Rechtbank Rotterdam
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 april 2019 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser,
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 18/4427
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder,
gemachtigde: mr. M.A.C. Kooij.
Het verloop van de procedure
Naar aanleiding van het verzoek van eiser om documenten te krijgen over het opvangproject aan de [adres] in Rotterdam, heeft verweerder bij brief van 10 augustus 2017 een gedeelte van deze documenten geheel openbaar gemaakt, een gedeelte openbaar gemaakt waarbij een deel onleesbaar is gemaakt en de overige documenten niet openbaar gemaakt.
Bij besluit van 13 juli 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder, voor zover in deze zaak van belang, het bezwaar van eiser tegen de brief van 10 augustus 2017 niet‑ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 februari 2019. Eiser is naar de zitting gekomen. Verweerder is, met voorafgaand bericht, niet naar de zitting gekomen.
Overwegingen
Inleiding
1. Tijdens de zitting heeft eiser gezegd dat hij ingewikkelde of juridische taal niet goed begrijpt. Hij heeft aan de rechtbank gevraagd om alles zo eenvoudig mogelijk uit te leggen. De rechtbank zal daarom in deze uitspraak proberen voor eiser zo begrijpelijk mogelijke taal te gebruiken.
Waar gaat deze procedure over?
2. Tot 1995 heeft eiser in een pand aan de [adres] in Rotterdam een opvangproject gehad. Over het einde van het opvangproject is onenigheid ontstaan tussen eiser en de gemeente Rotterdam. Eiser heeft in een brief van 31 mei 2013 verweerder gevraagd om alle documenten toe te sturen die gaan over het opvangproject. In zijn brief van 30 november 2016 heeft eiser opnieuw gevraagd om deze documenten. Hij heeft daarbij de Wet openbaarheid van bestuur (hierna afgekort tot “de Wob”) genoemd. In de brief van 10 augustus 2017 heeft verweerder gezegd dat eiser een verzoek heeft gedaan zoals bedoeld in de Wob (hierna: Wob-verzoek). Verweerder heeft daarom een aantal van deze documenten geheel openbaar gemaakt en aan eiser toegestuurd, een aantal documenten voor een deel onleesbaar gemaakt en hierna openbaar gemaakt en aan eiser toegestuurd en de overige documenten helemaal niet openbaar gemaakt en ook niet aan eiser toegestuurd. Eiser wil alle documenten en was het hier dus niet mee eens. Hij heeft daarom bezwaar gemaakt.
3. Als er bezwaar wordt gemaakt, moet verweerder kijken of er reden is om alsnog anders te beslissen. In dit geval heeft verweerder de Algemene Bezwaarschriftencommissie (hierna afgekort tot “de commissie”) gevraagd om hierover een advies te geven. De commissie heeft gezegd dat eiser geen Wob-verzoek heeft gedaan omdat hij de documenten alleen voor zijn eigen gebruik wil hebben. Volgens de commissie heeft eiser daarom een gewoon verzoek om informatie gedaan. De commissie zegt dat dit juridisch gezien geen ‘aanvraag’ is en dat verweerder er dus ook geen besluit op hoeft te nemen. Het bezwaar van eiser is volgens de commissie daarom ‘niet-ontvankelijk’. Verweerder heeft het advies van de commissie overgenomen in het bestreden besluit. Eiser is het met dit besluit niet eens en heeft beroep ingesteld bij de rechtbank.
Wat vindt de rechtbank?
4. Eiser heeft tijdens de zitting gezegd dat hij de documenten alleen voor zichzelf wil. Hij wil de documenten namelijk gebruiken voor een procedure tegen de gemeente Rotterdam waarin hij een schadevergoeding wil eisen. Hij heeft gezegd dat het niet de bedoeling is dat de documenten voor iedereen openbaar worden gemaakt, het gaat er hem alleen om dat hij ze krijgt om ze zelf te kunnen gebruiken.
5. Voor wat eiser wil, is de Wob niet bedoeld. De Wob is bedoeld om bestuursorganen (zoals verweerder) te kunnen controleren. Met een Wob-verzoek kan daarom een bestuursorgaan gevraagd worden om documenten voor iedereen openbaar te maken. Als een verzoek niet is bedoeld om stukken voor iedereen openbaar te maken, maar om deze alleen door één persoon te laten ontvangen, is dit geen Wob-verzoek. Het is dan een gewoon verzoek om informatie. Het maakt dan niet uit of, zoals eiser heeft gedaan, in het verzoek de Wob wordt genoemd. In dit geval is duidelijk dat eiser de documenten alleen voor zichzelf wil ontvangen. Hij heeft daarom geen Wob‑verzoek gedaan, maar een gewoon verzoek om informatie.
6. Een gewoon verzoek om informatie is geen ‘aanvraag’ zoals bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna afgekort tot: “de Awb”). De reactie van een bestuursorgaan op een gewoon verzoek om informatie is daarom juridisch gezien geen ‘besluit’ zoals bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Als er geen besluit is, kan er ook geen bezwaar worden gemaakt. Dit volgt uit de artikelen 7:1, eerste lid, en 8:1 van de Awb. Deze wetsartikelen zijn, voor zover ze in deze zaak van belang zijn, te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
7. Voor deze procedure betekent dit het volgende. Omdat eiser een gewoon verzoek om informatie heeft gedaan, is de brief van verweerder van 10 augustus 2017 geen besluit. Verweerder heeft daarom terecht gezegd dat eiser tegen deze brief geen bezwaar kon maken. In juridische taal wordt dan gezegd dat het bezwaar ‘niet-ontvankelijk’ is. Eiser krijgt in deze beroepsprocedure dus geen gelijk. De rechtbank zal daarom beslissen dat het beroep ‘ongegrond’ is. Eiser kan via deze procedure niet de door hem gevraagde documenten krijgen. Hij krijgt ook geen vergoeding voor zijn proceskosten.
8. De rechtbank sluit af met het volgende. Eiser heeft al een lange tijd een geschil met de gemeente Rotterdam en probeert ook sinds lange tijd de door hem gevraagde documenten te krijgen. Dat eiser de documenten niet via deze procedure kan krijgen, zegt niets over de vraag of hij ze op een andere manier kan krijgen. Eiser heeft gezegd dat hij zeker zal doorgaan met het voeren van procedures om de documenten alsnog te krijgen. De rechtbank heeft gelezen dat, voordat eiser deze procedure begon, verweerder hem de mogelijkheid heeft gegeven om de originele documenten - zonder dat hierin iets onleesbaar was gemaakt - op het gemeentehuis in te zien. Om verdere procedures over het krijgen van deze documenten te voorkomen, kan de rechtbank zich voorstellen dat verweerder en eiser proberen met elkaar in gesprek te gaan en afspraken te maken over het inzien van de stukken. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de afspraak dat eiser nogmaals de mogelijkheid krijgt om de documenten in te zien op het gemeentehuis. Tijdens de zitting heeft eiser namelijk gezegd dat hij dit ook goed zou vinden, onder de voorwaarde dat hij dan een aantal keer zou kunnen komen omdat het erg veel documenten zijn en hij dus de tijd nodig heeft om alles te kunnen lezen. Dit zullen verweerder en eiser zelf moeten afspreken. De rechtbank kan hier niet over beslissen.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.F. Smulders, rechter, in aanwezigheid van mr. C.M.J. Rouwers, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 11 april 2019.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
BIJLAGE
Artikel 1:3, eerste lid, van de Awb
Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
Artikel 1:3, derde lid, van de Awb
Onder aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen.
Artikel 7:1, eerste lid, van de Awb, voor zover hier van belang
Degene aan wie het recht is toegekend beroep bij een bestuursrechter in te stellen, dient alvorens beroep in te stellen bezwaar te maken […]
Artikel 8:1 van de Awb
Een belanghebbende kan tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter.