Rechtbank Rotterdam
[Naam] , te [Plaats] , verzoekster,
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 19/5598
uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 november 2019 als bedoeld in artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
gemachtigde: mr. I. Car,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder.
Procesverloop
Verzoekster heeft op 29 oktober 2019 bij verweerder een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand.
Bij brief van 1 november 2019 heeft verzoekster bij deze rechtbank beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag. Het beroep is geregistreerd onder zaaknummer ROT 19/5597. Tevens heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), voor zover hier van belang, kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt het niet tijdig nemen van een besluit voor de toepassing van wettelijke voorschriften over beroep met een besluit gelijkgesteld. Een beroepschrift tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan op grond van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen.
2. Bij brief van 29 oktober 2019 heeft verzoekster bij verweerder een aanvraag om het verlenen van bijzondere bijstand gedaan om de ontruiming, uitgesproken door de kantonrechter van 25 oktober 2019 te voorkomen. Verzoekster heeft verweerder verzocht om binnen twee werkdagen op de aanvraag te beslissen.
Bij brief van 1 november 2019 heeft verzoekster beroep ingesteld wegens het niet-tijdig beslissen op haar aanvraag. Vanwege het spoedeisende belang heeft verzoekster gemeend om verweerder niet eerst in gebreke te stellen.
3. Verzoekster heeft gevraagd de aanvraag met spoed te toekennen en een voorlopige voorziening te treffen inhoudende de aanvraag, al dan niet in de vorm van een geldlening, in te willigen. Tevens wordt verzocht om aan verweerder een dwangsom op te leggen voor elke dag dat het in gebreke blijft de bijzondere bijstand uit te betalen.
4. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zal het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat het prematuur is ingesteld. Hoewel niet steeds in alle gevallen in gebreke stelling gevergd kan worden, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter de door verzoekster aan verweerder geboden termijn om binnen twee werkdagen te beslissen op haar aanvraag onredelijk kort. Gelet hierop is het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk, zodat de voorzieningenrechter, gelet op artikel 8:83, derde lid, van de Awb, uitspraak kan doen zonder zitting. De voorzieningenrechter zal het verzoek afwijzen.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.I. van Strien, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. S.R. Jonkergouw, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 27 november 2019.
griffier voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.