Rechtbank Rotterdam
[Naam], te [Plaats], eiser,
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 19/4184
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 december 2019 als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder.
Procesverloop
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 30 juli 2019 van verweerder waarbij zijn bezwaar tegen het besluit van 15 juli 2019 ongegrond is verklaard.
Overwegingen
1. Op grond van artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt door de griffier van de indiener van het beroepschrift een griffierecht geheven.
2. Omdat eiser tegelijk bij het indienen van het beroep heeft verzocht om vrijstelling van het griffierecht, heeft de griffier bij brief van 23 augustus 2019 het inlichtingenformulier ‘betalingsonmacht’ aan eiser toegezonden. De griffier heeft dit verzoek bij brief van 10 september 2019 afgewezen. De rechtbank is van oordeel dat eisers verzoek terecht is afgewezen. Eiser is bij aangetekende brief van 11 september 2019 aangemaand het griffierecht ten bedrage van € 47,- alsnog binnen vier weken te voldoen. Het vermelde bedrag is niet binnen de gestelde termijn bijgeschreven of ter griffie gestort.
3. Artikel 8:41, zesde lid, van de Awb bepaalt dat, indien het verschuldigde bedrag niet of niet tijdig is bijgeschreven of gestort, het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het beroepschrift in verzuim is geweest.
4. Naar het oordeel van de rechtbank kan redelijkerwijs worden geoordeeld dat eiser in verzuim is geweest. Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.I. van Strien, rechter, in aanwezigheid van
drs. S.R. Jonkergouw, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 2 december 2019.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.