RECHTBANK ROTTERDAM
B.V.,
zaaknummer: 8991939 VZ VERZ 21-779
uitspraak: 1 april 2021
beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam
in de zaak van:
[verzoekster],
wonende te Rotterdam,
verzoekster,
gemachtigden: mrs. I.D.C.J. van Driel en R. Alamyar,
tegen
a. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Detailconsult Supermarkten
b. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Detailconsult Personeel B.V.,
c. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Detailresult Groep B.V.,
statutair gevestigd te Velsen-Noord en kantoorhoudende te Rotterdam,
verweersters,
gemachtigde: mr. R.J. Stoop.
Verzoekster wordt hierna aangeduid als [verzoekster]. Verweerster sub b zal hierna Detailconsult worden genoemd.
1. Het verloop van de procedure
De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende processtukken:
- het verzoekschrift, met producties, ter griffie ontvangen op 22 januari 2021;
- het verweerschrift van Detailconsult tevens houdende een voorwaardelijk tegenverzoek, met producties;
- het verweerschrift tegen het voorwaardelijk tegenverzoek;
- de aanvullende producties 15 en 16 van [verzoekster];
- de pleinnota van mr. Alamyar;
- de pleitnota van mr. Stoop.
De mondelinge behandeling heeft in aanwezigheid van partijen plaatsgevonden op 4 maart 2021. Van het verhandelde ter zitting heeft de griffier aantekeningen gemaakt.
De uitspraak van deze beschikking is bepaald op heden.
2. De feiten
Detailconsult is een personeelsvennootschap binnen Detailresult Groep N.V., een concern dat zich onder meer bezighoudt met de exploitatie van verschillende supermarkten.
[verzoekster], geboren op [geboortedatum] 1988, is op 3 april 2004 bij (de rechtsvoorganger van) Detailconsult in dienst getreden in de functie van Hulpkracht. De overeengekomen arbeidsduur bedroeg laatstelijk 22 uur per week. Het bruto uurloon bedroeg laatstelijk € 13,01 exclusief emolumenten. [verzoekster] was laatstelijk werkzaam in de functie van Winkelmedewerker, waarbij zij haar werkzaamheden voornamelijk in de winkel en in geval van drukte achter de kassa verrichtte.
Op de arbeidsovereenkomst is het bedrijfsreglement van Detailconsult van toepassing.
In het bedrijfsreglement staat in artikel 3.14 ‘privé aankopen in de winkel’ onder meer het volgende:
“Privé-aankopen in de winkel of bij één van onze gelieerde bedrijven door onze eigen medewerkers kunnen op aanwijzing van de leidinggevende worden gedaan. Betaal de boodschappen, en laat de bijbehorende kassabon altijd door je leidinggevende tekenen. De bon moet op verzoek altijd direct kunnen worden getoond. (…) Bij het afrekenen van boodschappen mag je nimmer zelf geldhandelingen in een kassalade verrichten.”
In artikel 3.15 van het bedrijfsreglement staat, voor zover van belang, het volgende:
“Het is nimmer toegestaan (onbetaald) producten, (…) mee naar huis te nemen. Dit zal worden aangemerkt als diefstal.”
In artikel 3.20 van het bedrijfsreglement staat, voor zover van belang, het volgende:
“DIEFSTAL DOOR COLLEGA’S
(…) Bij diefstal door medewerkers wordt altijd en zonder aanzien des persoons de politie ingeschakeld en volgt ontslag op staande voet. (…) Elke vorm van diefstal, ook van producten die weinig of geen waarde hebben, (…) is voor ons reden voor ontslag op staande voet.”
Op 29 oktober 2020 heeft [verzoekster] persoonlijke boodschappen ter waarde van
€ 10,80 tijdens haar dienst gescand. [verzoekster] heeft vervolgens een bedrag van € 20,- op de kassa aangeslagen, waarna zij € 0,80 in de kassa heeft gelegd en een bankbiljet van € 10,- uit de kassa heeft genomen.
Detailconsult heeft [verzoekster] tijdens een gesprek op 23 november 2020 op staande voet ontslagen. Het ontslag is in een brief van dezelfde datum schriftelijk aan [verzoekster] bevestigd. In de brief is onder meer het volgende vermeld:
“In ons filiaal aan de [adres] is het vermoeden ontstaan, dat je direct of indirect betrokken bent bij een verdenking van een vergrijp dat een dringende reden voor ontslag als bedoeld in artikel 7:678 Burgerlijk Wetboek zou kunnen zijn.
Uit onderzoek van een negatief kasverschil, is vastgesteld dat jij op 29 oktober 2020 tijdens je dienst jouw boodschappen zelf hebt afgerekend aan de kassa van de servicebalie. Je zou een bedrag van € 10,80 moeten betalen, maar je hebt alleen een bedrag van € 0,80 in de kassalade gelegd en hebt vervolgens een geldbiljet van € 10,- uit de kassalade weggenomen. Je hebt geen toestemming gevraagd of gekregen van deze handelingen
Naar aanleiding van bovenstaande constateringen zijn wij op 23 november 2020 met jou in gesprek getreden. (…)
Tijdens het gesprek hebben wij je geconfronteerd met onze bevindingen en hebben wij jou in het kader van hoor en wederhoor verzocht hierop te reageren. Tijdens het gesprek hebben wij ook navraag gedaan naar jouw persoonlijke c.q. privéomstandigheden.
Je hebt tijdens het gesprek zowel mondeling als schriftelijk verklaard dat je door de drukte in je hoofd en na 16 jaar gewenning en vertrouwen zelf de boodschappen gescand had en dacht
de boodschappen betaald te hebben, maar dat het geld niet in de kassalade is terechtgekomen. Je hebt verklaard op de hoogte te zijn van de richtlijnen en regels, maar door vertrouwen en gewenning de boodschappen zelf gescand en betaald hebt omdat het druk was.
Jouw verklaring is schriftelijk vastgelegd en jij hebt deze schriftelijke verklaring vrijwillig ondertekend. Wij beschouwen de inhoud van deze schriftelijke verklaring als hier herhaald en ingelast. (…)
Jouw verklaring achten wij niet afdoende. Uit onderzoek is vast komen te staan dat jij op 29 oktober 2020 om 14.09 uur zonder toestemming jouw boodschappen ter waarde van € 10,80 tijdens je dienst zelf hebt gescand. Vervolgens sla je een bedrag van € 20,- aan op de kassa en heb je een bedrag van € 0,80 in de kassalade gedaan en neem je een bedrag van € 10,- uit de kassalade weg. Het behoeft geen betoog dat jouw handelwijze absoluut onacceptabel is en alle grenzen van het betamelijke overschrijdt. Jij hebt de verplichtingen die voortvloeien uit jouw arbeidsovereenkomst ernstig veronachtzaamd en het vertrouwen in jou is onherstelbaar geschonden.
Bovenstaande feiten en omstandigheden leveren dan ook ieder voor zich en in onderlinge samenhang bezien een dringende reden op in de zin van artikel 7:678 Burgerlijk Wetboek.”
Bij e-mail van 3 december 2020 heeft mr. Van Driel namens [verzoekster] bezwaar gemaakt tegen het gegeven ontslag op staande voet. Detailconsult heeft bij brief van 8 december 2020 laten weten het ontslag op staande voet te handhaven.
3. Het verzoek
[verzoekster] verzoekt, samengevat weergegeven, primair het ontslag op staande voet te vernietigen en Detailconsult te veroordelen tot wedertewerkstelling en loondoorbetaling vanaf 24 november 2020, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente. Subsidiair verzoekt [verzoekster] Detailconsult te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding, een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en de transitievergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente. Daarnaast verzoekt [verzoekster] de kantonrechter een voorlopige voorziening te treffen voor de duur van het geding, die erin bestaat dat Detailconsult wordt veroordeeld het loon aan haar door te betalen vanaf 24 november 2020 en haar in staat te stellen om de bedongen werkzaamheden te verrichten.
Aan haar verzoeken legt [verzoekster] ten grondslag dat niet is voldaan aan de vereisten voor een ontslag op staande voet. [verzoekster] stelt daartoe het volgende. Er is geen sprake van een dringende reden voor ontslag op staande voet. Zij heeft onbewust een wisselfout gemaakt als gevolg van ziekte en bijwerkingen van door haar gebruikte medicijnen. Haar ziektebeeld (psychische aandoeningen met somatische gevolgen) maakt dat zij onder meer bij geldtransacties ‘drukte in haar hoofd’ en een gebrek aan concentratie ervaart, waardoor zij wisselfouten maakt. De bijwerkingen van de door haar gebruikte medicijnen, waar zij dagelijks last van heeft, zijn onder meer slaperigheid, duizeligheid, verwarring en sufheid. Binnen Detailconsult komt het regelmatig voor dat medewerkers zelf de eigen boodschappen afrekenen. Zij heeft zelf afgerekend, omdat de medewerkers achter de servicebalie wegliepen op het moment dat [verzoekster] daar haar boodschappen wilde afrekenen. Er is sprake van willekeur. Een collega die een andere collega heeft bestolen en regelmatig gelden uit de verjaardagspot ontvreemdde is overgeplaatst naar een ander filiaal en niet ontslagen. Detailconsult heeft bij het ontslag geen rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van [verzoekster], in het bijzonder haar bij Detailconsult bekende ziekte, en de verstrekkende gevolgen die het ontslag voor [verzoekster] heeft. [verzoekster] betwist ook de onverwijldheid van het ontslag.
4. Het verweer en het voorwaardelijk tegenverzoek
Detailconsult voert verweer. Zij voert aan dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven. [verzoekster] heeft in strijd met het bedrijfsreglement haar eigen boodschappen afgerekend, waarbij zij die boodschappen grotendeels onbetaald heeft gelaten en daarnaast
€ 10,- uit de kassalade heeft genomen. In totaal heeft zij zich uiteindelijk € 20,- toegeëigend. Detailconsult hanteert een zerotolerancebeleid op het gebied van diefstal en alles wat daarmee samenhangt. Het meenemen van producten, geld of zelfs zaken die anders worden weggegooid, vormt voor Detailconsult een reden voor ontslag op staande voet. Dat is in de sector van Detailconsult de enige manier om zich te wapenen tegen malversaties. [verzoekster] is met de bedrijfsregels en het beleid van Detailconsult bekend. Zelfs al zou er sprake zijn van een vergissing, dan komt dit voor rekening en risico van [verzoekster]. Het standpunt dat haar ziekte en medicatie zouden hebben geleid tot haar vergissing, en dat haar ziekte en medicatie onder meer leiden tot verlies aan concentratie, drukte in haar hoofd, verwarring en sufheid, heeft [verzoekster] pas ingenomen nadat zij op staande voet was ontslagen. [verzoekster] heeft nooit bij haar leidinggevende aangegeven dat zij last had van klachten die haar zouden beperken in haar dagelijks functioneren. Detailconsult kon niet anders dan [verzoekster] op staande voet ontslaan, omdat een waarschuwing afbreuk zou doen aan haar zerotolerancebeleid. Detailconsult betwist dat er sprake is van willekeur. Uit het systeem van Detailconsult blijkt slechts dat de collega waar [verzoekster] naar verwijst op 15 oktober 2007 is overgeplaatst naar een ander filiaal. De reden daartoe is onbekend en een feit van ruim dertien jaar geleden mist daarnaast relevantie. Detailconsult betwist voorts dat het ontslag niet onverwijld is gegeven.
Voor het geval het op 23 november 2020 gegeven ontslag wordt vernietigd, verzoekt Detailconsult de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden op de e-grond (verwijtbaar handelen) of de g-grond (verstoorde arbeidsrelatie). Daarnaast verzoekt Detailconsult de kantonrechter bij de ontbinding van de arbeidsovereenkomst te bepalen dat Detailconsult geen transitievergoeding aan [verzoekster] verschuldigd is.
[verzoekster] heeft verweer gevoerd tegen het tegenverzoek. Zij verzoekt primair de verzochte ontbinding van de arbeidsovereenkomst af te wijzen en subsidiair, indien de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, Detailconsult te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding en de transitievergoeding. Daarnaast verzoekt [verzoekster] om, indien de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, bij het bepalen van de einddatum rekening te houden met de geldende opzegtermijn.
5. De beoordeling
Het gaat in deze zaak allereerst om de vraag of [verzoekster] rechtsgeldig op staande voet is ontslagen. Daarbij dient te worden beoordeeld of sprake is van een dringende reden, en of het ontslag op staande voet onverwijld is gegeven.
Onverwijldheid
[verzoekster] stelt dat het ontslag op staande voet niet onverwijld is gegeven. Volgens [verzoekster] was Detailconsult op 30 oktober 2020 redelijkerwijs bekend met het kastekort en vormde dat voor Detailconsult geen aanleiding om onderzoek te doen. Op 19 november 2020 was Detailconsult naar [verzoekster] stelt met alle feiten bekend maar heeft zij vier dagen gewacht met het geven van ontslag. Daarmee is volgens [verzoekster] het ontslag op staande voet niet onverwijld gegeven. Ter zitting heeft [verzoekster] bij gebrek aan wetenschap betwist dat Detailconsult het beveiligingsbedrijf SecMan op 19 november 2020 heeft ingeschakeld.
Detailconsult heeft betwist dat het ontslag niet onverwijld is gegeven. Zij heeft aangevoerd dat de kassalades twee keer per week definitief worden geteld en dat er op 31 oktober 2020 weliswaar is geconstateerd dat er een kasverschil was, maar dat er op dat moment nog niets bekend was over het ontstaansmoment, de oorzaak of de achtergrond van het kasverschil. Detailconsult heeft voorts aangevoerd dat het onmogelijk is om bij alle gevallen van kasverschil onderzoek te doen naar de oorzaak en dat er om die reden periodiek en steekproefsgewijs controles worden uitgevoerd naar de oorzaak van kasverschillen. Bij een periodieke controle op 19 november 2020 sprong volgens Detailconsult een op 29 oktober 2020 ontstaan kasverschil in het oog, omdat het ging om een kasverschil van exact € 20,-, waarna Detailconsult een eerste onderzoek heeft uitgevoerd naar de oorzaak van dat kasverschil. Volgens Detailconsult bleek uit dat eerste onderzoek d.d. 19 november 2020 dat het kasverschil mogelijk was ontstaan bij een transactie waarbij [verzoekster] betrokken was, waarna Detailconsult nog diezelfde dag het onderzoeksbureau SecMan heeft ingeschakeld om nader onderzoek te verrichten. SecMan heeft volgens Detailconsult op vrijdag 20 november 2020 en na het weekend in de ochtend van maandag 23 november 2020 onderzoek verricht. Volgens Detailconsult waren pas na afronding van het onderzoek door SecMan alle feiten duidelijk en inzichtelijk voor haar en stond vast dat [verzoekster] verantwoordelijk was voor het kasverschil, waarna zij [verzoekster] diezelfde dag heeft uitgenodigd voor een gesprek en aan het einde van dat gesprek op staande voet heeft ontslagen.
Voor het antwoord op de vraag of het ontslag op staande voet onverwijld is gegeven, is beslissend het tijdstip waarop de feiten die aan het ontslag op staande voet ten grondslag zijn gelegd bekend zijn geworden bij degene die bevoegd was het ontslag te verlenen. De werkgever heeft, mits met de nodige voortvarendheid wordt gehandeld, gelegenheid voor het instellen van een onderzoek, voor het horen van de werknemer, voor intern overleg en het inwinnen van (juridisch) advies. Of de werkgever voldoende voortvarend heeft gehandeld, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.
[verzoekster] heeft niet betwist dat Detailconsult periodiek en steekproefsgewijs controles uitvoert naar de oorzaak van kasverschillen. Voorts is niet betwist dat Detailconsult in het kader van zo’n periodieke controle op 19 november 2020 een eerste onderzoek heeft uitgevoerd naar de oorzaak van het op 31 oktober 2020 geconstateerde kasverschil, waaruit naar voren kwam dat dit kasverschil mogelijk was ontstaan bij een transactie waarbij [verzoekster] betrokken was. Detailconsult heeft naar zij stelt vervolgens nader onderzoek laten uitvoeren. Op 23 november 2020 heeft zij [verzoekster] ontslagen. Nog daargelaten dat [verzoekster] onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld die de conclusie rechtvaardigen dat Detailconsult reeds op 19 november 2020 bekend is geworden met de feiten die aan het ontslag op staande voet ten grondslag zijn gelegd, is de kantonrechter van oordeel dat, gelet op het beperkte tijdsverloop van enkele dagen, waarin ook nog een weekend is gelegen, Detailconsult voldoende voortvarend heeft gehandeld bij het geven van het ontslag op staande voet. Het enkele feit dat Detailconsult op 31 oktober 2020 een kasverschil had geconstateerd betekent, anders dan door [verzoekster] bepleit, niet dat Detailconsult op dat moment onderzoek naar het kasverschil had moeten verrichten. Gelet op het voorgaande is het ontslag op staande voet onverwijld gegeven.
Dringende reden
[verzoekster] heeft voorts betwist dat er sprake is van een dringende reden voor een ontslag op staande voet. Zij stelt dat zij als gevolg van ziekte en medicatie een wisselfout heeft gemaakt.
Ingevolge artikel 7:678 lid 1 BW worden voor de werkgever als dringende redenen om tot ontslag op staande voet over te gaan beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij de beoordeling van de vraag of van een zodanige dringende reden sprake is, moeten de omstandigheden van het geval in onderling verband en samenhang in aanmerking worden genomen. Tot deze omstandigheden behoren onder meer de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals diens leeftijd, de aard en duur van het dienstverband en de gevolgen van het ontslag op staande voet. Ook indien de gevolgen ingrijpend zijn, kan een afweging van de persoonlijke omstandigheden tegen de aard en de ernst van de dringende reden tot de slotsom leiden dat een onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd is.
Uit de ontslagbrief van 23 november 2020 volgt dat aan [verzoekster] wordt verweten dat zij in strijd met de regels en zonder daarvoor toestemming te hebben gekregen haar persoonlijke boodschappen zelf heeft afgerekend, waarbij zij die boodschappen grotendeels onbetaald heeft gelaten en ook een bankbiljet van € 10,- uit de kassalade heeft weggenomen. Niet in geschil is dat de gedragingen, waarvan Detailconsult [verzoekster] in de ontslagbrief een verwijt heeft gemaakt, zich daadwerkelijk zo hebben voorgedaan. Ook staat vast dat [verzoekster] zich op 29 oktober 2020 niet heeft gehouden aan de artikelen 3.14 en 3.15 van het bedrijfsreglement. Artikel 3.14 van het bedrijfsreglement bepaalt immers onder meer dat een medewerker bij het afrekenen van privé boodschappen nooit zelf geldhandelingen in een kassalade mag verrichten. Artikel 3.15 van het bedrijfsreglement houdt onder meer in dat het nooit is toegestaan om onbetaald producten mee naar huis te nemen en dat dat zal worden aangemerkt als diefstal. Op het niet naleven van artikel 3.15 wordt in artikel 3.20 de sanctie van ontslag op staande voet gesteld. Vast staat dat deze regels voor [verzoekster] kenbaar waren. [verzoekster] heeft gesteld dat het veelvuldig voorkomt dat medewerkers zelf hun persoonlijke boodschappen afrekenen. Detailconsult heeft die stelling in haar verweerschrift en ter zitting betwist. Detailconsult heeft betoogd dat er altijd voldoende kassapersoneel aanwezig is, zodat het ook niet nodig is om privé boodschappen af te rekenen. [verzoekster] heeft haar stelling dat het bedrijfsreglement op dat punt niet wordt nageleefd vervolgens op geen enkele wijze (nader) onderbouwd, zodat daaraan wordt voorbijgegaan.
[verzoekster] heeft gesteld dat zij als gevolg van ziekte en medicatie onbewust een wisselfout heeft gemaakt bij het afrekenen van haar boodschappen. Die fout is haar naar zij stelt niet toe te rekenen en zou geen reden moeten zijn om haar te ontslaan. Ter zitting heeft [verzoekster] betoogd dat zij vanwege de zware medicatie die zij slikt (antidepressivum Olanzapine en antipsychoticum Venlafaxine) op bepaalde momenten wegvalt. [verzoekster] heeft in dat verband verwezen naar een door haar overgelegd verslag van 26 februari 2021 van de bedrijfsarts in opleiding [naam] (hierna: [naam]), verbonden aan arbo- en re-integratiebedrijf ArboActie, waarin wordt geconcludeerd dat de door [verzoekster] ervaren klachten betreffende momenten van afwezigheid een bijwerking kunnen zijn van de door haar gebruikte medicatie en dus veroorzaakt zouden kunnen zijn door haar medicatie. Detailconsult heeft hier tegenin gebracht dat niet gebleken is dat [verzoekster] daadwerkelijk last heeft van de gestelde klachten, nu het verslag van [naam] is gebaseerd op hetgeen [verzoekster] zelf over haar ziekte heeft verteld. Detailconsult heeft betoogd dat [verzoekster] nooit eerder heeft aangegeven dat zij leed aan verwardheid, sufheid of momenten van afwezigheid. Daarnaast heeft Detailconsult betoogd dat, indien het gebruik van medicijnen tot verwardheid, sufheid of momenten afwezigheid zou leiden, het op de weg van [verzoekster] had gelegen om maatregelen te treffen om te voorkomen dat zij fouten zou maken bij het afrekenen van haar privé aankopen. Het in strijd met de regels zelf verrichten van kassahandelingen bij het doen van privé aankopen past daar niet bij, aldus Detailconsult.
Dienaangaande wordt als volgt overwogen. Vast staat dat [verzoekster], al dan niet bewust, privé aankopen grotendeels onbetaald mee naar huis heeft genomen. Daarmee heeft [verzoekster], al dan niet bewust, artikel 3.15 van het bedrijfsreglement overtreden. Daar komt bij dat [verzoekster] willens en wetens de regel van artikel 3.14 van het bedrijfsreglement dat een medewerker bij het afrekenen van privé inkopen nooit zelf geldhandelingen in een kassalade mag verrichten heeft overtreden. Dat [verzoekster] die regel heeft overtreden klemt des te meer, omdat zij naar zij stelt regelmatig momenten van afwezigheid heeft. Dat had voor haar eens te meer reden moeten zijn om niet tegen de regels in zelf geldhandelingen in de kassalade te verrichten bij het afrekenen van haar privé inkopen.
De vraag ligt voor of de handelwijze van [verzoekster] een dringende reden voor ontslag op staande voet oplevert. Van belang is dat Detailconsult als retailer te maken heeft met een zeer kwetsbare bedrijfsvoering voor wat betreft fraude en diefstal, waardoor het voor haar van groot belang is dat de regels door de werknemers strikt worden nageleefd. Hiermee hangt samen dat bij overtreding van de regels, opzettelijk of onbewust, ontslag op staande voet volgt, te meer nu in de regels de consequentie van ontslag op staande voet uitdrukkelijk wordt genoemd.
De kantonrechter is van oordeel dat de gedragingen van [verzoekster] een dringende reden opleveren en dat van Detailconsult redelijkerwijs niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De persoonlijke omstandigheden van [verzoekster], waaronder haar psychiatrisch ziektebeeld en kwetsbaarheid, leiden niet tot een ander oordeel.
De conclusie is dat het ontslag op staande voet terecht is gegeven, omdat daarvoor een dringende reden aanwezig was. Dat brengt met zich mee dat de primaire verzoeken tot vernietiging van het ontslag op staande voet, wedertewerkstelling en doorbetaling van loon vanaf 24 november 2020 zullen worden afgewezen. Hetzelfde geldt voor de subsidiaire verzoeken, voor zover deze betrekking hebben op de billijke vergoeding en de vergoeding wegens onregelmatige opzegging.
Transitievergoeding
De transitievergoeding is niet verschuldigd indien het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer (artikel 7:673 lid 7, aanhef en onder c, BW). Hiervoor is geoordeeld dat het ontslag op staande voet terecht is gegeven, omdat daarvoor een dringende reden aanwezig was. Een dringende reden valt echter niet zonder meer samen met ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer. Uit de parlementaire geschiedenis van de Wet werk en zekerheid blijkt dat voormelde uitzonderingsgrond een beperkte reikwijdte heeft en terughoudend moet worden toegepast. De werknemer kan zijn recht op een transitievergoeding alleen kwijtraken in uitzonderlijke gevallen, waarin evident is dat het tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst leidende handelen of nalaten van de werknemer niet slechts als verwijtbaar, maar als ernstig verwijtbaar moet worden aangemerkt (Hoge Raad 8 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:203). Aan deze maatstaf zou kunnen zijn voldaan indien zou vaststaan dat [verzoekster] welbewust haar boodschappen niet volledig heeft afgerekend en zich een bankbiljet van € 10,- heeft toegeëigend. Dit is echter niet het geval, nu niet kan worden uitgesloten dat [verzoekster] daadwerkelijk als gevolg van bijwerking van de door haar gebruikte zware medicatie onbewust een wisselfout heeft gemaakt en dat bij haar de bedoeling ontbrak om haar boodschappen niet volledig af te rekenen en zich een bankbiljet van € 10,- toe te eigenen. Hiervoor pleit dat bedrijfsarts (in opleiding) [naam] heeft geconcludeerd dat de door [verzoekster] gestelde momenten van afwezigheid bijwerkingen kunnen zijn van de door haar gebruikte medicatie en haar klachten zouden kunnen veroorzaken. Ook pleit daarvoor dat [verzoekster] zich tijdens het gesprek op 23 november 2020 en ook daarna consequent op het standpunt heeft gesteld dat zij meende betaald te hebben. Ten slotte pleit daarvoor dat [verzoekster] ter zitting onweersproken heeft gesteld dat op camerabeelden is te zien dat zij haar boodschappen wilde afrekenen en daartoe een briefje van € 20,- uit haar zak haalde, maar dat zij werd afgeleid doordat zij iets liet vallen en dat zij daarna even ‘weg’ was. Omdat niet vast staat dat [verzoekster] welbewust haar boodschappen niet volledig heeft afgerekend en zich een bankbiljet van € 10,- heeft toegeëigend, is het handelen van [verzoekster] met betrekking tot de overtreding van de regels van het bedrijfsreglement naar het oordeel van de kantonrechter weliswaar verwijtbaar, maar niet ernstig verwijtbaar.
Nu geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen, is Detailconsult de wettelijke transitievergoeding aan [verzoekster] verschuldigd. [verzoekster] heeft de hoogte van de door haar verzochte transitievergoeding gebaseerd op een loon van € 1.523,99 bruto per maand exclusief 8% vakantietoeslag bij een arbeidsomvang van 31 uur per week. Detailconsult heeft de hoogte van het loon en de arbeidsomvang gemotiveerd betwist en onweersproken gesteld dat het loon van [verzoekster] € 13,01 bruto per uur bedraagt exclusief vakantiegeld en overige emolumenten en dat een arbeidsomvang van 22 uur per week is overeengekomen. Daarom dient bij de berekening van de transitievergoeding een bruto uurloon van € 13,01 exclusief vakantiegeld en overige emolumenten en een arbeidsomvang van 22 uur per week als uitgangspunt te worden genomen. Detailconsult zal worden veroordeeld tot betaling van de wettelijke transitievergoeding.
Wettelijke rente over transitievergoeding
[verzoekster] maakt aanspraak op de wettelijke rente over de transitievergoeding vanaf het tijdstip van de opeisbaarheid daarvan. De wettelijke rente over de transitievergoeding is op grond van het bepaalde in artikel 7:686a lid 1 BW verschuldigd vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd. De wettelijke rente zal dan ook vanaf dat moment (24 december 2020) worden toegewezen.
Provisionele vordering
Nu in deze beschikking al een eindbeslissing wordt gegeven op de verzoeken van [verzoekster], is er geen reden meer om met toepassing van artikel 223 Rv een voorlopige voorziening te treffen. Een voorlopige voorziening op grond van dat artikel kan immers alleen worden getroffen voor de duur van het geding. Op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening hoeft daarom niet te worden beslist.
Voorwaardelijk tegenverzoek
Nu het verzoek van [verzoekster] tot vernietiging van de opzegging wordt afgewezen, en er dus geen sprake meer is van een arbeidsovereenkomst, behoeft op het voorwaardelijk tegenverzoek van Detailconsult tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst niet te worden beslist.
Proceskosten
Gelet op de aard en de uitkomst van de zaak, dienen beide partijen de eigen proceskosten te dragen.
6. De beslissing
De kantonrechter:
in het verzoek van [verzoekster]
veroordeelt Detailconsult tot betaling van de wettelijke transitievergoeding aan [verzoekster], vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW daarover vanaf 24 december 2020 tot de dag van algehele voldoening;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte;
in het tegenverzoek van Detailconsult
verstaat dat op het tegenverzoek van Detailconsult niet behoeft te worden beslist;
in beide verzoeken
compenseert de proceskosten in die zin, dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.
Deze beslissing is gegeven door mr. C. van Steenderen-Koornneef en uitgesproken ter openbare terechtzitting.
546