Rechtbank Rotterdam
Team straf 2
Parketnummer: 10/964013-12 (ontneming)
Datum uitspraak: 24 februari 2022
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, op de vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) van de officier van justitie in de zaak tegen de veroordeelde:
[naam veroordeelde] ,
geboren te [geboorteplaats veroordeelde] op [geboortedatum veroordeelde],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres veroordeelde],
raadsvrouw mr. G.J.J.G. Stevens-Waltmans, advocaat te Roermond.
1. Onderzoek op de terechtzitting
Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 13 januari 2022.
2. Vordering
De vordering van de officier van justitie, mr. G.H. Rip, van 4 mei 2018 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr wordt geschat en tot het opleggen aan de veroordeelde van de verplichting tot betaling aan de staat van een geldbedrag ter ontneming van dat geschatte voordeel tot een maximumbedrag van € 296.722,86.
Gezien de stukken waarop de vordering berust en waarnaar deze vordering verwijst, verstaat de rechtbank de vordering aldus dat deze de feiten betreft waarvoor de veroordeelde in de onderliggende strafzaak is veroordeeld.
3. Grondslag van de vordering
De veroordeelde is bij onherroepelijk geworden arrest van het gerechtshof Den Haag van 20 december 2017 veroordeeld wegens - voor zover hier van belang - onderstaande strafbare feiten.
Ten aanzien van de feiten 4 en 5:
Als wethouder een gift aannemen, wetende dat deze hem gedaan wordt teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen en/of na te laten, meermalen gepleegd
en
Als wethouder een gift aannemen, wetende dat deze hem gedaan wordt ten gevolge van hetgeen door hem in zijn huidige en/of vroegere bediening, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening is gedaan of nagelaten, meermalen gepleegd
en
Als wethouder een gift vragen, teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen en/of na te laten, meermalen gepleegd
en
Als wethouder een gift vragen ten gevolge van hetgeen door in zijn huidige en/of vroegere bediening is gedaan en/of nagelaten, meermalen gepleegd
Ten aanzien van feit 6:
Als wethouder een gift en een dienst aannemen, wetende dat deze hem gedaan wordt teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen en/of na te laten
en
Als wethouder een gift en een dienst aannemen, wetende dat deze hem gedaan wordt ten gevolge van hetgeen door hem in zijn huidige en/of vroegere bediening, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening is gedaan of nagelaten
en
Als wethouder een gift en diensten vragen, teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen en/of na te laten
en
Als wethouder een gift en diensten vragen ten gevolge van hetgeen door in zijn huidige en/of vroegere bediening is gedaan en/of nagelaten, meermalen gepleegd.
Ten aanzien van feit 7:
Witwassen, meermalen gepleegd.
4. Het wederrechtelijk verkregen voordeel
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de veroordeelde door middel van voornoemde strafbare feiten wederrechtelijk voordeel verkregen.
De officier van justitie heeft kenbaar gemaakt dat met de veroordeelde een ontnemingsschikking, als bedoeld in artikel 511c van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), is getroffen en dat de veroordeelde het overeengekomen bedrag inmiddels volledig heeft voldaan. De officier van justitie heeft ter zitting gevorderd dat wordt verstaan dat de zaak van rechtswege is geëindigd.
5. Beslissing
Artikel 6:4:18 Sv bepaalt dat, als met de veroordeelde een schikking is aangegaan en door de veroordeelde aan de termen van de schikking is voldaan de zaak (als de vordering tot ontneming al is ingediend bij de rechtbank) van rechtswege is geëindigd. De wet bepaalt niet hoe de beslissing van de rechtbank in zo’n geval moet luiden. De rechtbank overweegt dat, hoewel het verstaan dat de zaak van rechtswege is geëindigd na het voldoen aan een schikking niet past in het systeem van de wet, deze beslissing het meest recht doet aan hetgeen de wetgever ten aanzien van de afhandeling van de ontnemingsprocedure heeft beoogd. De rechtbank verwijst naar het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 6 september 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:7248.
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verstaat dat de zaak van rechtswege is geëindigd.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. J. van der Groen, voorzitter,
en mrs. M.J.M. van Beckhoven en M.M. Dolman, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.A.N. Maat, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 februari 2022.
De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.