Rechtbank Rotterdam
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 juli 2021 in de zaak tussen
de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder,
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 19/3792
[naam eiseres] , te [woonplaats eiseres], eiseres,
gemachtigde: mr. Z.M. Nasir,
en
gemachtigde: mr. G.J.M. Naber.
Procesverloop
Bij besluit van 8 april 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres een boete van
€ 1.250,- opgelegd wegens niet tijdig inburgeren.
Bij besluit van 2 juli 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 2021. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en vergezeld door [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiseres tot en met 24 februari 2018 de tijd heeft gekregen om in te burgeren. Eiseres heeft niet op tijd voldaan aan de inburgeringsplicht. De examenpogingen die eiseres heeft ondernomen zijn niet binnen de inburgeringstermijn geweest, evenals de gevolgde cursusuren. De alfabetiseringscursussen die eiseres heeft gevolgd tellen niet mee en kunnen om die reden niet leiden tot een matiging van de boete. Verweerder heeft daarom de maximale boete van € 1.250,- opgelegd.
2. Eiseres betwist niet dat zij niet binnen de gestelde termijn de inburgering heeft voltooid. Eiseres, die Syrië is ontvlucht vanwege de oorlog, is pas op hoge leeftijd naar Nederland gekomen. Eiseres is analfabeet en heeft dus eerst alfabetiseringscursussen moeten volgen. Dit heeft zij ook gedaan. Eiseres heeft dan ook aantoonbare inspanningen verricht. Verder heeft eiseres een hartkwaal waar zij medicijnen voor slikt die maken dat zij veel moeite heeft zich te concentreren tijdens de lessen. Tegen deze achtergrond had verweerder moeten afzien van het opleggen van een boete, dan wel de boete moeten matigen. Uit het bestreden besluit blijkt voorts niet dat verweerder bij het bepalen van de hoogte van de boete rekening heeft gehouden met deze omstandigheden, aldus eiseres.
3. Artikel 31, eerste lid, van de Wet inburgering, bepaalt dat Onze Minister een bestuurlijke boete oplegt aan de inburgeringsplichtige die de onderdelen van het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdelen b en c, niet binnen de in artikel 7b, eerste lid, genoemde termijn, of de met toepassing van artikel 7b, derde lid, of van de krachtens artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel a, gestelde regels verlengde termijn, heeft behaald.
Artikel 5:46, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat tenzij de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, het bestuursorgaan de bestuurlijke boete afstemt op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Het bestuursorgaan houdt daarbij zo nodig rekening met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd.
Vast staat dat eiseres niet op tijd is ingeburgerd. De rechtbank is van oordeel dat aan eiseres dan ook terecht een boete is opgelegd wegens niet tijdig inburgeren. De hoogte van de opgelegde boete beoordeelt de rechtbank in dit geval echter als niet evenredig.
Ter zitting is gebleken dat eiseres op 24 juni 2019 een aanvraag ontheffing aantoonbaar geleverde inspanning heeft gedaan. Bij besluit 14 oktober 2019 is positief op die aanvraag beslist en heeft verweerder bepaald dat eiseres is ontheven van de inburgeringsplicht. Hiermee staat vast dat eiseres wegens omstandigheden die in haar persoon gelegen zijn niet langer inburgeringsplichtig is. Hoewel deze ontheffing na het bestreden besluit is verleend en eiseres dus tot aan het moment van verlenen van deze ontheffing inburgeringsplichtig is geweest, is de rechtbank van oordeel dat de verleende ontheffing in zodanige mate de aard en de ernst van de overtreding raakt, dat de maximale boete als onevenredig moet worden aangemerkt. De rechtbank ziet daarin aanleiding de hoogte van de boete te matigen. Die aanleiding ziet de rechtbank ook in de omstandigheden, zoals hierna beschreven.
Verweerder heeft eiseres bij brief van 30 januari 2015 op de hoogte gesteld van de inburgeringsplicht. Eiseres is daarna vele malen (uit het dossier blijkt dat verweerder eiseres minimaal tien brieven heeft gestuurd hierover) gewezen op die plicht en dat zij daaraan nog niet had voldaan. Zij is ook gewaarschuwd dat zij een boete kan krijgen als zij niet aan die plicht voldoet (zie o.a. de brief van 11 februari 2016). Maar in de brieven zelf wordt niet gerept over een mogelijkheid van ontheffing van die plicht. Uit het dossier volgt dat eiseres op 25 april 2018 met een verzoek om verlenging van de inburgeringstermijn aan verweerder te kennen heeft gegeven dat zij zichzelf niet in staat acht (binnen de gestelde termijn) aan de inburgeringsplicht te voldoen.
Uit het dossier blijkt verder dat er na het voornemen van het opleggen van de boete (brief van 30 maart 2018) op 11 juni 2018 een gemachtigde is gemeld om de examens en geldzaken van eiseres te regelen. Daarna heeft eiseres een lening aangevraagd en een machtigingsformulier opvragen medische gegevens ingestuurd in het kader van een verzoek om verlenging van de inburgeringstermijn. Bij besluit van 8 april 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder vervolgens beslist dat de overgelegde medische informatie niets verandert aan het overschrijden van de inburgeringstermijn en heeft verweerder de boete opgelegd. Dat besluit is niet aan de gemachtigde van eiseres gestuurd. Op 12 maart 2019 is een brief over de uitslag van een examenonderdeel weer wel naar de gemachtigde van eiseres verzonden.
Ook de daarop volgende brieven zijn allemaal weer naar eiseres zelf verzonden. Verweerder heeft o.a. van 24 juli 2018 tot en met 18 januari 2019 brieven aan eiseres gestuurd dat zij op het verzoek om verlenging/vrijstelling nog niet konden beslissen.
Het bezwaar tegen het besluit van 8 april 2019 is door eiseres zelf ondertekend en de brief waarin is gevraagd of eiseres wil worden gehoord in het kader van het bezwaar is dus ook aan haarzelf gestuurd. Eiseres heeft daarop aangegeven dat zij niet wilde worden gehoord en dus is het bestreden besluit genomen zonder hoorzitting.
Bij brief van 28 juni 2019 heeft verweerder aan eiseres gemeld dat de machtiging voor examens en -geldzaken is gestopt per 25 juni 2019.
Op 24 juli 2019 tenslotte is de ontheffing “aantoonbaar geleverde inspanningen” aangevraagd die uiteindelijk heeft geleid tot de ontheffing van de inburgeringsplicht bij besluit van 14 oktober 2019.
Hoewel inmiddels vaststaat dat eiseres niet langer hoeft in te burgeren, is de rechtbank van oordeel dat het eiseres (deels) kan worden verweten dat zij zich niet binnen de inburgeringstermijn bij verweerder heeft gemeld. Aan de andere kant is verweerder, zonder ook maar een keer met eiseres te spreken, door blijven gaan met het sturen van brieven, terwijl inmiddels toch wel duidelijk had kunnen zijn dat de materie te ingewikkeld voor eiseres was om zelf te regelen. Dat daarbij voor een deel van de zaken een gemachtigde was aangesteld, maar voor een ander deel niet, zal het proces voor eiseres ook niet doorzichtiger hebben gemaakt. Het zou onder al deze omstandigheden naar het oordeel van de rechtbank dan ook voor de hand hebben gelegen dat verweerder in het kader van het bezwaar, of eerder, eens met eiseres zou hebben gesproken over haar situatie en de mogelijkheden tot ontheffing enz. Dat is niet een keer gebeurd.
Gelet op al deze omstandigheden beoordeelt de rechtbank de opgelegde (maximale) boete als onevenredig.
Het beroep is gegrond en de rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen, het bezwaar van eiseres gegrond verklaren, het primaire besluit herroepen en zelf in de zaak voorzien. Omdat eiseres kan worden verweten dat zij zich niet eerder bij verweerder heeft gemeld bepaalt de rechtbank de hoogte van de boete op € 300,-.
5. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt zij dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.
6. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.068,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 534,- en wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.R. Houweling, rechter, in aanwezigheid van mr. N.C. Correa, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 13 juli 2021.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.