RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 10318393 \ VV EXPL 23-60
datum uitspraak: 16 februari 2023
Vonnis in kort geding van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser01] ,
woonplaats: [woonplaats01] ,
eiser,
gemachtigde: mr. S.V. Hendriksen,
tegen
Stichting Woonplus Schiedam ,
vestigingsplaats: Schiedam,
gedaagde,
gemachtigde: mr. M.J. Jeths.
De partijen worden hierna ‘ [eiser01] ’ en ‘Woonplus’ genoemd.
1. De procedure
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 10 februari 2023, met bijlagen;
de brief van [eiser01] van 10 februari 2023, met bijlage;
de brief van Woonplus van 13 februari 2023, met bijlagen;
de e-mail van [eiser01] van 13 februari 2023, met bijlagen;
de spreekaantekeningen van Woonplus.
Op 14 februari 2023 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling besproken. Daarbij waren aanwezig: mevrouw [naam01] en de heer [naam02] , bijgestaan door mr. S.V. Hendriksen als gemachtigde, en de heer [naam03] (regisseur leefbaarheid) en mevrouw [naam04] (senior gebiedsmedewerker) namens Woonplus, bijgestaan door mr. M.J. Jeths als gemachtigde. Van wat is besproken heeft de griffier aantekeningen gemaakt.
2. De feiten
Bij vonnis van 2 september 2022 met zaaknummer 8923010 CV EXPL 20-45429 heeft de kantonrechter te Rotterdam de huurovereenkomst tussen partijen met betrekking tot de woning aan de [adres01] in Schiedam ontbonden. Ook heeft de kantonrechter bij dat vonnis de gebruiksovereenkomst van 30 juni 2020 tussen partijen voor het gebruik van de woning aan de [adres02] in Schiedam ontbonden en is [eiser01] veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 31.451,87 aan Woonplus in verband met de ontruimingskosten die door Woonplus zijn gemaakt. Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. [eiser01] heeft hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis.
Bij vonnis in kort geding van 26 oktober 2022 met zaaknummer 10133592 VV EXPL 22-408 heeft de kantonrechter – kort gezegd – [eiser01] toegestaan de door Woonplus aangeboden laatste kans overeenkomst met betrekking tot de woning aan de [adres02] in Schiedam, onder de in dat vonnis genoemde voorwaarden, te accepteren en voor het geval dat [eiser01] die laatste kans huurovereenkomst (hierna: LKH) niet accepteert, [eiser01] veroordeeld om die woning binnen drie maanden na betekening van het vonnis te ontruimen. De zeven voorwaarden van de LKH, zoals die in overweging 3.5 van dat vonnis zijn opgenomen, luiden als volgt:
1. [eiser01] en de leden van zijn gezin (zoon en dochter) zullen alle drie zorg die door zorgpartijen nader zal worden vastgesteld schriftelijk aanvaarden.
2. [eiser01] en zijn gezinsleden zullen zich jegens Woonplus, zorgpartijen en door Woonplus ingeschakelde derden “normaal” en als een goed huurder gedragen.
3. [eiser01] zal op korte termijn medewerking verlenen aan een vuurlastcontrole, uit te voeren door Woonplus tezamen met brandweer en gemeente.
4. De op kosten van Woonplus opgeslagen goederen van [eiser01] zullen op korte termijn door [eiser01] worden opgehaald uit de opslag. [eiser01] bevestigt schriftelijk dat hij de opgeslagen goederen niet in de woning aan de [adres02] zal opslaan.
5. Er komt een redelijke betalingsregeling voor de opslagkosten en proceskosten.
6. De zoon van [eiser01] mag medehuurder worden.
7. De ‘laatste kans huurovereenkomst’ wordt aangegaan voor de duur van één jaar.
Tegen het vonnis van 26 oktober 2022 is geen hoger beroep ingesteld.
Woonplus heeft de ontruiming van de woning aan de [adres02] in Schiedam aangezegd en ingepland op 23 februari 2023 om 09:00 uur.
3. Het geschil
[eiser01] eist:
de ontruiming te verbieden en verboden te houden;
met daarbij een dwangsom op te leggen van € 100.000,00, dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag;
Woonplus te veroordelen in de proceskosten;
het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
[eiser01] baseert de eis – samengevat weergegeven – op het volgende. [eiser01] heeft de voorwaarden van de LKH geaccepteerd. Daarnaast bevat het vonnis van 26 oktober 2022 een kennelijke misslag die eruit bestaat dat eraan voorbij is gegaan dat Woonplus een tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst niet is nagekomen door [eiser01] niet zijn woning terug te geven. Ten slotte is het belang van [eiser01] bij schorsing van de executie veel groter dan het belang van Woonplus bij het laten doorgaan daarvan.
Woonplus is het niet eens met de eis en voert aan dat [eiser01] de voorwaarden van de LKH niet heeft geaccepteerd. Woonplus heeft de gemeente Schiedam benaderd om via een persoonsgerichte aanpak (hierna: ‘PGA’) zorg te verlenen. [eiser01] laat echter geen hulpverlening toe en gedraagt zich niet als goed huurder omdat hij medewerkers van Woonplus wegjaagt en uitscheldt. Een gesprek is niet mogelijk.
Op de overige stellingen en verweren van partijen wordt, voor zover van belang, hierna onder de beoordeling ingegaan.
4. De beoordeling
Voorwaarden LKH wel of niet geaccepteerd?
Allereerst moet worden beoordeeld of [eiser01] de voorwaarden van de LKH, zoals omschreven in overweging 3.5 van het vonnis van 26 oktober 2022, wel of niet heeft geaccepteerd. Alleen als [eiser01] die voorwaarden niet accepteert, mag Woonplus immers overgaan tot ontruiming van de woning aan de [adres02] in Schiedam. De kantonrechter overweegt daarover als volgt.
De eerste (en volgens de kantonrechter kennelijk meest zwaarwegende) voorwaarde is dat [eiser01] en zijn zoon en dochter zorg aanvaarden. Daargelaten wie is belast met het organiseren van die zorg, is voldoende aannemelijk geworden dat namens Woonplus in ieder geval is geprobeerd om zorg georganiseerd te krijgen door aanmelding van [eiser01] bij de coördinator Persoonsgerichte Aanpak (PGA), maar dat dit door [eiser01] is afgehouden. Woonplus heeft in dit kader onder meer verwezen naar een verklaring van haar gemachtigde, waarin is beschreven dat het de medewerkers van het sociale wijkteam niet lukt om met [eiser01] in gesprek te komen en dat hij niet luistert naar oplossingsgerichte voorstellen. Ook heeft Woonplus aangevoerd (en dat heeft [eiser01] niet gemotiveerd betwist) dat medewerkers van Woonplus die aan de deur kwamen bij [eiser01] tot tweemaal toe zijn uitgescholden en weggestuurd door [eiser01] . Ten slotte is door [eiser01] zelf – nu bijna vier maanden na het vonnis van 26 oktober 2022 – nog geen begin gemaakt met het zoeken van zorg. Dat is althans nergens uit gebleken.
Hiermee is naar het oordeel van de kantonrechter voldoende aannemelijk dat [eiser01] niet heeft voldaan aan (in ieder geval) voorwaarde 1 van de LKH. Woonplus is dan ook in beginsel gerechtigd om tot ontruiming over te gaan; de overige voorwaarden van de LKH behoeven geen bespreking.
Misbruik van bevoegdheid door Woonplus? Nee
Vervolgens moet worden beoordeeld of sprake is van misbruik van bevoegdheid, zoals door [eiser01] gesteld. Aangezien tegen het vonnis van 26 oktober 2022 geen rechtsmiddel meer openstaat, is de veroordeling tot ontruiming definitief. In dat geval bestaat slechts grond voor schorsing van die veroordeling in het geval van misbruik van bevoegdheid (zie de uitspraak van de Hoge Raad van 20 december 2019, gepubliceerd onder ECLI:NL:HR:2019:2026, overweging 5.7.1). Van misbruik van bevoegdheid kan sprake zijn wanneer de ten uitvoer te leggen uitspraak klaarblijkelijk berust op een misslag, of wanneer de tenuitvoerlegging door na de uitspraak voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan.
[eiser01] heeft in dit kader aangevoerd dat het vonnis een kennelijke misslag bevat, bestaande uit een onjuiste conclusie die getrokken wordt naar aanleiding van een gesloten vaststellingsovereenkomst. Het heeft er echter alle schijn van dat [eiser01] het vonnis van 26 oktober 2022 heeft verward met dat van 2 september 2022. In het vonnis van 26 oktober 2022 wordt immers – in tegenstelling tot het vonnis van 2 september 2022 – de term ‘vaststellingsovereenkomst’ niet gebruikt. Ook de beschrijving van een mondelinge behandeling waar [eiser01] onder het kopje “kennelijke misslag vonnis 2022” in zijn dagvaarding naar verwijst, komt slechts in het vonnis van 2 september 2022 aan de orde. De kantonrechter oordeelt dan ook dat niet is gebleken dat het vonnis van 26 oktober 2022 een kennelijke misslag bevat.
Ook is naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake van een noodsituatie in vorenbedoelde zin. In de uitspraak van 26 oktober 2022 is de situatie die zal ontstaan ten gevolge van een eventuele ontruiming al meegewogen in de beoordeling. Er zijn geen nieuwe feiten of omstandigheden van ná dat vonnis aangevoerd die maken dat door de ontruiming een dusdanige noodsituatie ontstaat dat uitvoering daarvan misbruik van bevoegdheid oplevert. Het uit een woning worden gezet levert in zekere zin altijd een noodsituatie op, maar een andere interpretatie zou er toe leiden dat [eiser01] ook zonder aan de overeengekomen voorwaarden te voldoen altijd in de woning kan blijven. Dat is niet te rijmen met het vonnis van 26 oktober 2022.
De conclusie op basis van het voorgaande luidt dat de vorderingen van [eiser01] worden afgewezen.
Proceskosten
[eiser01] krijgt ongelijk en moet daarom de proceskosten betalen (artikel 237 Rv). De kantonrechter stelt deze kosten aan de kant van Woonplus tot vandaag vast op € 498,00 aan salaris voor de gemachtigde. Voor kosten die Woonplus maakt na deze uitspraak moet [eiser01] een bedrag betalen van € 99,50. Hier kan nog een bedrag bijkomen als de uitspraak wordt betekend. In dit vonnis hoeft hierover niet apart te worden beslist (zie de uitspraak van de Hoge Raad van 10 juni 2022, gepubliceerd onder ECLI:NL:HR:2022:853).
Uitvoerbaarheid bij voorraad
Dit vonnis wordt ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 Rv).
5. De beslissing
De kantonrechter:
wijst de vorderingen af;
veroordeelt [eiser01] in de proceskosten die aan de kant van Woonplus tot vandaag worden vastgesteld op € 498,00;
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. van der Kolk en in het openbaar uitgesproken.
48637