RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 71.140831.23
Datum vonnis: 24 februari 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1947 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres] .
1. Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 10 februari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsvrouw mr. A.B. Vissers, advocaat in Amsterdam, naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan:
feit 1: medeplegen van primair het opmaken van valselijke facturen, met het doel om deze geschriften als echt en onvervalst (door anderen) te (laten) gebruiken subsidiair deze facturen opzettelijk voorhanden hebben;
feit 2: medeplegen van het (gewoonte)witwassen van een bedrag van ongeveer € 404.591,22 (in de uitoefening van zijn beroep en/of bedrijf).
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
1 Hij in of omstreeks de periode 1 januari 2014 tot en met 1 februari 2023, te Soesterberg en/of te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, een of meer geschriften, te weten één of meerdere facturen van eenmanszaak [eenmanszaak] gericht aan [bedrijf 1] B.V. en/of [bedrijf 2] en/of [bedrijf 3] en/of [bedrijf 4] B.V. en/of [bedrijf 5] B.V. en/of [bedrijf 6] en/of [bedrijf 7] B.V. en/of [bedrijf 8] en/of [bedrijf 9] en/of [bedrijf 10] B.V. en/of [naam] en/of [bedrijf 12] en/of [bedrijf 13] , die (telkens) bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst, door valselijk en in strijd met de waarheid op de facturen fictief verrichte werkzaamheden en/of fictieve data en/of fictieve kosten en/of onjuiste gegevens te vermelden, met het oogmerk om deze geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
Hij in of omstreeks de periode 1 januari 2014 tot en met 1 februari 2023, te Soesterberg, en/of te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, opzettelijk valse en/of vervalste geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten één of meerdere facturen van eenmanszaak [eenmanszaak] gericht aan [bedrijf 1] B.V. en/of [bedrijf 2] en/of [bedrijf 3] en/of [bedrijf 4] B.V. en/of [bedrijf 5] B.V. en/of [bedrijf 6] en/of [bedrijf 7] B.V. en/of [bedrijf 8] en/of [bedrijf 9] en/of [bedrijf 10] B.V. en/of [naam] en/of [bedrijf 12] en/of [bedrijf 13] , heeft afgeleverd en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, en/of zijn medeverdachte(n), wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die geschriften bestemd waren om gebruik van te maken als ware deze echt en onvervalst;
2 Hij in of omstreeks de periode 1 januari 2014 tot en met 1 februari 2023, te Soesterberg, en/of te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, van voorwerpen, te weten geldbedragen tot een totaal van (ongeveer) € 404.591,22, althans 85% van voornoemd bedrag, en wel: - één of meerdere geldbedrag(en) tot een totaalbedrag van € 236.585,25 ( [bedrijf 1] B.V.), en/of - één of meerdere geldbedrag(en) tot een totaalbedrag van € 31.227,50 ( [bedrijf 2] ), en/of - één of meerdere geldbedrag(en) tot een totaalbedrag van € 15.565,00 ( [bedrijf 3] ), en/of - één of meerdere geldbedrag(en) tot een totaalbedrag van € 65.132,71 ( [bedrijf 4] B.V.), en/of - één of meerdere geldbedrag(en) tot een totaalbedrag van € 15.338,73 ( [bedrijf 5] B.V.), en/of - één of meerdere geldbedrag(en) tot een totaalbedrag van € 3.083,22 ( [bedrijf 6] ), en/of - één of meerdere geldbedrag(en) tot een totaalbedrag van € 4.047,45 ( [bedrijf 7] B.V.), - één of meerdere geldbedrag(en) tot een totaalbedrag van € 9.994,30 ( [bedrijf 8] ), en/of - één of meerdere geldbedrag(en) tot een totaalbedrag van € 12.190,75 ( [bedrijf 9] ), en/of - één of meerdere geldbedrag(en) tot een totaalbedrag van € 5.190,91 ( [bedrijf 10] B.V.), en/of - één of meerdere geldbedrag(en) tot een totaalbedrag van € 2.710,40 ( [naam] ) en/of - één of meerdere geldbedrag(en) tot een totaalbedrag van € 2.400,00 ( [bedrijf 12] ), en/of - één of meerdere geldbedrag(en) tot een totaalbedrag van € 1.125,00 ( [bedrijf 13] ), althans, telkens een of meerdere geldbedragen, althans een of meer voorwerpen, - de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, dan wel - heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat /die voorwerp (en) was/waren, en/of - heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of gebruik heeft gemaakt terwijl hij, verdachte, en/of zijn medeverdachte(n) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat die geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf;
en hij, verdachte, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, en hij, verdachte, zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen in de uitoefening van zijn beroep en/of bedrijf.
3. Het afdoeningsvoorstel
De overeenkomst
Op 21 januari 2026 is tussen verdachte en het Openbaar Ministerie een overeenkomst gesloten waarin procesafspraken zijn gemaakt over de strafzaak van verdachte. Deze door partijen ondertekende overeenkomst met bijlagen is gevoegd bij dit vonnis.
Het afdoeningsvoorstel houdt, zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang, in dat:
het Openbaar Ministerie zal rekwireren tot een bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten;
het Openbaar Ministerie zal oplegging vorderen van de navolgende straf:
a. een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis;
b. een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden, met een proeftijd van twee jaren;
c. een geldboete ter hoogte van € 35.000,00, te vervangen door 210 dagen hechtenis;
de verdediging geen bewijs-, ontvankelijkheids- of strafmaatverweren voert;
de verdediging geen onderzoekswensen indient;
de verdachte geen (nadere) verklaring hoeft af te leggen;
de verdachte zich niet aan de tenuitvoerlegging van de straf zal onttrekken;
de verdediging en het Openbaar Ministerie geen hoger beroep instellen indien derechtbank komt tot een bewezenverklaring en strafoplegging conform de tussen deverdachte/verdediging en het Openbaar Ministerie gemaakte afspraken;
het Openbaar Ministerie geen ontnemingsvordering aanhangig zal maken in verbandmet deze strafzaak.
De beoordeling van het afdoeningsvoorstel
Bij de beoordeling van het afdoeningsvoorstel heeft de rechtbank het door de Hoge Raad ontwikkelde kader als uitgangspunt genomen.
Tijdens de inhoudelijke behandeling van de strafzaak op de terechtzitting van 10 februari 2026 is het hiervoor weergegeven afdoeningsvoorstel uitgebreid en indringend met verdachte besproken in aanwezigheid van zijn raadsvrouw. Verdachte heeft ter terechtzitting te kennen gegeven goed te hebben begrepen wat de gemaakte procesafspraken inhouden en wat de gevolgen daarvan voor hem en zijn strafzaak kunnen zijn. Hij heeft aangegeven volledig achter dit voorstel te staan, deze overeenkomst vrijwillig te zijn aangegaan en op geen enkele wijze onder druk te zijn gezet. Ook is duidelijk geworden dat de verdachte bij het hele proces om tot dit voorstel te komen, steeds voorzien is geweest van rechtskundige bijstand.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank tot de overtuiging gekomen dat de verdachte vrijwillig en op basis van voor hem voldoende duidelijke informatie is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing om mee te werken aan wat in het afdoeningsvoorstel is overeengekomen. De rechtbank stelt daarnaast vast dat de verdachte zich bewust is van de rechtsgevolgen van de in de overeenkomst neergelegde procesafspraken en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten. Daarmee is tevens voldaan aan de eisen die artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) stelt.
Het afdoeningsvoorstel komt daarmee voor een beoordeling door de rechtbank in aanmerking. De rechtbank benadrukt dat zij geen partij is bij de totstandkoming van het afdoeningsvoorstel en daaraan dus ook niet gebonden is. De rechtbank heeft een eigen verantwoordelijkheid en dat betekent dat bij de behandeling op de zitting de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 Wetboek van Strafvordering (Sv) leidend is geweest, meer in het bijzonder wat betreft het bewijs en de straf.
Dat in acht nemend komt de rechtbank tot de volgende beoordeling van de strafzaak tegen verdachte.
4. Het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is voor een bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. Ter zitting heeft de officier van justitie gerekwireerd tot vrijspraak op een aantal onderdelen, hetgeen hij ook voor ogen had bij de totstandkoming van dit voorstel.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging wijst op de gemaakte procesafspraken en voert geen bewijsverweer. De verdachte betwist de ten laste gelegde feiten niet. Ter zitting heeft de verdediging gepleit dat zij zich kan vinden in de door het Openbaar Ministerie gevorderde vrijspraak op die onderdelen. In de visie van de verdediging past dit binnen het afdoeningsvoorstel zoals voorligt.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:
1hij in de periode van 1 januari 2014 tot en met 1 februari 2023 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen meermalen geschriften, te weten meerdere facturen van eenmanszaak [eenmanszaak] gericht aan [bedrijf 1] B.V. en/of [bedrijf 2] en/of [bedrijf 3] en/of [bedrijf 4] B.V. en/of [bedrijf 6] en/of [bedrijf 7] B.V. en/of [bedrijf 8] , die (telkens) bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt door valselijk en in strijd met de waarheid op de facturen fictief verrichte werkzaamheden en/of fictieve data en/of fictieve kosten en/of onjuiste gegevens te vermelden, met het oogmerk om deze geschriften als echt en onvervalst door anderen te doen gebruiken;
2hij in de periode van 1 januari 2014 tot en met 1 februari 2023 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen van voorwerpen, te weten geldbedragen tot een totaal van € 365.635,43, en wel:- één of meerdere geldbedrag(en) tot een totaalbedrag van € 236.585,25 ( [bedrijf 1] B.V.), en/of- één of meerdere geldbedrag(en) tot een totaalbedrag van € 31.227,50 ( [bedrijf 2] ), en/of- één of meerdere geldbedrag(en) tot een totaalbedrag van € 15.565,00 ( [bedrijf 3] ), en/of- één of meerdere geldbedrag(en) tot een totaalbedrag van € 65.132,71 ( [bedrijf 4] B.V.), en/of- één of meerdere geldbedrag(en) tot een totaalbedrag van € 3.083,22 ( [bedrijf 6] ), en/of- één of meerdere geldbedrag(en) tot een totaalbedrag van € 4.047,45 ( [bedrijf 7] B.V.),- één of meerdere geldbedrag(en) tot een totaalbedrag van € 9.994,30 ( [bedrijf 8] ),- de werkelijke aard en herkomst heeft verhuld
terwijl hij, verdachte, en/of zijn medeverdachten wisten, dat die geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf;
en hij, verdachte, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt,en hij, verdachte, zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen in de uitoefening van zijn beroep en bedrijf;
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij daarvan zal vrijspreken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Het vonnis zal in die gevallen waarin de wet dit vereist worden aangevuld met een later bij dit vonnis te voegen bijlage met daarin de inhoud dan wel de opgave van de bewijsmiddelen.
5. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 47, 225, 420bis, 420ter van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:
feit 1
het misdrijf: medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;
feit 2
het misdrijf: medeplegen van een gewoonte maken van het plegen van witwassen
en
medeplegen van het plegen van witwassen in de uitoefening van zijn beroep/bedrijf.
6. De strafbaarheid van verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.
7. De op te leggen straf of maatregel
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft – conform het afdoeningsvoorstel – gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot:
een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis;
een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden, met een proeftijd van twee jaren;
een geldboete ter hoogte van € 35.000,00, te vervangen door 210 dagen hechtenis.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft gewezen op de gemaakte procesafspraken en heeft geen strafmaatverweer gevoerd. De verdediging heeft de rechtbank verzocht de strafeis van de officier van justitie te volgen.
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
De ernst van de feiten
De verdachte heeft samen met zijn zoon er een gewoonte van gemaakt het witwassen van geld in de uitoefening van zijn beroep als boekhouder en vanuit het bedrijf [bedrijf 14] en/of [bedrijf 15] . Dit deden zij door de werkelijke aard en herkomst van de hiervoor bewezenverklaarde opgesomde bedragen te verhullen door valselijk facturen van eenmanszaak ‘ [eenmanszaak] ’ gericht aan verschillende bedrijven op te maken. Hiermee hebben de verdachten een grote hoeveelheid van misdrijf afkomstig geld in de economie gepompt. Dit witwassen vormt een bedreiging voor de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Daarnaast werkt het faciliterend voor ander strafbaar handelen. Ook wordt hierdoor de Staat, en daarmee dus ook de samenleving, benadeeld, omdat over die criminele inkomsten geen belasting wordt betaald.
Tot slot heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan valsheid in geschrifte door facturen te vervalsen ten behoeve van het witwassen. Door deze vervalste geschriften op te maken en door anderen te doen gebruiken heeft verdachte het vertrouwen, dat in het financiële en economisch verkeer in dergelijke stukken moet kunnen worden gesteld, geschaad.
De persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie betreffende verdachte van 3 december 2025. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.
Verdachte heeft op de terechtzitting naar voren gebracht dat hij twintig uur per week bij het bedrijf van zijn (andere) zoon werkt en dat zij allerlei aanpassingen hebben gedaan in de werkprocessen om te voorkomen dat een situatie als deze nogmaals voorkomt. Verdachte heeft toegelicht veel spijt te hebben.
De strafoplegging
Gelet op het voorgaande zou de rechtbank in beginsel een forse (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden achten. De rechtbank is van oordeel dat het afdoeningsvoorstel in onderhavige zaak nopen tot een andere afweging die resulteert in een lagere straf. Zij overweegt daartoe als volgt. Een matiging van de straf in dit geval is gerechtvaardigd, omdat verdachte heeft meegewerkt aan een procedure die uiteindelijk tot efficiëntere rechtspleging heeft geleid. De verdediging heeft geen onderzoekswensen ingediend, waardoor de rechter-commissaris geen verder onderzoek heeft moeten verrichten. De behandeling van de strafzaak tijdens het onderzoek ter zitting is voortvarend verlopen, nu als gevolg van het afdoeningsvoorstel geen inhoudelijke verweren zijn gevoerd. Bovendien wordt door naleving van de overeenkomst een hoger beroep voorkomen. Dit levert veel tijdswinst op en bespaart kostbare zittingscapaciteit. Naast deze proceseconomische belangen zorgt deze procedure er ook voor dat zaken eerder onherroepelijk zijn en opgelegde straffen sneller kunnen worden geëxecuteerd. Het afdoeningsvoorstel doet daarmee ook recht aan de belangen van de maatschappij.
De rechtbank is, alles afwegende, van oordeel dat de straf die in het afdoeningsvoorstel overeengekomen is onder de gegeven omstandigheden in redelijke verhouding staat tot de ernst en omvang van de feiten, alsook de rol die verdachte daarin heeft vertolkt. Daarnaast is de hoogte van de overeengekomen straf in soortgelijke zaken geen uitzondering. De in het afdoeningsvoorstel overeengekomen straf wordt door rechtbank in deze zaak als een passende vorm van strafafdoening beschouwd.
De rechtbank legt dan ook aan verdachte op:
een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis, met aftrek van de reeds ondergane tijd in voorarrest,
een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden, met een proeftijd van twee jaren en
een geldboete ter hoogte van € 35.000,00, te vervangen door 210 dagen hechtenis.
8. De toegepaste wettelijke voorschriften
De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 23, 24c, 57 Sr.
9. De beslissing
De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1
het misdrijf: medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;
feit 2
het misdrijf: medeplegen van een gewoonte maken van het plegen van witwassen
en
medeplegen van het plegen van witwassen in de uitoefening van zijn beroep/bedrijf;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 en 2 bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden;
- bepaalt dat deze gevangenisstraf in zijn geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren;
- beveelt, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 (honderd) dagen
- beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
- veroordeelt de verdachte tot betaling van een geldboete van € 35.000,00 (zegge: vijfendertig duizend euro);
- beveelt dat bij niet volledige betaling en verhaal van de geldboete, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 210 (tweehonderdtien) dagen.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.K. Huisman, voorzitter, mr. A.J. de Loor en mr. R. ter Haar, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K. Drenth, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2026.