ECLI:NL:RBROT:2023:9076

ECLI:NL:RBROT:2023:9076, Rechtbank Rotterdam, 13-09-2023, C/10/655565 / FA RK 23-2520

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 13-09-2023
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer C/10/655565 / FA RK 23-2520
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Beschikking
Zittingsplaats Rotterdam
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 2 zaken
Aangehaald door 3 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001827 BWBR0002656

Samenvatting

1:377a BW verzoek grootouders. Nauwe persoonlijke betrekking, anticipatie op wetsvoorstel drempelverlaging omgang grootouders. Verzoek afgewezen wegens strijd met zwaarwegende belangen van de minderjarigen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie

Zaaknummer / rekestnummer: C/10/655565 / FA RK 23-2520

Beschikking van 13 september 2023 over de regeling van de uitoefening van het omgangsrecht

in de zaak van:

[naam01] , hierna: de grootvader

en

[naam02] , hierna: de grootmoeder,

gezamenlijk aan te duiden als: de grootouders,

beiden wonende te [woonplaats01],

advocaat mr. F. Çelen te Rotterdam,

t e g e n

[naam03] , hierna: de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat mr. N. Kose-Albayrak te Rotterdam.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

het verzoekschrift met bijlagen van de grootouders, ingekomen op 4 april 2023;

het verweerschrift met bijlage van de moeder.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 16 augustus 2023. Daarbij zijn verschenen:

de grootmoeder, bijgestaan door haar advocaat;

de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), vertegenwoordigd door de heer Kühn.

De grootvader is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen.

De oudste minderjarige is, gelet op haar leeftijd, in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. De minderjarige heeft hier gebruik van gemaakt.

2. De vaststaande feiten

Uit de inmiddels beëindigde affectieve relatie van de moeder en [naam04] zijn twee thans nog minderjarige kinderen geboren, te weten:

[minderjarige01], geboren op [geboortedatum01] 2010 te [geboorteplaats01] en

[minderjarige02], geboren op [geboortedatum02] 2015 te [geboorteplaats02].

[naam04] (hierna: de vader) heeft de minderjarigen erkend.

Het ouderlijk gezag over de minderjarigen wordt uitgeoefend door de moeder.

De grootouders en de moeder hebben alle de Nederlandse nationaliteit.

Bij beschikking van deze rechtbank van 8 september 2020 zijn de verzoeken van de vader tot hem samen met de vrouw belasten met het ouderlijk gezag over de minderjarigen en tot vaststelling van een zorgregeling (alsmede tot het treffen van een voorlopige voorziening) afgewezen.

3. De beoordeling

Omgangsregeling

De grootouders verzoeken te bepalen dat zij gerechtigd zijn tot een opbouwende (begeleide) omgang met de minderjarigen, althans een omgangsregeling vast te stellen zoals de rechtbank meent te behoren.

De moeder voert gemotiveerd verweer en vraagt de grootouders in hun verzoek niet-ontvankelijk te verklaren en/of dat verzoek af te wijzen.

Ontvankelijkheid

De grootouders zijn van mening dat zij in hun verzoek ontvankelijk zijn en stellen daartoe dat er sprake is van ‘family life’ en van een nauwe persoonlijke betrekking tussen henzelf en de minderjarigen. De grootouders beroepen zich daarbij op de uitspraak van deze rechtbank van 24 oktober 2022 (ECLI:NL:RBROT: 2022:10610), waarin onder meer werd overwogen:

“…..

De rechtbank moet vaststellen of sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking tussen de grootouders en de minderjarigen. Volgens de huidige nationale rechtspraak zijn grootouders slechts ontvankelijk in hun verzoek als – kort samengevat – er méér is dan een gebruikelijk contact met de kleinkinderen. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) legt de lat minder hoog dan de Nederlandse rechter. Als de rechtbank de huidige nationale jurisprudentie zou volgen, dan zouden grootouders die een gewone grootouder-kleinkind relatie hebben, geen toegang hebben tot de rechtbank om omgang te vragen. Zij kunnen dan immers geen bijkomende omstandigheden naar voren brengen waaruit blijkt dat sprake is van méér dan de gebruikelijke contacten tussen grootouders en het kleinkind. De rechtbank vindt dat ongewenst en ook in strijd met de (hogere) rechtspraak van het EHRM en zal dan ook aan de hand van het hiervoor genoemde criterium van het EHRM toetsen of sprake is van ‘family life’ tussen de grootouders en de minderjarigen.

…..”

De moeder stelt dat de grootouders niet-ontvankelijk zijn in hun verzoek. Zij betwist dat er sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking tussen grootouders en hun de minderjarigen in de zin van art. 1:377a, lid 1 BW. Tevens betwist de moeder dat er tussen de grootouders en de minderjarigen sprake is van ‘family life’ in de zin van art. 8 EVRM.

Op grond van artikel 1:377a, lid 1 BW heeft het kind recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. De niet met het gezag belaste ouder heeft het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind.

In het tweede lid van genoemd wetsartikel is bepaald dat de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vaststelt dan wel het recht op omgang, al dan niet voor bepaalde tijd, ontzegt.

In het derde lid is bepaald dat de rechter het recht op omgang slechts ontzegt, indien:

a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of

b. de ouder of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of

c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder of met degene met wie hij in een nauwe persoonlijke betrekking staat heeft doen blijken, of

d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.

Naast de namens grootouders genoemde jurisprudentie is onder invloed van de uitspraken van EHRM, inmiddels het wetsvoorstel drempelverlaging omgang grootouders ingediend bij de Tweede Kamer. Het advies van de Raad van State is algeheel positief. Op

7 september 23 is het wetsvoorstel niet controversieel verklaard zodat de procedure ongehinderd voortgang zal hebben. In genoemd wetsvoorstel wordt uitgegaan van het bewijsvermoeden dat grootouders in een persoonlijke betrekking staan tot hun kleinkinderen. De rechtbank zal anticiperend op de komende wetgeving uitgaan van een nauwe persoonlijke betrekking in de zin van artikel 1:377a BW. De argumenten van de vrouw brengen de rechtbank niet tot het oordeel dat deze nauwe persoonlijke betrekking teloor is gegaan. Nadat de relatie van de ouders was geëindigd is het contact tussen grootouders en minderjarigen weliswaar sterk in frequentie en intensiteit beperkt, maar niet totaal verloren gegaan. Dat het contact zo sterk ingeperkt raakte, was - los van de vraag wat daarvan de oorzaak was en ook los van de vraag of en zo ja, wie er daaromtrent een verwijt te maken valt – in ieder geval tegen de uitdrukkelijke wens van de grootouders. De grootouders zijn ontvankelijk in het verzoek.

Inhoudelijk

Onder verwijzing naar het hiervoor in alinea 3.1.4. beschreven juridisch kader van het verzoek is het uitgangspunt is dat het kind recht heeft op omgang met degene die in nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind. Vervolgens is de vraag aan de orde of sprake is van een van de vier ontzeggingsgronden uit artikel 1:377a, lid 3 BW.

De rechtbank is van oordeel dat dit wel het geval is en overweegt daartoe het volgende.

Na het turbulente einde van de relatie van de ouders is het contact tussen grootouders en minderjarigen sterk ingeperkt geraakt.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de raad gezegd dat zij reeds eerder bemoeienis met deze kinderen en dit gezin hebben gehad. De raad had twee zorgen: de eerste was vader, die op onduidelijke manier in het leven stond en iedereen in onduidelijkheid hield over wat er gedaan werd. De tweede zorg was moeder die niet bezig was kinderen bij vader weg te houden. De raad vond dat moeder meer moest begrenzen met het oog op de veiligheid van de kinderen. Er is toen een rechtszaak geweest en het verzoek tot omgang is uiteindelijk in genoemde beschikking van 8 september 2020 afgewezen. Daarmee werden, zo stelde raad tijdens de mondelinge behandeling, de minderjarigen – na het uiteengaan van hun ouders – ook nog geconfronteerd met het verlies van het contact met hun vader. Dat zijn voor nog jonge minderjarigen heel ingrijpende gebeurtenissen. In die situatie worden zij door hun moeder op een gegeven moment naar de moskee gebracht voor koran-les (de oudste minderjarige) en de crèche (de jongste minderjarige). In de pauze van die koranlessen komt er dan weer heel beperkt contact met de grootouders van vaderszijde. Dat dit gebeurde buiten medeweten en instemming van moeder, is volgens de raad schadelijk voor de minderjarigen. Zij horen geen geheimen te hebben voor hun moeder. Dat schept een spanningsvolle situatie voor kinderen. Volgens de raad komt dit ook naar voren in het kindgesprek met de oudste minderjarige, waarin zij onder meer heeft verteld dat zij zich er heel ongelukkig bij voelt. De raad snapt dit; de minderjarige kan dit niet oplossen en het is ook niet aan haar om dit op te lossen.

De rechtbank neemt de analyse van de raad zoals verwoord in 3.1.7 over en maakt het tot de hare. Weliswaar is er contactherstel tussen grootouders en de minderjarigen geweest maar dit is gebeurd zonder dat moeder het wist. Voor de minderjarigen was dit kennelijk ook zodanig ingrijpend dat ze het niet hebben verteld aan moeder. Kinderen moeten hierover geen geheimen hebben voor hun ouders. Dat dit wel is gebeurd is een complicerende factor bij het beoordelen van het verzoek van de grootouders, temeer daar moeder -mogelijk versterkt door hetgeen zich achter haar rug heeft afgespeeld- tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard dat zij momenteel geen enkel contact wil hebben met familie van vader. Met de raad is de rechtbank van oordeel dat gelet op de beschreven context het opleggen van een omgangsregeling voor de minderjarigen problematisch is. Zonder de instemming van moeder is contact tussen de minderjarigen en de grootouders in strijd met de zwaarwegende belangen van de minderjarigen. Daarbij komt dat de oudste minderjarige, die ouder dan 12 jaar is, ernstige bezwaren heeft tegen genoemd contact. Het verzoek van de grootouders wordt afgewezen.

Met de raad is de rechtbank van mening dat de sleutel naar de oplossing voor deze hele situatie ligt bij de moeder en de grootouders. In die relatie zal eerst weer herstel van contact en vervolgens herstel van vertrouwen moeten plaatsvinden alvorens er een weg kan worden gevonden naar onbelast contact tussen grootouders en hun kleinkinderen. Een contactherstel dat op deze manier plaatsvindt kan zeker in het belang zijn van de minderjarigen. Zoals de rechtbank met moeder heeft besproken kan het voor de ontwikkeling van de minderjarigen goed zijn dat zij de familie vanvader leren kennen. De minderjarigen hebben immers voor 50% het DNA van hun vader. Mogelijk kan professionele hulpverlening of bemiddeling vanuit de familie van moeder partijen hierbij dan helpen.

Proceskosten

Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

4. De beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek van de grootouders af;

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.C.A. de Groot, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van J.A. Faaij, griffier, op 13 september 2023.

Tegen deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.

Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl Sdu Nieuws Personen- en familierecht 2023/574 FJR 2024/42.32
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?