ECLI:NL:RBOVE:2026:888

ECLI:NL:RBOVE:2026:888

Instantie Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak 18-02-2026
Datum publicatie 20-02-2026
Zaaknummer C/08/324740 / HA ZA 24-449
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Almelo

Samenvatting

In deze zaak gaat het er om of eiser tijdig een beroep heeft gedaan op haar legitieme portie in de nalatenschap van de vader en de moeder van partijen. De rechtbank is van oordeel dat eiser alleen tijdig een beroep heeft gedaan op haar legitieme portie in de nalatenschap van moeder. Deze zaak gaat ook over het vaststellen van de omvang van de legitieme portie van eiser in de nalatenschap van moeder. Om die te kunnen berekenen moet eerst de legitimaire massa worden vastgesteld. Eiser stelt dat zij over onvoldoende informatie beschikt om die te kunnen berekenen en wil meer informatie van gedaagde. Gedaagde stelt zich op het standpunt dat zij alle beschikbare informatie al heeft gedeeld met eiser. De rechtbank is van oordeel dat gedaagde eerst nadere stukken in het geding dient te brengen alvorens verder kan worden beslist over de door eiser ingestelde vorderingen.

Uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Civiel recht

Zittingsplaats Almelo

Zaaknummer: C/08/324740 / HA ZA 24-449

Vonnis van 18 februari 2026

in de zaak van

[eiser] ,

te [woonplaats 1],

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser],

advocaat: mr. R.J.M.H. Orgel,

tegen

[gedaagde] ,

te [woonplaats 2],

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde],

advocaat: mr. J.B. de Bruin.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties- de conclusie van antwoord met producties- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald

- de mondelinge behandeling van 21 mei 2025, ter gelegenheid waarvan door mr. Orgel spreekaantekeningen zijn overgelegd en waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt- de akte van [gedaagde]- de akte van [eiser].

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. Waar gaat het over?

In deze zaak gaat het er om of [eiser] tijdig een beroep heeft gedaan op haar legitieme portie in de nalatenschap van de vader en de moeder van partijen. De rechtbank is van oordeel dat [eiser] alleen tijdig een beroep heeft gedaan op haar legitieme portie in de nalatenschap van moeder. Deze zaak gaat ook over het vaststellen van de omvang van de legitieme portie van [eiser] in de nalatenschap van moeder. Om die te kunnen berekenen moet eerst de legitimaire massa worden vastgesteld. [eiser] stelt dat zij over onvoldoende informatie beschikt om die te kunnen berekenen en wil meer informatie van [gedaagde]. [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat zij alle beschikbare informatie al heeft gedeeld met [eiser]. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] eerst nadere stukken in het geding dient te brengen alvorens verder kan worden beslist over de door [eiser] ingestelde vorderingen. Zij licht die beslissing hieronder toe.

3. De feiten

[eiser] en [gedaagde] zijn de kinderen van [erflater] (hierna: vader of erflater) en [erflaatster] (hierna: moeder of erflaatster).

Zij waren gehuwd in algehele gemeenschap van goederen. Uit het huwelijk zijn ook nog twee andere kinderen geboren: [naam 1] (hierna: [naam 1]) en [naam 2] (hierna: [naam 2]).

Vader en [gedaagde] dreven sinds 1 januari 1987 een vennootschap onder firma [bedrijf 1], een recreatiebedrijf. De vennootschap is op 1 januari 2000 ontbonden.

[gedaagde] heeft de vennootschap voortgezet samen met haar echtgenoot.

Vader en [naam 2] dreven sinds 1 januari 1987 een maatschap, een landbouwmaatschap. In 2000 is de maatschap opgeheven.

Vader en [gedaagde] dreven sinds 1 november 2002 een landbouwmaatschap (hierna ook: de maatschap).

Bij akte van 2 maart 2006 is de maatschap ontbonden. In de akte ontbinding maatschap en verdeling is, voor zover van belang, het volgende bepaald:

(…)

De landbouwonderneming wordt per deze datum gestaakt; alle vermogensbestanddelen inclusief de registergoederen worden toebedeeld aan de comparante sub 2 ([gedaagde], rechtbank) onder verplichting om de schulden voor haar rekening te nemen en als eigen schulden te voldoen.

Waardering

Uitgangspunt voor de ontbinding van gemelde maatschap zijn de balans en de vermogensopstelling per tien februari tweeduizend zes, opgesteld door de Gibo Accountants en Adviseurs te Almelo.

De tot het maatschappelijk ondernemingsvermogen behorende opstallen met ondergrond, staande en gelegen de [adres] en de cultuurgronden zijn blijkens aangehecht kopie van het taxatierapport, uitgebracht door de heer ing. [naam 3]

, Register-Taxateur, Register Makelaar-taxateur en rentmeester NVR bij [bedrijf 2]

B.V. te [plaats 1], gewaardeerd met peildatum vijftien december tweeduizend vijf.

Voor wat betreft de vermogensopstelling van de comparant sub 1.a en de berekening van de

overnamesom wordt verwezen naar de aan deze akte te hechten bijlage opgesteld door de

Gibo voormeld.

De comparanten beschouwen deze bijlage als integrerend onderdeel van deze akte, als was

deze daarin woordelijk opgenomen.

II. VERDELING EN LEVERING

De comparanten sub 1 en 2 verklaren voorts de volgende verdeling te zijn overeengekomen:

A. Onroerende zaken:

1. Toegedeeld wordt aan de comparante sub 2, mevrouw [gedaagde]

[gedaagde]:

de eigendom van de hierboven vermelde onroerende zaken met daaraan verbonden:

a. grondgebonden mestproduktierechten als bedoeld in de meststoffenwet;

b. de niet-grondgebonden mestproduktierechten als bedoeld in de

meststoffenwet;

2. Toegedeeld wordt aan de comparanten sub 1 de heer [erflater]

[erflater] en mevrouw [eiser]:

het levenslang zakelijk recht van gebruik en bewoning met betrekking tot het

woonhuis inclusief garage en berging, met ondergrond, erf en tuin, staande en

gelegen te [locatie 1]

, groot

ongeveer tien are vijftig centiare, zoals op aangehechte gewaarmerkte

situatietekening door de comparanten is aangegeven.

Ter uitvoering van de verdeling verklaren de comparanten sub 1 en 2:

- in eigendom te leveren aan de comparante sub 2, mevrouw [gedaagde]

[gedaagde], die verklaarde in eigendom te aanvaarden:

de eigendom van de hiervoor vermelde onroerende zaken met daaraan verbonden:

a. de grondgebonden mestproduktierechten als bedoeld in de meststoffenwet;

b. de niet-grondgebonden mestproduktierechten als bedoeld in de

meststoffenwet;

- te vestigen ten behoeve van de comparanten sub 1, de heer [erflater]

en mevrouw [eiser]

voormeld levenslang zakelijk recht van gebruik en bewoning met

betrekking tot het woonhuis inclusief garage en berging met ondergrond,

erf en tuin, staande en gelegen te [locatie 1]

, groot ongeveer tien are vijftig,

zoals op aangehechte gewaarmerkte situatietekening door de comparanten

is aangegeven, welke rechten de comparanten sub 1 verklaarden aan te

nemen.

Met betrekking tot de beperkte rechten van gebruik en van bewoning zijn de

comparanten sub 1 en 2, overeengekomen als volgt:

De comparanten sub 1 worden hierna aangeduid als “de gebruiker”, de gemelde

rechten worden hierna aangeduid als “het recht”.

Het recht is gevestigd onder de navolgende bedingen:

1. Het recht is gevestigd ten behoeve van de comparanten sub 1.

2. Het recht gaat in op heden en eindigt op de dag dat de gebruikers zijn

overleden of afstand doen van het recht.

(…)

B. Overig vermogen:

De comparanten sub 1 en 2 verklaarden vervolgens alle overige tot de maatschap

behorende goederen toe te delen aan de comparante sub 2 onder verplichting voor

haar om alle tot de maatschap behorende schulden voor haar rekening te nemen en

als eigen schulden te voldoen. Alle hier bedoelde goederen bevinden zich in de

macht van de comparante sub 2.

(…)

Overbedeling/schuldomzetting

De comparanten sub 1 en 2 (vader, moeder en [gedaagde], rechtbank) verklaren dat in verband met bovenstaande verdeling sub A en B de comparante sub 2 is overbedeeld met een waarde van een honderd vijf en veertig duizend een honderd zeventig euro (€ 145.170,00) als gevolg waarvan de comparante sub 2 een schuld heeft aan de comparant sub 1.a gelijk aan vermelde waarde waarmee de comparante sub 2 is overbedeeld, ad een honderd vijf en veertig duizend een honderd zeventig euro (€ 145.170,00).

(…)

3. De comparante sub 2 zal over het schuldig erkende bedrag een rente verschuldigd

zijn welke jaarlijks door partijen nader zal worden overeengekomen.

Indien er geen overeenstemming over de jaarlijks nader te bepalen rente wordt

behaald, bedraagt de rente vier procent (4%) op jaarbasis, te voldoen per een en

dertig december van elk jaar.

Overige bepalingen

(…)

4. Alle goederen zijn gewaardeerd in onderling overleg naar hun waarde per tien februari

tweeduizend zes.

Eventuele wijzigingen in de waarde of in de samenstelling van het maatschapsvermogen, zoals deze blijkt uit bovenbedoelde beschrijving, alsmede de eventuele gevolgen daarvan, zijn voor rekening van de comparante sub 2.

(…)

7. De comparanten sub 1 of de langstlevende van hen behouden een levenslang

persoonlijk recht van gebruik van het gehele huisperceel kadastraal bekend gemeente

Losser, Sectie H nummer 6962.

Glijclausule

De comparanten beschouwen het vorenstaande als zakelijk tussen hen te zijn

overeengekomen.

Indien na een procedure met de belastingdienst mocht komen vast te staan dat de waarde

van voormelde onroerende zaken en/of productiequota hoger mocht zijn dan de hiervoor

vermelde waarden, dan zullen partijen voormelde waarden dienovereenkomstig verhogen.

Het bedrag van de verhoging van de waarde wordt reeds nu voor alsdan omgezet in een

schuld uit hoofde van geldlening voor hetzelfde bedrag, ten behoeve van de comparanten

sub 1 en ten laste van de comparante sub 2, in de verhoudingen als hiervoor vermeld.

Dientengevolge zullen ook de schuldverhoudingen tussen de comparanten worden

aangepast.

(…).

Vader is overleden op [overlijdensdatum 1] 2013. Hij heeft bij testament van 25 januari 2013 over zijn nalatenschap beschikt. Daarin heeft hij moeder tot enig erfgename benoemd voor het geval hij komt te overlijden vóór haar. Voor het geval vader komt te overlijden na moeder of tegelijk met haar heeft vader [gedaagde] benoemd tot zijn enige erfgename. In zijn testament heeft vader voorts ook bepaald:

5. Vrijstelling inbreng

Ik stel mijn afstammelingen vrij van de verplichting tot inbreng van giften in mijn nalatenschap, tenzij een verplichting tot inbreng bij de gift is opgelegd.”.

Na het overlijden van vader hebben de zussen aan moeder laten weten dat ze geen aanspraak zullen maken op hun erfdeel in de nalatenschap van vader zolang zij leeft.

Bij akte van 30 oktober 2019 heeft moeder afstand gedaan van het recht van gebruik en bewoning zoals gevestigd bij akte ontbinding en verdeling van de maatschap van 2 maart 2006. In de akte is voorts, voor zover hier van belang, het volgende bepaald:

(…)

E. TEGENPRESTATIE

De eigenaar ([gedaagde], rechtbank) moet een bedrag groot vier en twintig duizend zes honderd zestig euro (€ 24.660,00) als tegenprestatie voor de afstand van het recht van gebruik en bewoning betalen.

Een gedeelte groot veertien duizend drie honderd zes euro en vijftien eurocent

(€ 14.306,15) wordt geacht te zijn voldaan door verrekening met een vordering ten laste

van de comparante sub 1 en ten behoeve van de comparante sub 2, welke vordering

volgens accountantskantoor [bedrijf 3] thans bedraagt veertien duizend drie honderd

zes euro en vijftien eurocent (€ 14.306,15).

De comparante sub 1 verklaarde bij deze afstand te doen om niet van een gedeelte van

voormelde vordering groot vijf duizend vier honderd acht en twintig euro (€ 5.428,00),

welke afstand om niet de comparante sub 2 verklaarde aan te nemen.

De comparante sub 1 verklaarde vervolgens afstand te doen om baat, van het restant -

groot vier duizend negen honderd vijf en twintig euro en vijf en tachtig eurocent

(€ 4.925,85), onder de gelijktijdige verplichting voor de comparante sub 2 om wegens

geleend geld schuldig te erkennen aan de comparante sub 1, hetgeen bij deze

geschiedt, een gelijk bedrag groot vier duizend negen honderd vijf en twintig euro en vijf

en tachtig eurocent (€ 4.925,85), zodat de comparanten terzake van het vorenstaande,

behoudens het schuldig erkende bedrag niets meer van elkaar te vorderen hebben en

elkaar kwijting verlenen.

Met betrekking tot gemelde schuld wegens geleend geld verklaarden partijen nader

overeen te komen.

(…)

Fiscale verklaring

Namens de eigenaar wordt opgave gedaan van het bedrag van de overdrachtsbelasting

dat koper moet betalen, groot vier honderd drie en negentig euro (€ 493,00).

Dit bedrag is vastgesteld naar het tarief van twee procent (2%).

Met dit tarief is de overdrachtsbelasting berekend die verschuldigd is over de waarde —

van het recht van gebruik en bewoning, uitgaande van een WOZ-waarde van een —

honderd zeven en dertig duizend euro (€ 137.000,00)

(…)”.

Moeder is op [overlijdensdatum 2] 2021 overleden. Moeder heeft ook bij testament van

25 januari 2013 over haar nalatenschap beschikt. Daarin heeft zij vader tot enig erfgenaam benoemd voor het geval zij komt te overlijden vóór hem. Voor het geval erflaatster komt te overlijden na erflater of tegelijk met hem heeft erflaatster [gedaagde] benoemd tot haar enige erfgename. In haar testament heeft moeder voorts ook bepaald:

5. Vrijstelling inbreng

Ik stel mijn afstammelingen vrij van de verplichting tot inbreng van giften in mijn nalatenschap, tenzij een verplichting tot inbreng bij de gift is opgelegd.”.

[gedaagde] heeft de nalatenschap van moeder zuiver aanvaard.

Bij (aangetekende) brief van 9 november 2023 heeft (de advocaat van [eiser] namens) [eiser] een beroep gedaan op de legitieme portie in de nalatenschap van moeder. In deze brief heeft [eiser] [gedaagde] verzocht om binnen acht dagen een boedelbeschrijving toe te zenden met daarop alle activa en passiva per sterfdatum moeder, voorzien van bewijsstukken en een overzicht van alle giften die door moeder zijn gedaan.

Bij e-mail van 19 december 2023 heeft [gedaagde] de aangifte erfbelasting over de nalatenschap van moeder, een concept van de aangifte inkomstenbelasting 2018 en de definitieve aangifte inkomstenbelastingen van 2019 t/m 2021 overgelegd aan [eiser].

Bij e-mail van 22 december 2023 heeft [eiser] opnieuw aan [gedaagde] verzocht om alle stukken te overleggen voor het kunnen berekenen van de omvang van de legitieme portie.

Bij e-mail van 15 januari 2024 heeft belastingadviseur mr. [naam 4] namens [gedaagde] aan de advocaat van [eiser] onder meer het volgende bericht:

In mijn dossier kan ik geen gegevens vinden van eventuele schenkingen door erflater. (…) Er zijn met uw cliënt meerdere afspraken geweest over de inboedel en de sieraden. Op 12 april 2022 is alles opgehaald wat ze wilden hebben (o.a. schilderijen, sieraden, diverse artikelen). Het overige is vernietigd; er is derhalve geen inventarislijst.

Erflater had alleen het vruchtgebruik van de woning waarin ze woonde. Deze woning is op 30 oktober 2019 verkocht.

Ik kan u geen aanvullende informatie sturen over de maatschap aangezien deze maatschap al geruime tijd ontbonden is en ook niet mee is genomen in de digitalisering van onze dossiers (gezien de wettelijke bewaartermijn was dit ook niet noodzakelijk0

Resume: mevrouw van de [gedaagde] ([gedaagde], rechtbank) en ondergetekende kunnen geen nadere stukken opleveren (ook niet via een rechtelijke procedure)

(…)”.

Bij e-mail van 16 januari 2024 heeft de advocaat van [gedaagde] aan de belastingadviseur onder meer het volgende bericht:

(…)

Banken hebben een bewaarplicht van minimaal 7 jaren. Het is dus onjuist dat het niet mogelijk is om financiële gegevens op te vragen.

U heeft daarnaast geen antwoord gegeven op de vragen in de brief d.d. 9 november 2023 waaronder de schulden aan de maatschap. Een taxatierapport van de maatschap ontbreekt eveneens.

(…)”.

Bij brief van 16 februari 2024 heeft de advocaat van [gedaagde] aan de advocaat van [eiser] het volgende bericht:

(…)

Naar aanleiding van uw verzoek heeft cliënte via haar accountant reeds stukken aan u ver-

strekt. Ook heeft de accountant in zijn mail d.d. 15 januari 2024 aangegeven niet bekend te zijn met schenkingen en niet over nadere stukken te beschikken.

Ook is reeds kenbaar gemaakt dat er met uw cliënte meerdere afspraken zijn geweest over de inboedel en de sieraden en dat zij op 12 april 2022 alles heeft opgehaald wat zij wilde hebben en dat het overige is vernietigd waardoor een inventarislijst niet aanwezig is.

Van cliënte begreep ik dat de volgende stukken reeds zijn aangeleverd:

- Concept fiscaal rapport inkomstenbelasting 2018.

- Fiscaal rapport inkomstenbelasting 2019, 2020 en 2021

- Aangifte erfbelasting

Cliënte heeft thans nog de navolgende stukken kunnen verkrijgen welke als bijlage bij deze

brief worden meegestuurd:

- Fiscaal rapport inkomstenbelasting 2017

- Afschriften ING Oranje Spaarrekening [rekeningnummer 1] vanaf 1 januari 2017

- Afschriften ING Betaalrekening [rekeningnummer 2] vanaf 1 januari 2017

Wat betreft de maatschap merkt cliënte op dat de overname hiervan ca. 19 jaar geleden is. Gezien deze periode zal het u niet vreemd zijn dat cliënte hiervan geen stukken meer heeft. Het enige wat cliënte hierover nog kan aangeven is dat de taxatie destijds door een makelaar en de belastingdienst heeft plaatsgevonden. Cliënte heeft op 17 januari jl. telefonisch contact gehad met de belastingdienst teneinde te trachten het taxatierapport te verkrijgen. Aan cliënte is medegedeeld dat zij dergelijke gegevens maximaal 14 jaar bewaren.

Duidelijk moge zijn dat cliënte alle medewerking wil verlenen en niets te verbergen heeft. Doch cliënte kan helaas niet meer aanleveren dan dat zij thans heeft gedaan. Een eventuele gerechtelijke procedure zal hierin geen verandering brengen.

(…)”.

Bij e-mail van 19 maart 2024 heeft de advocaat van [eiser] aan de advocaat van [gedaagde] het volgende bericht:

(…)

Maatschap

In de akte ontbinding maatschap en verdeling wordt verwezen naar de balans en de vermogensopstelling opgesteld door Gibo Accountants en Adviseurs te Almelo die bij de akte in de bijlage is aangehecht. In de akte ontbinding maatschap en verdeling wordt daarnaast verwezen naar “aangehecht kopie van het taxatierapport”. De stukken maken dus onderdeel uit van de akte ontbinding maatschap en verdeling.

Graag ontvang ik deze bijlagen zo spoedig mogelijk dan wel ontvang ik van u graag een kopie van uw e-mails waaruit blijkt dat u bovengenoemde kantoren verzoekt om de stukken te verstrekken.

Nalatenschap vader

Van cliënte begreep ik daarnaast dat er niet alleen een beroep is gedaan op de legitieme portie in de nalatenschap van moeder, maar ook in de nalatenschap van vader.

Ten overvloede doe ik hierbij alsnog een beroep op de legitieme portie in de nalatenschap van de heer [erflater].

Graag ontvang ik van u alle financiële gegevens omtrent de nalatenschap van vader, zodat de legitieme portie van kan worden berekend.

(…)

Afstand recht van gebruik en bewoning

In de akte van afstand recht van gebruik en bewoning wordt benoemd dat er een verrekening heeft plaatsgevonden van een vordering die uw cliënte zou hebben op erflaatster.

Graag ontvang ik de stukken waaruit blijkt dat uw cliënte een vordering had op erflaatster. Het is daarnaast ook niet helder hoe de het bedrag ad. € 24.660,00 tot stand is gekomen. Ik ontvang daartoe ook de nodige gegevens.

(…)”.

Bij e-mail van 7 mei 2024 heeft de advocaat van [gedaagde] aan de advocaat van [eiser] het volgende bericht:

(…)

Zoals eerder aangegeven heeft cliënte geen stukken meer in haar bezit. Uw cliënte kan dit onaannemelijk vinden doch verandert dit niets aan het feit dat cliënte niets meer heeft.

Maatschap:

Wat betreft de taxatie merkt cliënte op dat de boekhouder ook al eerder te kennen heeft gegeven niets meer te hebben. Cliënte kan hier weinig aan veranderen.

Nalatenschap vader:

Vader, [erflater], is reeds in 2013 overleden. Uw cliënte heeft toen niets gedaan. De mogelijkheid om aanspraak te maken op de legitieme portie vervalt binnen vijf jaren na het overlijden van de erflater. Uw cliënte kan derhalve geen aanspraak meer maken op de legitieme portie.

(…)

Afstand recht van gebruik en bewoning

Het betreft de akte van 30 oktober 2019. Het recht van gebruik en bewoning is er toen afgehaald.

In de akte onder E. staat opgenomen hoe het bedrag ad € 24.660,- is opgebouwd. Cliënte verwijst hier naar.

Cliënte deelde mij mede dat de belastingdienst destijds een en ander ook heeft getaxeerd.

Ook deelde cliënte mij mede dat door de koop destijds in 2005/2006 ook alles is geregeld bij de fiscus. Dit juist om problemen te voorkomen.

Cliënte heeft contact opgenomen met de belastingdienst en men gaf te kennen dat men niets

meer heeft.

Ook heeft cliënte meerdere keren aan de boekhouder (Gibo/[bedrijf 3]) gevraagd of alles destijds goed is gegaan hetgeen werd bevestigd. De boekhouder heeft destijds alles afgehandeld.

De boekhouder heeft ook al rechtstreeks met u over deze kwestie gecorrespondeerd.

Nogmaals wenst cliënte te benadrukken reeds alles te hebben aangeleverd waartoe zij in staat was. Meer is er simpelweg niet.

(…)”.

Bij dagvaardingsexploot van 18 november 2024 is [eiser] onderhavige procedure gestart.

4. De vordering en de standpunten van partijen

[eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. verklaart voor recht dat [eiser] in de nalatenschap van de heer [erflater] geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 1] 1928 en overleden te [plaats 2] op [overlijdensdatum 1] 2013 tijdig een beroep heeft gedaan op haar legitieme portie;

II. [gedaagde] in haar hoedanigheid als erfgenaam en in haar hoedanigheid in privé in de nalatenschap van de heer [erflater], geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 1] 1928 en overleden te [plaats 2] op [overlijdensdatum 1] 2013 veroordeelt om binnen acht dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag of dagdeel dat [gedaagde] daarmee in gebreke blijft, tot een maximum van € 100.000,00 aan [eiser] te verstrekken:

een verifieerbaar overzicht van alle bezittingen en schulden op het moment van overlijden, voor zover het schulden als bedoeld in artikel 4:7 lid 1 onder a tot en met c en f BW betreft;

alle onderbouwde stukken van de verschillende bedragen zoals opgegeven bij het overzicht onder a;

kopieën van de afschriften van alle bank- en effectenrekeningen van erflater vanaf vijf jaren voorafgaand aan het overlijden met vermelding van het saldo op de overlijdensdatum;

een opgave van alle schenkingen die door erflater bij leven zijn gedaan (ook die van verder terug dan vijf jaren geleden, vgl. 4:67 BW);

aangifte en aanslagen inkomstenbelasting over de periode vanaf vijf jaar voorafgaand aan het overlijden tot aan het overlijden, inclusief de overlijdensaangifte;

een waardering van alle bezittingen;

een overzicht van alle lijfrentepolissen en/of levensverzekeringen en/of eventuele uitgekeerde lijfrentes en levensverzekeringen inclusief de polissen;

bewijsstukken (notariële afrekeningen) waaruit blijkt van verkoopopbrengsten van eventuele tot de nalatenschap behorende onroerende zaken, alsmede een kopie van de bankafschriften waaruit blijkt aan wie de (ver)koopsom is voldaan;

een kopie van de aangifte erfbelasting;

polis(sen) van uitvaartverzekeringen en de correspondentie over de uitkering daarvan;

een afschrift van de akte van huwelijkse voorwaarden voor zover opgemaakt;

alle overige informatie die van belang kan zijn voor de berekening van de legitieme portie voor zover het de waarde van de goederen van de nalatenschap van de erflater betreft;

alle jaarrekeningen van de VOF en de maatschap in de jaren van overdracht inclusief bijbehorende aktes en of overeenkomsten;

III. [gedaagde] in haar hoedanigheid als erfgenaam en in haar hoedanigheid in privé in de nalatenschap van mevrouw [erflaatster], geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedatum 2] 1930 en overleden te [plaats 3] op [overlijdensdatum 2] 2021 om binnen acht dagen na betekening van het ten dezen te wijzen vonnis, op straffe van een dwangsom van € 1.000 per dag of dagdeel dat [gedaagde] daarmee in gebreke blijft, tot een maximum van € 100.000 aan [eiser] te verstrekken: een verifieerbaar overzicht van alle bezittingen en schulden op het moment van overlijden, voor zover het schulden als bedoeld on artikel 4:7 lid 1 onder a tot en met c en f BW betreft;

een verifieerbaar overzicht van alle bezittingen en schulden op het moment van overlijden, voor zover het schulden als bedoeld in artikel 4:7 lid 1 onder a tot en met c en f BW betreft;

alle onderbouwde stukken van de verschillende bedragen zoals opgegeven bij het overzicht onder a;

kopieën van de afschriften van alle bank- en effectenrekeningen van erflater vanaf vijf jaren voorafgaand aan het overlijden met vermelding van het saldo op de overlijdensdatum;

een opgave van alle schenkingen die door erflater bij leven zijn gedaan (ook die van verder terug dan vijf jaren geleden, vgl. 4:67 BW);

aangifte en aanslagen inkomstenbelasting over de periode vanaf vijf jaar voorafgaand aan het overlijden tot aan het overlijden, inclusief de overlijdensaangifte;

een waardering van alle bezittingen;

een overzicht van alle lijfrentepolissen en/of levensverzekeringen en/of eventuele uitgekeerde lijfrentes en levensverzekeringen inclusief de polissen;

bewijsstukken (notariële afrekeningen) waaruit blijkt van verkoopopbrengsten van eventuele tot de nalatenschap behorende onroerende zaken, alsmede een kopie van de bankafschriften waaruit blijkt aan wie de (ver)koopsom is voldaan;

een kopie van de aangifte erfbelasting;

polis(sen) van uitvaartverzekeringen en de correspondentie over de uitkering daarvan;

een afschrift van de akte van huwelijkse voorwaarden voor zover opgemaakt;

alle overige informatie die van belang kan zijn voor de berekening van de legitieme portie voor zover het de waarde van de goederen van de nalatenschap van de erflater betreft;

alle jaarrekeningen van de VOF en de maatschap in de jaren van overdracht inclusief bijbehorende aktes en of overeenkomsten;

IV. de omvang van de legitieme portie van [eiser] in zowel de nalatenschap van erflater als de nalatenschap van erflaatster vaststelt op een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag;

V. [gedaagde] in haar hoedanigheid als erfgenaam en in haar hoedanigheid in privé in de nalatenschap van de heer [erflater] geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 1] 1928 en overleden te [plaats 2] op [overlijdensdatum 1] 2013 veroordeelt om aan [eiser] te voldoen een bedrag gelijk aan de door de rechtbank vast te stellen legitieme portie te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening, te vermeerderen met de nakosten van € 163,00 (zonder betekening) en € 248,00 (met betekening);

VI. [gedaagde] in haar hoedanigheid als erfgenaam en in haar hoedanigheid in privé in de nalatenschap van mevrouw [erflaatster], geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedatum 2] 1930 en overleden te [plaats 3] op [overlijdensdatum 2] 2021 veroordeelt om aan [eiser] te voldoen een bedrag gelijk aan het door de rechtbank vast te stellen legitieme portie te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening kom aan te vermeerderen met de nakosten van € 163,00 (zonder betekening) en € 248,00 (met betekening);

VII. [gedaagde] veroordeelt in de kosten van deze procedure.

[eiser] legt, samengevat, aan haar vorderingen ten grondslag dat zij tijdig een beroep heeft gedaan op haar legitieme portie in de nalatenschap van erflater en op haar legitieme portie in de nalatenschap van erflaatster. Zij stelt dat zij genoodzaakt is om een procedure te starten omdat zij onvoldoende informatie heeft ontvangen van [gedaagde] om de omvang van de nalatenschappen, de omvang van de legitimaire massa’s en de omvang van de legitieme porties te kunnen berekenen.

[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.

[gedaagde] voert daartoe, samengevat, aan dat [eiser] alle informatie heeft ontvangen waar zij om heeft gevraagd. De informatie die zij nu nog wenst, is er simpelweg niet meer en dat is ook eerder al aangegeven door de belastingadviseur, de accountant en haar advocaat. Het is [gedaagde] volstrekt onduidelijk waarom [eiser] alsnog via een rechterlijke procedure deze informatie probeert af te dwingen.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5. De beoordeling

Beroep op de legitieme portie in de nalatenschap van vader

[eiser] heeft zich op het standpunt gesteld dat zij mondeling aanspraak heeft gemaakt op haar legitieme portie in de nalatenschap van vader. Zij verwijst ter onderbouwing daarvan naar de door haar overgelegde productie 3, dat een tweetal verklaringen bevat van haar zussen [naam 1] en [naam 2]. [gedaagde] heeft aangevoerd dat de zussen na het overlijden van vader aan moeder hebben laten weten dat ze geen aanspraak zullen maken op hun erfdeel zolang moeder leeft. Dat blijkt ook uit de verklaringen van de zussen [naam 1] en [naam 2]. Het is [gedaagde] niet bekend dat [eiser] in de nalatenschap van vader een beroep heeft gedaan op haar legitieme portie.

De mogelijkheid om aanspraak te maken op de legitieme portie vervalt uiterlijk vijf jaren na het overlijden van de erflater (artikel 4:85 BW). Deze termijn is een vervaltermijn en geen verjaringstermijn. Dat betekent dat de termijn niet kan worden gestuit en verlengd. Vader is overleden op [overlijdensdatum 1] 2013. [eiser] kon dus uiterlijk op [overlijdensdatum 1] 2018 een beroep doen op de legitieme portie in de nalatenschap van vader. De rechtbank stelt vast dat [eiser] voor het eerst bij e-mail van haar advocaat van 19 maart 2024 (productie 27 bij dagvaarding) expliciet aanspraak heeft gemaakt op haar legitieme portie in de nalatenschap van vader.

Dat is buiten de vijfjaarstermijn.

Er bestaan geen formele regels over de wijze waarop aanspraak kan worden gemaakt op de legitieme portie.

Voor zover in de stellingen van [eiser] moet worden gelezen dat zij al vóór het verstrijken van de termijn een impliciet beroep op de legitieme portie heeft gedaan en dat moeder dat ook als een beroep op de legitieme portie heeft opgevat of heeft moeten opvatten, dan faalt dat betoog. In de overgelegde verklaringen van [naam 1] en [naam 2] van respectievelijk 21 februari 2024 en 20 februari 2024, staat in dat verband enkel dat [eiser] moeder (zeker binnen een jaar na het overlijden van vader) tijdens familiedagen in kennis heeft gesteld van het opeisen van haar erfdeel in de nalatenschap van vader en dat zij haar erfdeel niet zal opeisen zolang moeder zou leven. Hoezeer [eiser] daarmee destijds ook tegenover moeder heeft willen beogen dat zij haar legitieme portie wenst te ontvangen, kan daaruit niet worden afgeleid dat moeder dat ook zo heeft begrepen dan wel heeft moeten begrijpen. Bovendien staat daaraan niet in de weg dat [eiser] tegelijkertijd (expliciet) aanspraak had kunnen maken op de legitieme portie om haar rechten zeker te stellen. Daarmee had [eiser] eventuele onduidelijkheid achteraf (nu moeder inmiddels is overleden) kunnen voorkomen. Dat heeft zij niet gedaan.

Er is in de gegeven omstandigheden naar het oordeel van de rechtbank geen ruimte om op grond van de redelijkheid en billijkheid van deze vijfjaarstermijn af te wijken.

Door niet eerder dan op 18 november 2024 expliciet aanspraak te hebben gemaakt op haar legitieme portie, terwijl de termijn verstreek op [overlijdensdatum 1] 2018, heeft [eiser] niet tijdig een beroep gedaan op haar legitieme portie in de nalatenschap van vader. Dat betekent dat haar aanspraak is vervallen.

De vorderingen van [eiser] voor zover deze betrekking hebben op de legitieme portie in de nalatenschap van vader zullen reeds hierom worden afgewezen. De stellingen die partijen daarover hebben ingenomen behoeven dan ook geen verdere bespreking.

Beroep op de legitieme portie in de nalatenschap van moeder

[eiser] heeft bij (aangetekende) brief van 9 november 2023 een beroep gedaan op haar legitieme portie in de nalatenschap van moeder. Moeder is overleden op [overlijdensdatum 2] 2021. [eiser] heeft haar beroep op de legitieme portie in de nalatenschap van moeder tijdig gedaan. Dat is tussen partijen ook niet in discussie.

Afgifte stukken nalatenschap moeder ten behoeve vaststellen legitieme

[eiser] heeft als legitimaris recht op alle informatie en stukken die van belang zijn voor de berekening van haar legitieme portie. Die informatie is van belang om de omvang van de legitimaire massa en haar legitieme portie te kunnen bepalen.

Om de omvang van de legitieme portie van [eiser] te kunnen berekenen is het van belang om de samenstelling en waardering van de legitimaire massa vast te stellen.

De legitimaire massa is - kort gezegd - de waarde van de goederen van de nalatenschap onmiddellijk na datum overlijden, welke waarde wordt vermeerderd met de in aanmerking te nemen giften en verminderd met de in aanmerking te nemen schulden. De legitieme portie betreft een breukdeel van de legitimaire massa.

Vast staat tussen partijen dat het legitieme breukdeel van [eiser] 1/8 van de legitimaire massa bedraagt.

[eiser] stelt dat zij vermoedt dat er in het kader van de ontbinding en verdeling van de maatschap meerdere (verkapte) schenkingen zijn geweest aan [gedaagde] die van belang zijn voor de omvang van de legitimaire massa. Dat vermoeden wordt volgens [eiser] ondersteund doordat in de akte van 2 maart 2006 staat: “alle goederen zijn gewaardeerd in onderling overleg naar hun waarde per 10 februari 2006”. Uit de akte blijkt vervolgens dat alle aanwezige vermogensbestanddelen aan [gedaagde] zijn toegedeeld onder de verplichting om de schulden voor haar rekening te nemen en als eigen schulden te voldoen. In de akte staat voorts dat [gedaagde] is overbedeeld voor een bedrag van € 145.170,00. In de akte staat dat vader, moeder en [gedaagde] zijn overeengekomen dat afstand wordt gedaan van deze vordering wegens overbedeling en dat [gedaagde] het bedrag schuldig blijft. Over dit bedrag is [gedaagde] een rente verschuldigd. Nu [eiser] geen stukken heeft ontvangen waaruit blijkt dat deze vordering inclusief rente is voldaan door [gedaagde] stelt zij zich op het standpunt dat deze vordering onderdeel uitmaakt van de nalatenschap van (vader en) moeder. Voor de nalatenschap van moeder betekent dat volgens [eiser] dat deze een vordering (inclusief rente) heeft op [gedaagde] ter hoogte van € 236.153,81.

[eiser] stelt verder dat in de akte van 2 maart 2006 eveneens een levenslang recht van gebruik en bewoning is gevestigd voor erflater en erflaatster. In 2019 heeft erflaatster afstand gedaan van dat recht. In de akte staat dat de tegenprestatie van de afstand van het recht van gebruik en bewoning € 24.660,00 bedraagt. De waarde van de woning en het perceel is [eiser] niet bekend. Volgens [eiser] heeft moeder een te laag bedrag ontvangen voor de waarde van het recht van gebruik en bewoning, waardoor moeder een bedrag heeft geschonken aan [gedaagde] ter hoogte van € 99.000,00 (door [eiser] berekende waarde vruchtgebruik) – € 24.660,00 = € 74.340,00. Deze schenking dient, aldus [eiser], bij de legitimaire massa te worden opgeteld. Conform de akte zou moeder in dit kader nog een vordering hebben op [gedaagde] van € 14.306,15. Deze vordering is blijkens de akte voldaan door verrekening met het bedrag ad € 24.660,00. Bij gebrek aan informatie kwalificeert [eiser] het bedrag als een schenking van moeder aan [gedaagde]. [eiser] stelt verder dat in de akte ook staat dat moeder afstand om niet doet van een bedrag van € 5.248,00, welke afstand door [gedaagde] is aangenomen. Tot slot verklaart moeder afstand te doen om baat over het restant ad € 4.295,85.

In totaal heeft moeder volgens [eiser] in het kader van het doen van afstand van het recht van gebruik en bewoning een bedrag aan [gedaagde] geschonken ter hoogte van € 99.000,00.

[eiser] heeft voorafgaand aan deze procedure en bij dagvaarding om meer informatie - onderbouwd met stukken - gevraagd. Volgens [eiser] is het voor haar op basis van de door [gedaagde] verstrekte gegevens niet mogelijk om de omvang van de legitieme te berekenen. [gedaagde] en ook de accountant en de belastingadviseur hebben stukken toegestuurd naar [eiser]. De aangifte erfbelasting, een concept fiscaal rapport inkomstenbelasting 2018 en fiscaal rapport inkomstenbelastingen 2019 tot en met 2021 zijn overgelegd. Ook zijn nog het fiscaal rapport inkomstenbelasting 2017, afschriften ING Oranje Spaarrekening [rekeningnummer 1] vanaf

1 januari 2017 en afschriften van ING Betaalrekening [rekeningnummer 2] vanaf

1 januari 2017 overgelegd.

De rechtbank heeft tijdens de mondelinge behandeling de in het geding gebrachte stukken met partijen besproken. Tijdens de mondelinge behandeling is geen overeenstemming bereikt over de omvang van de legitieme portie. Ook het na de mondelinge behandeling ingezette mediationtraject heeft partijen geen uitkomst geboden.

De rechtbank stelt vast dat een deel van de door [eiser] bij dagvaarding verlangde stukken reeds is overgelegd, zodat zij bij afgifte daarvan in zoverre geen belang meer heeft. De rechtbank stelt eveneens vast dat [gedaagde] niet alle stukken waar [eiser] om heeft gevraagd aan haar heeft verstrekt. [gedaagde] heeft zich op het standpunt gesteld dat zij ervoor heeft gezorgd om zoveel mogelijk stukken boven water te krijgen, maar dat zij, mede gezien het tijdsverloop van 20 jaar, bepaalde stukken niet meer kan opvragen. Zij verwijst ter onderbouwing van haar standpunt onder meer naar het e-mailbericht van haar belastingadviseur/accountant van 15 januari 2024 en naar zijn e-mailbericht van 16 februari 2024. Naar het oordeel van de rechtbank kan daaruit echter niet volgen dat de door [eiser] verlangde gegevens er niet meer zijn én evenmin dat [gedaagde] zich voldoende heeft ingespannen om de door [eiser] verlangde informatie op te vragen. Zo blijkt uit de overgelegde e-mails niet dat [gedaagde] bij de desbetreffende personen/instanties expliciet heeft gevraagd naar (alle) door [eiser] verlangde stukken. Zo heeft [eiser] nog steeds niet het taxatierapport van de tot de maatschappelijk ondernemingsvermogen behorende opstallen met ondergrond staande en gelegen aan de [adres] en de cultuurgronden, uitgebracht door de heer ing. [naam 3], waarnaar de akte ontbinding en verdeling maatschap van 2 maart 2006 verwijst, ontvangen en evenmin de akte vermogensopstelling van vader en de berekening van de overnamesom opgesteld door Gibo Accountants en Adviseurs te Almelo, die als bijlage is gehecht aan de akte ontbinding maatschap en verdeling van 2 maart 2006. Ook is niet inzichtelijk geworden hoe het bedrag ad. € 24.660,00 dat als tegenprestatie voor de afstand van het recht van gebruik en bewoning door moeder wordt genoemd in de akte van 30 oktober 2019, tot stand is gekomen. De daartoe verlangde gegevens ontbreken.

Dit terwijl [eiser] herhaaldelijk om deze informatie heeft gevraagd en uit de reactie van [gedaagde] niet dan wel onvoldoende blijkt dat deze informatie er niet meer is dan wel dat [gedaagde] zich voldoende heeft ingespannen om die informatie boven tafel te krijgen.

De rechtbank is van oordeel dat deze informatie van belang is voor het vaststellen van de omvang van de legitimaire massa en vervolgens voor het vaststellen van de legitieme van [eiser]. Het ligt op de weg van [gedaagde] om die informatie boven tafel te krijgen, dan wel zich daarvoor maximaal in te spannen.

voortgezette mondelinge behandeling

De rechtbank is voornemens om een voortgezette mondelinge behandeling te gelasten om met partijen te spreken over de omvang van de legitimaire massa en de vaststelling van de legitieme portie van [eiser] in de nalatenschap van moeder en om te spreken met partijen over het treffen van een vergelijk, al dan niet op onderdelen. De rechtbank zal [gedaagde] opdragen om de tot nu toe ontbrekende stukken, maar in ieder geval de hierna te noemen stukken in het geding te brengen, althans inzichtelijk te maken dat zij zich maximaal heeft ingespannen om deze stukken boven tafel te krijgen. Bij het uitblijven hiervan zal de rechtbank hieruit de gevolgtrekking maken die haar geraden voorkomt.

[eiser] wordt in de gelegenheid gesteld om bij antwoordakte op de akte van [gedaagde] te reageren. Partijen wordt eveneens verzocht bij de te nemen akte alvast hun verhinderdata voor de maanden mei tot en met augustus 2026 op te geven voor de te bepalen mondelinge behandeling. De rechtbank verzoekt [gedaagde] om haar belastingadviseur/accountant

de heer B. Sauer mee te nemen naar de zitting ter beantwoording van mogelijke vragen van de rechtbank.

over te leggen stukken

De rechtbank draagt [gedaagde] op om de volgende stukken dan wel informatie onderbouwd met stukken, in het geding te brengen:

- het taxatierapport van de tot de maatschappelijk ondernemingsvermogen behorende opstallen met ondergrond staande en gelegen aan de [adres] en de cultuurgronden, uitgebracht door de heer ing. [naam 3], waarnaar in de akte ontbinding en verdeling maatschap van 2 maart 2006 wordt verwezen;

- de akte vermogensopstelling van vader en de berekening van de overnamesom opgesteld door Gibo Accountants en Adviseurs te Almelo, die als bijlage is gehecht aan de akte ontbinding maatschap en verdeling van 2 maart 2006;

- stukken waaruit blijkt dat [gedaagde] haar ouders in 2002 ten behoeve van het redden van de ondergang van de maatschap een lening heeft verstrekt van € 450.000,-;

- bewijsstukken waaruit volgt dat [gedaagde] de lening van € 145.170,00 heeft afgelost, met inbegrip van betaling van de overeengekomen rente;

- stukken waaruit blijkt hoe het bedrag ad. € 24.660,00 dat als tegenprestatie voor de afstand van het recht van gebruik en bewoning door moeder wordt genoemd in de akte van 30 oktober 2019, tot stand is gekomen;

- stukken waar uit blijkt dat [gedaagde] de maatschap, die blijkens de akte ontbinding en verdeling van 2 maart 2026 is gestaakt, heeft voortgezet, zoals [gedaagde] bij akte van 8 oktober 2025 stelt;

- het taxatierapport van het onroerend goed dat bij de ontbinding van de maatschap door een onafhankelijk taxateur is vastgesteld op WEVAB (waarde economisch verkeer bij agrarische voortzetting) waarnaar [gedaagde] in haar akte van 8 oktober 2025 verwijst.

De rechtbank zal iedere verdere beslissing aanhouden.

6. De beslissing

De rechtbank

draagt [gedaagde] op om zich bij akte uit te laten als overwogen in de rechtsoverwegingen 5.17. en 5.18.,

stelt [eiser] in de gelegenheid om zich bij akte uit te laten als overwogen in rechtsoverweging 5.17.,

verwijst deze procedure naar de roldatum van woensdag 18 maart 2026 voor het nemen van die akte aan de zijde van [gedaagde],

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.E. Zweers en in het openbaar uitgesproken op

18 februari 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?