalrecht van [partij B] kan worden afgeleid.
[partij B] hebben verder tijdens de bezichtiging gewezen op de aanwezigheid van een gierputaansluiting die uitkomt op de strook, op een veertig jaar oude perenboom waarvan zij altijd het fruit hebben geplukt, en op het feit dat zij altijd het gras van de strook hebben gemaaid. Over het gebruik van gierput is echter verder niets gesteld, zodat de rechtbank daar geen verdere conclusies aan kan verbinden. De gierputaansluiting betreft overigens maar een zeer klein gedeelte van de strook, zodat daaruit hoe dan ook niet een inbezitneming van andere delen van de strook dan die waar de aansluiting zelf is gelegen, zou kunnen worden afgeleid. Ten aanzien van de oude fruitboom en de maai-activiteiten, kan naar het oordeel van de rechtbank slechts worden geconcludeerd dat er sprake is (geweest) van gebruik. Wat de grondslag is geweest van dat gebruik, zoals bijvoorbeeld een persoonlijk gebruiksrecht of een opstalrecht, valt uit de gestelde feiten en omstandigheden niet af te leiden. Een voor derden kenbare pretentie van het bezit van een recht van opstal kan daar niet uit worden afgeleid.
Al met al komt de rechtbank tot de conclusie dat [partij B] onvoldoende feiten en omstandigheden hebben gesteld om te kunnen vaststellen dat er sprake is van inbezitneming van een opstalrecht. [partij B] hebben weliswaar gesteld dat de strook al decennialang exclusief is gebruikt door hen en hun rechtsvoorgangers, maar dat de grondslag van dat gebruik het inbezitnemen van een opstalrecht betrof – en dat dit voor derden kenbaar was – is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken. De rechtbank is daarom van oordeel dat er ten aanzien van de strook geen opstalrecht bestaat ten behoeve van [partij B] .
De vordering in conventie van [partij A]
Het voorgaande leidt ertoe dat de vorderingen van [partij A] toewijsbaar zijn. Op [locatie 1] rust geen opstalrecht ten behoeve van [partij B] , zodat zij niet gerechtigd zijn om de strook op dit perceel te beplanten of anderszins te gebruiken. Door dat wel te doen maken zij inbreuk op het pachtrecht van [partij A] en handelen zij dus jegens hem onrechtmatig. De vaststelling brengt mee dat [partij B] hun beplantingen van de strook moeten verwijderen, onder de voorwaarden zoals in de vordering van [partij A] genoemd. [partij A] heeft gevorderd dat aan de veroordelingen een dwangsom wordt verbonden. De rechtbank zal de dwangsommen toewijzen zoals hierna omschreven. [partij B] zal tevens worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 460,00 betreffende de kosten voor het Kadaster.
[partij A] heeft ook aanspraak gemaakt op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Hij heeft gesteld dat diverse werkzaamheden zijn verricht, zoals het versturen van brieven en inspanningen om te proberen een minnelijke regeling tot stand te brengen. Dit is door [partij B] niet betwist. Het gevorderde bedrag van € 925,00 sluit aan bij de daarvoor geldende richtlijn (vordering van onbepaalde waarde, Rapport Voorwerk II) en wordt daarom toegewezen.
De positie van de gemeente
Zoals reeds in dit vonnis is benoemd is de gemeente de eigenaar van de strook grond gelegen aan de rand van [locatie 1] en is [locatie 1] door de gemeente verpacht aan [partij A] . In deze rechtstoestand is met deze procedure geen verandering gekomen. Bij deze stand van zaken bestaat er geen aanleiding om de gemeente Kampen in de procedure te betrekken, op basis van artikel 118 Rv. Dat zou anders zijn geweest als in deze procedure was gebleken dat er sprake zou zijn van een opstalrecht op een deel van [locatie 1] , maar die situatie doet zich nu niet voor.
Proceskosten in conventie
[partij B] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [partij A] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
146,43
- griffierecht
€
1.374,00
- salaris advocaat
€
1.306,00
(2 punten × € 653,00)
- nakosten
€
148,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.974,43
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
De vordering in reconventie van [partij B]
Hetgeen hiervoor reeds is beslist in conventie brengt mee dat de tegenvordering van [partij B] moet worden afgewezen.
[partij B] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Daarbij is de rechtbank ervanuit gegaan dat voor de mondelinge behandeling/descente eenmalig een salarispunt wordt toegekend, zoals reeds is gedaan bij de proceskostenveroordeling in conventie. De proceskosten van [partij A] worden in reconventie begroot op:
- salaris advocaat
€
489,75
(1,5 punten × factor 0,5 × € 653,00)
- nakosten
€
148,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
637,75
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
6. De beslissing
De rechtbank,
in conventie
verklaart voor recht dat op of ten behoeve van het perceel kadastraal bekend als Gemeente Kampen, [locatie 1] , geen recht van opstal is ontstaan op grond waarvan [partij B] gerechtigd zijn om dit perceel, meer in het bijzonder de strook, te beplanten en/of anderszins te gebruiken;
veroordeelt [partij B] om binnen 21 kalenderdagen (i) na betekening van dit vonnis en (ii) nadat de eigenaar van de strook toestemming heeft verleend tot verwijdering van de beplantingen, alle door of namens hen op of aan de strook aangebrachte beplantingen volledig te verwijderen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per kalenderdag dat hij hiermee in gebreke blijft met een maximum van € 15.000,00;
verbiedt [partij B] om op enigerlei wijze gebruik te maken van de strook, behalve ter uitvoering van veroordeling onder 6.1, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,00 per overtreding met een maximum van € 10.000,00;
veroordeelt [partij B] tot betaling van € 460,00 aan [partij A] binnen 14 kalenderdagen na het te wijzen vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien niet tijdig betaald wordt;
veroordeelt [partij B] tot betaling van een bedrag van € 925,00 voor buitengerechtelijke incassokosten, te voldoen binnen 14 kalenderdagen na het te wijzen vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien niet tijdig betaald wordt;
veroordeelt [partij B] hoofdelijk in de proceskosten van € 2.974,43, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in reconventie
wijst de vorderingen van [partij B] af,
veroordeelt [partij B] hoofdelijk in de proceskosten van € 637,75, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in conventie en in reconventie
veroordeelt [partij B] hoofdelijk tot betaling van € 98,00 plus de kosten van betekening als [partij B] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [partij B] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 6.1 t/m 6.5 genoemde beslissingen en voor wat betreft de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.W.G. Wijnands en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026. (ap)