ECLI:NL:RBROT:2014:3917

ECLI:NL:RBROT:2014:3917, Rechtbank Rotterdam, 27-03-2014, AWB-13_05583

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 27-03-2014
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer AWB-13_05583
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:CBB:2015:215
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 3 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537

Samenvatting

Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000. Vervolg op ECLI:NL:RBROT:2008:BD7209 en ECLI:NL:CBB:2009:BI1673. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht omdat verweerster daarin niet is ingegaan op twee door het College van Beroep voor het bedrijfsleven genoemde punten. De rechtbank laat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Eiser heeft verklaard dat aansluiting bij het andere pensioenfonds niet verplicht is gesteld, dat hij zich niet bij dat fonds heeft aangesloten en ook niet van plan is dat te doen. Een eerdere ingangsdatum van de (onverplichte) beëindiging van de verplichte aansluiting bij verweerster is onder deze omstandigheden in strijd met het wettelijk stelsel van verplichte aansluiting, waarin de bescherming van werknemers een belangrijk uitgangspunt is. Verweerster was dan ook niet gehouden de aansluiting met ingang van een eerdere datum te beëindigen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 maart 2014 in de zaak tussen

[a], handelend onder de naam [b] te [c], eiser,

Team Bestuursrecht 2

zaaknummer: ROT 13/5583

gemachtigde: mr. A.J.C. Linssen,

en

de stichting Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Detailhandel, verweerster,

gemachtigde: mr. S. Leurink.

Procesverloop

Bij besluit van 30 juli 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerster, ter uitvoering van de uitspraak van 9 april 2009 (ECLI:NL:CBB:2009:BI1673) van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb), het bezwaar van eiser tegen het besluit van 11 mei 2006 (het primaire besluit) ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 januari 2014. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.A. Jhoeri.

Overwegingen

Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure voorafgaand aan het instellen van het beroep, het wettelijk kader en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank van 27 juni 2008 (ECLI:NL:RBROT:2008:BD7209) en de hiervoor vermelde uitspraak van het CBb.

Bij het primaire besluit heeft verweerster de aansluiting van eiser met ingang van 1 januari 2007 beëindigd omdat aansluiting bij de Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Informatie-, communicatie- en kantoortechnologiebranche (Bpf ICK) meer in de rede ligt, ook al is verweerster ouder dan het Bpf ICK en is aansluiting bij verweerster verplicht.

In zijn uitspraak van 9 april 2009 heeft het CBb onder 5.6 overwogen dat verweerster alsnog moet beslissen op het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit, waarbij het CBb ervan uitgaat dat verweerster zich zal uitlaten over de wettelijke grondslag voor het beëindigen van de verplichte deelneming per 1 januari 2007 en zal toelichten waarom verweerster deze beëindiging niet met ingang van een eerdere datum heeft (kunnen) doen ingaan.

Bij het bestreden besluit heeft verweerster het primaire besluit gehandhaafd. Daartoe heeft verweerster overwogen dat de aansluiting van eiser met ingang van 1 januari 2007 is beëindigd, omdat een aansluiting nooit onverplicht met terugwerkende kracht wordt beëindigd. Verweerster merkt in het bestreden besluit op dat geen getalsmatig criterium geldt bij de vaststelling of sprake is van detailhandel. Dat de verkoop van software slechts een klein gedeelte van de omzet van eiser vormt, neemt dan ook niet weg dat hij verplicht is aangesloten bij verweerster. Eiser heeft de premiefacturen aanvankelijk ook zonder protest betaald.

Het betoog van eiser dat het bestreden besluit niet is genomen met inachtneming van de uitspraak van het CBb, nu verweerster zich daarin niet heeft uitgelaten over de wettelijke grondslag voor het beëindigen van de verplichte deelname en niet heeft gemotiveerd waarom deze beëindiging niet met ingang van een eerdere datum mogelijk is, slaagt. Over de door het CBb bedoelde wettelijke grondslag heeft verweerster zich in het bestreden besluit in het geheel niet uitgelaten. De overweging in het bestreden besluit dat een aansluiting nooit onverplicht met terugwerkende kracht wordt beëindigd is geen toereikend gemotiveerde reactie op het bezwaar van eiser op dit punt.

Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank zal bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand blijven en overweegt hiertoe het volgende.

Ter zitting heeft verweerster verklaard dat de verplichte aansluiting van eiser uit coulance onverplicht is beëindigd, ook al ontbreekt daarvoor een wettelijke grondslag. Hiermee is afdoende verklaard waarom verweerster in het bestreden besluit geen wettelijke grondslag heeft genoemd. Voor zover moet worden geoordeeld dat verweerster wegens het ontbreken van een wettelijke grondslag niet bevoegd was de aansluiting van eiser te beëindigen, zal de rechtbank daar geen gevolgen aan verbinden, omdat eiser anders in een ongunstigere positie zou komen dan waarin hij door het primaire besluit is gebracht.

Ter zitting heeft eiser verklaard dat aansluiting bij het Bpf ICK niet verplicht is gesteld, dat hij zich niet bij dat fonds heeft aangesloten en dat hij vanwege de daarmee gemoeide kosten ook niet van plan is dat te doen. Eiser heeft desgevraagd verklaard dat voor zijn werknemers ook geen andere pensioenvoorziening is getroffen. In reactie hierop heeft verweerster ter zitting terecht opgemerkt dat eiser gelet hierop geen aanspraak kan maken op beëindiging van de aansluiting bij verweerster met terugwerkende kracht op grond van het argument dat het Bpf ICK beter aansluit bij eisers bedrijfsactiviteiten dan verweersters pensioenfonds. Ook overigens bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerster hiertoe gehouden was. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat eiser in beroep niet langer gemotiveerd betwist dat hij verplicht was aangesloten bij verweerster. Onverplichte beëindiging van deze verplichte aansluiting met terugwerkende kracht is in strijd met het wettelijk stelsel van verplichte aansluiting bij bedrijfstakpensioenfondsen, waarin bescherming van werknemers een belangrijk uitgangspunt is. Voorts heeft verweerster ter zitting toegelicht dat voor beëindiging per 1 januari 2007 is gekozen omdat het Bpf ICK in 2006 verplichtstelling heeft aangevraagd en verweerster bij het nemen van het primaire besluit, naar later bleek ten onrechte, aannam dat die verplichtstelling er zou komen. Gelet op deze feiten en omstandigheden, in samenhang bezien, staat naar het oordeel van de rechtbank thans voldoende vast dat verweerster niet gehouden is de aansluiting van eiser met ingang van een eerdere datum dan 1 januari 2007 te beëindigen.

Voor zover eiser in zijn beroepschrift verwijst naar eerder ingenomen standpunten zonder te concretiseren waarom het bestreden besluit in het licht daarvan onrechtmatig zou zijn, ziet de rechtbank daarin geen reden om niet te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand blijven.

Eiser voert terecht aan dat onbegrijpelijk is waarom het na de uitspraak van het CBb zo lang heeft geduurd voordat verweerster het bestreden besluit heeft genomen. Nu eiser ter zitting desgevraagd expliciet heeft verklaard dat de lange duur van de procedure voor hem geen reden is om schadevergoeding te vragen, ziet de rechtbank geen reden om gevolgen te verbinden aan de zeer lange duur van de bezwaarprocedure.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerster aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

De rechtbank veroordeelt verweerster in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 974,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 487,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Velzen, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Kleingeld-Top, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2014.

De griffier is verhinderd deze rechter

uitspraak mede te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl PJ 2014/182
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?