Zaaknummer: 5632/HAZA 94-456.
V O N N I S
van de Arrondissementsrechtbank te Roermond in de zaak van:
Uitspraak:
24 november 1994.
1. [eiser sub 1] ,
2. [eiser sub 2] ,
echtgenote van [eiser sub 1] , beiden wonende te [adres 1] ,
eisers,
procureur: mr G.H. Ruhaak;
tegen:
1. [gedaagde sub 1] ,
2. [gedaagde sub 2] ,
echtgenote van [gedaagde sub 1] ,
beiden wonende te [adres 2] ,
gedaagden,
procureur: mr G.J. Lemmen.
1. Het verloop van de procedure:
Bij exploit van 13 april 1994 hebben [eisers] (verder te noemen: [eisers] ) [gedaagden] (verder te noemen [gedaagden] ) gedagvaard voor deze rechtbank. [eisers] hebben bij conclusie van eis gesteld en gevorderd overeenkomstig de dagvaarding.
[gedaagden] hebben geconcludeerd voor antwoord en daarbij 1 productie overgelegd.
Bij tussenvonnis van 11 augustus 1994 heeft de rechtbank een ge-rechtelijke plaatsopneming bevolen met betrekking tot de loop van de erfafscheiding tussen de percelen [adres 1] en [adres 2] .
Met het oog op de te houden descente hebben [gedaagden] op 5 september 1994 een tweetal kadastrale kaarten en een situatietekening in het geding gebracht.
De descente heeft plaatsgevonden op 15 september 1994. Partijen zijn bij die gelegenheid, behalve op het punt van de proceskosten, een minnelijke regeling overeengekomen. Van die regeling is proces-verbaal opgemaakt dat zich bij de stukken bevindt.
Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd ter fine van vonnis.
2. Het oordeel van de rechtbank:
Aanleiding voor het geschil tussen partijen vormde de vordering van [eisers] tot vaststelling van een nieuwe erfgrens tussen de percelen van partijen gelegen aan de [adres 1] en [adres 2] , met veroordeling van [gedaagden] in de proceskosten. [eisers] hebben daartoe aangevoerd dat de grensafscheiding tussen beide partijen hoogst merkwaardig verliep en dat zij recht en belang hebben bij vaststelling van een nieuwe erfgrens opdat bladeroverlast en belemmering van de privacy voorkomen kan worden. Bovendien stond die grens aan de door [eisers] voorgenomen bouw van een muur in de weg.
[gedaagden] hebben geconcludeerd tot afwijzing van de vordering, met veroordeling [eisers] in de proceskosten.
Partijen worden thans uitsluitend nog verdeeld gehouden over de vraag wie in de proceskosten dient te worden veroordeeld. Voor het antwoord op deze vraag is doorslaggevend aan wiens zijde het gelijk in het geschil ten gronde zou hebben gelegen wanneer partijen geen regeling zouden zijn overeengekomen.
Kort gezegd komt het geschil er op neer dat de erfgrens tussen de percelen van partijen ''schuin" loopt, terwijl [eisers] een "rechte" grens wensen.
De feiten, die [eisers] daartoe bij conclusie van eis en ter descente hebben aangevoerd, kunnen een vordering op grondslag van de wet evenwel niet dragen, zodat die vordering zou zijn afgewezen. Dat betekent dat [eisers] zullen worden veroordeeld in de kosten, aan de zijde van [gedaagden] in deze procedure gevallen.
BESLISSING:
De rechtbank:
Veroordeelt [eisers] in de proceskosten aan de zijde van [gedaagden] gevallen, welke kosten tot op heden worden begroot op een totaal van f 1.710,- (EENDUIZEND ZEVENHONDERD TIENGULDEN).
Wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.M.P. Brouns en ter openbare civiele terechtzitting van 24 november 1994 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.
type: MB/JH
coll: