RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de meervoudige kamer van 6 april 2022 in de zaak tussen
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 21/4190
1. [naam eiser 1] , te [woonplaats eiser 1] , eiser 1
(gemachtigde: mr. L.A.C. van Lierop),
2. [naam eiser 2] , te [woonplaats eiser 2] , eiser 2, tezamen eisers,
en
de Minister voor Rechtsbescherming, verweerder
(gemachtigde: mr. N.N. Bontje).
Procesverloop
Met het besluit van 12 maart 2021 (primair besluit) heeft verweerder het verzoek van eisers om informatie te verstrekken op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) afgewezen.
Met het besluit van 1 juli 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eisers hebben op 30 juli 2021 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld bij de rechtbank Rotterdam. Op 2 augustus 2021 hebben eisers tegen het bestreden besluit beroep ingesteld bij de rechtbank Midden-Nederland. Bij beslissing van 10 augustus 2021 heeft de rechtbank Midden-Nederland de zaak op grond van artikel 8:8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verwezen naar de rechtbank Rotterdam.
Op 27 januari 2022 hebben eisers nadere stukken ingediend.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Verweerder heeft verzocht om met toepassing van artikel 8:29 van de Awb te bepalen dat uitsluitend de rechtbank van het stuk kennis zal mogen nemen waarvan de openbaarmaking is geweigerd. Op grond van artikel 2.8, zesde lid, van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken 2021 heeft de rechtbank gehandeld alsof de rechtbank heeft besloten dat beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is. Eisers hebben toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb.
Eiser 1 heeft op 25 februari 2022 een nader stuk ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 28 februari 2022 op zitting behandeld. Eiser 1 heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Eiser 2 is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was namens verweerder aanwezig [naam 1] .
Overwegingen
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.G.L. de Vette, voorzitter, en mr. A.M.J. Adriaansen en mr. R.J.P. Ferwerda, leden, in aanwezigheid van A.L.G. Willems, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 6 april 2022.
De griffier is verhinderd de uitspraak
te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.