[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] , op [geboortedatum] 1982, ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres 1] , [postcode] [woonplaats] , raadsman O.F. Qane, advocaat in Amsterdam.
Officier van justitie: B.M.M. Zonneveld
Benadeelde partijen: [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]
Beschuldiging
De verdachte wordt ervan beschuldigd dat hij een woonbegeleider en een politieman heeft bedreigd, goederen heeft vernield en dat hij heeft geprobeerd in te breken of (weer andere) goederen heeft vernield. De volledige tenlastelegging houdt in dat de verdachte:
op of omstreeks 6 oktober 2023 te Rotterdam [slachtoffer 3] (zijnde een medewerker van Antes) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door (dreigend) een mes aan die [slachtoffer 3] te tonen/voor te houden.
2.
op of omstreeks 6 oktober 2023 te Rotterdam [slachtoffer 1] (zijnde verbalisant van politie Eenheid Rotterdam) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door in (de verhoorkamer van) het politiebureau dreigend een stoel boven zijn hoofd te houden en/of (daarbij) aan die [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen: ‘als ik je bij je strot pak kan ik naar buiten’ en/of ‘het kan je beter je baan dan je
leven kosten’ en/of ‘ik bijt je oor en je neus eraf’ en/of ‘wat nou als ik je nu bij je
strot pak, dan kan ik daarna naar buiten’ en/of ‘ik vecht me dood, want heb niets te
verliezen’, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking.
3.
op of omstreeks 6 oktober 2023 te Rotterdam opzettelijk en wederrechtelijk een telefoon en/of computer en/of beeldscherm en/of wandcontactdoos (inclusief bedrading), in elk geval enig(e) goed(eren), dat/die geheel of ten dele aan politie Eenheid Rotterdam, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.
4.
op of omstreeks 12 juni 2024 te Dordrecht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf, om in/uit een woning en/of een schuur, gelegen aan het Suze Groeneweg-Erf één of meer goederen van zijn, verdachtes, gading, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking (met één of meer stuks gereedschap),
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair
op of omstreeks 12 juni 2024 te Dordrecht opzettelijk en wederrechtelijk een slot en/of deur van een schuur en/of een schuifdeur/schuifpui van een woning, gelegen aan het Suze Groeneweg-Erf, in elk geval enig(e) goed(eren), dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.
Bewijs
Vordering officier van justitie
De officier van justitie vindt dat de ten laste gelegde feiten bewezen kunnen worden.
Standpunt verdediging
De verdediging bepleit vrijspraak voor de feiten 1 en 4. Voor de onder feit 1 tenlastegelegde bedreiging stelt de verdediging dat het handelen van de verdachte, gelet op de omstandigheden, niet tot een bewezenverklaring van bedreiging kan leiden. De verdachte had bovendien geen opzet op bedreiging. Voor de onder feit 4 tenlastegelegde poging tot inbraak stelt de verdediging dat de verdachte niet van plan was om iets weg te nemen uit de woning of de schuur, maar dat hij op zoek was naar een plek om te overnachten. De verdediging refereert zich met betrekking tot de bewezenverklaring van de feiten 2 en 3 aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel rechtbank
Vrijspraakoverweging feit 1
De rechtbank oordeelt dat het onder 1 ten laste gelegde feit niet bewezen kan worden. Voor een bewezenverklaring van bedreiging is onder meer vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen of zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen. Daarnaast dient ook het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte daarop gericht te zijn.
Aan de hand van het dossier en het onderzoek op de zitting stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast.
De verdachte was op 6 oktober 2023 in zijn kamer van zorginstelling Antes toen één van zijn woonbegeleiders (hierna: aangeefster), een mes aantrof op zijn nachtkastje. Hierop heeft zij de verdachte gevraagd hoe hij aan het mes kwam en hem medegedeeld dat het niet de bedoeling is dat hij deze op zijn kamer heeft. De verdachte reageerde dat hij toestemming had gekregen van een andere begeleider om het mes bij hem te houden. De verdachte heeft vervolgens het mes uit de beschermhoes gehaald en getoond aan aangeefster. Hierbij heeft hij woorden toegevoegd met een strekking als ‘het is maar een mes’ of ‘dit is geen gevaarlijk mes, dit stelt niks voor’. Daarna heeft hij het mes weer teruggedaan in de beschermhoes en in zijn zak gestopt.
De omstandigheden waaronder het mes is getoond bieden geen aanknopingspunten voor een strafbare bedreiging. Evenmin heeft de verdachte hierop opzet gehad. De verdachte heeft het mes slechts laten zien. De stelling van aangeefster dat de verdachte het mes op een bedreigende wijze vast zou hebben gehad wordt niet ondersteund door andere bewijsmiddelen. Een en ander leidt ertoe dat het onder 1 ten laste gelegde niet bewezen is en dat dat verdachte daarvan wordt vrijgesproken.
Bewezenverklaring
Bewezen is dat de verdachte:
2.
op 6 oktober 2023 te Rotterdam [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, door dreigend een stoel boven zijn hoofd te houden en aan die [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen: ‘als ik je bij je strot pak kan ik naar buiten’ en ‘het kan je beter je baan dan je leven kosten’ en ‘ik bijt je oor en je neus eraf’.
3.
op 6 oktober 2023 te Rotterdam opzettelijk en wederrechtelijk een telefoon en beeldscherm en wandcontactdoos, die aan politie Eenheid Rotterdam toebehoorden heeft vernield.
4.
op 12 juni 2024 te Dordrecht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf, om uit een schuur, gelegen aan het Suze Groeneweg-Erf één of meer goederen van zijn gading, die aan [slachtoffer 2] , in toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen met gereedschap de deur van voornoemde schuur heeft geforceerd terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Bewijsmotivering
De bewezenverklaring steunt voor de feiten 2, 3 en 4 op de redengevende inhoud van de bewijsmiddelen. Hieronder is voor de feiten 2 en 3 een opgave van die bewijsmiddelen gedaan. Met deze opgave wordt volstaan omdat de verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend en geen vrijspraakverweer voor die feiten is gevoerd. Voor feit 4 zijn hieronder de bewijsmiddelen opgenomen. Die bewijsmiddelen zijn ook de basis voor de ook hieronder opgenomen vaststellingen, overwegingen en conclusies die - mede in reactie op een bewijsverweer - bij de bewezenverklaring zijn betrokken.
Bewijsoverweging feit 4 primair
Anders dan de verdediging vindt de rechtbank dat de verdachte opzet heeft gehad op het wederrechtelijk toe-eigenen van de goederen. De verdachte is op heterdaad in een schuur aangehouden terwijl hij diverse gereedschappen bij zich had. Deze gereedschappen (een slijptol, tang en schroevendraaier) zijn bij uitstek geschikt om bij een inbraak te gebruiken. De verklaring van de verdachte dat hij daar enkel was om te slapen acht de rechtbank onder de gegeven omstandigheden niet aannemelijk.
Bewijsmiddelen feit 2 en 3
3. Proces-verbaal van de politie, verklaring van [naam getuige 1]
4. Proces-verbaal van politie, verklaring [naam getuige 2]
Bewijsmiddelen feit 4
1. Proces-verbaal van de politie, verklaring [slachtoffer 2]
Ik doe aangifte van poging diefstal uit mijn schuur aan de Suze-Groeneweg-Erf te Dordrecht. Op 1 juni ben ik op vakantie gegaan, er was toen nog geen schade aan de schuur. Op 12 juni belde mijn buurman dat er afgelopen nacht iemand probeerde in te breken.
2. Proces-verbaal van de politie, onderzoek van verbalisant,
Op 12 juni 2024 ben ik ter plaatse gegaan aan de [adres 2] te Dordrecht. Ik zag hier [verdachte] in de schuur van de woning staan. In de sok en in de jaszak van de verdachte trof ik een schroevendraaier aan. Ik deed onderzoek naar de schuur en zag dat de deur van de schuur was geforceerd en dat er verse sporen op zaten. Ik zag tevens dat er in de schuur een slijptol en een tang lag op een ongewone plaats.
3. De verklaring van de verdachte op de zitting van 9 juli 2024
Ik was op 12 juni 2024 bij de woning aan de [adres 2] te Dordrecht. Ik heb de schuur geforceerd en ben naar binnen gegaan. De aangetroffen gereedschappen in de schuur zijn van mij.
Verboden gedraging en strafbaarheid
Kwalificatie
2. bedreiging met zware mishandeling en met enig misdrijf tegen het leven gericht
3. opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel aan een ander toebehoort vernielen
4. poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak
Strafbaarheid feit en verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.
Straf en maatregel
Vooraf
Voor de bewezenverklaarde feiten wordt aan de verdachte een straf en een maatregel opgelegd. In deze motivering zullen de feiten en de (persoonlijke) omstandigheden van de verdachte worden besproken die daarbij een rol spelen.
Rapporten
Rapport Pro Justitia
De rechtbank heeft kennis genomen van het Pro Justitia onderzoek van 24 januari 2024. De deskundigen - psychiater en psycholoog - rapporteren dat bij de verdachte sprake is van een persoonlijkheidsstoornis met antisociale, borderline en ontwijkende trekken en een stoornis in het gebruik van cannabis, GHB en anabole steroïden. Ook is volgens hen sprake van een psychotische stoornis door het gebruik van deze middelen. De stoornissen waren aanwezig ten tijde van de strafbare feiten en werkten daarin door. Volgens de deskundigen reageerde de verdachte met forse agressie toen hij door de begeleiders van de begeleide woonvorm en daarna door de politie werd aangesproken en begrensd. Dit relateren zij aan zijn persoonlijkheidsproblematiek, waardoor hij zijn gedrag niet goed onder controle heeft. Dit is helemaal van toepassing als hij onder invloed is van roesmiddelen. Dit gebruik van roesmiddelen relateren de deskundigen ook aan zijn persoonlijkheidsproblematiek, omdat hij daardoor niet goed in staat is om zich gedisciplineerd te gedragen. Als het ten laste gelegde bewezen wordt verklaard, adviseren de deskundigen om hem dit in een verminderde mate toe te rekenen.
Verder wordt het recidiverisico door de deskundigen, gelet op deze stoornissen, ingeschat op matig tot hoog. De behandeling dient volgens de deskundigen binnen een verplichtend kader plaats te vinden, zodat er toezicht blijft op het middelengebruik en het gedrag van de verdachte. Om die reden adviseren de deskundigen om verdachte een ambulante behandeling en plaatsing in een beschermde/begeleide woonvorm op te leggen. Dit kan het best worden vormgegeven binnen een terbeschikkingstelling (TBS) met voorwaarden, met toezicht door de reclassering.
Maatregelrapport Reclassering
Reclassering Nederland heeft twee adviezen opgesteld, op 9 oktober 2023 en op 8 mei 2024. In de rapporten komt het volgende naar voren. Er bij de verdachte sprake van een zichtbaar patroon van delicten met een geweldscomponent gepleegd onder invloed van middelen. Hoewel de verdachte zijn klinische behandeling in 2023 positief heeft afgerond en een meewerkende houding toont binnen de ambulante behandeling, zijn er meerdere terugvallen in middelengebruik geweest. Dit heeft in het verleden meermalen geleid tot psychische ontregeling en het plegen van strafbare feiten. De reclassering heeft in eerste instantie een behandeling binnen een ambulant kader geadviseerd, zodat de verdachte volledige abstinentie kan bereiken en behouden.
Op de zitting heeft de betrokken deskundige in het verlengde daarvan verklaard dat er serieuze zorgen zijn dat de verdachte nog steeds verdovende middelen gebruikt. Hierdoor bestaat het risico dat hij nieuwe strafbare feiten zal plegen. Het advies is daarom om met een klinische behandeling te starten.
De reclassering heeft de volgende voorwaarden geadviseerd. De verdachte heeft zich bereid verklaard tot medewerking hieraan:
Vordering officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 5 maanden, met aftrek van voorarrest, en oplegging van de maatregel van TBS met de voorwaarden zoals deze door de reclassering zijn geadviseerd.
Oordeel rechtbank
Bij deze beoordeling neemt de rechtbank de bevindingen en de conclusies van de deskundigen over en neemt verder de ernst van het begane feit en de recidive in aanmerking, zoals deze - onder meer - volgt uit het strafblad van de verdachte en uit de rapporten van de deskundigen en de reclassering.
Gepleegde feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan drie strafbare feiten, te weten een bedreiging van een politieambtenaar, het vernielen van meerdere goederen in de verhoorkamer en een poging inbraak. Hierdoor is niet alleen materiële schade en overlast ontstaan, maar heeft hij ook gevoelens van angst en onveiligheid teweeggebracht bij de slachtoffers.
Toerekenbaarheid
De door de deskundigen vastgestelde gebrekkige ontwikkeling en/of ziekelijke stoornis was voor een deel van invloed op het gedrag van de verdachte tijdens de bewezenverklaarde feiten. Om die reden worden die feiten in een verminderde mate aan de verdachte toegerekend.
De maatregel terbeschikkingstelling met voorwaarden
De verdachte is schuldig aan twee feiten die kwalificeren als misdrijven die zijn genoemd in artikel 37a, eerste lid, aanhef en onder 2, Sr en dus feiten waarvoor TBS mogelijk is. Tijdens het begaan van die feiten bestond een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens. De vraag is vervolgens of er voldoende aanwijzingen zijn dat er gevaar bestaat voor de veiligheid voor anderen of algemene veiligheid van personen of goederen. Dit is het geval. Door de deskundigen en de rapporteur van de reclassering wordt het recidiverisico matig tot hoog ingeschat. Ook uit het strafblad van de verdachte volgt dat het niet de eerste keer is dat hij voor een geweldsmisdrijf wordt veroordeeld. Daarmee is voldaan aan de voorwaarden die de wet stelt voor oplegging van een TBS-maatregel.
Op grond van - met name - de rapportages over de persoon van de verdachte vindt de rechtbank een behandeling van de verdachte voor de veiligheid van de samenleving noodzakelijk. Een behandeling die zich erop richt om de verdachte weer zo goed mogelijk in de samenleving te laten terugkeren, om zo de kans op herhaling te verminderen. De rechtbank zal daarom die behandeling opleggen in de - ook door de deskundigen en de reclassering geadviseerde - vorm van TBS met voorwaarden. Behandeling in een voorwaardelijk kader vindt de rechtbank voldoende om het recidiverisico te beperken. Wel zal in die voorwaarden ook een klinische opname worden opgenomen. Dit biedt de ruimte voor de verdachte om een goede en strak begeleide start te maken met zijn behandeling. De verdachte is weliswaar gemotiveerd om zich ambulant te laten behandelen, maar hij kan door zijn middelenverslaving vooralsnog verkeerde keuzes maken. Een klinische opname vindt de rechtbank daarom noodzakelijk. De maximale duur van een dergelijke opname duurt zes maanden, of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Deze duur acht de rechtbank in het licht van het bovenstaande voldoende. Ook de overige door de reclassering geadviseerde voorwaarden zullen aan de maatregel worden gekoppeld.
Tot slot merkt de rechtbank op dat de strafbare feiten ter zake waarvoor de terbeschikkingstelling met voorwaarden wordt opgelegd geen misdrijven betreffen die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen.
Naast de maatregel vindt de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 54 dagen, met aftrek van het voorarrest ook passend uit het oogpunt van vergelding en preventie.
Wettelijke voorschriften
Bij de strafoplegging is gelet op de artikelen 37a, 37b, 38, 38a, 285, 311, 350 van het Wetboek van Strafrecht.
Benadeelde partij
Vordering [slachtoffer 1]
Als benadeelde partij vordert [slachtoffer 1] een vergoeding van €450,- aan immateriële schade. Primair stelt [slachtoffer 1] dat de verdachte het oogmerk had om hem zodanig nadeel toe te brengen, ex artikel 6:106 sub a BW. Subsidiair stelt [slachtoffer 1] dat hij door het handelen van verdachte op ‘andere wijze in de persoon aangetast’, ex artikel 6:106 sub b BW.
Oordeel rechtbank
De rechtbank vindt het op zichzelf aannemelijk dat de benadeelde partij gevoelens van angst en onveiligheid heeft ervaren. Dat er sprake is geweest van oogmerk bij de verdachte om zodanig nadeel te veroorzaken is onvoldoende onderbouwd en ook gemotiveerd weersproken. De aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor [slachtoffer 1] rechtvaardigen ook niet de conclusie dat sprake is van nadeel. Voorwaarde voor toewijzing van dergelijke vergoeding van nadeel is in dat geval dat het nadeel wordt onderbouwd met concrete (medische) gegevens. Dat is niet gebeurd.
Nadere bewijslevering van het nadeel levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Omdat [slachtoffer 1] in de vordering niet-ontvankelijk wordt verklaard wordt [slachtoffer 1] veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging gemaakt, tot op heden begroot op nihil.
Vordering [slachtoffer 2]
Als benadeelde partij vordert het slachtoffer een vergoeding van €213,48 aan materiële schade, vanwege de aanschaf van een nieuw hangslot en het eigen risico van de opstal- en inboedelverzekering. Ter onderbouwing zijn het betaalbewijs en het polisblad toegevoegd. De benadeelde partij vordert het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft bepleit dat de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard voor zover dit ziet op het eigen risico van €200,-. Uit het afschrift van het polisblad blijkt namelijk niet dat de benadeelde partij daadwerkelijk het bedrag betaald heeft. Ten aanzien van het overige deel refereert hij zich aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel rechtbank
De rechtbank stelt vast dat aan de benadeelde partij door het strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De vordering met betrekking tot de aanschaf van een nieuw hangslot ter waarde van €13,48 wordt toegewezen. Deze is voldoende onderbouwd. De rechtbank oordeelt dat niet vast is komen te staan dat het eigen risico van €200,- daadwerkelijk geclaimd is door de benadeelde partij. Dit onderdeel van de vordering wordt niet-ontvankelijk verklaard. Verder heeft de benadeelde partij gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 12 juni 2024.
Vordering tenuitvoerlegging
Vonnis waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd
Bij vonnis van 1 juli 2021 van de meervoudige kamer van deze rechtbank is de verdachte ter zake van opzettelijke brandstichting, mishandeling, diefstal in vereniging en overtreding van de Opiumwet veroordeeld tot een gevangenisstraf van 316 dagen. Een gedeelte, 180 dagen, is voorwaardelijk opgelegd met een proeftijd van 2 jaar. De proeftijd is ingegaan op 16 juli 2021 en eindigt - na verlenging - op 15 juli 2024.
Oordeel rechtbank
De rechtbank acht het, anders dan de officier van justitie, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, niet passend om de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf te bevelen. Op dit moment is het noodzakelijk dat de verdachte binnen een gestructureerd kader aan de slag gaat, waarbij hij onder toezicht en begeleiding staat. De vordering wordt dus afgewezen.
Beslissingen
De rechtbank:
verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart bewezen dat de verdachte het onder 2, 3 en 4 primair tenlastegelegde feit heeft begaan;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 54 (vierenvijftig) dagen;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld;
stelt daarbij de navolgende voorwaarden betreffende het gedrag van de terbeschikkinggestelde:
- De veroordeelde meldt zich op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is;
- De veroordeelde laat een of meer vingerafdrukken nemen en laat een geldig identiteitsbewijs zien. Dit is nodig om de identiteit van betrokkene vast te stellen;
- De veroordeelde houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om betrokkene te helpen bij het naleven van de voorwaarden;
- De veroordeelde helpt de reclassering aan een actuele foto waarop zijn/haar gezicht herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid;
- De veroordeelde werkt mee aan huisbezoeken;
- De veroordeelde geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners;
- De veroordeelde vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering;
- De veroordeelde werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met betrokkene, als dat van belang is voor het toezicht.
3. Als de reclassering dat nodig vindt en de veroordeelde daarmee instemt, kan betrokkene voor een time-out worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) of andere instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering of betrokkene deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar.
4. De veroordeelde gaat niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden, zonder toestemming van de reclassering.
5. De veroordeelde laat zich opnemen in een zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De opname duurt zes maanden of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt de veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing.
6. De veroordeelde laat zich ambulant behandelen door Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling.
7. De veroordeelde verblijft in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld.
8. De veroordeelde gebruikt geen drugs en anabolen en werkt mee aan controle op dit verbod. De controle gebeurt met urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak de veroordeelde wordt gecontroleerd.
9. De veroordeelde gebruikt geen alcohol, en werkt mee aan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) om dit alcoholverbod te controleren. De reclassering bepaalt met welke controlemiddelen en hoe vaak de veroordeelde wordt gecontroleerd.
10. De veroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van (on)betaald werk met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.
verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in de vordering; bepaalt dat dit de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] , te betalen een bedrag van €13,48 (zegge: dertien euro en achtenveertig cent), bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 12 juni 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting
aan de staat ten behoeve van [slachtoffer 2] te betalen €13,48 (hoofdsom, zegge: dertien euro en achtenveertig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 juni 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van €13,48 niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 1 dag; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partijen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] gemaakt, tot op heden begroot op nihil, aan salaris voor de advocaat en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
wijst af de gevorderde tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 1 juli 2021 van de meervoudige kamer van deze rechtbank aan de veroordeelde opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van heden.
Dit vonnis is gewezen door
J.H. Janssen, voorzitter,
E. IJspeerd en J. Groot, rechters,
in tegenwoordigheid van D.C. van Beek, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting op 23 juli 2024.