6. Handreiking Vervoermanagement
De rechtbank stelt, onder verwijzing naar pagina 39 van het bestreden besluit, voorop dat niet de Handreiking Vervoermanagement maar de hiervoor onder 2.1 aangehaalde bepalingen in de Wm, Wabo en het Bor aan het bestreden besluit ten grondslag liggen. De omstandigheid dat de Handreiking Vervoermanagement uit lijkt te gaan van de algemene zorgplichtbepaling in artikel 1.1a van de Wm als juridische grondslag van vervoermanagement kan hieraan niet afdoen. De Handreiking Vervoermanagement is bedoeld om bedrijven en het bevoegd gezag een hulpmiddel te bieden waarmee kan worden nagegaan of voldoende wordt gedaan om de nadelige gevolgen voor het milieu van bedrijfsgerelateerd transport zoveel mogelijk te beperken. Hiervoor kan het bevoegd gezag van de drijver van een inrichting informatie verlangen over de maatregelen die zijn of nog moeten worden getroffen om de nadelige gevolgen van de vervoersbewegingen te voorkomen dan wel te beperken. Dit kan het bevoegd gezag doen door voorschriften hierover aan de vergunning te verbinden, zoals verweerder in dit geval ook heeft gedaan.
Met betrekking tot het eerst ter zitting ingenomen standpunt van eiseres dat de Handreiking Vervoermanagement niet van toepassing is, omdat eiseres niet over eigen vrachtwagens beschikt, overweegt de rechtbank dat uit pagina 11 van de Handreiking voortvloeit dat zowel eigen voertuigen als bedrijfsvoertuigen van derden waarop eiseres invloed heeft, meetellen bij de drempelwaarden voor vervoersrelevantie bij goederenvervoer over de weg.
7.Motivering vergunningvoorschrift
De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit uiteen heeft gezet waarom wat betreft het goederenverkeer, zakelijk personenverkeer en bezoekersverkeer diverse verbetermaatregelen in de Handreiking Vervoermanagement niet of niet voldoende zijn gemotiveerd op haalbaarheid in de eigen specifieke situatie. Ten aanzien van goederenvervoer heeft verweerder immers opgemerkt dat voor een groot aantal maatregelen in het door eiseres aan verweerder verstrekte Exceldocument kort door eiseres is weergegeven dat beperkte sturing mogelijk is middels aanbesteding en inkoop, zonder dat is aangegeven welke verbeteringen dan worden beoogd. Verweerder heeft erop gewezen dat met name aandacht is gewenst voor het bevorderen van het gebruik van schonere voertuigen/brandstoffen (LNG, hybride, elektrisch, waterstof), diverse logistieke maatregelen, bevorderen van maatregelen ter beperking van verkeerslawaai (type band, banden op spanning, rijgedrag, laden/lossen) en maatregelen ter beperking van de impact van afvoer van goederen/afvalstoffen. Met het oog op zakelijk personenvervoer en bezoekersverkeer is volgens het bestreden besluit nadere specifieke aandacht gewenst voor maatregelen ter bevordering van het gebruik van OV en fiets, E-bikes, E-scooters en gebruik van (parkeerplaatsen voor) elektrische en hybride voertuigen.
In het bestreden besluit is bovendien uiteengezet dat, om te kunnen vaststellen of door de inrichting adequate maatregelen zijn getroffen om de nadelige gevolgen voor het milieu van transport van en naar de inrichting zoveel als mogelijk te beperken, informatie nodig is over transportstromen van en naar de inrichting en over de effecten van deze transportstromen, met name ten aanzien van de meest kritische parameters NOx , fijn stof, CO2 en verkeerslawaai (0-meting). Het transparant maken van brandstofverbruik en transportemissies biedt inzicht in de mogelijkheden de meest kosteneffectieve verbetermaatregelen te treffen en biedt tevens een basis voor monitoring en evaluatie van (effecten van) getroffen maatregelen.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met het voorgaande voldoende gemotiveerd welke informatie hij nodig acht, waarom hij het verschaffen van de gevraagde gegevens in dit geval ter bescherming van het milieu nodig acht en wat hij hiermee zal gaan doen. Anders dan eiseres is de rechtbank van oordeel dat evenmin kan worden gezegd dat verweerder met het stellen van de voorschriften met betrekking tot het Besparingsplan vervoer de grondslag van de aanvraag heeft verlaten. Met voorschrift 6.1 wordt eiseres slechts verplicht tot het instellen van een onderzoek naar de mogelijkheid tot het beperken van emissies. Eerst nadat het onderzoek is uitgevoerd vindt door verweerder beoordeling plaats welke mogelijke maatregelen haalbaar zijn en zal hierover eventueel een afzonderlijk besluit worden genomen dat vatbaar is voor bezwaar en beroep.
8. Rechtszekerheid
Verweerder heeft in het bestreden besluit ter uitwerking van voorschrift 6.1.1 verwezen naar het format voor een adequaat Besparingsplan vervoer dat is opgenomen in bijlage 2a en 2b van de Handreiking Vervoermanagement. Als een plan volgens dit format wordt ingediend, wordt aan voorschrift 6.1.1 voldaan. Bijlage 2a van de Handreiking geeft een beeld van de onderwerpen die in een (0-) meting moeten zijn opgenomen. Niet in geschil is dat eiseres geen nulmeting heeft verricht van de relevante emissies die vervoersgerelateerd zijn (NOx , fijn stof, CO2). Bijlage 2b van de Handreiking geeft een format voor een planning van maatregelen. Zoals reeds onder punt 7 is overwogen heeft verweerder in het bestreden besluit in reactie op het overgelegde Excelbestand nader uiteengezet op welke punten de voorgestelde verbetermaatregelen voor goederenvervoer, zakelijk personenverkeer en bezoekersverkeer nadere toelichting behoeven. Gelet hierop en daarbij in aanmerking genomen dat uit de stukken blijkt dat verweerder herhaaldelijk heeft toegelicht op welke wijze invulling dient te worden gegeven aan het Besparingsplan vervoer, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat verweerder in strijd heeft gehandeld met het rechtszekerheidsbeginsel. Tegen het stellen van nadere eisen naar aanleiding van de onderzoeksopzet staat bovendien bezwaar en beroep open.
9. Evenredigheidsbeginsel
De rechtbank is van oordeel dat verweerder met de in voorschrift 6.1 van het bestreden besluit opgelegde onderzoekverplichting evenmin in strijd heeft gehandeld met het evenredigheidsbeginsel. Hiertoe overweegt de rechtbank dat verweerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat een aanzienlijk deel van de aan de inrichting gerelateerde emissies transportgerelateerd is en met de onderzoekverplichting van voorschrift 6.1 juist wordt beoogd informatie te verschaffen over de maatregelen die zijn of nog moeten worden getroffen om de nadelige gevolgen van deze vervoersbewegingen te voorkomen dan wel te beperken. De omstandigheid dat door eiseres verdergaand onderzoek moet worden gedaan, kan hieraan niet afdoen.
10. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Flikweert, voorzitter, en mr. E.R. Houweling en mr. C.W. van Hoorn, leden, in aanwezigheid van mr. J.V. Baan-de Vries, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2018.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.