Rechtbank Rotterdam
Team straf 2
Parketnummer: 71/174357-21
Raadkamernummers: 23-015876 en 23-015877
Beschikking van de rechtbank Rotterdam, meervoudige raadkamer, op de verzoeken als bedoeld in de artikelen 533 en 530 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) van:
[verzoeker] , verzoeker,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,
voor deze zaak domicilie kiezende op het adres van zijn raadsvrouw mr. A. Knol, advocaat te [adres] .
1. Procedure
De verzoeken zijn op 22 juni 2023 ingediend.
De verzoeken zijn op 15 april 2024 door de raadkamer in het openbaar behandeld. De officieren van justitie mrs. D. Kardol en G. Sannes (hierna: de officier van justitie), verzoeker en diens advocaat zijn gehoord.
2. Inhoud verzoeken en standpunt officier van justitie
Verzoek artikel 533 Sv
Het verzoek strekt, na wijziging op zitting, ertoe dat aan verzoeker uit ’s Rijks kas wordt toegekend een bedrag van € 378.199,34, bestaande uit:
een bedrag van € 64.180,- als vergoeding voor immateriële schade als gevolg van het voorarrest;
een bedrag van € 8.790,- als vergoeding voor immateriële schade als gevolg van de voorwaarden bij de schorsing van de voorlopige hechtenis;
een bedrag van € 34.265,88 als vergoeding voor materiële schade als gevolg van het voorarrest;
een bedrag van € 270.963,46 als vergoeding voor loonderving.
Gesteld is dat er gronden van billijkheid zijn om een hogere dan de forfaitaire vergoeding toe te kennen voor de geleden immateriële schade. Daartoe is aangevoerd en ter zitting toegelicht dat de aanhouding en detentie een bijzondere impact hebben gehad op verzoeker. Verzoeker zal de gevolgen van de detentie en de strafzaak in het algemeen zijn leven lang in meer of mindere mate ondervinden. De verdenking behelst één van de ernstigste zo niet de ernstigste strafbare feiten die ons Wetboek van Strafrecht kent: terroristische misdrijven. De media-aandacht heeft de detentieperiode van verzoeker verzwaard door de bijzondere omstandigheid dat het Openbaar Ministerie verschillende keren zowel tegen de pers als ter openbare terechtzitting verzoeker heeft beticht van sympathiseren met het jihadistisch gedachtegoed, terwijl daarvoor geen feitelijke onderbouwing bestond en uit onderzoek is gebleken dat dat ook niet het geval was. Ook zal verzoeker hinder blijven ondervinden bij het reizen naar het buitenland, zolang hij op de lijst met namen van Nederlandse terrorismeverdachten blijft staan en de Nederlandse Staat geen stappen onderneemt om verzoeker van deze lijst te (laten) verwijderen. Voorts is verzoeker bijzonder hard geconfronteerd met het feit dat hij op de dagen dat hij zou gaan trouwen en daarna op huwelijksreis zou gaan, zich bevond in een cel op de terrorisme afdeling (hierna: TA) van een huis van bewaring. Al deze ervaringen en omstandigheden hebben als gevolg dat verzoeker thans nog onder behandeling is van een gedragsdeskundige. Gelet op hetgeen is aangevoerd heeft verzoeker immateriële schade geleden als gevolg van zijn detentie die de verhoging met een factor 2 toewijsbaar maakt.
De officier van justitie heeft ter zitting geconcludeerd tot toewijzing van het verzoek voor zover het de forfaitaire vergoeding voor het ondergane voorarrest beloopt en acht een bedrag van € 31.180,- toewijsbaar. Voorts heeft de officier van justitie ter zitting aanleiding gezien om te concluderen tot toewijzing van de vordering tot vergoeding voor de psychische schade ter hoogte van € 5.000,-. Voor het overige dient het verzoek te worden afgewezen. De schorsingsvoorwaarden hebben de vrijheid van verzoeker beperkt, maar de vrijheidsbeperking was niet dusdanig dat feitelijk gesproken moet worden van vrijheidsontneming. Ook dient de verzochte vermenigvuldiging te worden afgewezen. De aangevoerde omstandigheden zijn niet aan te merken als zeer bijzondere omstandigheden die afwijking van de forfaitaire vergoeding rechtvaardigen. Ten aanzien van de kosten voor het annuleren van de bruiloft en de huwelijksreis acht de officier van justitie geen gronden van billijkheid aanwezig gelet op het laakbare gedrag van verzoeker en gelet op de overwegingen van de rechtbank ten aanzien van de voorlopige hechtenis bij vonnis. Tenslotte stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat de overige verzochte vergoeding van de materiële schade dient te worden afgewezen, omdat deze onvoldoende is onderbouwd.
Verzoek artikel 530 Sv
Het verzoek strekt, na wijziging op zitting, ertoe dat aan verzoeker uit ’s Rijks kas wordt toegekend een bedrag van € 27.030,84, bestaande uit:
door verzoeker gemaakte reiskosten van € 778,01;
schade als gevolg van tijdverzuim op basis van het bruto salaris dat verzoeker verdiende ten tijde van de aanhouding bij zijn toenmalige werkgever ASML van € 2.800,-; subsidiair schade op basis van zijn bruto salaris van zijn nieuwe werkgever [naam bedrijf] van € 2.934,40;
kosten voor de noodzakelijke verdediging, gevoerd in de strafzaak tegen verzoeker als verdachte, bestaande uit de kosten van de raadsman mr. J.P. Plasman van € 15.587,83;
kosten voor rechtsbijstand, gemaakt in verband met het opstellen, indienen en behandelen van de verzoekschriften ter hoogte van het bedrag van € 7.865,-.
De officier van justitie heeft ter zitting geconcludeerd tot toewijzing van het verzoek ten aanzien van de reiskosten van verzoeker, de schade als gevolg van tijdverzuim op basis van het salaris van zijn nieuwe werkgever [naam bedrijf] , de kosten voor de noodzakelijke verdediging in de strafzaak tegen verzoeker alsmede de kosten voor de rechtsbijstand voor het opstellen, indienen en behandelen van beide verzoekschriften. Voor het overige dient het verzoek te worden afgewezen.
3. Feiten
Verzoeker is samen met acht medeverdachten vervolgd (mega Dumfries) op verdenking van medeplegen van voorbereiding van een terroristisch misdrijf en medeplegen van deelname aan een organisatie met een terroristisch oogmerk.
Alle verzoekers zijn in de vroege ochtend van 23 september 2021 door een arrestatieteam van de politie aangehouden. Verzoekers zijn daarbij door politieambtenaren met bivakmutsen thuis in hun slaap van hun bed gelicht en (in sommige gevallen onder schot van geweren) met een doek over hun hoofd meegenomen en zes dagen op het politiebureau in beperkingen vastgehouden. Tijdens de voorlopige hechtenis zijn verzoekers vervolgens geplaatst op een TA waar een streng en zwaar individueel veiligheidsregime met een uitgebreid beveiligingsniveau heerst.
Verzoeker is van 23 september 2021 tot en met 28 september 2021 in verzekering gesteld geweest. Aansluitend heeft hij tot en met 25 mei 2022 in voorlopige hechtenis verbleven. In de periode van 23 september 2021 tot en met 29 september 2021 zijn aan verzoeker beperkingen opgelegd.
Bij vonnis van deze rechtbank, uitgesproken op 14 maart 2023, is verzoeker integraal vrijgesproken van hetgeen hem in de strafzaak ten laste was gelegd. Dit vonnis is op 29 maart 2023 onherroepelijk geworden.
4. Ontvankelijkheid
Ingevolge artikel 533, derde lid Sv respectievelijk artikel 530 juncto 529, tweede lid, Sv dient een op een van deze artikelen gegrond verzoek te worden ingediend binnen drie maanden na de beëindiging van de zaak. De zaak is beëindigd op 29 maart 2023 en de verzoeken zijn ingediend op 23 juni 2023. Nu de verzoeken binnen de wettelijke termijn zijn ingediend, is verzoeker ontvankelijk in de verzoeken.
5. Beoordeling
Verzoek artikel 533 Sv
Vooropstelling
Vooropgesteld wordt dat de rechtbank ingevolge artikel 533 Sv op verzoek van de gewezen verdachte - indien de zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel - hem een vergoeding kan toekennen voor de schade welke hij ten gevolge van ondergane verzekering, klinische observatie of voorlopige hechtenis heeft geleden; die basis is aanmerkelijk smaller dan (schade ontstaan door) de strafrechtelijke vervolging als zodanig. Uit het voorgaande volgt dat alleen die schade voor vergoeding in aanmerking komt die een direct gevolg is van de voorlopige hechtenis. Vergoeding van toekomstige schade valt buiten het bereik van de regeling.
De vergoeding vindt plaats na rechtmatig overheidsoptreden. De aanspraak bestaat, ongeacht het antwoord op de vraag of de verdenking of ernstige bezwaren achteraf ongegrond zijn gebleken. Er kan, met andere woorden, geen sprake zijn van een soort “rest verdenking” die tot afwijzing van het verzoek zou moeten leiden.
De schade kan zijn materiële schade of immateriële schade. De laatste vorm van schade wordt na voorarrest verondersteld aanwezig te zijn, waarbij de omvang wordt bepaald aan de hand van een forfaitair bedrag per dag ondergane voorarrest, dat onder zeer bijzondere omstandigheden kan worden verhoogd. De verzoeker dient de hoogte van de gevorderde materiële schade te onderbouwen.
De officier van justitie heeft bij sommige materiële schadeposten tot afwijzing geconcludeerd vanwege het “laakbare gedrag” van verzoeker en verwezen naar de overweging van de rechtbank in het vonnis over de voorlopige hechtenis. Maar over welk laakbaar gedrag het dan gaat is onduidelijk gebleven. Nu zelfs oplegging van een straf of maatregel, zij het voor een ander feit, op zich aan toekenning van een schadevergoeding niet in de weg staat, kan “laakbaar gedrag” hoe dan ook geen rol spelen bij de beoordeling van de aanspraak op zich. En de overweging van de rechtbank in het vonnis behelst slechts dat er steeds ernstige bezwaren zijn geweest en dat er sprake is geweest van een verdenking die noopte tot strafrechtelijk onderzoek. Dat onderbouwt slechts de rechtmatigheid van het overheidsoptreden en juist daarvoor is de onderhavige regeling van schadevergoeding in het leven geroepen.
De toekenning van een vergoeding heeft ingevolge artikel 534 Sv verder plaats indien hiervoor naar het oordeel van de rechtbank, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.
Uit de feiten volgt dat de strafzaak tegen verzoeker is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel. Gebleken is dat er ten tijde van de toepassing van de inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis voldoende verdenking tegen verzoeker was om die dwangmiddelen te rechtvaardigen.
Alle omstandigheden in aanmerking genomen worden gronden van billijkheid aanwezig geacht om aan verzoeker een vergoeding voor materiele en immateriële schade als gevolg van het voorarrest toe te kennen. De volgende vraag is wat de hoogte van de compensatie moet zijn.
a. a) vergoeding voor immateriële schade als gevolg van het voorarrest
Op basis van de tarieven, zoals die door het LOVS worden voorgestaan voor voorarrest dat is ondergaan op of na 1 maart 2021, heeft verzoeker recht op de volgende vergoedingen:
verblijf in een politiecel
6 dgn x € 130,-
€ 780,-
verblijf op de TA van een huis van bewaring
239 dgn x € 130,-
€ 31.070,-
beperkingen
7 dgn x € 30,-
€ 210,-
totaal
€ 32.060,-
Deze forfaitaire vergoeding voor het ondergane voorarrest biedt compensatie voor de immateriële schade die men daarvoor in het algemeen pleegt te lijden. Voor toekenning van een hogere vergoeding van immateriële schade is, als gezegd, plaats indien sprake is van zeer bijzondere omstandigheden die meebrengen dat de vrijheidsbeneming voor verzoeker als gewezen verdachte grotere gevolgen heeft gehad dan voor andere verdachten die ter zake van gelijkluidende verdenkingen preventief worden gehecht. In de beoordeling van deze billijkheid dienen alle omstandigheden van het geval betrokken te worden, waaronder de ernst van het feit waarvan verzoeker werd verdacht, de aanhouding, extra belastende ervaringen tijdens detentie, media-aandacht en concrete gevolgen voor het persoonlijke leven.
De rechtbank acht het zeer aannemelijk dat het voorarrest voor verzoeker bijzonder ingrijpend is geweest en dat hij daarvan naar verhouding (nog steeds) bovengemiddelde nadelige gevolgen ondervindt.
Ten aanzien van de nadelige gevolgen voor verzoeker in het bijzonder is daarbij meegenomen dat uit de stukken is gebleken dat het ontslag van verzoeker bij het chipbedrijf ASML het directe gevolg is geweest van de uitlatingen van het Openbaar Ministerie gedurende de detentie van verzoeker over het ideologisch legitimeren door verzoeker van geweld vanuit een extremistisch denkkader. Daarnaast stond verzoeker op het punt om te gaan trouwen, maar door de detentie was verzoeker genoodzaakt de bruiloft en de daarop volgende huwelijksreis te annuleren. Verder heeft verzoeker mentale klachten opgelopen als gevolg van zijn aanhouding en de lange duur in detentie op de TA. Verzoeker is nog steeds onder behandeling bij een gedragsdeskundige van Transculturele Psychiatrie Eindhoven. Gronden van billijkheid brengen daarom mee dat de som van de door het LOVS voorgestane dagvergoedingen, als verzocht, met een factor 2 moeten worden vermenigvuldigd.
Gelet op het voorgaande zal aan verzoeker voor immateriële schade als gevolg van het voorarrest een vergoeding ter hoogte van € 64.120,- worden toegekend en zal het verzoek voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard.
b) vergoeding voor immateriële schade als gevolg van schorsingsvoorwaarden
De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 533 Sv slechts voor vergoeding in aanmerking komt de schade die verzoeker ten gevolge van ondergane inverzekeringstelling, klinische observatie of voorlopige hechtenis heeft geleden. Eén en ander kan tot uitzondering leiden indien de vrijheidsbeperking tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis dusdanig is geweest dat feitelijk gesproken moet worden van vrijheidsontneming. In dat geval kan artikel 5 Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) nopen tot schadevergoeding. Artikel 5, vijfde lid EVRM houdt in dat eenieder die een arrestatie of een gevangenhouding heeft ondergaan, die in strijd is met de bepalingen van het artikel, een recht tot schadevergoeding toekomt.
Hierbij is een aantal factoren van belang, zoals de aard, duur, effecten en wijze van tenuitvoerlegging, alsmede de mate waarin de betrokkene autonoom kan functioneren en de mogelijkheid heeft eigen keuzes te maken. Uit de jurisprudentie volgt dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens per concreet geval oordeelt of al dan niet sprake is van een vrijheidsbeperking, die onder het regime van artikel 2 van het Vierde Protocol van het EVRM valt, dan wel van een vrijheidsbeneming die onder artikel 5 EVRM valt.
Verzoeker heeft aangevoerd dat de zeer strikte schorsingsvoorwaarden dusdanig waren dat gesproken kan worden van een vrijheidsbeneming waarvoor een schadevergoeding op zijn plaats is. Verzoeker mocht Nederland niet verlaten, mocht op geen enkele wijze contact
onderhouden met zijn medeverdachten (de personen waar hij voor detentie vriendschappelijk mee om ging) en hij mocht zich niet in de gemeente Den Haag
bevinden. Deze voorwaarden werden gemonitord middels elektronische controle
(enkelband). In de dagelijkse planning van verzoeker moest constant rekening worden gehouden met het opladen van de enkelband. Tot slot had verzoeker op regelmatige basis gesprekken met de reclassering van een uur. Concluderend meent verzoeker dat gelet op de hoeveelheid en intensiteit van de voorwaarden hij dusdanig was beperkt in zijn autonoom
functioneren dat gesproken kan worden van een vrijheidsbeneming die een vergoeding
van immateriële schade rechtvaardigt.
Hoewel aan verzoeker een veelheid aan schorsingsvoorwaarden was opgelegd die zijn dagelijkse leven zeer hebben beperkt, kan niet worden gesproken van een feitelijke vrijheidsontneming waardoor verzoeker niet meer autonoom kon functioneren of in zijn dagelijkse leven geen keuzes meer kon maken. Gelet hierop en op hetgeen hiervoor is overwogen, komt de rechtbank tot het oordeel dat de schorsingsvoorwaarden zoals aan verzoeker opgelegd niet als vrijheidsbeneming in de zin van artikel 5 EVRM te worden beschouwd, maar als vrijheidsbeperking.
Om die reden ziet de rechtbank geen grond om verzoeker de onder b verzochte vergoeding op grond van artikel 533 Sv schadevergoeding toe te kennen. Dit deel van het verzoek zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard.
c) vergoeding voor materiele schade als gevolg van het voorarrest
Gevraagd is om toekenning van een vergoeding voor
Huur woning/vaste lasten € 11.735,73
Opslag inboedel + verhuizing € 1.854,99 + € 2.200,-
Geannuleerde bruiloft en huwelijksreis € 15.656,30
Levensonderhoud Penitentiaire Inrichting (PI) € 1.000,-
Reiskosten familiebezoeken PI € 766,08
Eigen risico tot en met 2024 € 1.052,78
Huur woning/vaste lasten
Verzoeker heeft aangevoerd dat een causaal verband bestaat tussen zijn detentie en het opzeggen van zijn huurwoning. Door de lange duur van het voorarrest kon verzoeker de maandelijkse huurbetalingen en vaste lasten niet meer opbrengen. Gevraagd is om toekenning van een vergoeding voor het verlies van zijn huurwoning in de vorm van de kosten die hij over de periode van september 2021 tot en met mei 2022 heeft moeten maken ten aanzien van zijn woning en de daarbij horende vaste lasten.
De rechtbank begrijpt de stellingen van verzoeker aldus dat hij vergoeding van deze kosten vordert omdat de kosten door de voorlopige hechtenis zonder nut zijn gemaakt. Dat is vermogensschade zoals bedoeld in art. 6:95 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) die aan de Staat kan worden toegerekend. De waarde van het gemiste voordeel wordt gesteld op de voor het verkrijgen daarvan gedane uitgaven. De gevorderde bedragen zijn voldoende onderbouwd en komen dus voor vergoeding in aanmerking.
Opslag inboedel, verhuizing en eigen risico
De rechtbank is van oordeel dat door verzoeker voldoende aannemelijk is gemaakt dat hij ten gevolge van zijn detentie de gestelde kosten heeft moeten maken en dat hij die kosten zonder detentie niet had gehad. Deze kosten zijn voldoende onderbouwd en het totale bedrag van € 5.107,77 zal worden toegewezen.
Geannuleerde bruiloft en huwelijksreis
Verzoeker heeft aangevoerd dat zijn geplande bruiloft op 9 oktober 2021 en daaropvolgende huwelijksreis van 24 oktober 2021 tot 4 november 2021 geen doorgang konden vinden, omdat hij op dat moment in detentie zat. Het was niet meer mogelijk om de gemaakte reserveringen te annuleren en de gemaakte kosten terug te krijgen. Gevraagd is om deze kosten als vergoeding voor ontstane materiële schade toe te wijzen.
De rechtbank begrijpt de stellingen van verzoeker aldus dat hij vergoeding van deze kosten vordert omdat de kosten door de voorlopige hechtenis zonder nut zijn gemaakt. Dat is vermogensschade zoals bedoeld in art. 6:95 BW die aan de Staat kan worden toegerekend. De waarde van het gemiste voordeel wordt gesteld op de voor het verkrijgen daarvan gedane uitgaven. De gevorderde bedragen zijn voldoende onderbouwd en komen dus voor vergoeding in aanmerking.
Levensonderhoud PI
Ten aanzien van deze kosten oordeelt de rechtbank dat deze schade niet voor een vergoeding op de voet van artikel 533 Sv in aanmerking komt nu er geen causaal verband is tussen de gestelde schade en de voorlopige hechtenis van verzoeker. Ook als verzoeker niet in voorlopige hechtenis gesteld was geweest, had hij immers deze kosten moeten maken.
Reiskosten familiebezoeken PI
De rechtbank is van oordeel dat kosten die zijn familieleden hebben gemaakt om verzoeker te bezoeken tijdens zijn detentie niet zijn aan te merken als schade die verzoeker zelf ten gevolge van het ondergane voorarrest heeft geleden en komen daardoor niet voor vergoeding in aanmerking.
Conclusie Gelet op het voorgaande zal aan verzoekervoor aanvullende geleden materiële schade een vergoeding ter hoogte van € 32.499,80 (€ 11.735,73 + € 5.107,77 + € 15.656,30) worden toegekend en zal het verzoek voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard.
d) vergoeding voor loonderving
Gevraagd is om toekenning van een vergoeding voor gederfde inkomsten over de periode van 23 september 2021 tot en met 25 mei 2022. Tijdens de detentie heeft verzoeker onbetaald verlof opgenomen en vanaf 1 mei 2022 is het arbeidscontract met zijn werkgever ontbonden. Vanaf de schorsing van verzoeker op 25 mei 2022 heeft hij een WW-uitkering genoten totdat hij een nieuwe baan kreeg in oktober 2022.
De periode waarin verzoeker geen loon heeft ontvangen en het verschil tussen het salaris dat verzoeker ontving bij ASML en de WW-uitkering, worden opgevoerd als gederfde inkomsten. Totaal gaat het om een bedrag van € 66.234,18 aan gederfde inkomsten, inclusief inflatiecorrectie is dat een bedrag van € 72.459,29.
Ter zitting is deze kostenpost aangevuld met het verlies van de dertiende maand die hij
misloopt sinds hij een nieuwe baan heeft, berekend vanaf 1 januari 2024 tot en met zijn pensioen. Deze kosten heeft verzoeker beraamd op € 198.504,17. Het totaal aan gederfde inkomsten bedraagt daarmee € 270.963,46.
De rechtbank is van oordeel dat voldoende is gebleken dat verzoeker schade heeft geleden wegens gederfde inkomsten. Deze schade is tot een bedrag van € 66.234,18 voldoende onderbouwd, met dien verstande dat niet het bruto, maar het netto (geschat op 2/3)-inkomensverlies als schade is te beschouwen. Dit is immers het bedrag dat verzoeker in de situatie zonder detentie zou hebben ontvangen. De rechtbank wijst op gronden van billijkheid een vergoeding toe tot het bedrag van € 44.156,12.
Art. 533 Sv biedt geen grondslag voor toewijzing van de wettelijke rente. De rechtbank ziet evenmin gronden om de inflatiecorrectie, waarmee hetzelfde doel als toepassing van de wettelijke rente wordt geprobeerd te bereiken, toe te passen. Dit deel van de verzochte vergoeding wordt niet toegekend.
De verzochte schade wegens ontbreken van de dertiende maand betreft toekomstige schade en valt daarmee buiten de reikwijdte van artikel 533 Sv. Dit deel van de verzochte vergoeding wordt eveneens niet toegekend.
Besluit
Resumerend zal de rechtbank aan verzoeker op grond van artikel 533 Sv een schadevergoeding ter hoogte van € 140.775,92 (€ 64.120,- + € 32.499,80 + € 44.156,12) toekennen en verzoeker voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.
Verzoek artikel 530 Sv
Uit de feiten volgt dat de strafzaak tegen verzoeker is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, zodat de verzoeker op grond van artikel 530 juncto artikel 534 Sv aanspraak kan maken op vergoeding van de te zijnen laste gekomen kosten voor de rechtsbijstand, zulks voor zover daarvoor gronden van billijkheid aanwezig zijn.
a. a) reiskosten
De reiskosten die verzoeker heeft gemaakt ten behoeve van de 11 zittingsdagen komen voor vergoeding in aanmerking. Uitgaande van het tarief in het Besluit tarieven in strafzaken 2003, komt het verzochte bedrag van € 778,01 voor toekenning in aanmerking.
b) Schade als gevolg van tijdverzuim
Gevraagd is om toekenning van een vergoeding voor schade als gevolg van tijdverzuim voor 10 zittingsdagen op basis van het bruto salaris dat verzoeker verdiende ten tijde van de detentie bij zijn toenmalige werkgever ASML met een totaalbedrag van € 2.800,-; subsidiair is deze schade verzocht voor 14 zittingsdagen op basis van het bruto salaris bij zijn nieuwe werkgever [naam bedrijf] met een totaalbedrag van € 2.934,40.
De gestelde schade is aan te merken als schade, die verzoeker werkelijk heeft geleden als gevolg van tijdverzuim door de vervolging en de behandeling van de zaak op de terechtzitting.
Alle omstandigheden in aanmerking genomen worden gronden van billijkheid aanwezig geacht om aan verzoeker voor de schade als gevolg van het tijdverzuim door de behandeling van de zaak op de terechtzitting (10 dagen) een vergoeding toe te kennen op basis van zijn salaris bij de nieuwe werkgever [naam bedrijf] Ten tijde van de zittingsdagen werkte verzoeker bij die werkgever en het salaris dat hij daar verdiende is dus als schade te beschouwen, met dien verstande dat niet het bruto, maar het netto (geschat op 2/3)-inkomensverlies als werkelijke schade is te beschouwen. Voorts merkt de rechtbank op dat uit de berekening van verzoeker blijkt dat subsidiair is uitgegaan van 14 zittingsdagen, terwijl verzoeker 10 zittingsdagen heeft bijgewoond. Dit zal worden aangepast in het toe te wijzen bedrag. De rechtbank zal daarom dit deel van het verzoek toewijzen tot een bedrag van (€ 2.934,40 * 2/3 * 10/14) € 1.397,33.
c) kosten voor noodzakelijke verdediging in strafzaak
Bij de beoordeling van het verzoek tot vergoeding van de kosten voor de noodzakelijke verdediging van verzoeker in de strafzaak wordt vooropgesteld dat de declaratie van de advocaat niet bepalend is voor het beoordelen van het verzoek, maar een belangrijk uitgangspunt vormt dat door de rechtbank wordt betrokken in haar oordeel of er, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn aan verzoeker een vergoeding toe te kennen voor de kosten voor rechtsbijstand en zo ja, tot welk bedrag.
Verzocht is om vergoeding van het honorarium van de raadsman mr. J.P. Plasman voor werkzaamheden ten behoeve van de behandeling van de strafzaak tegen verzoeker ter hoogte van € 15.587,83. Daaraan is een urenspecificatie ten grondslag gelegd.
De door de raadsman opgevoerde tijdsbesteding, te weten 57,60 uur (inclusief reiskosten), is gelet op de aard, de omvang en de complexiteit van de zaak niet als bovenmatig aan te merken. De kosten voor de raadsman komen derhalve voor vergoeding in aanmerking komen.
De gedeclareerde kosten voor rechtsbijstand zullen dan ook geheel, te weten voor een bedrag van € 15.587,83, inclusief btw, voor vergoeding in aanmerking worden gebracht.
d) kosten rechtsbijstand voor opstellen, indienen en behandelen verzoekschriften
Verzocht is om vergoeding van kosten voor het opstellen, indienen en behandelen van de op grond van de artikelen 533 Sv en 530 Sv ingediende verzoekschriften ter hoogte van het bedrag van € 7.865,-.
De rechtbank kent, evenals alle andere gerechten in Nederland, de vergoeding voor het indienen en behandelen van een verzoek op grond van artikel 530 Sv toe op grond van de zogenoemde forfaitaire bedragen. Dat daar voor de ene zaak meer tijd mee gemoeid is dan voor een andere, is daarin meegewogen. Van een volledige vergoeding van de kosten voor het indienen en behandelen van het verzoek kan daardoor geen sprake zijn. Alleen in zeer uitzonderlijke gevallen kunnen gronden van billijkheid aanwezig zijn om een hoger forfaitair bedrag toe te kennen. Van zo’n uitzonderlijk geval is naar het oordeel van de rechtbank in deze zaak geen sprake. De rechtbank zal dan ook de forfaitaire vergoeding van € 680,- toewijzen.
Besluit
Resumerend zal de rechtbank aan verzoeker op grond van artikel 530 Sv een totale vergoeding van € 18.443,17 (€ 778,01 + € 1.397,33 + € 15.587,83 + € 680,-) toekennen en verzoeker voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.
6. Beslissing
De rechtbank:
t.a.v. het verzoek op grond van artikel 533 Sv:
kent aan verzoeker uit ’s Rijks kas een vergoeding toe van € 140.775,92 (zegge: honderdveertigduizend zevenhonderdenvijfenzeventig euro en tweeënnegentig eurocent);
verklaart verzoeker niet ontvankelijk voor het meer of anders verzochte.
t.a.v. het verzoek op grond van artikel 530 Sv:
kent aan verzoeker uit ’s Rijks kas een vergoeding toe van € 18.443,17 (zegge: achttienduizend vierhonderddrieënveertig euro en zeventien eurocent);
verklaart verzoeker niet ontvankelijk voor het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door:
mr. J.L.M. Boek, voorzitter,
mrs. K.Th. van Barneveld en J. van de Klashorst, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. I.C.M.A. Bals, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2024.
Bevelschrift van tenuitvoerlegging
Bij beschikking van deze rechtbank, meervoudige raadkamer, van 10 juni 2024
(RK-nummer: 23-015876) is op de voet van artikel 533 Sv aan
[verzoeker] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,
een vergoeding uit ’s Rijks kas toegekend van € 140.775,92 (zegge: honderdveertigduizend zevenhonderdenvijfenzeventig euro en tweeënnegentig eurocent).
Bevolen wordt dat de griffier na het onherroepelijk worden van de beschikking overgaat tot uitbetaling van dit bedrag door overmaking op bankrekeningnummer [rekeningnummer] ten name van Stichting Derdengelden Plasman Advocaten te Amsterdam, o.v.v. “D2300268”.
Dit bevelschrift is afgegeven op 10 juni 2024 door mr. J.L.M. Boek, voorzitter.
Bevelschrift van tenuitvoerlegging
Bij beschikking van deze rechtbank, meervoudige raadkamer, van 10 juni 2024
(RK-nummer: 23-015877) is op de voet van artikel 530 Sv aan
[verzoeker] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,
een vergoeding uit ’s Rijks kas toegekend van € 18.443,17 (zegge: achttienduizend vierhonderddrieënveertig euro en zeventien eurocent).
Bevolen wordt dat de griffier na het onherroepelijk worden van de beschikking overgaat tot uitbetaling van dit bedrag door overmaking op bankrekeningnummer [rekeningnummer] ten name van Stichting Derdengelden Plasman Advocaten te Amsterdam, o.v.v. “D2300268”.
Dit bevelschrift is afgegeven op 10 juni 2024 door mr. J.L.M. Boek, voorzitter.