ECLI:NL:RBROT:2016:5924

ECLI:NL:RBROT:2016:5924, Rechtbank Rotterdam, 01-08-2016, ROT 15/8008 en ROT 16/1899

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 01-08-2016
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer ROT 15/8008 en ROT 16/1899
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Rotterdam
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:CRVB:2018:514
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 5 zaken
Aangehaald door 1 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0004045 BWBR0005537

Samenvatting

De rechtbank is van oordeel dat de beoordeling de in de vaste jurisprudentie omschreven toetsing doorstaat en voldoende grondslag biedt voor de conclusie dat eiser op alle onderdelen, zoals afgesproken in het verbeterplan, niet functioneert op het niveau van [functie], ondanks de ondersteuning en begeleiding die hem tijdens het verbetertraject door zijn leidinggevende en via externe coaching is verleend. Verweerder was bevoegd om eiser ontslag te verlenen op grond van artikel 8:6, eerste lid, van de CAR/UWO. De rechtbank volgt eiser niet in het betoog dat hem geen reële en eerlijke kans is geboden zijn functioneren te verbeteren, dat het verbeterplan teveel omvat, en dat sprake is van niet meetbare en niet reële doelstellingen.

Uitspraak

3. De beoordeling

Eiser voert aan dat zijn taken en werkzaamheden niet voldoende duidelijk zijn omschreven. Verder meent hij dat de beoordeling niet op voldoende gronden berust, omdat daaraan onjuiste en onvoldoende concrete feiten ten grondslag zijn gelegd.

Op grond van vaste jurisprudentie, waaronder de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 21 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:263, is de rechterlijke toetsing van de inhoud van een beoordeling beperkt tot de vraag of gezegd moet worden dat die beoordeling op onvoldoende gronden berust. Bij negatieve oordelen moet het betrokken bestuursorgaan met concrete feiten onderbouwen dat dat oordeel niet op onvoldoende gronden berust. Niet doorslaggevend is dan of ieder feit juist is vastgesteld of geduid, het gaat erom of het totale beeld van de beoordeling deze toetsing doorstaat.

De rechtbank stelt vast dat nog laatstelijk op 12 augustus 2014 een overzicht is opgesteld van de taakvelden c.q onderwerpen waarop de werkzaamheden van eiser in zijn functie van [f] zich toespitsen. Verder heeft verweerder in reactie op de aanvullende gronden van eiser aangegeven uit welke eerdere documenten blijkt van de taakinhoud van eiser en de wijze van actualisering daarvan alsmede dat die taakinhoud past binnen het functieprofiel van [d].

De rechtbank is op basis hiervan van oordeel dat bij eiser omtrent zijn taken en werkzaamheden geen onduidelijkheid kon bestaan. Deze beroepsgrond faalt dan ook.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat de bij bestreden besluit I gehandhaafde beoordeling de onder 3.2 omschreven toetsing doorstaat. Verweerder heeft de vastgestelde scores, resulterend in het eindoordeel ‘onvoldoende’, uitgebreid en aan de hand van talrijke concrete voorbeelden toegelicht. Hierdoor is een goed en reëel beeld van eisers functioneren ontstaan, dat voldoende grondslag biedt voor de conclusie dat eiser op alle onderdelen, zoals afgesproken in het verbeterplan, niet functioneert op het niveau van [d], ondanks de ondersteuning en begeleiding die hem tijdens het verbetertraject door zijn leidinggevende en via externe coaching is verleend.

Anders dan eiser, ziet de rechtbank geen reden voor twijfel aan de objectiviteit van de beoordeling. De beoordeling is opgesteld door eisers leidinggevende en vervolgens vastgesteld door een tweede persoon, te weten algemeen directeur [g]. Daar komt bij dat voor de beoordeling niet alleen de visie van de leidinggevende relevant was, maar dat tevens gebruik is gemaakt van het oordeel van informanten, waaronder de teamcoördinator, de wethouder, de gemeentesecretaris en het afdelingshoofd Regie. De rechtbank volgt eiser niet in de stelling dat aan de informatie afkomstig van de informanten geen waarde kan worden gehecht, omdat zij nauwelijks met hem zouden hebben samengewerkt. De door de informanten verstrekte informatie is in lijn met de signalen die door andere collega’s en door derden (van buitenaf) ten aanzien van eiser zijn afgegeven.

De beroepsgrond faalt.

4. Het ontslag

Op grond van artikel 8:6, eerste lid, van de CAR/UWO kan aan de ambtenaar ontslag worden verleend op grond van onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de vervulling van zijn functie, anders dan op grond van ziekten of gebreken.

Volgens vaste rechtspraak van de CRvB, waaronder de uitspraak van 24 december 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:4802), moet het bestuursorgaan ongeschiktheid voor het vervullen van een functie – zich uitend in het ontbreken van eigenschappen, mentaliteit en/of instelling die voor het op goede wijze vervullen van de functie vereist zijn – aantonen aan de hand van concrete gedragingen van de ambtenaar. Daarbij geldt dat een ontslag op de hiervoor genoemde grond in het algemeen niet toelaatbaar is als de ambtenaar niet op zijn functioneren of gedrag is aangesproken en in de gelegenheid is gesteld dit te verbeteren.

Eiser betoogt dat hem geen reële en eerlijke kans is geboden zijn functioneren te verbeteren. Het verbeterplan omvat teveel, niet meetbare en niet reële doelstellingen.

Eiser is door zijn leidinggevende niet constructief begeleid, waarbij hij wijst op de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 december 2012 (ECLI:NL:RBAMS:2012:BZ1074). Verder is de afgesproken beoordelingsperiode, die tot 1 maart 2015 zou duren, nooit feitelijk afgerond, doordat eiser per 22 januari 2015 is uitgevallen wegens ziekte.

De rechtbank volgt eiser niet in dit betoog. Al vanaf 2010 is eiser erop aangesproken dat zijn functioneren als [d] onvoldoende is en verbetering behoeft. Als ontwikkelpunten werden (ook toen al) genoemd: het functioneren op strategisch niveau (visie), het bijhouden van vakkennis en nieuwe ontwikkelingen, het tonen van een proactieve houding, analytisch vermogen, planning en structuur en mondelinge en schriftelijke communicatie. In 2011 is eiser een verbetertraject aangeboden, waarmee vanwege zijn arbeidsongeschiktheid wegens ziekte pas in 2012 kon worden gestart.

Van 13 september 2013 tot 1 juni 2014 was eiser wederom (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt. Medio 2014 is besloten hem opnieuw een kans te geven zijn functioneren te verbeteren, resulterend in een nieuw verbetertraject, met als uitgangspunt het geactualiseerde verbeterplan van 15 juli 2014.

Verder is de rechtbank, anders dan eiser, van oordeel dat het verbeterplan van 15 juli 2014 voldoende haalbare, concrete en goed meetbare doelstellingen omvat. De afspraken, zoals ook hiervoor onder 1.5. en 1.6 genoemd, zijn duidelijk en concreet geformuleerd en sluiten aan bij wat van een [d] mag worden verwacht. Aan de hand daarvan heeft verweerder tot het oordeel kunnen komen dat eiser niet binnen de hem gestelde termijn de afgesproken doelstellingen heeft behaald. Uit het dossier blijkt dat eiser tijdens overlegmomenten niet uit eigen beweging onderwerpen heeft aangedragen of benoemd die door hem zijn opgepakt. Verder is hij onvoldoende in staat gebleken de drie onderwerpen die hij in het kader van het verbetertraject zou oppakken, tijdig en volledig te onderzoeken en te analyseren. De presentatie over de rol en de positie van de Stichting [e] heeft eiser uiteindelijk niet gegeven. Met de Stichting heeft wel een overleg plaatsgevonden, maar dit heeft niet geresulteerd in een plan van aanpak. De ‘Notitie economie’ heeft eiser niet tot stand gebracht. Ook de notitie over overleggremia ondernemersveld [a] heeft eiser niet opgepakt. De bestuursopdracht voor de ‘Evaluatie werkgroep sociale cohesie’ is wel gereedgekomen, maar met teveel aanwijzingen en correcties. De ‘Evaluatie werkgroep sociale cohesie’ zelf is niet gerealiseerd.

Het aanbrengen van aanwijzingen en correcties in de door eiser aangeleverde stukken heeft de leidinggevende veel tijd gekost. Eiser heeft dan ook niet aangetoond over een ondernemende en proactieve houding, alsmede over analytisch vermogen te beschikken.

Dat het aantal uit te werken onderwerpen zonder inspraak van eiser zou zijn uitgebreid, van een naar drie, zoals hij stelt, mist feitelijke grondslag. Immers reeds volgens het plan van aanpak van 15 juli 2014 zou eiser in dat verband een drietal onderwerpen ter hand nemen. Van een taakverzwaring was naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake.

De rechtbank volgt eiser evenmin in de stelling dat het verbetertraject niet constructief was en dat hij daarin onvoldoende (door zijn leidinggevende) is begeleid.

Met eiser zijn wekelijks werkgesprekken en tweewekelijks voortgangsgesprekken gehouden, waarmee ook al voor het verbetertraject een aanvang was gemaakt.

Gedurende het verbetertraject is eiser tevens de gelegenheid geboden zich door twee externe coaches, waaronder een taalcoach, te laten bijstaan.

Uit de (veelvuldige) gespreksverslagen blijkt dat steeds met eiser is besproken welke vorderingen er zijn gemaakt, welke problemen hij signaleert en hoe deze kunnen worden opgelost en welke taken en onderwerpen nog ter hand genomen moeten worden. Mede in het licht van hetgeen onder 4.3.1. en 4.3.2. is overwogen, kan niet worden gezegd dat verweerder onvoldoende inspanningen heeft verricht om eiser in zijn verbetertraject intensief te begeleiden. Dat eiser een andere opvatting heeft over wat tijdens de gesprekken en contacten tussen hem, zijn leidinggevende en teamcoördinator is besproken, kan niet tot een ander oordeel leiden. Van een situatie als in de door eiser aangehaalde uitspraak van 11 december 2012 is geen sprake.

De rechtbank volgt eiser evenmin in de stelling dat de beoordelingsperiode niet feitelijk is gerealiseerd en te kort was. Met eiser was een verbetertraject afgesproken tot 1 maart 2015. Door de ziekmelding van eiser is het traject per 22 januari 2015 – na ruim vijfenhalve maand – gestuit. Dit vormt evenwel geen grond voor het oordeel dat eiser geen eerlijke kans heeft gehad.

Naar het oordeel van de rechtbank is de feitelijk gerealiseerde beoordelingsperiode, ook rekening houdend met eisers afwezigheid in oktober 2014, voor verweerder lang genoeg geweest om zich een goed en reëel beeld te kunnen vormen van eisers vorderingen op de afgesproken ontwikkelpunten en tot een afgewogen oordeel te komen over eisers functioneren. Eiser wist van aanvang af op welke punten zijn functioneren verbetering behoefde. Van hem mocht dan ook worden verwacht dat hij al ruim voor 22 januari 2015 een vergaande mate van ontwikkeling en realisatie van de afspraken had laten zien.

Ondanks de werkoverleggen, de voortgangsgesprekken, de begeleiding door externe coaches, de tussentijdse evaluatie in december 2014 en de finale waarschuwing van

23 december 2014 is eiser er niet in geslaagd zijn functioneren op alle competentiegebieden op het gewenste niveau van [d] te brengen. Verweerder mocht er dan ook vanuit gaan dat de beoogde verbetering van eisers functioneren, ook als het verbetertraject na eisers hersteld melding was voortgezet, redelijkerwijs uitgesloten was.

Voor zover eiser stelt dat hij tijdens het verbetertraject geen redelijke kans heeft gehad omdat sprake was van pesten en intimidatie van werkgeverszijde, is de rechtbank van oordeel dat eiser deze stelling niet aannemelijk heeft gemaakt.

De beroepsgrond faalt.

5. Uit het voorgaande volgt dat verweerder bevoegd was om aan eiser ontslag te verlenen op grond van artikel 8:6 van de CAR/UWO. In hetgeen eiser in zijn aanvullende gronden nog gedetailleerd naar voren heeft gebracht, en waarop verweerder ter zitting in zijn pleitnotitie gedetailleerd en gemotiveerd is ingegaan, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat verweerder in redelijkheid ervan had moeten afzien van die bevoegdheid gebruik te maken. Verweerder was evenmin verplicht een herplaatsingsonderzoek uit te voeren, alvorens tot ongeschiktheidsontslag over te gaan, nu daarvoor geen wettelijke grondslag bestaat (zie de uitspraken van de CRvB van 26 februari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH5437, en 19 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1833).

Anders dan eiser stelt, heeft verweerder wel degelijk gezocht naar re-integratiemogelijkheden voor eiser. De re-integratiefase ving conform artikel 10d:6, tweede en derde lid, van de CAR/UWO aan op 21 augustus 2015 en bedroeg in eisers geval vier maanden (artikel 10d:6, vijfde lid, aanhef en onder a, van de CAR/UWO). Bij brief van 10 december 2015 heeft verweerder eiser meegedeeld dat het ontslag per 21 december 2015 wordt geëffectueerd. Verweerder heeft aan zijn uit artikel 10d:6 van de CAR/UWO voortvloeiende inspanningsverplichting voldaan door eiser een outplacementtraject aan te bieden en hem te laten kiezen uit vier verschillende outplacementbureaus. Dat vanwege ziekte van eiser re-integratie vervolgens niet daadwerkelijk van de grond is gekomen, is een omstandigheid die niet aan verweerder is toe te rekenen.

6. De beroepen zijn ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Ludwig, voorzitter, en mr. E.J. Rutten en mr. A.G. van Malenstein, leden, in aanwezigheid van M.G. den Ambtman, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 augustus 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. I.M. Ludwig
  • mr. E.J. Rutten
  • mr. A.G. van Malenstein

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?