ECLI:NL:RBOVE:2026:913

ECLI:NL:RBOVE:2026:913

Instantie Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak 23-02-2026
Datum publicatie 23-02-2026
Zaaknummer 08-146135-24 (P)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Almelo

Samenvatting

De rechtbank veroordeelt een 56-jarige vrouw tot een taakstraf van 240 uren, een voorwaardelijke gevangenisstraf van 18 maanden, een meldplicht bij de reclassering en betaling van een schadevergoeding. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag door haar zoon meerdere keren met een mes in zijn lichaam te steken.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08-146135-24 (P)

Datum vonnis: 23 februari 2026

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1969 in [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres 1] .

1. Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van

9 februari 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en haar raadsvrouw mr. N.L.A.N. Weusthof, advocaat in Enschede, naar voren is gebracht.

Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van de door [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) voorgedragen slachtofferverklaring en van wat namens hem door mr. J.F.I. Sahebdien, advocaat in Enschede, is aangevoerd.

2. De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 28 april 2024 in Enschede (primair) heeft geprobeerd [slachtoffer] te doden, dan wel (subsidiair) hem heeft geprobeerd opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, door hem meermalen met een mes in het lichaam te steken.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

zij op of omstreeks 28 april 2024 te Enschede ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, in de rug en/of de schouder en/of de nek/hals en/of het gezicht heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij op of omstreeks 28 april 2024 te Enschede ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

met dat opzet die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, in de rug en/of de schouder en/of de nek/hals en/of het gezicht heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3. De bewijsmotivering

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van het bewijs gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Zij komt tot een bewezenverklaring op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte het feit heeft bekend en door of namens haar geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), volstaat met een opgave van de bewijsmiddelen:

Het proces-verbaal van de terechtzitting van 9 februari 2026, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte;

Een geschrift, te weten een forensisch letselrapportage van dr. G. Reijnen van 10 oktober 2024, pagina’s 82 tot en met 90;

Het proces-verbaal forensisch onderzoek woning ( [adres 2] ) van verbalisant [verbalisant] van 9 juni 2024, pagina’s 146 tot en met 148, alsmede foto 5 van de bijgevoegde fotomap op pagina 152.

De rechtbank is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen niet volgt dat verdachte [slachtoffer] heeft gestoken met als doel hem te doden, zodat van vol opzet geen sprake is. De rechtbank acht wel bewezen dat verdachte in voorwaardelijke zin opzet daarop heeft gehad en overweegt daarover als volgt. Verdachte heeft [slachtoffer] met een keukenmes in de schouder, het gezicht en de hals gestoken. De hals is een zeer kwetsbaar deel van het lichaam, waar zich onder meer belangrijke (slag)aderen bevinden. Het is algemeen bekend dat het steken in de hals, zeker met een mes als gebruikt door verdachte, dodelijk kan zijn. Uit de letselrapportage volgt bovendien dat bij [slachtoffer] , gelet op de onderliggende organen, potentieel ernstiger letsel had kunnen ontstaan, zoals doorklieving van het oogwit, beschadiging van een slagader en/of het ontstaan van een klaplong. Bij de meest ernstige combinatie van dit letsel bedroeg de overlijdenskans 50 procent. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de aanmerkelijke kans is ontstaan dat [slachtoffer] zou komen te overlijden. De rechtbank is verder van oordeel dat de door verdachte verrichte handeling, zoals hierboven omschreven, naar haar uiterlijke verschijningsvorm kan worden aangemerkt als zozeer te zijn gericht op het doden van [slachtoffer] dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op het overlijden van [slachtoffer] bewust heeft aanvaard. Van contra-indicaties, waaruit zou blijken dat verdachte die aanmerkelijke kans niet bewust heeft aanvaard, is niet gebleken.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op 28 april 2024 te Enschede ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] meermalen met een mes in de schouder, de hals en het gezicht heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken.

4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de strafbaarheid van verdachte

5. De op te leggen straf of maatregel

De verdediging heeft primair een beroep gedaan op noodweer en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Verdachte heeft zich verdedigd tegen concrete, specifieke doodsbedreigingen van [slachtoffer] , die fysiek sterker is dan verdachte en eerder geweld tegen haar heeft gebruikt. Onttrekken aan de situatie was niet mogelijk, omdat de weg werd versperd door [slachtoffer] . Uit doodsangst greep verdachte naar het mes dat op het aanrecht lag en op dat moment voorhanden was. Subsidiair heeft de verdediging een beroep gedaan op noodweerexces. Door de aanranding verkeerde verdachte ten tijde van het steken in een hevige gemoedsbeweging. Zij verklaarde dat haar hart hevig bonkte en dat zij gloeide van angst. Het bestaan van deze paniek wordt bevestigd door de buren en verbalisanten, die kort na het incident zagen hoe hevig overstuur zij was. De hevige gemoedsbeweging heeft een doorslaggevende rol gespeeld bij haar handelen.

Zowel het beroep op noodweer, als het beroep op noodweerexces kunnen naar het oordeel van de rechtbank, in overeenstemming met het standpunt van de officier van justitie, niet slagen, hetgeen hierna zal worden toegelicht.

De rechtbank stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op noodweer is vereist dat er sprake is van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van het eigen lijf of dat van iemand anders, de eerbaarheid of een goed, waartegen een noodzakelijke verdediging is geboden. Die verdediging mag de grenzen van de subsidiariteit en proportionaliteit niet overschrijden. Voor het slagen van een beroep op noodweer is voldoende dat de verdediging aannemelijk maakt dat de feitelijke omstandigheden die zo’n situatie opleveren zich hebben voorgedaan. Een geslaagd beroep op noodweer heeft tot gevolg dat de bewezenverklaarde handelingen niet strafbaar zijn.

Voor noodweerexces geldt dat van een verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging slechts sprake kan zijn indien:

Een geslaagd beroep op noodweerexces heeft tot gevolg dat geen schuld kan worden verweten aan de verdachte.

De rechtbank gaat uit van de volgende, aan wettige bewijsmiddelen ontleende, feiten en omstandigheden.

Tussen verdachte en haar zoon [slachtoffer] ontstond voorafgaand aan het steken een (hevige) woordenwisseling. Kort daarna is verdachte naar de keuken gegaan. Op dat moment was van een woordenwisseling geen sprake meer. Verdachte zat korte tijd in de keuken. Toen zij brood wilde gaan snijden, kwam [slachtoffer] vanuit de woonkamer naar de keuken gelopen. Verdachte raakte hierdoor in paniek en werd overspoeld door angst. Zij heeft daarop een mes van het aanrecht gepakt en [slachtoffer] , op het moment dat hij zich van de keuken verwijderde en met zijn rug naar haar toe was gekeerd, meerdere keren gestoken.

De rechtbank acht op grond van het voorgaande niet aannemelijk geworden dat sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanval waartegen verdachte zich moest verdedigen. Hoewel de situatie in haar beleving mogelijk (zeer) beangstigend of dreigend was, is van een onmiddellijk dreigend gevaar voor aanranding van haar lijf niet gebleken. De woordenwisseling was al beëindigd en evenmin is gebleken dat [slachtoffer] zich op dreigende wijze tot haar heeft gewend of dreigend op haar is afgelopen op het moment dat zij zich in de keuken bevond. De omstandigheid dat verdachte heeft gestoken terwijl [slachtoffer] zich van haar afwendde en wegliep, bevestigt naar het oordeel van de rechtbank dat er geen onmiddellijk dreigend gevaar voor aanranding bestond. De rechtbank verwerpt dan ook het beroep op noodweer. Nu geen sprake is geweest van een noodweersituatie, verwerpt zij ook het beroep op noodweerexces.

Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit en de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Het bewezenverklaarde levert op:

primair

het misdrijf: poging tot doodslag.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van zeventien dagen met aftrek van de tijd die zij in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en een taakstraf van 100 uren. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf van achttien maanden met een proeftijd van drie jaren en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering op te leggen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht om, nu verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging en haar om die reden geen straf kan worden opgelegd, haar ook geen maatregel op te leggen.

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.

Aard en ernst van het feit

Verdachte heeft op 28 april 2024 haar zoon [slachtoffer] meerdere keren met een mes in zijn lichaam gestoken. Zij heeft daarmee het leven van [slachtoffer] in gevaar gebracht, zijn lichamelijke integriteit ernstig geschonden en angst en paniek bij hem veroorzaakt.

Als gevolg van het steekincident heeft [slachtoffer] verwondingen opgelopen en ondervindt hij soms nog steeds lichamelijke klachten, waaronder vlekken in zijn gezichtsveld. Daarnaast heeft het handelen van verdachte diepe psychische sporen bij hem achtergelaten. Tijdens het uitoefenen van het spreekrecht heeft [slachtoffer] naar voren gebracht dat de gebeurtenis op 28 april 2024 zijn leven ingrijpend heeft veranderd. Zijn gevoel van veiligheid is aangetast en het vertrouwen dat hij in zijn moeder had, is geschonden. Na het incident moest [slachtoffer] ergens anders gaan wonen, omdat hij niet langer bij zijn moeder kon verblijven. Hij heeft sindsdien geen contact meer met haar gehad. Het doet hem pijn dat dit contact op deze wijze is beëindigd, ondanks de moeizame onderlinge relatie. Dit maakt dat hij somber naar de toekomst kijkt, aangezien zijn moeder daarin naar verwachting geen actieve rol meer zal spelen als gevolg van de ingrijpende gebeurtenis op 28 april 2024. Het opgelopen litteken in zijn gezicht vormt voor [slachtoffer] bovendien een voortdurende herinnering hieraan.

Hoewel tijdens de zitting voor de rechtbank zichtbaar was dat de situatie verdachte veel verdriet doet, verandert dit niets aan de ernst van haar handelen en de impact daarvan op haar zoon.

De rechtbank is van oordeel dat de aard en ernst van het gepleegde feit, de gevolgen daarvan voor [slachtoffer] alsmede de maatschappelijke onrust die door het feit is veroorzaakt, in beginsel maken dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats is. De rechtbank acht een dergelijke straf in deze zaak echter niet passend. De rechtbank zal hierna nader op deze afweging ingaan.

Persoon van verdachte

- Justitiële Documentatie

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van verdachte van 17 december 2025. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld.

- Rapportages

De rechtbank heeft gelet op de rapportage van de psycholoog van 13 december 2024. Hieruit blijkt het volgende.

Verdachte is opgegroeid in een gezin met een dominante vader, waarin zij slachtoffer is geweest van geweld. Verdachte omschrijft zichzelf als een zorgzame en beschermende moeder, voor wie haar zoon [slachtoffer] altijd centraal heeft gestaan. Vanaf de puberteit van [slachtoffer] ontstonden er echter geleidelijk problemen, zoals toenemende irritaties, dreigementen en agressief gedrag. Verdachte verloor uiteindelijk de grip op hem en er ontstond een conflictueuze en gewelddadige relatie, waarbij ook Veilig Thuis in beeld is gekomen. Bij verdachte werd door verschillende instanties een toenemend depressief beeld waargenomen, evenals angst- en paniekaanvallen en mogelijk waanachtige gedachten in relatie tot het contact met haar zoon.

De psycholoog heeft gerapporteerd dat bij verdachte sprake is van een depressieve stoornis met angstige spanning, hechtingsproblematiek en een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis. Verder zijn ook kenmerken van een autismespectrumstoornis aanwezig. De voornoemde stoornissen waren aanwezig tijdens het plegen van het feit waardoor verdachte haar wil verminderd kon bepalen. De deskundige adviseert om die reden het feit in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.

De rechtbank deelt de conclusie van de deskundige over de verminderde toerekenbaarheid en neemt deze over.

Uit de rapportage volgt verder dat het recidiverisico op gewelddadig gedrag als laag tot matig wordt ingeschat, nu verdachte momenteel geen contact heeft met [slachtoffer] . Haar kwetsbaarheid ligt in een disfunctionele persoonlijkheidsdynamiek, waarbij zij negatieve gevoelens opkropt, onvoldoende copingmechanismen heeft, instabiel is en beperkt reageert op geboden hulp. Verdachte volgde op het moment van het schrijven van het rapport een ambulante behandeling bij Transfore. Deze behandeling was onder meer gericht op het verminderen van risicofactoren, het versterken van de identiteitsontwikkeling en hanteringsvaardigheden (coping) alsmede traumaverwerking. De deskundige achtte het van belang dat verdachte deze lopende behandeling zou voortzetten, om het verwachte recidiverisico te beperken.

De rechtbank heeft ook acht geslagen op het reclasseringsadvies van 30 april 2025, waaruit blijkt dat de ambulante behandeling bij Transfore, die in juli 2024 is gestart, goed is verlopen. Verdachte toonde een open, gemotiveerde en meewerkende houding en volgde wekelijks behandeling. Op de zitting is naar voren gekomen dat verdachte deze behandeling inmiddels positief heeft afgerond. De reclassering heeft bij verdachte meerdere beschermende factoren gesignaleerd, waaronder een stabiele huisvestingssituatie, een zinvolle daginvulling, een gezonde financiële situatie en een steunend sociaal netwerk. Verder is bij verdachte sprake van een prosociale houding en is zij responsief ten aanzien van gedragsinterventies. De reclassering heeft destijds geadviseerd om aan verdachte een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden (meldplicht, ambulante behandeling bij Transfore en een contactverbod met [slachtoffer] ) op te leggen.

Op te leggen straf

De rechtbank houdt er bij het opleggen van de straf rekening mee dat het strafbare feit heeft plaatsgevonden binnen de context van een jarenlang aanhoudende, complexe en gewelddadige relatie tussen verdachte en [slachtoffer] . Verdachte heeft in de periode daarna intensief aan zichzelf gewerkt door behandeling te volgen, die zij inmiddels positief heeft afgerond. Verder speelt mee dat het feit ruim anderhalf jaar geleden heeft plaatsgevonden en dat de kans op herhaling klein wordt geacht, nu er geen contact is tussen verdachte en [slachtoffer] . Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf heeft naar verwachting een zeer nadelige invloed op het leven van verdachte, met een verdere verslechtering van haar psychische gesteldheid tot gevolg, waarbij de aanwezige beschermende factoren eveneens zouden wegvallen. De rechtbank acht dit niet wenselijk en ziet daarom in deze zaak af van het opleggen van een langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf dan het voorarrest.

In overeenstemming met het standpunt van de officier van justitie acht de rechtbank het passend en geboden om, naast een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest, aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf van achttien maanden met een proeftijd van drie jaren op te leggen. Gelet op de ernst van het feit legt de rechtbank daarnaast aan verdachte de maximale taakstraf van 240 uren op. De rechtbank verbindt aan voormelde proeftijd enkel de meldplicht als bijzondere voorwaarde, omdat zij voor het opleggen van een ambulante behandeling en een contactverbod geen aanleiding en noodzaak meer ziet.

Voorlopige hechtenis

De rechtbank zal het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.

6. De schade van de benadeelde partij

De vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van (afgerond)

€ 33.800,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan.

De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:

€ 995,00 - jas (merk Moncler);

€ 385,00 - eigen risico 2024;

€ 342,75 - eigen risico 2025;

€ 79,55 - tandheelkundige behandeling.

Ter vergoeding van immateriële schade wordt een bedrag van € 32.000,00 gevorderd.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich voor wat betreft de hoogte van de schadevergoeding gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, primair vanwege dat door haar ontslag van alle rechtsvervolging is bepleit en subsidiair wegens eigen schuld aan de zijde van [slachtoffer] . Voor zover de rechtbank de raadsvrouw niet volgt in dit standpunt, heeft zij het volgende aangevoerd. Primair dient de opgevoerde schadepost ‘jas’ te worden afgewezen, nu deze geen dagwaarde meer heeft. Subsidiair kan een bedrag van € 150,00 worden toegewezen. Ten aanzien van de schadepost ‘tandheelkundige behandeling’ dient [slachtoffer] niet-ontvankelijk te worden verklaard, nu deze post onvoldoende is onderbouwd. Met betrekking tot de overige materiële schadeposten heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Tot slot heeft de raadsvrouw verzocht de immateriële schade te matigen tot een bedrag van maximaal

€ 3.500,00.

Het oordeel van de rechtbank

- Eigen schuld

Er is, anders dan de raadsvrouw stelt, niet gebleken van een verwijtbare gedraging aan de zijde van [slachtoffer] waardoor zijn schade (mede) zou zijn ontstaan.

- Materiële schade

De opgevoerde schadeposten ‘eigen risico 2024’ en ‘eigen risico 2025’ zijn voldoende onderbouwd, aannemelijk en niet betwist. De rechtbank zal deze gevorderde bedragen van respectievelijk € 385,00 en € 342,75 toewijzen.

De opgevoerde schadepost ‘jas’ is door de verdediging gemotiveerd betwist. De rechtbank overweegt dat de betreffende jas, gelet op de aanschafdatum, inmiddels is afgeschreven en geen dagwaarde meer heeft. De rechtbank zal de vordering die ziet op deze schadepost daarom afwijzen.

De opgevoerde schadepost ‘tandheelkundige behandeling’ is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende komen vast te staan, nu deze schade onvoldoende is onderbouwd en door de verdediging gemotiveerd is betwist. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om deze schadepost alsnog nader te onderbouwen, levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal de benadeelde partij die gelegenheid niet bieden en de benadeelde partij daarom in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren.

- Immateriële schade

Op grond van artikel 6:106, eerste lid, BW heeft de benadeelde partij recht op een vergoeding van de immateriële schade, nu hij als rechtstreeks gevolg van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen. Het feit heeft bovendien psychische gevolgen voor [slachtoffer] gehad. Bij het bepalen van de hoogte van de schade heeft de rechtbank rekening gehouden met wat in soortgelijke zaken wordt toegekend. Gelet op de feiten en omstandigheden in deze zaak stelt de rechtbank de immateriële schade naar billijkheid vast op het bedrag van

€ 8.000,00. De gevorderde immateriële schade komt daarmee gedeeltelijk voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank overweegt dat gelet op de betwisting van de (hoogte van de) schade en de in dat licht beperkte onderbouwing, een hogere immateriële schade nadere onderbouwing behoeft. Dat is echter een onevenredige belasting van het strafproces. De rechtbank zal de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.

De schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het feit is toegebracht.

Als door de verdachte niet volledig wordt betaald, kan deze verplichting worden aangevuld met 68 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.

7. De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d Sr.

8. De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders primair is ten laste gelegd en spreekt haar daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

primair, het misdrijf: poging tot doodslag;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het primair bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden en 17 (zeventien) dagen;

- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 18 (achttien) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de algemene voorwaarde niet is nagekomen dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De rechter kan de tenuitvoerlegging ook gelasten indien verdachte gedurende de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende bijzondere voorwaarde niet is nagekomen dat zij:

- zich gedurende de proeftijd meldt bij de reclassering, op het adres [adres 3] of telefonisch bij haar toezichthouder mevrouw [naam] . Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

- draagt de reclassering op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarde en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;daarbij gelden als voorwaarden van rechtswege dat verdachte:

- ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren;

- beveelt, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen;

schadevergoeding

- veroordeelt verdachte ter zake van het primair bewezenverklaarde tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van een bedrag van in totaal € 8.727,75 (achtduizend zevenhonderdzevenentwintig euro en vijfenzeventig cent), bestaande uit

€ 727,75 (zevenhonderdzevenentwintig euro en vijfenzeventig cent) materiële schadevergoeding en € 8.000,00 (achtduizend euro) immateriële schadevergoeding. Voormeld bedrag is te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 april 2024 over € 8.385,00, vanaf 3 april 2025 over € 228,76 en vanaf 3 juli 2025 over € 113,99;

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij

[slachtoffer] gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van het primair bewezenverklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van

€ 8.727,75 (achtduizend zevenhonderdzevenentwintig euro en vijfenzeventig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 april 2024 over € 8.385,00, vanaf 3 april 2025 over € 228,76 en vanaf 3 juli 2025 over € 113,99, ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 68 (achtenzestig) dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;

opheffing bevel voorlopige hechtenis

- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op met ingang van heden.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.S. de Waard, voorzitter, mr. P.M.F. Schreurs en

mr. D.K. ten Cate, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.R. Kuiper, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2026.

Mrs. De Waard en Ten Cate zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. M.S. de Waard
  • mr. P.M.F. Schreurs
  • mr. D.K. ten Cate

Griffier

  • mr. S.R. Kuiper

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?