In ROT 21/3695:
- stelt de boete vast op € 3.750,-;
- bepaalt dat verweerder aan eiseres een bedrag van € 207,69 aan griffierecht moet vergoeden;
- bepaalt dat de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) aan eiseres een bedrag van € 152,31 aan griffierecht moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van in totaal € 482,88 aan proceskosten van eiseres;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling van € 354,12 aan proceskosten van eiseres;
In ROT 21/3696:
- stelt de boete vast op € 2.000,-;
- bepaalt dat verweerder aan eiseres een bedrag van € 140,- aan griffierecht moet vergoeden;
- bepaalt dat de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) aan eiseres een bedrag van € 220,- aan griffierecht moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van in totaal € 325,50 aan proceskosten van eiseres;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling van € 511,50 aan proceskosten van eiseres;
In ROT 21/3697:
- stelt de boete vast op € 4.500,-;
- bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan eiseres een bedrag van € 360,- aan griffierecht moet vergoeden;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling van € 837,- aan proceskosten van eiseres;
In ROT 21/4074:
- stelt de boete vast op € 2.125,-;
- bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan eiseres een bedrag van € 360,- aan griffierecht moet vergoeden;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling van € 837,- aan proceskosten van eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Flikweert, rechter, in aanwezigheid van P. Deinum, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 31 mei 2023.
de rechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: wettelijke bepalingen
Overtreding
Artikel 3, eerste lid, van Verordening 1099/2009: Bij het doden van dieren en daarmee verband houdende activiteiten wordt ervoor gezorgd dat de dieren elke vermijdbare
vorm van pijn, spanning of lijden wordt bespaard.
Artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van Verordening 1099/2009: Voor de toepassing van lid 1 nemen bedrijfsexploitanten met name de noodzakelijke maatregelen om te waarborgen dat dieren beschermd zijn tegen letsel.
Artikel 3, tweede lid, aanhef en onder d, van Verordening 1099/2009: Voor de toepassing van lid 1 nemen bedrijfsexploitanten met name de noodzakelijke maatregelen om te waarborgen dat dieren geen tekenen van vermijdbare pijn, angst of abnormaal gedrag vertonen.
Artikel 3, derde lid, van Verordening 1099/2009: Voorzieningen voor het doden van dieren en daarmee verband houdende activiteiten worden zodanig ontworpen, gebouwd, onderhouden en gebruikt, dat de naleving van de verplichtingen in de leden 1 en 2 overeenkomstig het verwachte activiteitenniveau het hele jaar gewaarborgd is.
Artikel 6, eerste en tweede lid, Verordening 1099/2009:
1. Bedrijfsexploitanten plannen vooraf het doden van dieren en de daarmee
verband houdende activiteiten, en voeren het doden uit overeenkomstig de
standaardwerkwijzen.
2. Bedrijfsexploitanten stellen dienovereenkomstige standaardwerkwijzen op en
voeren die uit om te waarborgen dat het doden van dieren en de daarmee
verband houdende activiteiten overeenkomstig artikel 3, lid 1, plaatsvinden.
Artikel 15, eerste lid, van Verordening 1099/2009: De bedrijfsexploitanten waarborgen dat de in bijlage III opgenomen operationele voorschriften voor slachthuizen in acht wordt genomen.
Artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren: Het is verboden in strijd te handelen met bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften van EU-verordeningen betreffende onderwerpen waarop deze wet van toepassing is.
Artikel 5.8 van de Regeling houders van dieren: Als voorschriften van EU-verordeningen als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de wet worden aangewezen de artikelen 3, 4, eerste en vierde lid, 5, eerste en tweede lid, 6, eerste en tweede lid, 7, 8, 9, 12, 14, eerste en tweede lid, 15, eerste, tweede en derde lid, 16, eerste tot en met vierde lid, 17, 19, 21, zesde lid, 24 en 28, eerste lid, van verordening (EG) nr. 1099/2009.
Hoogte boete
Artikel 5:46, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht: De wet bepaalt de bestuurlijke boete die wegens een bepaalde overtreding ten hoogste kan worden opgelegd.
Artikel 5:46, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht: Indien de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, legt het bestuursorgaan niettemin een lagere bestuurlijke boete op indien de overtreder aannemelijk maakt dat de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is.
Artikel 2.2, eerste lid, van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren: De hoogte van de bestuurlijke boete die Onze Minister aan een overtreder voor een overtreding kan opleggen wordt overeenkomstig de volgende boetecategorieën vastgesteld:
a. categorie 1: € 500;
b. categorie 2: € 1500;
c. categorie 3: € 2500;
d. categorie 4: € 5000;
e. categorie 5: € 10.000 of, indien dat meer is, 10% van de jaaromzet.
Artikel 2.3 van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren:
Indien de risico’s of de gevolgen van een overtreding voor de volksgezondheid, diergezondheid, dierenwelzijn of milieu:
a. gering zijn of ontbreken, wordt het bedrag, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, gehalveerd;
b. ernstig zijn, wordt het bedrag, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, verdubbeld.
Artikel 2.5, eerste lid, van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren:
Indien ten tijde van het begaan van een overtreding nog geen vijf jaren zijn
verstreken sinds een eerder aan de overtreder opgelegde bestuurlijke boete voor
eenzelfde overtreding onherroepelijk is geworden, is de bestuurlijke boete gelijk
aan de som van de op grond van de artikelen 2.2, 2.3 en 2.4 voor de overtreding
op te leggen bestuurlijke boete en de voor die eerdere overtreding opgelegde
bestuurlijke boete.
Artikel 1.2 van de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren: De hoogte van de bestuurlijke boete, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, van het besluit, wordt vastgesteld overeenkomstig de bedragen die horen bij de boetecategorieën die in de bijlage bij deze regeling voor desbetreffende overtredingen zijn vastgelegd.
Volgens de bijlage van de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren valt een overtreding van artikel 5.8 van de regeling houders van dieren onder categorie 3.