Rechtbank Rotterdam
Team straf 1
Parketnummer: 10.217456.23
Datum uitspraak: 3 oktober 2024
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteland] op [geboortedatum] 1974,
niet ingeschreven in de basisregistratie personen,
ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de [detentieadres],
raadsman mr. J.F. van der Brugge, advocaat te Amsterdam.
1. Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 19 september 2024.
2. Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3. Eis officier van justitie
De officier van justitie mr. S.S.S. Heinerman heeft gevorderd:
4. Waardering van het bewijs
Bewijswaardering (feit 1 en feit 2)
Standpunt verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte integraal moet worden vrijgesproken van het onder 1 en 2 ten laste gelegde wegens onvoldoende bewijs. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd. De herkenningen van de verdachte door verbalisanten zoals opgenomen in het dossier zijn niet betrouwbaar en onvoldoende onderbouwd. De verbalisanten onderschatten de invloed die hun voorkennis op hen heeft, waardoor onafhankelijk en objectief concluderen bijna niet meer mogelijk is. Er moet kritisch worden getoetst wat door de verbalisanten wordt gezien, ook omdat steunbewijs ontbreekt. Aan de hand van de stills kan niet worden uitgesloten dat een andere persoon dan de verdachte de diefstallen heeft gepleegd.
Beoordeling
De verdachte wordt verdacht van een reeks bagagediefstallen gepleegd in de periode van
13 maart 2023 tot en met 31 mei 2023 in of rondom station Rotterdam Centraal. Hiervan zijn in totaal negen zaaksdossiers opgemaakt. Ieder zaaksdossier bevat een aangifte, bewegende camerabeelden, een proces-verbaal waarin de camerabeelden worden beschreven en één of meer processen-verbaal van herkenningen door één of meerdere verbalisant(en). In alle gevallen is de verdachte op bewegende beelden dan wel stills daarvan herkend als (mede)dader van deze diefstallen. De herkenning van de verdachte in alle zaaksdossiers wordt betwist.
4.1.2.1. Betrouwbaarheid van de herkenningen
De rechtbank stelt voorop dat met de beoordeling van herkenningen behoedzaam moet worden omgegaan.
Voor een beoordeling van de betrouwbaarheid van een herkenning aan de hand van camerabeelden dient eerst te worden onderzocht wat de kwaliteit van de stills of bewegende beelden is en de mate waarin persoonskenmerken zichtbaar zijn. De rechtbank is van oordeel dat de camerabeelden en de stills in alle zaaksdossiers voldoende duidelijk en helder zijn en van dusdanige kwaliteit dat daarop onderscheidende persoonskenmerken zichtbaar zijn, zodat hierop een herkenning kan worden gebaseerd.
De vraag is vervolgens in hoeverre op deze beelden voldoende duidelijke, specifieke en onderscheidende persoonskenmerken zichtbaar zijn van de persoon die door de verbalisanten als de verdachte wordt herkend.
De herkenning van een persoon op (bewegend) beeld kan plaatsvinden op basis van diens gezicht, kleding en accessoires en/of postuur, houding en manier van bewegen. Hiervan heeft de gezichtsherkenning onmiskenbaar de hoogste diagnostische waarde. Het gezicht is immers uit zijn aard uniek en de meeste mensen zijn uitstekend in staat gezichten te herkennen.
Door meerdere verbalisanten heeft er op basis van de camerabeelden, dan wel stills afkomstig van die camerabeelden, in verschillende zaaksdossiers een onmiddellijke herkenning plaatsgevonden. In elke zaak is ook door de verbalisanten beschreven op basis van welke uiterlijke kenmerken van het gezicht en het postuur zij de verdachte herkennen. Daarnaast is voor de herkenning van belang dat de verbalisant(en) de verdachte kennen van eerdere contacten, waaronder ontmoetingen in levende lijven. Dit maakt een herkenning waardevoller en versterkt de betrouwbaarheid van de herkenningen. De rechtbank is van oordeel dat de herkenningen dan ook betrouwbaar zijn en voor het bewijs kunnen worden gebruikt.
4.1.2.2. Modus operandi
De rechtbank overweegt voorts dat bij vrijwel alle aan de verdachte ten laste gelegde feiten (met uitzondering van het ten laste gelegde onder feit 2) dezelfde werkwijze, oftewel modus operandi, is gebruikt. De diefstallen werden gepleegd door twee personen waarbij gebruik werd gemaakt van verschillende afleidingsmanoeuvres. Hierbij vraagt één van hen afwisselend het slachtoffer om het maken van een foto, wordt er een vlek aangebracht op de jas van het slachtoffer of vragen zij de weg aan het slachtoffer, waarna de andere persoon de tas of koffer van het slachtoffer wegneemt.
4.1.2.3. Medeplegen feit 1
De rechtbank is van oordeel dat uit alle aangiftes en processen-verbaal waarin de camerabeelden worden beschreven blijkt dat sprake is van medeplegen. Er is telkens sprake van een situatie waarin de ene verdachte het slachtoffer afleidt, en de ander het goed wegneemt. Zij lijken met elkaar in contact te staan per telefoon, zo blijkt uit de camerabeelden. De verdachten maken oogcontact, zitten samen, seinen naar en communiceren. De rechtbank is van oordeel dat hieruit blijkt dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en een ander die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht de rechtbank het ten laste gelegde medeplegen van de diefstallen onder feit 1 bewezen.
Het verweer dat de verdachte en de [medeverdachte] elkaar niet zouden kennen is niet aannemelijk. Uit het dossier blijkt dat in de telefoon van de verdachte een contact stond opgeslagen onder de naam [medeverdachte], waarmee 608 keer telefonisch contact is geweest in de periode van 13 maart 2023 tot en met 31 mei 2023. Ook is er 90 keer via WhatsApp telefonisch contact geweest en zijn er onderling chatberichten verstuurd. De verklaring van de verdachte ter zitting dat hij veel mensen kent die [medeverdachte] heten en hij af en toe gebeld wordt door - een andere - [medeverdachte], is in het licht van vorenstaande aldus niet aannemelijk gemaakt. Niet is gebleken dat het contact met de naam [medeverdachte] een andere persoon zou betreffen dan de [medeverdachte]. Daarnaast worden zowel de verdachte als de [medeverdachte] in zes zaaksdossiers samen herkend op de camerabeelden en is vastgesteld dat er een nauwe en bewuste samenwerking tussen hen was.
4.1.2.4. Nadere bewijsoverwegingen
Op de telefoon van de verdachte zijn in de zaaksdossiers Suriname, Amerika en Australië afbeeldingen aangetroffen die steun geven aan de bewezenverklaringen. De aangetroffen foto’s op de telefoon van de verdachte zijn gelijk aan de situaties die te zien zijn op de camerabeelden. Daarnaast is er in zaaksdossier India een foto aangetroffen op de telefoon van de verdachte waarop een laptop is te zien met als gebruiker [naam], hetgeen de naam betreft van de aangever in zaaksdossier India.
Conclusie
Gelet op het voorgaande, acht de rechtbank bewezen dat de verdachte zich in de periode van 13 maart 2023 tot en met 31 mei 2023 negen keer schuldig heeft gemaakt aan gekwalificeerde diefstal. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich op 4 april 2023 schuldig heeft gemaakt aan diefstal.
Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
1
hij in of omstreeks de periode van 13 maart 2023 tot en met 31 mei 2023 te Rotterdam
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, telkens heeft weggenomen:
- op 13 maart 2023 een laptop, toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of
- op 15 maart 2023 een handtas met inhoud, toebehorende aan [slachtoffer 2] en/of
- op 26 maart 2023 een schoudertas met inhoud, toebehorende aan [slachtoffer 3] en/of
- op 6 april 2023 een rugzak met inhoud, toebehorende aan [slachtoffer 4] en/of
- op 10 april 2023 een rugzak met inhoud, toebehorende aan [slachtoffer 5], en
- op 14 mei 2023 twee, althans een of meer rugzakken met inhoud, toebehorende aan [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] en/of
- op 25 mei 2023 een trolley en een rugzak met inhoud, toebehorende aan [slachtoffer 8] en/of
- op 31 mei 2023 een reistas met inhoud, toebehorende aan de [naam familie],
in elk geval enig goed, die aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)
toebehoorde(n) heeft weggenomen telkens met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2
hij op of omstreeks 4 april 2023 te Rotterdam een rugtas met inhoud, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 9] [slachtoffer 10], in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring in cursief verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
5. Strafbaarheid feiten
De bewezen feiten leveren op:
1. diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd;
2. diefstal.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.
6. Strafbaarheid verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
7. Motivering straf
Algemene overweging
De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Feiten waarop de straf is gebaseerd
De verdachte heeft in een tijdsbestek van tweeënhalve maand negen bagagediefstallen gepleegd, waarvan acht tezamen met een mededader. De verdachte is daarbij op slinkse en geraffineerde wijze te werk gegaan en heeft zich bewust gericht op toeristen. De verdachte heeft met zijn handelen laten zien geen respect te hebben voor de eigendommen van anderen. De verdachte heeft uit eigen gewin de slachtoffers schade berokkend en overlast bezorgd. In de weggenomen bagage zaten voor de slachtoffers belangrijke spullen, waaronder paspoorten, elektronica, sieraden en geld. Het spreekt in het nadeel van de verdachte dat hij geen inzicht heeft getoond in het kwalijke van wat hij heeft gedaan en geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn daden.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een uittreksel uit de justitiële documentatie van 27 augustus 2024, waaruit blijkt dat de verdachte vaker is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. De rechtbank weegt dit strafverzwarend mee.
Conclusies van de rechtbank
Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en naar de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). De richtlijn voor zakkenrollerij bij een veelvuldig recidivist, waarvan in het onderhavige geval sprake is, is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden per feit. Gelet op de hoeveelheid feiten binnen relatief korte tijd gepleegd, de overlast - en schade - voor de slachtoffers alsmede de overlast die is veroorzaakt voor de samenleving, zal de rechtbank een hogere straf opleggen dan door de officier van justitie is geëist. Bij dit alles spelen generaal preventieve overwegingen, zoals een signaalfunctie naar potentiële daders eveneens een rol. Meer in het bijzonder wordt overwogen dat de verdachte, die al tientallen jaren in Nederland is, zich – gezien zijn uitgebreide justitiële documentatie – kennelijk een levensstijl heeft aangemeten waarbij hij in zijn onderhoud voorziet door het bestelen van andere mensen. Tegen deze onacceptabele wijze van het voorzien in onderhoud dient te worden opgetreden met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf conform de richtlijn. Er is verder rekening gehouden met de meerdaadse samenloop, maar - gelet op het voorgaande - in slechts ondergeschikte mate.
Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv.
8. Vorderingen benadeelde partijen
Als benadeelde partijen hebben zich ter zake van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten diverse personen gevoegd. De benadeelde partijen vorderen vergoedingen voor materiële en/of immateriële schade. De vorderingen staan in onderstaande tabel vermeld.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft ten aanzien van elk van de vorderingen een standpunt ingenomen, hetgeen ook is vermeld in onderstaande tabel.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft aangevoerd dat de vorderingen moeten worden afgewezen, omdat de verdachte moet worden vrijgesproken van de strafbare feiten.
Beoordeling
De beslissing van de rechtbank ten aanzien van elk van de vorderingen is in de onderstaande tabel weergegeven. In aanvulling daarop overweegt de rechtbank het volgende.
Materiële schade
Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partijen in de zaaksdossiers Suriname, Californië, Australië en Zuid-Korea door de onder 1 bewezen verklaarde strafbare feiten, rechtstreeks materiële schade is toegebracht. Nu de gevorderde schadevergoeding de rechtbank ook overigens niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt en door de verdachte niet, althans onvoldoende gemotiveerd, is weersproken, zullen de vorderingen inzake de materiële schade in die zaken worden toegewezen. Hetzelfde geldt voor de schade van de benadeelde partij in de zaaksdossier Mexico, die rechtstreeks voortvloeit uit het onder 2 bewezen verklaarde strafbare feit.
In het zaaksdossier Zuid-Afrika heeft de benadeelde partij onder andere materiële schade gevorderd voor een gouden ring van € 1.600,-. De rechtbank kan op basis van de stukken in het dossier onvoldoende vaststellen dat deze schade verband houdt met het bewezen strafbare feit. De rechtbank zal de betreffende benadeelde partij voor dit gedeelte van de schade dan ook niet-ontvankelijk verklaren, wat betekent dat dit gedeelte bij de burgerlijk rechter kan worden aangebracht. Het overige gedeelte van de vordering, te weten een bedrag van € 3.431,-, zal de rechtbank toewijzen, omdat dit gedeelte van de vordering rechtstreeks verband houdt met het bewezen strafbare feit.
De benadeelde partij in de zaak India heeft een bedrag van € 4.029,- aan materiële schade gevorderd. Uit de onderbouwing van die vordering blijkt dat de verzekeraar van de benadeelde partij een bedrag van € 901,70 (omgerekend van dollar naar euro) heeft vergoed. Het voorgaande betekent dat de benadeelde partij voor dat gedeelte van de vordering schadeloos is gesteld. De rechtbank wijst dit gedeelte van de vordering dan ook af en zal het resterende bedrag toewijzen.
In het zaaksdossier Australië heeft de benadeelde partij een bedrag van € 300,- aan proceskosten gevorderd. Deze kosten worden gevorderd in verband met de tijd die de benadeelde partij heeft besteed aan het claimen van de schade. Dit gedeelte van de vordering is onvoldoende onderbouwd, waardoor de benadeelde partij voor dit gedeelte niet-ontvankelijk wordt verklaard. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Immateriële schade
In de zaaksdossiers Zuid-Afrika en Suriname hebben de benadeelde partijen immateriële schade gevorderd. De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde immateriële schade in beide zaken in het licht van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek onvoldoende is onderbouwd. De behandeling van deze vorderingen van deze benadeelde partijen levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partijen zullen in die zaken voor wat betreft die vorderingen niet-ontvankelijk worden verklaard. Deze vorderingen kunnen slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Benadeelde partij
Feit
Vordering materiële schade
Proces kosten
Vordering immateriële schade
Standpunt officier van justitie
Beslissing materiële schade
Beslissing immateriële schade
Datum wettelijke rente
[benadeelde partij 1]
(Zuid-Afrika)
1
€ 5.031,-
-
€ 3.000,-
Materieel toewijzen, immaterieel niet-ontvankelijk
€ 3.431,- toewijzen, resterend bedrag € 1.600,- niet-ontvankelijk
Niet-ontvankelijk
13 maart 2023
[benadeelde partij 2]
(Suriname)
1
€ 903,90
-
€ 1.000,-
Materieel toewijzen, immaterieel niet-ontvankelijk
€ 903,90 toewijzen
Niet-ontvankelijk
26 maart 2023
[benadeelde partij 3]
(Californië)
1
$ 311,77
-
-
€ 281,20 (omgerekend van dollar naar euro) toewijzen
€ 281,20 toewijzen
-
14 mei 2023
[benadeelde partij 4]
(Australië)
1
€ 2.433,-
€ 300,-
Materieel toewijzen, proceskosten niet-ontvankelijk
€ 2.433,- toewijzen, proceskosten niet-ontvankelijk
-
31 mei 2023
[benadeelde partij 5]
(Zuid-Korea)
1
€ 7.674,63
-
-
Materieel toewijzen
€ 7.674,63 toewijzen
-
6 april 2023
[benadeelde partij 6]
(India)
1
€ 4.029,-
-
-
Materieel € 3.127,30 toewijzen (€ 901,70 vergoed door verzekeraar)
€ 3.127,40 toewijzen, resterend bedrag van € 901,70 afwijzen
-
10 april 2023
[benadeelde partij 7]
(Mexico)
2
$ 2812,37 USD +
€ 23,-
-
-
Materieel € 2.558,91 toewijzen (omgerekend van dollar naar euro)
€ 2.558,91 toewijzen
-
4 april 2023
Nu de verdachte in alle zaken ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend het feit samen met de mededader heeft gepleegd, met uitzondering van zaaksdossier Mexico, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededader de benadeelde partijen betaalt, is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partijen van deze betalingsverplichting bevrijd.
De benadeelde partijen hebben gevorderd de te vergoeden bedragen te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat de te vergoeden schadebedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de pleegdatum van de bewezen verklaarde feiten, zoals in de tabel wordt vermeld.
Nu de vorderingen van de benadeelde partijen in alle zaken in overwegende mate zullen worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
Conclusie
De verdachte moet de benadeelde partijen een schadevergoeding betalen zoals hierboven in de tabel vermeld, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld. Ook wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.
9. Toepasselijke wettelijke voorschriften
Gelet is op de artikelen 36f, 57, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.
10. Bijlagen
De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.
11. Beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
veroordeelt de verdachte hoofdelijk met diens mededader, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de in de onderstaande tabel genoemde benadeelde partijen, met uitzondering van de [benadeelde partij 7] (zaaksdossier Mexico), te betalen de daarin genoemde bedragen aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de genoemde datum tot aan de dag der algehele voldoening;
veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de in onderstaande tabel genoemde [benadeelde partij 7] (zaaksdossier Mexico) te betalen het daarin genoemde bedrag aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de genoemde datum tot aan de dag der algehele voldoening;
wijst af het gedeelte van de vordering van de [benadeelde partij 6] (zaaksdossier India) dat ziet op een bedrag van € 901,70;
verklaart de in het tabel genoemde benadeelde partijen in het resterende deel van hun vorderingen niet-ontvankelijk en bepaalt dat dit deel van hun vorderingen slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijk rechter;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de in de tabel genoemde benadeelde partijen gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partijen begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de in de tabel genoemde benadeelde partijen te betalen de daarin genoemde bedragen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de daarin genoemde data tot aan de dag van algehele voldoening;
bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom aan materiële schade niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van het in de tabel genoemde aantal dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
verstaat dat betaling aan de in de tabel genoemde benadeelde partijen, waaronder begrepen betaling door zijn mededader, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partijen en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.E. van Althuis, voorzitter,
en mrs. J. van der Groen en N. Shahani, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.D. Bijl, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting op 3 oktober 2024.
De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
1
hij in of omstreeks de periode van 13 maart 2023 tot en met 31 mei 2023 te Rotterdam
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
telkens heeft weggenomen:
- op 13 maart 2023 een laptop, toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of
- op 15 maart 2023 een handtas met inhoud, toebehorende aan [slachtoffer 2] en/of
- op 26 maart 2023 een schoudertas met inhoud, toebehorende aan [slachtoffer 3] en/of
- op 6 april 2023 een rugzak met inhoud, toebehorende aan [slachtoffer 4] en/of
- op 10 april 2023 een rugzak met inhoud, toebehorende aan [slachtoffer 5],
- op 14 mei 2023 twee, althans een of meer rugzakken met inhoud, toebehorende aan [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] en/of
- op 25 mei 2023 een trolley en een rugzak met inhoud, toebehorende aan [slachtoffer 8] en/of
- op 31 mei 2023 een reistas met inhoud, toebehorende aan de [naam familie],
in elk geval enig goed, die aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)
toebehoorde(n) heeft weggenomen telkens met het oogmerk om het zich
wederrechtelijk toe te eigenen;
2
hij op of omstreeks 4 april 2023 te Rotterdam
een rugtas met inhoud, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 10], in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.