Vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Rotterdam,
in de gevoegde zaken tegen de verdachte rechtspersoon:
[rechtspersoon A] . ,
gevestigd op het adres:
[vestigingsadres 1] te ( [postcode] [vestigingsplaats 1] ,
in deze procedure vertegenwoordigd door haar wettelijk vertegenwoordigster:
mevrouw [persoon A] ,
Raadsman: mr. W.J.W. van Eijk, advocaat te 's-Hertogenbosch.
Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 08 november 2024.
Tenlasteleggingen
Aan de verdachte rechtspersoon is tenlastegelegd hetgeen is vermeld in de Oproepingen verdachte na ingesteld verzet met de parketnummers
83/148497-23 en 83/015316-23.
De tekst van de tenlasteleggingen is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
Eis officier van justitie
De officier van justitie mr. A.E. Bakker heeft gevorderd:
- bewezenverklaring van het onder de parketnummers
83/148497-23 en 83/015316-23 aan de verdachte rechtspersoon tenlastegelegde;
- vernietiging van de aan de verdachte rechtspersoon in de zaken met de parketnummers 83/148497-23 en 83/015316-23 opgelegde strafbeschikkingen en
- veroordeling van de verdachte rechtspersoon tot:
T.a.v. parketnummer 83/148497-23:
een geldboete ter hoogte van 4.500,00 euro
en
T.a.v. parketnummer 83/015316-23:
een geldboete ter hoogte van 3.000,00 euro.
Ontvankelijkheid officier van justitie
T.a.v. parketnummers 83/148497-23 en 83/015316-23:
Standpunt verdediging
Door de raadsman is ter terechtzitting aangevoerd dat interpretatiediscussies over te gebruiken codes (parketnummer 83/148497-23) en administratieve vergissingen (parketnummer 83/015316-23) niet in de strafrechtketen thuishoren.
Een afdoening door het bevoegd gezag had eerder in de rede gelegen.
Volgens de raadsman heeft de officier van justitie het vervolgingsrecht in de vorm van het aanbieden van een strafbeschikking (te) lichtvaardig ingezet en is strafrechtelijk optreden niet opportuun.
Standpunt officier van justitie
Door de officier van justitie is aangevoerd dat het in beide zaken niet gaat om incidentele gevallen, maar om structuele overtredingen.
Als het om incidentele gevallen zou gaan, dan zouden deze zaken bestuursrechtelijk zijn afgedaan.
In de zaak met parketnummer 83/148497-23 gaat het echter om de verdenking dat de verdachte rechtspersoon gedurende een periode van ongeveer twee jaren immobilistaat afkomstig uit 112.962.723 kilogram afvalstoffen niet onder de juiste code heeft afgemeld.
En in de zaak met parketnummer 83/015316-23 wordt de verdachte rechtspersoon ervan verdacht gedurende bijna een jaar ruim 50 vrachten bedrijfsafvalstoffen zonder de juiste begeleidingsbrieven in ontvangst te hebben genomen.
De officier van justitie is derhalve van mening dat deze zaken wel degelijk in het strafrecht thuishoren.
Beoordeling
De economische politierechter is van oordeel dat de tenlastegelegde feiten strafbare feiten zijn die zijn voorzien en strafbaar gesteld bij de Wet op de economische delicten.
Te dien aanzien geldt dat de officier van justitie op grond van artikel 167 van het Wetboek van Strafvordering de bevoegdheid heeft tot vervolging over te gaan.
Niet is gesteld of gebleken dat de officier van justitie op een onjuiste wijze gebruik heeft gemaakt van de haar toekomende bevoegdheden.
Conclusie
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van de verdachte
rechtspersoon met betrekking tot de parketnummers 83/148497-23 en 83/015316-23.
Waardering van het bewijs
Inleiding
De volgende feiten en omstandigheden kunnen op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben op de terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvraag.
T.a.v. parketnummer 83/148497-23:
In de periode van 1 januari 2020 tot en met 31 december 2022 heeft de verdachte rechtspersoon zich te Gorinchem meermalen van immobilisaat ontdaan,
afkomstig uit in totaal 112.962.723 kilogram afvalstoffen met Euralcode 170504,
door afgiften aan andere personen.
De afgiftemeldingen zijn niet door middel van een GN-code (product) gedaan,
maar door middel van een Euralcode (afvalstof).
T.a.v. parketnummer 83/015316-23:
Omstreeks 18 februari 2021 tot en met 23 november 2021 heeft de verdachte rechtspersoon te Gorinchem meermalen bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen, te weten ruim 50 vrachten bodemas behorende bij afvalstroomnummers [nummer X] en [nummer Y] in ontvangst genomen, terwijl in de bijbehorende begeleidingsbrieven niet de naam van de verdachte rechtspersoon als naam van de ontvanger stond vermeld, maar [rechtspersoon B] .
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder de parketnummers 83/148497-23 en 83/015316-23 aan de verdachte rechtspersoon tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezenverklaard kan worden.
Zij heeft daartoe ter terechtzitting het volgende aangevoerd.
T.a.v. parketnummer 83/148497-23:
De verdachte rechtspersoon verwerkt afvalstoffen volgens een vast protocol
(BRL 9322) tot een bouwstof (immobilisaat).
De samenstelling van het immobilisaat verandert niet door het uitharden op de locatie van de afnemers. De verharding zorgt er alleen voor dat het immobilisaat zich niet meer kan verplaatsen. Daardoor is het een bouwstof die veilig kan worden toegepast en dat is op het moment dat het immobilisaat het bedrijf van de verdachte rechtspersoon verlaat. Derhalve hadden de afgiftemeldingen door middel van een GN-code moeten worden gedaan.
T.a.v. parketnummer 83/015316-23:
De verdachte rechtspersoon heeft afvalstoffen in ontvangst genomen, terwijl in de begeleidingsbrieven niet als naam van de ontvanger de naam van de verdachte rechtspersoon stond vermeld, maar [rechtspersoon B] . Door op de begeleidingsbrieven een andere naam te vermelden, is de afvalketen doorbroken.
Standpunt verdediging
Door de raadsman zijn ter terechtzitting de volgende bewijsverweren gevoerd, op grond waarvan hij vrijspraak heeft bepleit.
T.a.v. parketnummer 83/148497-23:
Voor het binen de inrichting van de verdachte rechtspersoon geproduceerde immobilisaat kan niet zonder meer worden aangenomen dat het bij afgifte al om een product (einde-afvalstof) gaat. Uit Europese rechtspraak volgt dat een stof het afvalkarakter behoudt totdat deze daadwerkelijk is benut als nieuw product, dus totdat de recyclingshandeling is voltooid. Aldus dient te worden aangenomen dat pas bij toepassing van het immobilisaat in een infrastructureel werk en niet al bij het produceren op de bedrijfslocatie van de verdachte rechtspersoon sprake is van een product. Op het moment van afgifte is nog niet per definitie sprake van een einde afvalstof. Er dient op de afgiftelocatie nog verwerking van de bouwstof plaats te vinden en pas bij uitharding van het immobilisaat kan daarvan worden gesproken.
Het is juist dat het immobilisaat als bouwstof wordt geproduceerd onder BRL 9322.
Het begrip bouwstof sluit echter niet uit dat het (ook) (nog) om een afvalstof kan gaan. In dat verband wordt gewezen op het Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen (Bvsbi), zoals deze AMvB in de tenlastegelegde periode nog gold.
In artikel 2, eerste lid, onder b, van het Bvsbi is een vrijstelling van artikel
Wet milieubeheer opgenomen voor de toepassing van bouwstoffen als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit. Als op het moment van toepassen al geen sprake meer zou zijn van een afvalstof zou deze bepaling zinledig zijn. De verdachte rechtspersoon heeft dus wel degelijk gebruik mogen maken van een Eural-code bij de afgiftemeldingen aan het Landelijk Meldpunt Afvalstoffen (LMA).
De verdachte rechtspersoon heeft de afgiftemeldingen gedaan onder
Euralcode 191209 en deze code dekt de lading, aangezien deze code betrekking heeft op niet elders genoemde mechanische afvalbewerking van minerale stoffen.
Voorts bestaat er voor immobilisaat geen passende GN-code. Van een overtreding van artikel 10.38, derde lid, van de Wet milieubeheer is dan ook geen sprake.
Subsidiair
Artikel 10.38, derde lid, van de Wet milieubeheer, verplicht de gegevens te vermelden die zijn opgenomen in artikel 10.38, eerste lid, van de Wet milieubeheer, waaronder de "gebruikelijke benaming". Het verplicht niet tot het melden onder een (juiste) code. Van overtreding van artikel 10.38 van de Wet milieubeheer is -wat er verder ook zij van het al dan niet voeren van een juiste code- geen sprake.
Bovendien heeft het gebruik van een Eural-code in plaats van een GN-code niet verhullend gewerkt. Door het doen van een afgiftemelding bij het LMA is de "afvalbalans" (het verschil tussen de ontvangstmelding en de afgiftemelding) niet verstoord. Van een strijdigheid met het doel van de artikelen 10.38 en 10.39 van de Wet milieubeheer is geen sprake. De controleerbaarheid en traceerbaarheid van de afvalstoffen is niet in het geding geweest.
T.a.v. parketnummer 83/015316-23:
Op de afvalbegeleidingsbrieven is als ontvanger in plaats van de naam van de verdachte rechtspersoon, [rechtspersoon B] vermeld. Het ontvangstadres was wel juist ingevuld. De beide vennootschappen behoren tot de " [naam] -groep".
De vergunningen voor het innemen van de afvalstoffen zijn aan de verdachte rechtspersoon verleend, hetgeen bij de toezichthouders bekend is.
Een voor de verdachte rechtspersoon geldende vergunning is overigens toegezonden aan [rechtspersoon B] , dus ook het bevoegd gezag is zich van de samenhang tussen beide bedrijven bewust, zie productie 3 (pa. 229) van het proces-verbaal.
Van verhulling is geen sprake. Op de begeleidingsbrieven is het adres van de verdachte rechtspersoon vermeld en de afvalstoffen zijn op de locatie van de verdachte rechtspersoon afgegeven.
De op de afvalbegeleidingsbrieven gebruikte naam betreft de handelsnaam die de verdachte rechtspersoon naar buiten toe gebruikt.
Gelet op artikel 10.38, eerste lid, onder b, van de Wet milieubeheer, is de naam in combinatie met het adres herleidbaar tot de verdachte rechtspersoon.
Er is slechts sprake van een kennelijke verschrijving en deze administratieve vergissing heeft geen afbreuk gedaan aan de controleerbaarheid en traceerbaarheid van de betreffende afvalstoffen. Enig (milieu)belang waarop de artikelen 10.39 en 10.40 van de Wet milieubeheer het oog hebben, is derhalve niet in het geding geweest. Aldus is geen sprake van een overtreding van artikel 10.40, tweede lid, van de Wet milieubeheer.
Beoordeling
Alle door de raadsman gevoerde verweren strekkende tot vrijspraak worden verworpen, nu zij door de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen worden weersproken.
De economische politierechter overweegt in het bijzonder nog het volgende.
T.a.v. parketnummer 83/148497-23:
Centraal staat de vraag of de stof die de verdachte rechtspersoon produceert
-het immobilisaat- bij afgifte een afvalstof is of een bouwstof.
Ter beantwoording van die vraag zal allereerst het wettelijk kader worden weergegeven, ten tijde van de tenlastegelegde feiten.
Artikel 10.38 van de Wet milieubeheer luidt:
1 Degene die zich van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen ontdoet door deze af te geven aan een persoon als bedoeld in artikel 10.37, tweede lid, onder a tot en met f, registreert met betrekking tot zodanige afgifte:
a. de datum van afgifte;
b. de naam en het adres van degene aan wie de afvalstoffen worden afgegeven;
c. de gebruikelijke benaming en de hoeveelheid van die afvalstoffen;
d. de plaats waar en de wijze waarop de afvalstoffen worden afgegeven;
e. de voorgenomen wijze van beheer van de afvalstoffen;
f. ingeval de afgifte geschiedt door tussenkomst van een ander die opdracht heeft de afvalstoffen te vervoeren naar degene voor wie deze zijn bestemd: diens naam en adres en de naam en het adres van degene in wiens opdracht het vervoer geschiedt.
2 De geregistreerde gegevens worden ten minste vijf jaar bewaard en gedurende die periode door de afvalstoffenhouder ter beschikking gehouden van degenen die zijn belast met het toezicht of de douanecontrole op de naleving van de wet en van voorgaande afvalstoffenhouders.
3 Een persoon als bedoeld in artikel 10.37, tweede lid, onder a of b , die zich van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen ontdoet door deze af te geven aan een andere zodanige persoon, meldt met betrekking tot een zodanige afgifte de in het eerste lid bedoelde gegevens aan een door Onze Minister aan te wijzen instantie.
Artikel 7 van het Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen luidt:
1 Artikel 10.38, derde lid, van de wet is van overeenkomstige toepassing in de categorieën van gevallen waarin een persoon als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder a, zich van stoffen, preparaten of producten, niet zijnde bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen, ontdoet door afgifte aan een ander persoon of toepast binnen of buiten de eigen inrichting.
2 In de categorieën van gevallen, bedoeld in het eerste lid, zijn de artikelen 3, vijfde lid, en 6, eerste tot en met derde lid, van overeenkomstige toepassing.
3 Voor zover geen code van de afvalstoffenlijst van toepassing is wordt aan artikel 6, derde lid, uitvoering gegeven door melding van de van toepassing zijnde code van de gecombineerde nomenclatuur, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van verordening nr. 2658/87/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PbEG L 256).
4 Dit artikel berust op artikel 9.2.2.1 van de wet.
Artikel 1.1, achtste lid, van de Wet milieubeheer, zoals dat vanaf 1 juli 2020 tot
1 januari 2024 luidde:
8 Afvalstoffen die een behandeling van recycling of andere nuttige toepassing hebben ondergaan, worden niet langer als afvalstoffen beschouwd, indien zij voldoen aan de volgende voorwaarden:
a. de stoffen, mengsels of voorwerpen zijn bestemd om te worden gebruikt voor specifieke doelen;
b. er is een markt voor of vraag naar de stoffen, mengsels of voorwerpen;
c. de stoffen, mengsels of voorwerpen voldoen aan de technische voorschriften voor de specifieke doelen en aan de voor producten geldende wetgeving en normen; en
d. het gebruik van de stoffen, mengsels of voorwerpen heeft over het geheel genomen geen ongunstige effecten voor het milieu of de menselijke gezondheid.
Tot 1 juli 2020 luidde dat artikel:
6 Indien afvalstoffen die een behandeling voor nuttige toepassing hebben ondergaan, voldoen aan de ingevolge artikel 6, eerste en tweede lid, van de kaderrichtlijn afvalstoffen vastgestelde criteria en tevens behoren tot het soort afvalstoffen waarop die criteria van toepassing zijn, worden zij niet langer als afvalstoffen aangemerkt. Onze Minister kan per geval besluiten of bij ministeriële regeling per afvalstroom regelen dat een afvalstof, respectievelijk een afvalstroom, die een behandeling voor nuttige toepassing heeft ondergaan, niet als afval wordt aangemerkt, voor zover voor deze afvalstof respectievelijk afvalstroom geen criteria van toepassing zijn als bedoeld in de eerste volzin en ook wordt voldaan aan artikel 6, vierde lid, eerste volzin, van de kaderrichtlijn afvalstoffen. Bij ministeriële regeling wordt aangegeven welke stoffen, mengsels of voorwerpen in ieder geval, onverminderd het bepaalde in de eerste en tweede volzin, worden aangemerkt als afvalstoffen, indien de houder zich daarvan ontdoet, voornemens is zich daarvan te ontdoen of zich daarvan moet ontdoen. Als afvalstoffen worden in elk geval niet aangemerkt stoffen, mengsels of voorwerpen die bijproducten zijn in de zin van artikel 5 van de kaderrichtlijn afvalstoffen, indien deze bijproducten voldoen aan de in dat artikel gestelde voorwaarden en aan de in een krachtens dat artikel van de kaderrichtlijn afvalstoffen vastgestelde uitvoeringsmaatregel of in een regeling van Onze Minister daartoe aangegeven criteria.
De economische politierechter overweegt als volgt.
Uit het dossier blijkt onvoldoende dat in de periode van 1 januari 2020 tot
1 juli 2020 de afvalstoffen die een behandeling voor nuttige toepassing hebben ondergaan, voldeden aan de toen geldende bepalingen om niet meer als afvalstof te worden aangemerkt. Daarom kan op grond van het dossier niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld of toen de goederen al dan niet terecht met een Euralcode zijn afgemeld. De verdachte rechtspersoon wordt daarom vrijgesproken van de haar tenlastegelegde feiten voor zover die betreffen de periode van
1 januari 2020 tot 1 juli 2020. In die periode is 12.689.060 kilogram afvalstoffen in ontvangst genomen. Deze hoeveelheid moet bij de bewezenverklaring in mindering worden gebracht op de hoeveelheid die is tenlastegelegd, zodat 100.273.663 kilogram resteert.
De economische politierechter overweegt voorts het volgende.
Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is voldoende komen vast te staan dat de verdachte rechtspersoon uit afvalstoffen immobilisaat produceert. Op het bedrijf van de verdachte rechtspersoon worden afvalstoffen gemengd met andere stoffen, zoals cement, die de schadelijke eigenschappen van de afvalstoffen binden en zo een bouwstof vormen die toepassing vindt als gebonden fundering onder wegen, parkeerterreinen en bedrijfslocaties. De bewerking vindt plaats op het bedrijf, de verwerking vindt plaats op de locatie van toepassing.
Of dat immobilisaat nog als afvalstof moet worden aangemerkt moet worden beoordeeld langs de vier cummulatieve criteria van artikel 1.1, achtste lid, van de
Wet milieubeheer, zoals dat gold tussen 1 juli 2020 en 1 januari 2024.
De verdachte rechtspersoon produceert uit afvalstoffen immobilisaat dat wordt gebruikt als bouwstof. Blijkens de website van de verdachte rechtspersoon is voor het immobilisaat een markt. De stoffen voldoen aan de technische voorschriften als bedoeld in het het genoemde artikellid van de Wet milieubeheer.
Daartoe is zij in het bezit van een productiecertificaat op basis van BRL 9322.
Dit productiecertificaat betreft de Nationale beoordelingsrichtlijn voor het
NL BSB-productcertificaat voor mengsels van cementgebonden minerale reststoffen. In paragraaf 3.1.1. van BRL 9322 wordt aangegeven:
De BRL richt zich alleen op producten die vallen onder de reikwijdte van het Besluit bodemkwaliteit en de Regeling bodemkwaliteit. De BRL borgt de milieuhygiënische kwaliteit op samenstelling van stoffen, de uitloging van stoffen en de duurzame vormvastheid van het uitgeharde immobilisaat. De BRL richt zich op vormgegeven bouwstoffen die voornamelijk buiten worden toegepast en mogelijk in contact kunnen komen met water.
Paragraaf 6.7 BRL 9322 luidt:
Transport en toepassing De cementgebonden minerale reststof krijgt pas in zijn toepassing de gewenste producteigenschappen. Bij toepassing van een minerale reststof als gebonden fundering onder wegen, parkeerterreinen en bedrijfslocaties onder een verhardingslaag en als constructief vormgegeven ophoog materiaal wordt het niet-uitgeharde immobilisaat uit de menger getransporteerd naar de toepassingslocatie en daar in het werk gebracht. De producent dient zorg te dragen voor een duidelijke verwerkingsinstructie aan de toepasser aangaande het transport en het in het werk brengen van de cementgebonden minerale reststof. Hiertoe gebruikt hij de verwerkingsinstructie, zoals aangegeven in 5.8. Bij voorkeur zal de producent zelf de toepassing van het immobilisaat in het werk en de uitharding begeleiden. De producent dient te beschikken over deskundigheid ten aanzien van de toepassing van het immobilisaat in het werk.
Van belang is de Memorie van Toelichting bij de wijziging van artikel 1.1,
zesde lid, van de Wet milieubeheer (noot EPR: was voor wijziging artikel 1.1, achtste lid), dat luidt als volgt:
Met deze aanpassing van voorwaarde a) is tevens verduidelijkt dat de einde-afvalstatus niet pas wordt bereikt op het moment dat door recycling of andere nuttige toepassing uit afvalstoffen verkregen stoffen, mengsels of voorwerpen daadwerkelijk voor een specifiek doel worden gebruikt, maar al op het moment dat deze stoffen, mengsels of voorwerpen zijn bestemd om daarvoor te worden gebruikt .(onderstreping EPR) Samen met voorwaarde b) dat er een markt is voor, of vraag is naar, de stoffen, mengsels of voorwerpen betekent dit in essentie hetzelfde als hetgeen in voorwaarde a) voor het verkrijgen van de bijproductstatus (artikel 1.1, zesde lid, Wm) is bepaald. Hierin is neergelegd dat het zeker is dat de stoffen, mengsels of voorwerpen zullen worden gebruikt. Op grond van voorwaarde c) kan alleen sprake zijn van einde-afval wanneer de door recycling of andere nuttige toepassing verkregen stoffen, mengsels of voorwerpen voldoen aan «technische voorschriften voor de specifieke doelen en aan de voor producten geldende wetgeving en normen». Dat voor het bereiken van de einde-afvalstatus vereist is dat aan de desbetreffende technische voorschriften en productwetgeving moet zijn voldaan (zie overweging 19 van de wijzigingsrichtlijn) is logisch omdat afvalstoffen die de einde-afvalstatus hebben geen afvalstof meer zijn, maar als product moeten worden beschouwd. Gelet op de milieudoelstelling van de kaderrichtlijn is aan het verkrijgen van de einde-afvalstatus in voorwaarde d) nog wel de eis gesteld dat het gebruik «over het geheel genomen geen ongunstige effecten voor het milieu of de menselijke gezondheid» heeft. Dit betreft een ruime beoordeling waarbij gezien artikel 1 van de kaderrichtlijn ook moet worden gelet op het belang van de bescherming van natuurlijke hulpbronnen en het efficiënt gebruik daarvan.
De economische politierechter stelt vast dat door het gebruik conform BRL9322 ook is voldaan aan de vierde voorwaarde, namelijk dat het gebruik van de stoffen geen ongunstige effecten heeft voor het milieu of de menselijke gezondheid.
Conclusie
Uit het vorengaande stelt de economische politierechter vast dat de verdachte rechtspersoon een gecertificeerde bouwstof produceert, die gereed is voor toepassing in de bouw. De stoffen worden na aflevering niet verder bewerkt, alleen verwerkt. Dit betekent dat de afvalstoffen een behandeling van recycling hebben ondergaan en niet langer als afvalstoffen worden beschouwd.
In dat geval hadden de stoffen moeten worden afgemeld met een GN-code en niet met een Euralcode.
T.a.v. parketnummer 83/015316-23:
Buiten discussie staat dat de verdachte rechtspersoon een inrichting is en in het bezit is van een omgevingsvergunning die is verleend aan [rechtspersoon A] ., gevestigd aan de [vestigingsadres 1] te [vestigingsplaats 1]
Uit het dossier blijkt van 22 begeleidingsbrieven omstreeks 18 tot en met 22 februari 2021, met betrekking tot vrachten bodemas behorende bij
afvalstroomnummer [nummer X] , waarop is vermeld:
"ontdoener/locatie herkomst: [rechtspersoon C] ." en
"locatie van bestemming: [rechtspersoon B] , [vestigingsadres 1] te [vestigingsplaats 1] ".
Eveneens blijkt uit het dossier van 31 begeleidingsbrieven omstreeks
28 oktober 2021 tot en met 23 november 2021, met betrekking tot vrachten bodemas behorende bij afvalstroomnummer [nummer Y] , met dezelfde ontdoener en locatie van bestemming als hiervoor vermeld.
[rechtspersoon B] is gevestigd aan de [vestigingsadres 2] te [vestigingsplaats 2] .
[rechtspersoon B] en [rechtspersoon A] behoren weliswaar tot hetzelfde concern, maar zijn afzonderlijke rechtspersonen.
De vraag is of de verdachte rechtspersoon aldus strafbaar heeft gehandeld.
Het toepasselijke wettelijk kader luidt als volgt:
Artikel 10.40, tweede lid, van de Wet milieubeheer luidt:
2 Het is een persoon als bedoeld in het eerste lid verboden bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen in ontvangst te nemen zonder dat hem daarbij een omschrijving en een begeleidingsbrief als bedoeld in artikel 10.39, eerste lid, onder a en b, worden verstrekt.
Artikel 10.39 van de Wet milieubeheer luidt:
1 Degene die zich van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen ontdoet door afgifte aan een persoon als bedoeld in artikel 10.37, tweede lid, onder a tot en met e, verstrekt:
a. aan deze persoon een omschrijving van aard, eigenschappen en samenstelling van die afvalstoffen;
b. aan degene die opdracht heeft de afvalstoffen naar die persoon te vervoeren, een begeleidingsbrief.
2 De begeleidingsbrief bevat ten minste de in het eerste lid, onder a, en de in artikel 10.38, eerste lid, bedoelde gegevens.
Artikel 10.38, eerste lid, van de Wet milieubeheer luidt, voor zover hier van belang:
1 Degene die zich van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen ontdoet door deze af te geven aan een persoon als bedoeld in artikel 10.37, tweede lid, onder a tot en met f, registreert met betrekking tot zodanige afgifte:
a. de datum van afgifte;
b. de naam en het adres van degene aan wie de afvalstoffen worden afgegeven;
c. de gebruikelijke benaming en de hoeveelheid van die afvalstoffen
De economische politierechter stelt vast dat de begeleidingsbrieven als locatie van bestemming aangeven [rechtspersoon B] , terwijl de afvalstoffen in ontvangst zijn genomen door [rechtspersoon A] ., zodat er geen sprake was van begeleidingsbrieven die voldeden aan de wettelijke vereisten. Derhalve is niet voldaan aan de eisen van artikel 10.38 van de Wet milieubeheer.
Dat [rechtspersoon B] tot hetzelfde concern behoort als [rechtspersoon A] . en [rechtspersoon B] ook wel als handelsnaam voor [rechtspersoon A] . wordt gebruikt, maakt dat niet anders.
Conclusie
Op grond van de gebruikte bewijsmiddelen is de economische politierechter van oordeel, dat de onder de parketnummers 83/148497-23 en 83/015316-23 tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.
De economische politierechter heeft geen reden om te twijfelen aan de juistheid en de betrouwbaarheid van die bewijsmiddelen.
Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de economische politierechter de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande,
is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte rechtspersoon het onder de parketnummers 83/148497-23 en 83/015316-23 tenlastegelegde heeft begaan op die wijze dat:
T.a.v. parketnummer 83/148497-23:
Zij, in of omstreeks 1 januari juli 2020 tot en met 31 december 2022,
te Gorinchem, althans in Nederland,
meermalen, althans eenmaal,
als een persoon als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder a en b van het
Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen,
opzettelijk,
zich van stoffen, mengsels (preparaten) of producten,
te weten immobilisaat afkomstig uit in totaal ten minste
112.962.723 100.273.663 kilogram afvalstoffen met Euralcode 17 05 04,
althans een hoeveelheid aan producten,
niet zijnde bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen,
heeft ontdaan door afgiften aan andere personen
(afnemers pagina 66 tot en met 382),
immers hebben diverse anderen deze producten afgenomen
ter inzet als bouwstof en/of grondstof,
terwijl zij, verdachte, als een persoon als bedoeld in
artikel 10.37 tweede lid onder a of b van de Wet Milieubeheer,
met betrekking tot deze afgiften niet de gegevens
(de gebruikelijke benaming van dat product, door vermelding van de GN-code)
als bedoeld in artikel 10.38 lid 1 van de Wet Milieubeheer
heeft gemeld bij een door onze minister aan te wijzen instantie,.
immers heeft zij de afgifte van dit product niet gemeld bij het
Landelijk Meldpunt Afvalstoffen,
zijnde de door de minister van Infrastructuur en Milieu,
thans de minister van Infrastructuur en Waterstaat
aangewezen instantie;
T.a.v. parketnummer 83/015316-23:
Zij, in of omstreeks 18 februari 2021 tot en met 23 november 2021
te Gorinchem, althans in Nederland,
meermalen, althans eenmaal,
als een persoon, als bedoeld in artikel 10.37, tweede lid, onder a of b
van de Wet milieubeheer,
al dan niet opzettelijk,
bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen, te weten:
- 22 vrachten bodemas behorende bij afvalstroomnummer [nummer X] , en/of
- 31 vrachten bodemas behorende bij afvalstroomnummer [nummer Y]
in ontvangst heeft genomen
zonder dat haar daarbij een begeleidingsbrief als bedoeld in
artikel 10.39, eerste lid, onder a en b van voornoemde Wet werd verstrekt,
immers voldeden de verstrekte documenten niet aan de eisen van
artikel 10.38 nu deze niet de correcte naam bevatte
van degene aan wie de afvalstoffen werden afgegeven;.
Hetgeen onder de parketnummers 83/148497-23 en 83/015316-23 meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
De verdachte rechtspersoon dient daarvan te worden vrijgesproken.
Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte rechtspersoon is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid feit
T.a.v. parketnummer 83/015316-23:
Standpunt verdediging
Door de raadsman is aangevoerd dat de verdachte rechtspersoon dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, nu het tenlastegelegde geen strafbaar feit oplevert. Hij heeft hiertoe het volgende aangevoerd.
Artikel 10.40, tweede lid, van de Wet milieubeheer verbiedt een afvalbedrijf afvalstoffen in ontvangst te nemen zonder dat een afvalbegeleidingsbrief als bedoeld in artikel 10.39, eerste lid, onder a en b, van de Wet milieubeheer, is verstrekt.
Een koppeling met artikel 10.39, tweede lid, van de Wet milieubeheer, ontbreekt, maar die koppeling is wel nodig. Artikel 10.39, tweede lid, van de
Wet milieubeheer, verwijst immers naar artikel 10.38 van de Wet milieubeheer.
Laatstgenoemd artikel is niet zelfstandig toepasbaar, omdat de daarin geformuleerde norm zich richt tot degene die zich van afvalstoffen ontdoet door afgifte aan een ander. De noodzakelijke keten van verwijzing naar strafbaar gestelde gedragingen ontbreekt. Artikel 10.39, tweede lid, van de Wet milieubeheer, is niet als economisch delict opgenomen, zodat ontslag van alle rechtsvervolging dient te volgen.
Standpunt officier van justitie
Door de officier van justitie is in dit verband opgemerkt dat in het tweede lid van artikel 10.39 van de Wet milieubeheer vermeld staat welke gegevens de begeleidingsbrief moet bevatten en dat het vreemd zou zijn om een begeleidingsbrief te eisen zonder inhoud.
Beoordeling
Het door de raadsman gevoerde verweer wordt verworpen.
Onder het kopje "Waardering van het bewijs" is met betrekking tot parketnummer 83/015316-23 in verband met het wettelijke kader al de tekst van de artikelen 10.40, 10.39 en 10.38 (voor zover hier van belang) weergegeven.
Tevens is het onder parketnummer 83/015316-23 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen verklaard.
Dat artikel 10.39, tweede lid, van de Wet milieubeheer, niet als economisch delict in de Wet op de economische delicten is opgenomen doet in casu niet ter zake, aangezien het bewezenverklaarde ziet op een ander artikel uit de Wet milieubeheer, dat wel als economisch delict in de Wet op de economische delicten is aangemerkt.
Conclusie
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten die onder de parketnummers 83/148497-23 en 83/015316-23 zijn bewezenverklaard, uitsluiten. Deze feiten zijn dus strafbaar.
De bewezenverklaarde feiten leveren op:
T.a.v. parketnummer 83/148497-23:
Overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de
Wet milieubeheer, meermalen opzettelijk begaan door een rechtspersoon
T.a.v. parketnummer 83/015316-23:
Overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 10.40, tweede lid, van de
Wet milieubeheer, meermalen opzettelijk begaan door een rechtspersoon
Strafbaarheid verdachte rechtspersoon
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte rechtspersoon opheft of uitsluit. De verdachte rechtspersoon is dus strafbaar.
Motivering straf
De straf die aan de verdachte rechtspersoon wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de draagkracht van de verdachte rechtspersoon, voor zover daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte rechtspersoon heeft zich in de jaren 2020 tot en met 2022 meermalen van immobilisaat ontdaan, afkomstig uit in totaal 100.273.663 kilogram afvalstoffen met Euralcode 170504. De afgiftemeldingen zijn niet door middel van een GN-code (product) gedaan, maar door middel van een Euralcode (afvalstof).
Hierdoor is door de verdachte rechtspersoon ten onrechte de indruk gewekt, dat het door haar geproduceerde product een afvalstof is.
Voorts heeft de verdachte rechtspersoon in het jaar 2021 meermalen bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke stoffen -te weten ruim 50 vrachten bodemas- in ontvangst genomen, terwijl de bijbehorende begeleidingsbrieven niet aan de wettelijke vereisten voldeden, aangezien op die begeleidingsbrieven niet de juiste naam stond vermeld van degene aan wie de afvalstoffen werden afgegeven.
Door aldus te handelen heeft de verdachte rechtspersoon de regelgeving die geldt
voor het in ontvangst nemen van bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen
geschonden.
Door de raadsman is bepleit dat ten aanzien van de verdachte rechtspersoon toepassing zal worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel).
Gezien de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten zal aan de verdachte rechtspersoon echter een geldboete van na te noemen hoogte worden opgelegd.
De economische politierechter heeft er bij de strafoplegging enerzijds rekening mee gehouden dat de verdachte rechtspersoon een professionele marktspeler is, van wie bij uitstek verwacht mag worden dat zij de geldende regels in acht neemt en zich goed laat informeren om de juiste regels te kunnen toepassen.
Anderzijds heeft de economische politierechter er rekening mee gehouden dat er in het geval van de foutieve afmeldcodes sprake was van een onjuiste interpretatie door de verdachte rechtspersoon van de geldende regelgeving en dat is gebleken, dat de verdachte rechtspersoon met betrekking tot de begeleidingsbrieven inmiddels een aanpassing heeft doorgevoerd, waardoor nu wel voldaan wordt aan de administratieve verplichtingen.
De economische politierechter heeft voorts acht geslagen op een uittreksel uit de
Justitiële Documentatie d.d. 18 oktober 2024, waaruit blijkt, dat de verdachte rechtspersoon in de afgelopen vijf jaren niet ter zake van (soortgelijke) strafbare feiten is veroordeeld.
Tevens is rekening gehouden met de relatieve ouderdom van de bewezenverklaarde feiten en met de omstandigheid, dat niet is gebleken dat de bewezenverklaarde gedragingen enig financieel voordeel voor de verdachte rechtspersoon hebben opgeleverd.
Gelet op het bovenstaande en teneinde de verdachte rechtspersoon ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen, zal de op te leggen geldboete geheel voorwaardelijk worden opgelegd.
Alles afwegend komt de economische politierechter tot een (fors) lagere straf dan door de officier van justitie is gevorderd. De na te noemen voorwaardelijke geldboete wordt in het onderhavige geval passend en geboden geacht.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Gelet is op de artikelen:
14a, 14b, 14c, 23, 51 en 57 van het Wetboek van Strafrecht;
10.38, 10.39 en 10.40 van de Wet milieubeheer;
7 en 12 van het Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen;
6 van de Regeling melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen;
1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten,
zoals deze artikelen golden ten tijde van het plegen van de feiten.
Bijlagen
De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.
Beslissing
De economische politierechter:
- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van de verdachte rechtspersoon met betrekking tot de parketnummers
83/148497-23 en 83/015316-23;
- verklaart bewezen, dat de verdachte rechtspersoon de onder de parketnummers 83/148497-23 en 83/015316-23 tenlastegelegde feiten,
zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte rechtspersoon onder de parketnummers 83/148497-23 en 83/015316-23 meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte rechtspersoon daarvan vrij;
- stelt vast dat het onder de parketnummers 83/148497-23 en 83/015316-23 bewezenverklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;
- verklaart de verdachte rechtspersoon strafbaar;
- veroordeelt de verdachte rechtspersoon met betrekking tot het onder de parketnummers 83/148497-23 en 83/015316-23 bewezenverklaarde tot een geldboete van €3.000,00 (drieduizend euro);
- bepaalt dat deze geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd,
tenzij de rechter later anders mocht gelasten;
- verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 1 (één) jaar;
- de tenuitvoerlegging kan worden gelast als de verdachte rechtspersoon de algemene voorwaarde niet naleeft;
- stelt als algemene voorwaarde, dat de verdachte rechtspersoon zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig zal maken.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. M. van Seventer, economische politierechter,
in tegenwoordigheid van mr. Y. Hartgers, griffier
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank
op 23 december 2024.
Bijlage I
Tekst tenlasteleggingen
Aan de verdachte rechtspersoon wordt tenlastegelegd, dat:
T.a.v. parketnummer 83/148497-23:
Zij, in of omstreeks 1 januari 2020 tot en met 31 december 2022,
te Gorinchem, althans in Nederland,
meermalen, althans eenmaal,
als een persoon als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder a en b van het
Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen,
opzettelijk,
zich van stoffen, mengsels (preparaten) of producten,
te weten immobilisaat afkomstig uit in totaal ten minste
112.962.723 kilogram afvalstoffen met Euralcode 17 05 04,
althans een hoeveelheid aan producten,
niet zijnde bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen,
heeft ontdaan door afgiften aan andere personen
(afnemers pagina 66 tot en met 382),
immers hebben diverse anderen deze producten afgenomen
ter inzet als bouwstof en/of grondstof,
terwijl zij, verdachte, als een persoon als bedoeld in
artikel 10.37 tweede lid onder a of b van de Wet Milieubeheer,
met betrekking tot deze afgiften niet de gegevens
(de gebruikelijke benaming van dat product, door vermelding van de GN-code)
als bedoeld in artikel 10.38 lid 1 van de Wet Milieubeheer
heeft gemeld bij een door onze minister aan te wijzen instantie,
immers heeft zij de afgifte van dit product niet gemeld bij het
Landelijk Meldpunt Afvalstoffen,
zijnde de door de minister van Infrastructuur en Milieu,
thans de minister van Infrastructuur en Waterstaat
aangewezen instantie;
(Art 7 lid 1 Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen,
jo. art. 10.38 lid 3 Wet Milieubeheer jo. art 9.2.2.1 Wet Milieubeheer)
(art 10.38 lid 3 Wet milieubeheer, art 7 lid 1 Bes. melden
bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen)
T.a.v. parketnummer 83/015316-23:
Zij, in of omstreeks 18 februari 2021 tot en met 23 november 2021
te Gorinchem, althans in Nederland,
meermalen, althans eenmaal,
als een persoon, als bedoeld in artikel 10.37, tweede lid, onder a of b
van de Wet milieubeheer,
al dan niet opzettelijk,
bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen, te weten:
- 22 vrachten bodemas behorende bij afvalstroomnummer [nummer X] , en/of
- 31 vrachten bodemas behorende bij afvalstroomnummer [nummer Y]
in ontvangst heeft genomen
zonder dat haar daarbij een begeleidingsbrief als bedoeld in
artikel 10.39, eerste lid, onder a en b van voornoemde Wet werd verstrekt,
immers voldeden de verstrekte documenten niet aan de eisen van
artikel 10.38 nu deze niet de correcte naam bevatte
van degene aan wie de afvalstoffen werden afgegeven;
(10.40 lid 2 Wmb jo. 10.39 Wmb jo. 12 Besluit melden bedrijfsafvalstoffen
en gevaarlijke afvalstoffen jo. art. 6 Regeling melden bedrijfsafvalstoffen
en gevaarlijke afvalstoffen)