Rechtbank Rotterdam
Team straf 2
Parketnummer: 71/174377-21
Raadkamernummers: 23-016293 en 23-016294
Beschikking van de rechtbank Rotterdam, meervoudige raadkamer, op de verzoeken als bedoeld in de artikelen 533 en 530 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) van:
[verzoeker] , verzoeker,
geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedatum] l995,
voor deze zaak domicilie kiezende op het adres van zijn raadsman mr. H. Weisfelt, advocaat te [adres].
1. Procedure
De verzoeken zijn op 26 juni 2023 ingediend.
De verzoeken zijn op 15 april 2024 door de raadkamer in het openbaar behandeld. De officieren van justitie mrs. D. Kardol en G. Sannes (hierna: de officier van justitie), verzoeker en diens advocaat zijn gehoord.
2. Inhoud verzoeken en standpunt officier van justitie
Verzoek artikel 533 Sv
Het verzoek strekt, na wijziging op zitting, ertoe dat aan verzoeker uit ’s Rijks kas een bedrag wordt toegekend, bestaande uit:
een bedrag van € 63.920,- als vergoeding voor immateriële schade als gevolg van het voorarrest;
een bedrag van € 96.097,78 als vergoeding voor materiële schade (inclusief de vergoeding voor loonderving) als gevolg van het voorarrest; inclusief inflatiecorrectie is dat een bedrag van € 110.601,07, plus 8% wettelijke rente over deze posten per datum indiening.
Gesteld is dat er gronden van billijkheid zijn om een hogere dan de forfaitaire vergoeding toe te kennen voor de geleden immateriële schade. Daartoe is aangevoerd en ter zitting toegelicht dat de aanhouding en detentie een bijzondere impact hebben gehad op verzoeker. Verzoeker zal de gevolgen van de detentie en de strafzaak in het algemeen zijn leven lang in meer of mindere mate ondervinden. De verdenking behelst één van de ernstigste zo niet de ernstigste strafbare feiten die ons Wetboek van Strafrecht kent: terroristische misdrijven. Dit heeft nog meer impact gehad, omdat verzoeker als kind met zijn moeder is gevlucht vanuit [geboorteland] om te ontsnappen aan rechteloosheid, machtsmisbruik en willekeur. De media-aandacht heeft de detentieperiode van verzoeker verzwaard door de bijzondere omstandigheid dat het Openbaar Ministerie verschillende keren zowel tegen de pers als ter openbare terechtzitting verzoeker heeft beticht van sympathiseren met het jihadistisch gedachtegoed, terwijl daarvoor geen feitelijke onderbouwing bestond en uit onderzoek is gebleken dat dat ook niet het geval was. Het ontslag bij een van de meest prestigieuze architectenbureaus wereldwijd als gevolg hiervan betekent dat zijn carrièrepad voorgoed is veranderd.
Ook zal verzoeker hinder blijven ondervinden bij het reizen naar het buitenland, zolang hij op de lijst met namen van Nederlandse terrorismeverdachten blijft staan en de Nederlandse Staat geen stappen onderneemt om verzoeker van deze lijst te (laten) verwijderen. Al deze ervaringen en omstandigheden hebben als gevolg dat verzoeker tot op de dag van vandaag behandeling nodig heeft voor zijn mentale problemen. Gelet op hetgeen is aangevoerd heeft verzoeker immateriële schade geleden als gevolg van zijn detentie die de verhoging met een factor 2 toewijsbaar maakt.
De officier van justitie heeft ter zitting geconcludeerd tot toewijzing van het verzoek voor zover het de forfaitaire vergoeding voor het ondergane voorarrest beloopt en acht een bedrag van € 31.180,- toewijsbaar. De verzochte vermenigvuldiging dient te worden afgewezen. De aangevoerde omstandigheden zijn niet aan te merken als zeer bijzondere omstandigheden die afwijking van de forfaitaire vergoeding rechtvaardigen. Voorts heeft de officier van justitie ter zitting aanleiding gezien om te concluderen tot toewijzing van de vordering tot vergoeding voor de psychische schade ter hoogte van € 5.000,-. Ook de aanvullende materiële schade in de vorm van studievertraging komt voor toewijzing in aanmerking. Voor het overige dient het verzoek te worden afgewezen. De opgevoerde woonlasten en overige vaste lasten tijdens detentie komen niet voor vergoeding in aanmerking, omdat deze kosten niet zijn aan te merken als een direct gevolg van het ondergane voorarrest van verzoeker. Ten slotte acht de officier van justitie de gevorderde gederfde inkomsten een gevolg van de detentie van verzoeker, maar deze zijn onvoldoende onderbouwd. Daarnaast dient deze schade voor rekening van verzoeker te blijven, gelet op de overwegingen van de rechtbank ten aanzien van de voorlopige hechtenis bij vonnis.
Verzoek artikel 530 Sv
Het verzoek strekt ertoe dat aan verzoeker uit ’s Rijks kas wordt toegekend een bedrag bestaande uit:
door verzoeker gemaakte reiskosten van € 454,72;
door verzoeker gemaakte reiskosten voor bezoek door familieleden van € 833,72;
schade als gevolg van tijdverzuim van € 1.500,-;
kosten voor rechtsbijstand, gemaakt in verband met het opstellen, indienen en behandelen van de verzoekschriften ter hoogte van het bedrag van € 680,-, inclusief BTW plus 5% van de toegekende schadevergoeding.
De officier van justitie heeft ter zitting geconcludeerd tot toewijzing van het verzoek ten aanzien van de reiskosten van verzoeker en de forfaitaire vergoeding van € 680,- voor het opstellen, indienen en behandelen van beide verzoekschriften. Voor het overige dient het verzoek te worden afgewezen. De reiskosten van familieleden zijn geen kosten die verzoeker zelf heeft gemaakt en de schade als gevolg van tijdverzuim is onvoldoende onderbouwd.
3. Feiten
Verzoeker is samen met acht medeverdachten vervolgd (mega Dumfries) op verdenking van medeplegen van voorbereiding van een terroristisch misdrijf en medeplegen van deelname aan een organisatie met een terroristisch oogmerk.
Alle verzoekers zijn in de vroege ochtend van 23 september 2021 door een arrestatieteam van de politie aangehouden. Verzoekers zijn daarbij door politieambtenaren met bivakmutsen thuis in hun slaap van hun bed gelicht en (in sommige gevallen onder schot van geweren) met een doek over hun hoofd meegenomen en zes dagen op het politiebureau in beperkingen vastgehouden. Tijdens de voorlopige hechtenis zijn verzoekers vervolgens geplaatst op een terrorisme afdeling waar een streng en zwaar individueel veiligheidsregime met een uitgebreid beveiligingsniveau heerst.
Verzoeker is van 23 september 2021 tot en met 28 september 2021 in verzekering gesteld geweest. Aansluitend heeft hij tot en met 25 mei 2022 in voorlopige hechtenis verbleven. In de periode van 23 september 2021 tot en met 29 september 2021 zijn aan verzoeker beperkingen opgelegd.
Bij vonnis van deze rechtbank, uitgesproken op 14 maart 2023, is verzoeker integraal vrijgesproken van hetgeen hem in de strafzaak ten laste was gelegd. Dit vonnis is op 29 maart 2023 onherroepelijk geworden.
4. Ontvankelijkheid
Ingevolge artikel 533, derde lid Sv respectievelijk artikel 530 juncto 529, tweede lid, Sv dient een op een van deze artikelen gegrond verzoek te worden ingediend binnen drie maanden na de beëindiging van de zaak. De zaak is beëindigd op 29 maart 2023 en de verzoeken zijn ingediend op 26 juni 2023. Nu de verzoeken binnen de wettelijke termijn zijn ingediend, is verzoeker ontvankelijk in de verzoeken.
5. Beoordeling
Verzoek artikel 533 Sv
Vooropstelling
Vooropgesteld wordt dat de rechtbank ingevolge artikel 533 Sv op verzoek van de gewezen verdachte - indien de zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel - hem een vergoeding kan toekennen voor de schade welke hij ten gevolge van ondergane verzekering, klinische observatie of voorlopige hechtenis heeft geleden; die basis is aanmerkelijk smaller dan (schade ontstaan door) de strafrechtelijke vervolging als zodanig. Uit het voorgaande volgt dat alleen die schade voor vergoeding in aanmerking komt die een direct gevolg is van de voorlopige hechtenis. Vergoeding van toekomstige schade valt buiten het bereik van de regeling.
De vergoeding vindt plaats na rechtmatig overheidsoptreden. De aanspraak bestaat, ongeacht het antwoord op de vraag of de verdenking of ernstige bezwaren achteraf ongegrond zijn gebleken. Er kan, met andere woorden, geen sprake zijn van een soort “rest verdenking” die tot afwijzing van het verzoek zou moeten leiden.
De schade kan zijn materiële schade of immateriële schade. De laatste vorm van schade wordt na voorarrest verondersteld aanwezig te zijn, waarbij de omvang wordt bepaald aan de hand van een forfaitair bedrag per dag ondergane voorarrest, dat onder zeer bijzondere omstandigheden kan worden verhoogd. De verzoeker dient de hoogte van de gevorderde materiële schade te onderbouwen.
De officier van justitie heeft bij sommige materiële schadeposten tot afwijzing geconcludeerd en verwezen naar de overweging van de rechtbank in het vonnis over de voorlopige hechtenis. Deze overweging van de rechtbank in het vonnis behelst slechts dat er steeds ernstige bezwaren zijn geweest en dat er sprake is geweest van een verdenking die noopte tot strafrechtelijk onderzoek. Dat onderbouwt slechts de rechtmatigheid van het overheidsoptreden en juist daarvoor is de onderhavige regeling van schadevergoeding in het leven geroepen.
De toekenning van een vergoeding heeft ingevolge artikel 534 Sv verder plaats indien hiervoor naar het oordeel van de rechtbank, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.
Uit de feiten volgt dat de strafzaak tegen verzoeker is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel. Gebleken is dat er ten tijde van de toepassing van de inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis voldoende verdenking tegen verzoeker was om die dwangmiddelen te rechtvaardigen.
Alle omstandigheden in aanmerking genomen worden gronden van billijkheid aanwezig geacht om aan verzoeker een vergoeding voor materiele en immateriële schade als gevolg van het voorarrest toe te kennen. De volgende vraag is wat de hoogte van de compensatie moet zijn.
a. a) vergoeding voor immateriële schade als gevolg van het voorarrest
Op basis van de tarieven, zoals die door het LOVS worden voorgestaan voor voorarrest dat is ondergaan op of na 1 maart 2021, heeft verzoeker recht op de volgende vergoedingen:
verblijf in een politiecel
6 dgn x € 130,-
€ 780,-
verblijf op de terrorisme afdeling van een huis van bewaring
239 dgn x € 130,-
€ 31.070,-
beperkingen
7 dgn x € 30,-
€ 210,-
totaal
€ 32.060,-
Deze forfaitaire vergoeding voor het ondergane voorarrest biedt compensatie voor de immateriële schade die men daarvoor in het algemeen pleegt te lijden. Voor toekenning van een hogere vergoeding van immateriële schade is, als gezegd, plaats indien sprake is van zeer bijzondere omstandigheden die meebrengen dat de vrijheidsbeneming voor verzoeker als gewezen verdachte grotere gevolgen heeft gehad dan voor andere verdachten die ter zake van gelijkluidende verdenkingen preventief worden gehecht. In de beoordeling van deze billijkheid dienen alle omstandigheden van het geval betrokken te worden, waaronder de ernst van het feit waarvan verzoeker werd verdacht, de aanhouding, extra belastende ervaringen tijdens detentie, media-aandacht en concrete gevolgen voor het persoonlijke leven.
De rechtbank acht het zeer aannemelijk dat het voorarrest voor verzoeker bijzonder ingrijpend is geweest en dat hij daarvan naar verhouding (nog steeds) bovengemiddelde nadelige gevolgen ondervindt.
Ten aanzien van de nadelige gevolgen voor verzoeker in het bijzonder is daarbij meegenomen dat uit de stukken is gebleken dat het ontslag van verzoeker bij zijn afstudeerstage bij één van de meest gerenommeerde architectenbureaus wereldwijd direct gevolg is geweest van de bekendmaking in de media van de verdenking waarvoor verzoeker in detentie is geplaatst. Verder heeft verzoeker mentale klachten opgelopen als gevolg van de lange duur in detentie. Verzoeker is nog steeds onder behandeling voor mentale klachten.
Gronden van billijkheid brengen daarom mee dat de som van de door het LOVS voorgestane dagvergoedingen, als verzocht, met een factor 2 moeten worden vermenigvuldigd. Dit leidt tot een totaalbedrag van € 64.120,-.
b) vergoeding voor materiële schade als gevolg van het voorarrest
Gevraagd is om toekenning van een vergoeding voor
Kosten behandeling PTSS € 7.500,-
Huur € 5.620,86
Studievertraging € 45.200,-
Losse posten € 11.110,26
Gederfde inkomsten € 26.666,66
Kosten behandeling PTSS
Verzoeker heeft als gevolg van de onderhavige hechtenis (en de onderhavige vervolging) en de daarop ondervonden nadelige gevolgen psychische klachten opgelopen die als PTSS (kunnen) worden gekwalificeerd. Het daadwerkelijke bedrag kan evenwel hoger uitvallen, maar de kosten hiervoor worden begroot op € 7.500,-.
De rechtbank is van oordeel dat tussen de voorlopige hechtenis van verzoeker en de psychische klachten een causaal verband is vast te stellen. De rechtbank wijst op gronden van billijkheid een vergoeding toe van € 5.000,-.
Huur
Verzoeker heeft gevraagd om toekenning van een vergoeding voor de doorbetaalde huur gedurende zijn detentie van ruim 8 maanden.
De rechtbank begrijpt de stellingen van verzoeker aldus dat hij vergoeding van deze kosten vordert omdat de kosten door de voorlopige hechtenis zonder nut zijn gemaakt. Dat is vermogensschade zoals bedoeld in art. 6:95 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) die aan de Staat kan worden toegerekend. De waarde van het gemiste voordeel wordt gesteld op de voor het verkrijgen daarvan gedane uitgaven. De gevorderde bedragen zijn voldoende onderbouwd en komen dus voor vergoeding in aanmerking.
Studievertraging
Gevraagd is om toekenning van een vergoeding voor studievertraging voor het studiejaar 2021/2022 ter hoogte van € 22.475,- (normbedrag 2022) en het studiejaar 2022/2023 ter hoogte van € 22.725,- (normbedrag 2023) conform De Letselschade Richtlijn Studievertraging van de Letselschade Raad. Verzoeker schreef zijn scriptie voor de studie architectuur aan de Technische Universiteit Eindhoven ten tijde van zijn aanhouding en zijn afstuderen stond gepland voor een half jaar later. Door detentie heeft verzoeker zodanig studievertraging opgelopen, dat hij pas in juni 2023 is afgestudeerd. Doordat verzoeker twee studiejaren vertraging heeft opgelopen, zal hij ten gevolge hiervan later op de arbeidsmarkt actief kunnen zijn.
De rechtbank is van oordeel dat verzoeker de verzochte vergoeding voor de opgelopen schade door de studievertraging een rechtstreeks gevolg is van de ondergane detentie en de opgelegde voorwaarden bij de schorsing van de voorlopige hechtenis. Deze kosten zijn voldoende onderbouwd en het totale bedrag van € 45.200,- zal worden toegewezen.
Losse posten De rechtbank is van oordeel dat de kosten die verzoeker heeft opgevoerd in het kader van woonlasten en andere kosten (gas & elektra, TU Eindhoven, belastingdienst auto, verzekering scooter, mobiele telefoon, verzekering auto, gemeentelijke belastingen, marktplaats advertentie, Brabant Water, kosten Rabobank, Crocoblock abonnement en zijn schaak abonnement) voor vergoeding in aanmerking komen.
De rechtbank begrijpt ook deze stellingen van verzoeker aldus dat hij vergoeding van deze kosten vordert omdat de kosten door de voorlopige hechtenis zonder nut zijn gemaakt. Dat is vermogensschade zoals bedoeld in art. 6:95 van het BW die aan de Staat kan worden toegerekend. De waarde van het gemiste voordeel wordt gesteld op de voor het verkrijgen daarvan gedane uitgaven. De gevorderde bedragen zijn voldoende onderbouwd en komen dus voor vergoeding in aanmerking.
Gederfde inkomsten
Gevraagd is om toekenning van een vergoeding voor gederfde inkomsten gedurende een periode van acht maanden detentie. Verzoeker verdiende op het moment van zijn aanhouding € 20.000,- per jaar. Omgerekend naar de tijd van de voorlopige hechtenis komt verzoeker tot een bedrag van (€ 20.000 / 12*8 =) € 13.333,33. Gedurende het jaar 2022 zou verzoeker meer verdienen en meer werken, waardoor verzoeker het dubbele aan salaris zou verdienen. De gederfde inkomsten bedragen daarom in totaal € 26.666,66.
De rechtbank is van oordeel dat het aannemelijk is dat verzoeker schade heeft geleden wegens gederfde inkomsten. Deze schade en de hoogte ervan is echter niet gestaafd met stukken, zoals een arbeidsovereenkomst, een salarisspecificatie of een overschrijvingsoverzicht met daarop storting van zijn salaris. Nu deze kosten niet zijn onderbouwd kan de rechtbank de schade niet begroten en komen de gederfde inkomsten niet voor vergoeding in aanmerking op de voet van artikel 533 Sv.
Inflatiecorrectie en wettelijke rente
Art. 533 Sv biedt geen grondslag voor toewijzing van de wettelijke rente. De rechtbank ziet evenmin gronden om de inflatiecorrectie, waarmee hetzelfde doel als toepassing van de wettelijke rente wordt geprobeerd te bereiken, toe te passen. Dit deel van de verzochte vergoeding wordt niet toegekend.
Conclusie
Gelet op het voorgaande zal aan verzoeker voor geleden materiële schade een vergoeding ter hoogte van € 66.931,12 (€ 5.000,- + € 5.620,86 + € 45.200,- + € 11.110,26) worden toegekend en zal het verzoek voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard.
Besluit
Resumerend zal de rechtbank aan verzoeker op grond van artikel 533 Sv een schadevergoeding ter hoogte van € 131.051,12 (€ 64.120,- + € 66.931,12) toekennen en verzoeker voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.
Verzoek artikel 530 Sv
Uit de feiten volgt dat de strafzaak tegen verzoeker is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht., zodat de verzoeker op grond van artikel 530 juncto artikel 534 Sv aanspraak kan maken op vergoeding van de te zijnen laste gekomen kosten voor de rechtsbijstand, zulks voor zover daarvoor gronden van billijkheid aanwezig zijn.
a. a) reiskosten
De reiskosten die verzoeker heeft gemaakt ten behoeve van de 10 zittingsdagen komen voor vergoeding in aanmerking. Uitgaande van het tarief in het Besluit tarieven in strafzaken 2003, komt het verzochte bedrag van € 454,72 voor toekenning in aanmerking.
b) reiskosten voor bezoek door familieleden
De rechtbank is van oordeel dat kosten die zijn familieleden hebben gemaakt om verzoeker te bezoeken tijdens zijn detentie, niet zijn aan te merken als schade die verzoeker zelf ten gevolge van het ondergane voorarrest heeft geleden. Zij komen daardoor niet voor vergoeding in aanmerking.
c) Schade als gevolg van tijdverzuim
Gevraagd is om toekenning van een vergoeding voor schade als gevolg van tijdverzuim voor 10 zittingsdagen op basis van het bruto salaris dat verzoeker verdiende ten tijde van de zittingsdagen met een totaalbedrag van € 1.500,-.
De rechtbank is van oordeel dat het aannemelijk is dat verzoeker schade heeft geleden als gevolg van tijdverzuim. Deze schade en de hoogte ervan is echter niet gestaafd met stukken, zoals een arbeidsovereenkomst, een salarisspecificatie of een overschrijvingsoverzicht met daarop storting van zijn salaris. Nu deze kosten niet zijn onderbouwd, kan de rechtbank de schade niet begroten en komt de schade als gevolg van tijdverzuim niet voor vergoeding in aanmerking op de voet van artikel 533 Sv.
d) kosten rechtsbijstand voor opstellen, indienen en behandelen verzoekschriften
Verzocht is om vergoeding van kosten voor het opstellen, indienen en behandelen van de op grond van de artikelen 533 Sv en 530 Sv ingediende verzoekschriften ter hoogte van het bedrag van € 680,-, inclusief BTW plus 5% van de toegekende schadevergoeding, gelet op de complexiteit van het verzoek en de nog te verwachten werkzaamheden om de niet volledig uitgewerkte posten nader uit te werken.
De rechtbank kent, evenals alle andere gerechten in Nederland, de vergoeding voor het indienen en behandelen van een verzoek op grond van artikel 530 Sv toe op grond van de zogenoemde forfaitaire bedragen. Dat daar voor de ene zaak meer tijd mee gemoeid is dan voor een andere, is daarin meegewogen. Van een volledige vergoeding van de kosten voor het indienen en behandelen van het verzoek kan daardoor geen sprake zijn. Alleen in zeer uitzonderlijke gevallen kunnen gronden van billijkheid aanwezig zijn om een hoger forfaitair bedrag toe te kennen. Van zo’n uitzonderlijk geval is naar het oordeel van de rechtbank in deze zaak geen sprake. De rechtbank zal dan ook de forfaitaire vergoeding van € 680,- toewijzen.
Besluit Resumerend zal de rechtbank aan verzoeker op grond van artikel 530 Sv een totale vergoeding van € 1.134,72 (€ 454,72 + € 680,-) toekennen en verzoeker voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.
6. Beslissing
De rechtbank:
t.a.v. het verzoek op grond van artikel 533 Sv:
kent aan verzoeker uit ’s Rijks kas een vergoeding toe van € 131.051,12 (zegge: honderdeenendertigduizend eenenvijftig euro en twaalf eurocent);
verklaart verzoeker niet ontvankelijk voor het meer of anders verzochte.
t.a.v. het verzoek op grond van artikel 530 Sv:
kent aan verzoeker uit ’s Rijks kas een vergoeding toe van € 1.134,72 (zegge: duizend honderdvierendertig euro en tweeënzeventig eurocent);
verklaart verzoeker niet ontvankelijk voor het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door:
mr. J.L.M. Boek, voorzitter,
mrs. K.Th. van Barneveld en J. van de Klashorst, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. I.C.M.A. Bals, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2024.
Bevelschrift van tenuitvoerlegging
Bij beschikking van deze rechtbank, meervoudige raadkamer, van 10 juni 2024 (RK-nummer: 23-016293) is op de voet van artikel 533 Sv aan
[verzoeker] ,
geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedatum] l995,
een vergoeding uit ’s Rijks kas toegekend van € 131.051,12 (zegge: honderdeenendertigduizend eenenvijftig euro en twaalf eurocent).
Bevolen wordt dat de griffier na het onherroepelijk worden van de beschikking overgaat tot uitbetaling van dit bedrag door overmaking op bankrekeningnummer [rekeningnummer] ten name van Stichting derdengelden Weisfelt en Lintz Advocaten, o.v.v. “HW-23.0782 vergoeding SV 533-530. Parketnummer 71-174371-21,
rolnummer nnb, proces-verbaal [proces-verbaalnummer]”.
Dit bevelschrift is afgegeven op 10 juni 2024 door mr. J.L.M. Boek, voorzitter.
Bevelschrift van tenuitvoerlegging
Bij beschikking van deze rechtbank, meervoudige raadkamer, van 10 juni 2024 (RK-nummer: 23-016294) is op de voet van artikel 530 Sv aan
[verzoeker] ,
geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedatum] l995,
een vergoeding uit ’s Rijks kas toegekend van € 1.134,72 (zegge: duizend honderdvierendertig euro en tweeënzeventig eurocent);
Bevolen wordt dat de griffier na het onherroepelijk worden van de beschikking overgaat tot uitbetaling van dit bedrag door overmaking op bankrekeningnummer [rekeningnummer] ten name van Stichting derdengelden Weisfelt en Lintz Advocaten, o.v.v. “HW-23.0782 vergoeding SV 533-530. Parketnummer 71-174371-21,
rolnummer nnb, proces-verbaal [proces-verbaalnummer]”.
Dit bevelschrift is afgegeven op 10 juni 2024 door mr. J.L.M. Boek, voorzitter.
*doorhalen wat niet van toepassing is