RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 oktober 2024 in de zaak tussen
[eiseres], uit [plaatsnaam], eiseres
Dienst Toeslagen
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 23/5821
(gemachtigde: mr. A.T. Tilburg),
en
(gemachtigde: mr. N. Hamdach en mr. W.E. Louwerse).
Procesverloop
Met de besluiten van 28 december 2021 heeft de Dienst Toeslagen de aanvraag van eiseres om compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) afgewezen.
Met het besluit van 25 juli 2023 (het bestreden besluit) heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiseres tegen de besluiten van 28 december 2021 ongegrond verklaard.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op de zitting van 12 augustus 2024 behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van de Dienst Toeslagen.
Overwegingen
1. Eiseres heeft in 2010 en 2011 kinderopvangtoeslag aangevraagd. In 2010 is aan haar een voorschot toegekend van € 6.426,- en in 2011 € 7.508,-. Eiseres moest de voorschotten terugbetalen, omdat zij niet zou hebben gereageerd op informatieverzoeken van de Belastingdienst.
2. De Dienst Toeslagen heeft niet kunnen vaststellen dat de informatieverzoeken aan eiseres zijn verstuurd. Daarom is sprake van vooringenomen handelen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wht. Volgens de Dienst Toeslagen is de door eiseres geleden schade echter te wijten aan een ernstige onregelmatigheid die aan eiseres toerekenbaar is. Eiseres heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat haar dochter daadwerkelijk naar de kinderopvang is gegaan. Daarom heeft de Dienst Toeslagen de aanvraag van eiseres om compensatie afgewezen.
3. Eiseres betoogt dat de Dienst Toeslagen ten onrechte heeft vastgesteld dat sprake is van een ernstige onregelmatigheid. Eiseres heeft destijds deelgenomen aan een werk-leertraject van de gemeente Rotterdam. De voormalige begeleider van eiseres heeft verklaard dat een voorwaarde van het traject was dat de dochter van eiseres naar de kinderopvang ging en dat haar dochter ook daadwerkelijk naar de kinderopvang is gegaan.
Op 17 maart 2023 heeft de voormalige begeleider van eiseres het volgende verklaard: “Jij hebt mij gevraagd iets op de mail te zetten over de periode dat jouw dochter [naam 1] op de kinderopvang zat en waarom. In de periode van 28-10-2008 tot 31-12-2011 heb jij gewoond bij het CVD. Ik heb in mijn digitale aantekeningen gevonden dat jij een uitkering ontving en dat deze meerdere keren stop is gezet waardoor jij uiteindelijk de woning moest verlaten. Wat ik mij kan herinneren is dat alle jongeren met een uitkering in die periode een traject moesten volgen. In jouw geval was dit bij Challenge sport. Uit mijn aantekeningen kan ik halen dat jij hier ook aan moest deelnemen en dit ook hebt gedaan. [naam 1] moest daarom naar [naam kinderopvang].”
Op 4 mei 2023 heeft de voormalige begeleider van eiseres het volgende verklaard: “Ik weet mij te herinneren dat inderdaad de uitkering van [naam 2] was stopgezet omdat zij niet het trajectcontract was komen tekenen. Ook was er een probleem dat zij niet op enig moment naar het traject was gegaan. In beide gevallen was het echter snel hersteld omdat [naam 2] hierop werd aangesproken. Ik weet dat omdat ik zelf heb vastgesteld dat ze aan het werkleertraject Challenge Sport heeft deelgenomen en dat haar kind naar de opvang ging.”
4. De Dienst Toeslagen kent op aanvraag compensatie toe aan een aanvrager van kinderopvangtoeslag, die schade heeft geleden, doordat ten aanzien van haar bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen. De compensatie wordt niet toegekend indien de door de aanvrager geleden schade is te wijten aan ernstige onregelmatigheden die aan haar toerekenbaar zijn. Van een ernstige onregelmatigheid is in ieder geval sprake als uit het dossier blijkt dat er evident geen recht op kinderopvangtoeslag bestond, bijvoorbeeld als het kind waarvoor toeslag is aangevraagd niet blijkt te bestaan, ouder is dan de geldende leeftijdsgrens, of in het geheel geen opvang heeft genoten.
5. Tussen partijen is niet in geschil dat ten aanzien van eiseres bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen. Ook is niet in geschil dat eiseres recht kon hebben op kinderopvangtoeslag, omdat zij als deelnemer aan een werk-leertraject gebruik maakte van een voorziening, gericht op arbeidsinschakeling, die de noodzaak tot kinderopvang met zich bracht. Het geschil spitst zich toe op de vraag of sprake is van een ernstige onregelmatigheid als bedoeld in artikel 2.1, tweede lid, van de Wht.
6. De Dienst Toeslagen stelt zich op het standpunt dat in geval van twijfel over de aanspraak op kinderopvangtoeslag, eiseres moet aantonen dat geen sprake is van een situatie waarin evident geen recht op kinderopvangtoeslag bestaat. Uit het dossier blijkt niet dat de dochter van eiseres kinderopvang heeft genoten. De kinderopvanginstelling waar zij naartoe zou zijn gegaan, heeft wel informatie over andere kinderen verstrekt, maar niet over de dochter van eiseres. Uit de verklaringen van de voormalig begeleider van eiseres en het trajectplan blijkt niet dat destijds kinderopvang is genoten. De verklaringen van de voormalig begeleider zijn tegenstrijdig en niet onderbouwd. Het trajectplan is niet ondertekend door eiseres.
7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen ten onrechte vastgesteld dat sprake is van een ernstige onregelmatigheid. Uit het dossier blijkt niet dat evident geen recht op kinderopvangtoeslag bestond. Er zijn namelijk duidelijke aanwijzingen dat de dochter van eiseres wel kinderopvang heeft genoten. Eiseres nam deel aan een traject dat de noodzaak tot kinderopvang met zich bracht. De voormalige begeleider van eiseres heeft bevestigd dat de dochter van eiseres naar de kinderopvang is gegaan. De verklaringen van de begeleider zijn niet tegenstrijdig, maar consistent. Dat de kinderopvanginstelling geen informatie aan de Belastingdienst over de dochter van eiseres heeft verstrekt, legt daartegenover onvoldoende gewicht in de schaal, omdat de kinderopvanginstelling daartoe niet verplicht was. Dat er voor het overige geen informatie over de genoten kinderopvang bij de Dienst Toeslagen bekend is, wekt geen verbazing: het vooringenomen handelen van de Dienst Toeslagen bestaat er juist in, dat niet kan worden vastgesteld of bij eiseres informatie is opgevraagd, voordat de voorschotten zijn teruggevorderd. De Dienst Toeslagen heeft uitdrukkelijk erkend dat eiseres heeft deelgenomen aan een leer-werktraject. Dat het trajectplan niet is ondertekend, doet daarom niet meer ter zake. De beroepsgrond slaagt.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 2.1, tweede lid, van de Wht en kan niet in stand blijven. De rechtbank kan niet zelf in de zaak voorzien, omdat de berekening van de hoogte van de eventuele compensatie te ingewikkeld is. De Dienst Toeslagen zal daarom een nieuw besluit moeten nemen op het bezwaar van eiseres, met inachtneming van deze uitspraak.
9. Omdat het beroep gegrond is, moet de Dienst Toeslagen het betaalde griffierecht vergoeden. De rechtbank veroordeelt de Dienst Toeslagen daarnaast in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.750,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 875,- en wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.P. Ferwerda, rechter, in aanwezigheid van E.J. van den Doel, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 24 oktober 2024.
De griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.