Rechtbank Rotterdam
Team straf 2
Parketnummer: 71/174389-21
Raadkamernummers: 23-014608 en 23-014609
Beschikking van de rechtbank Rotterdam, meervoudige raadkamer, op de verzoeken als bedoeld in de artikelen 533 en 530 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) van:
[verzoeker] , verzoeker
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,
voor deze zaak domicilie kiezende op het adres van zijn raadsvrouw, mr. T.M.D. Buruma, advocaat te [adres].
1. Procedure
De verzoeken zijn op 8 juni 2023 ingediend en op 5 december 2023 aangevuld.
De verzoeken zijn op 15 april 2024 door de raadkamer in het openbaar behandeld. De officieren van justitie mrs. D. Kardol en G. Sannes (hierna: de officier van justitie), verzoeker en mr. S.K.S. Toelsie, advocaat te Amsterdam en waarnemend voor mr. Buruma zijn gehoord.
2. Inhoud verzoeken en standpunt officier van justitie
Verzoek artikel 533 Sv
Het verzoek strekt, na wijziging op zitting, ertoe dat aan verzoeker uit ’s Rijks kas wordt toegekend een bedrag van € 1.218.050,29 bestaande uit:
een bedrag van € 63.400,- als vergoeding voor immateriële schade als gevolg van het voorarrest;
een bedrag van € 1.154.650,29 als vergoeding voor materiële schade (inclusief de vergoeding voor loonderving).
Gesteld is dat er gronden van billijkheid zijn om een hogere dan de forfaitaire vergoeding toe te kennen voor de geleden immateriële schade. Daartoe is aangevoerd en ter zitting toegelicht dat de aanhouding en detentie een bijzondere impact hebben gehad op verzoeker. Verzoeker zal de gevolgen van de detentie en de strafzaak in het algemeen zijn leven lang in meer of mindere mate ondervinden. De verdenking behelst één van de ernstigste zo niet de ernstigste strafbare feiten die ons Wetboek van Strafrecht kent: het voorbereiden van terroristische misdrijven,. Verzoeker zat als enige van de negen verdachten in de penitentiaire inrichting Rotterdam, locatie De Schie, wat gedurende zeven maanden op de terrorisme afdeling (hierna: TA) een isolerend effect had. De detentie vond bovendien plaats op een transitief moment in zijn leven, waarbij hij aan een nieuwe studie was begonnen en zou gaan trouwen. Ten tijde van de aanhouding nam verzoeker deel aan een tweejarig, voltijd post-master programma dat leidt tot de graad van Professional Doctorate in Engineering (PDEng). Vanwege de langdurige detentie heeft cliënt deze studie niet kunnen afronden, waardoor hij belangrijke carrièremogelijkheden heeft misgelopen. Ook zal verzoeker hinder blijven ondervinden bij het reizen naar het buitenland, zolang hij op de lijst met namen van Nederlandse terrorismeverdachten blijft staan en de Nederlandse Staat geen stappen onderneemt om verzoeker van deze lijst te (laten) verwijderen. Al deze ervaringen en omstandigheden hebben als gevolg dat verzoeker behandeling nodig heeft gehad voor zijn PTSS-klachten. Gelet op hetgeen is aangevoerd heeft verzoeker immateriële schade geleden als gevolg van zijn detentie die de verhoging met een factor 2 toewijsbaar maakt.
De officier van justitie heeft ter zitting geconcludeerd tot toewijzing van het verzoek voor zover het de forfaitaire vergoeding voor het ondergane voorarrest beloopt en acht een bedrag van € 31.180,- toewijsbaar. De verzochte vermenigvuldiging dient te worden afgewezen. De aangevoerde omstandigheden zijn niet aan te merken als zeer bijzondere omstandigheden die afwijking van de forfaitaire vergoeding rechtvaardigen. Voorts heeft de officier van justitie ter zitting aanleiding gezien om te concluderen tot toewijzing van de vordering tot vergoeding voor de psychische schade ter hoogte van € 5.000,-. Voor het overige dient het verzoek te worden afgewezen. De reiskosten van familieleden zijn geen kosten die verzoeker zelf heeft gemaakt. De officier van justitie acht verder dat de gevorderde gederfde inkomsten – hoewel een gevolg van de detentie van verzoeker en voldoende onderbouwd – voor rekening van verzoeker dienen te blijven, gelet op het laakbare gedrag van verzoeker en de overwegingen van de rechtbank ten aanzien van de voorlopige hechtenis bij vonnis.
Verzoek artikel 530 Sv
Het verzoek strekt, na wijziging op zitting, ertoe dat aan verzoeker uit ’s Rijks kas wordt toegekend een bedrag bestaande uit:
door verzoeker gemaakte reiskosten van € 490,-
schade als gevolg van tijdverzuim van € 1.303,-
kosten voor rechtsbijstand, gemaakt in verband met het opstellen, indienen en behandelen van de verzoekschriften ter hoogte van het bedrag van € 680,-, inclusief BTW plus 5% van de toegekende schadevergoeding.
De officier van justitie heeft ter zitting geconcludeerd tot toewijzing van het verzoek ten aanzien van de reiskosten van verzoeker, de schade als gevolg van tijdverzuim en de forfaitaire vergoeding van € 680,- voor het opstellen, indienen en behandelen van beide verzoekschriften. Voor het overige dient het verzoek te worden afgewezen.
3. Feiten
Verzoeker is samen met acht medeverdachten vervolgd (mega Dumfries) op verdenking van medeplegen van voorbereiding van een terroristisch misdrijf en medeplegen van deelname aan een organisatie met een terroristisch oogmerk.
Alle verzoekers zijn in de vroege ochtend van 23 september 2021 door een arrestatieteam van de politie aangehouden. Verzoekers zijn daarbij door politieambtenaren met bivakmutsen thuis in hun slaap van hun bed gelicht en (in sommige gevallen onder schot van geweren) met een doek over hun hoofd meegenomen en zes dagen op het politiebureau in beperkingen vastgehouden. Tijdens de voorlopige hechtenis zijn verzoekers vervolgens geplaatst op een TA waar een streng en zwaar individueel veiligheidsregime met een uitgebreid beveiligingsniveau heerst.
Verzoeker is van 23 september 2021 tot en met 28 september 2021 in verzekering gesteld geweest. Aansluitend heeft hij tot en met 23 mei 2022 in voorlopige hechtenis verbleven. In de periode van 23 september 2021 tot en met 29 september 2021 zijn aan verzoeker beperkingen opgelegd.
Bij vonnis van deze rechtbank, uitgesproken op 14 maart 2023, is verzoeker integraal vrijgesproken van hetgeen hem in de strafzaak ten laste was gelegd. Dit vonnis is op 29 maart 2023 onherroepelijk geworden.
4. Ontvankelijkheid
Ingevolge artikel 533, derde lid Sv respectievelijk artikel 530 juncto 529, tweede lid, Sv dient een op een van deze artikelen gegrond verzoek te worden ingediend binnen drie maanden na de beëindiging van de zaak. De zaak is beëindigd op 29 maart 2023 en de verzoeken zijn ingediend op 8 juni 2023. Nu de verzoeken binnen de wettelijke termijn zijn ingediend, is verzoeker ontvankelijk in de verzoeken.
5. Beoordeling
Verzoek artikel 533 Sv
Vooropstelling
Vooropgesteld wordt dat de rechtbank ingevolge artikel 533 Sv op verzoek van de gewezen verdachte - indien de zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel - hem een vergoeding kan toekennen voor de schade welke hij ten gevolge van ondergane verzekering, klinische observatie of voorlopige hechtenis heeft geleden; die basis is aanmerkelijk smaller dan (schade ontstaan door) de strafrechtelijke vervolging als zodanig. Uit het voorgaande volgt dat alleen die schade voor vergoeding in aanmerking komt die een direct gevolg is van de voorlopige hechtenis. Vergoeding van toekomstige schade valt buiten het bereik van de regeling.
De vergoeding vindt plaats na rechtmatig overheidsoptreden. De aanspraak bestaat, ongeacht het antwoord op de vraag of de verdenking of ernstige bezwaren achteraf ongegrond zijn gebleken. Er kan, met andere woorden, geen sprake zijn van een soort “rest verdenking” die tot afwijzing van het verzoek zou moeten leiden.
De schade kan zijn materiële schade of immateriële schade. De laatste vorm van schade wordt na voorarrest verondersteld aanwezig te zijn, waarbij de omvang wordt bepaald aan de hand van een forfaitair bedrag per dag ondergane voorarrest, dat onder zeer bijzondere omstandigheden kan worden verhoogd. De verzoeker dient de hoogte van de gevorderde materiële schade te onderbouwen.
De officier van justitie heeft bij sommige materiële schadeposten tot afwijzing geconcludeerd vanwege het “laakbare gedrag” van de verzoeker en verwezen naar de overweging van de rechtbank in het vonnis over de voorlopige hechtenis. Maar over welk laakbaar gedrag het dan gaat is onduidelijk gebleven. Nu zelfs oplegging van een straf of maatregel, zij het voor een ander feit, op zich aan toekenning van een schadevergoeding niet in de weg staat, kan “laakbaar gedrag” hoe dan ook geen rol spelen bij de beoordeling van de aanspraak op zich. En de overweging van de rechtbank in het vonnis behelst slechts dat er steeds ernstige bezwaren zijn geweest en dat er sprake is geweest van een verdenking die noopte tot strafrechtelijk onderzoek. Dat onderbouwt slechts de rechtmatigheid van het overheidsoptreden en juist daarvoor is de onderhavige regeling van schadevergoeding in het leven geroepen.
De toekenning van een vergoeding heeft ingevolge artikel 534 Sv verder plaats indien hiervoor naar het oordeel van de rechtbank, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.
Uit de feiten volgt dat de strafzaak tegen verzoeker is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel. Gebleken is dat er ten tijde van de toepassing van de inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis voldoende verdenking tegen verzoeker was om die dwangmiddelen te rechtvaardigen.
Alle omstandigheden in aanmerking genomen worden gronden van billijkheid aanwezig geacht om aan verzoeker een vergoeding voor materiele en immateriële schade als gevolg van het voorarrest toe te kennen. De volgende vraag is wat de hoogte van de compensatie moet zijn.
a. a) vergoeding voor immateriële schade als gevolg van het voorarrest
Op basis van de tarieven, zoals die door het LOVS worden voorgestaan voor voorarrest dat is ondergaan op of na 1 maart 2021, heeft verzoeker recht op de volgende vergoedingen:
verblijf in een politiecel
6 dgn x € 130,-
€ 780,-
verblijf op de TA van een huis van bewaring
237 dgn x € 130,-
€ 30.810,-
beperkingen
7 dgn x € 30,-
€ 210,-
totaal
€ 31.800,-
Deze forfaitaire vergoeding voor het ondergane voorarrest biedt compensatie voor de immateriële schade die men daarvoor in het algemeen pleegt te lijden. Voor toekenning van een hogere vergoeding van immateriële schade is, als gezegd, plaats indien sprake is van zeer bijzondere omstandigheden die meebrengen dat de vrijheidsbeneming voor verzoeker als gewezen verdachte grotere gevolgen heeft gehad dan voor andere verdachten die ter zake van gelijkluidende verdenkingen preventief worden gehecht. In de beoordeling van deze billijkheid dienen alle omstandigheden van het geval betrokken te worden, waaronder de ernst van het feit waarvan verzoeker werd verdacht, de aanhouding, extra belastende ervaringen tijdens detentie, media-aandacht en concrete gevolgen voor het persoonlijke leven.
De rechtbank acht het zeer aannemelijk dat het voorarrest voor verzoeker bijzonder ingrijpend is geweest en dat hij daarvan naar verhouding (nog steeds) bovengemiddelde nadelige gevolgen ondervindt.
Ten aanzien van de nadelige gevolgen voor verzoeker in het bijzonder is daarbij meegenomen dat uit de stukken is gebleken dat het ontslag van verzoeker bij zijn werkgever direct gevolg is geweest van de bekendmaking in de media van de verdenking waarvoor verzoeker in detentie is geplaatst. Ook na detentie heeft dit gevolgen gehad voor arbeidsbetrekkingen en zijn carrièrepad. De verdachte heeft ten gevolge van detentie zijn woning verloren en heeft zijn bruiloft moeten uitstellen. Verder heeft verzoeker mentale klachten opgelopen als gevolg van de lange duur in detentie. Verzoeker is onder behandeling geweest voor PTSS-klachten.
Gronden van billijkheid brengen daarom mee dat de som van de door het LOVS voorgestane dagvergoedingen, als verzocht, met een factor 2 moeten worden vermenigvuldigd. Dit leidt tot een totaalbedrag van € 63.600,-.
b) vergoeding voor materiële schade als gevolg van het voorarrest
Gevraagd is om toekenning van een vergoeding voor
Kosten behandeling PTSS € 3.671,95
Huur en afvalstoffenheffing € 1.122,94
Gederfde inkomsten € 1.142.237,-
Reiskosten voor bezoek door familieleden € 1.520,-
kosten voor deskundigenonderzoek € 6.098,40
Kosten behandeling PTSS
Verzoeker heeft als gevolg van de onderhavige hechtenis (en de onderhavige vervolging) en de daarop ondervonden nadelige gevolgen psychische klachten opgelopen die als PTSS (kunnen) worden gekwalificeerd. Hij heeft de behandeling doorlopen en de daadwerkelijke kosten bedragen in totaal € 3.671,95.
De rechtbank is van oordeel dat tussen de voorlopige hechtenis van verzoeker en de psychische klachten een causaal verband is vast te stellen. De opgevoerde kosten zijn het totaal van de in rekening gebrachte facturen. Uit de stukken blijkt echter dat 70% van de kosten worden vergoed en dat verzoeker een eigen risico heeft van € 800,- per jaar (alle behandelingen hebben plaatsgevonden in 2023). De rechtbank wijst daarom op gronden van billijkheid een vergoeding toe van (€ 800,- + 0,3* 3.671,95 =) € 1.901,59.
Huur en afvalstoffenheffing
De vriendin van verzoeker had vlak voor zijn aanhouding een huurovereenkomst getekend met de uitdrukkelijke intentie om daar samen met verzoeker te gaan wonen en dat verzoeker de kosten zou betalen. Door de detentie van verzoeker was de vriendin van verzoeker niet in staat de huur (en bijkomende kosten) voor de woning te betalen en moest de woning worden opgezegd met een maand opzegtermijn. De schade voor verzoeker is daarom twee maanden huur (€ 1.069,90) en afvalstoffenheffing (€ 53,04) met in totaal een bedrag van € 1.122,94.
De rechtbank begrijpt de stellingen van verzoeker aldus dat hij vergoeding van deze kosten vordert omdat de kosten door de voorlopige hechtenis zonder nut zijn gemaakt. Dat is vermogensschade zoals bedoeld in art. 6:95 van het Burgerlijk Wetboek die aan de Staat kan worden toegerekend. De waarde van het gemiste voordeel wordt gesteld op de voor het verkrijgen daarvan gedane uitgaven.
Over de verdeling van de gedane uitgaven kan de rechtbank uit de overgelegde stukken niets vaststellen, maar wel is voldoende onderbouwd dat verzoeker samen met zijn vriendin de woning zou betrekken. De rechtbank wijst daarom op gronden van billijkheid een vergoeding toe van 50% van de totale schade tot een bedrag van (0,5* € 1.122,94 =)
€ 561,47.
Gederfde inkomsten
Gevraagd is om toekenning van een vergoeding voor gederfde inkomsten. In de hypothetische situatie zonder detentie zou verzoeker in dienst zijn gebleven bij [naam]. In de situatie met detentie heeft verzoeker geen of minder loon dan bij [naam] ontvangen. Dat zal tot zijn pensioengerechtigde leeftijd zo blijven. Het verschil in loon moet worden gezien als schade.
Tijdens de detentie heeft verzoeker geen loon ontvangen. Deze schade is vastgesteld op € 39.541,-. De eerste maand zijn de kosten voor de lease-auto in mindering gebracht op zijn loon, terwijl verzoeker hier geen gebruik van kon maken. Verzoeker vordert deze kosten, zijnde een bedrag van € 826,-, als schade. Na de periode van detentie was er drie maanden sprake van onbetaald verlof bij [naam] omdat verzoeker niet kon werken zonder Verklaring Omtrent Gedrag. Deze schade wordt begroot op € 18.236,-. Tot slot volgt de inkomensschade vanaf september 2022 tot heden. Vanaf 1 september 2022 is verzoeker in dienst getreden bij Veldsink. Nadat dit dienstverband werd beëindigd op 31 december 2021 door zijn werkgever, is sprake van een korte tijd van werkeloosheid. Per 13 februari 2023 is verzoeker in dienst getreden bij [bedrijf]. Zowel bij Veldsink als bij [bedrijf] is het loon lager dan het loon dat hij zonder detentie bij [naam] zou verdienen. Deze schade is begroot op € 42.927,-. De totale inkomensschade die verzoeker heeft geleden gedurende en als gevolg van detentie tot het heden is € 101.530,-.
Vanwege de reputatieschade en een stagnatie van verzoekers carrière lijdt hij schade tot de pensioengerechtigde leeftijd. Deze schade wordt vanaf 2024 tot de AOW-leeftijd van verzoeker begroot op € 1.040.707,-.
De rechtbank is van oordeel dat voldoende is gebleken dat verzoeker schade heeft geleden wegens gederfde inkomsten. Deze schade is tot een bedrag van € 101.530,- voldoende onderbouwd, met dien verstande dat niet het bruto, maar het netto (geschat op 2/3) inkomensverlies als schade is te beschouwen. Dit is immers het bedrag dat verzoeker in de situatie zonder detentie zou hebben ontvangen. De rechtbank wijst daarom op gronden van billijkheid een vergoeding toe tot het bedrag van € 67.686,67.
Ten aanzien van de inkomensschade van 2024 tot de AOW-leeftijd van verzoeker oordeelt de rechtbank dat dit toekomstige schade betreft en valt daarmee ook buiten de reikwijdte van artikel 533 Sv. Deze kosten van de verzochte vergoeding worden niet toegekend.
Reiskosten voor bezoek door familieleden
De rechtbank is van oordeel dat kosten die zijn familieleden hebben gemaakt om verzoeker te bezoeken tijdens zijn detentie, niet zijn aan te merken als schade die verzoeker zelf ten gevolge van het ondergane voorarrest heeft geleden. Deze kosten komen daarom niet voor vergoeding in aanmerking.
Kosten deskundigenonderzoek
Wegens de omvang van de geleden schade als gevolg van de detentie en vervolging heeft verzoeker een deskundige op het gebied van letselschade ingeschakeld om passende schadebedragen vast te stellen. Hiervoor heeft verzoeker een factuur ontvangen ter hoogte van € 6.098,40.
De rechtbank is van oordeel dat door verzoeker voldoende aannemelijk is gemaakt dat hij ten gevolge van zijn detentie, de gestelde kosten heeft moeten maken en dat hij die kosten zonder detentie niet had gehad. Deze kosten zijn voldoende onderbouwd en het totale bedrag van € 6.098,40 zal worden toegewezen.
Conclusie
Gelet op het voorgaande zal aan verzoeker voor geleden materiële schade een vergoeding ter hoogte van € 76.248,13 (€ 1.901,59 + € 561,47 + € 67.686,67 + € 6.098,40) worden toegekend en zal het verzoek voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard.
Besluit
Resumerend zal de rechtbank aan verzoeker op grond van artikel 533 Sv een schadevergoeding ter hoogte van € 139.848,13 (€ 63.600,-. + € 76.248,13) toekennen en verzoeker voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.
Verzoek artikel 530 Sv
Uit de feiten volgt dat de strafzaak tegen verzoeker is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht zodat verzoeker op grond van artikel 530 juncto artikel 534 Sv in beginsel aanspraak kan maken op vergoeding van de te zijnen laste gekomen kosten voor de rechtsbijstand, zulks voor zover daarvoor gronden van billijkheid aanwezig zijn.
a. a) reiskosten
De reiskosten die verzoeker heeft gemaakt ten behoeve van de 10 zittingsdagen komen voor vergoeding in aanmerking. Uitgaande van het tarief in het Besluit tarieven in strafzaken 2003, komt het verzochte bedrag van € 490,- voor toekenning in aanmerking.
b) Schade als gevolg van tijdverzuim
Gevraagd is om toekenning van een vergoeding voor schade als gevolg van tijdverzuim voor 7 zittingsdagen op basis van het bruto salaris dat verzoeker verdiende ten tijde van de zittingsdagen met een totaalbedrag van € 1.303,-
De gestelde schade is aan te merken als schade, die verzoeker werkelijk heeft geleden als gevolg van tijdverzuim door de vervolging en de behandeling van de zaak op de terechtzitting.
Alle omstandigheden in aanmerking genomen worden gronden van billijkheid aanwezig geacht om aan verzoeker voor de schade als gevolg van het tijdverzuim door de behandeling van de zaak op de terechtzitting (7 dagen) een vergoeding toe te kennen, met dien verstande dat niet het bruto, maar het netto (geschat op 2/3) inkomensverlies als werkelijke schade is te beschouwen. De rechtbank wijst de vergoeding voor schade als gevolg van tijdverzuim toe tot een bedrag van (€ 1.303,- * 2/3 =) € 868,67.
c) kosten rechtsbijstand voor opstellen, indienen en behandelen verzoekschriften
Verzocht is om vergoeding van kosten voor het opstellen, indienen en behandelen van de op grond van de artikelen 533 Sv en 530 Sv ingediende verzoekschriften ter hoogte van het bedrag van € 680,-, inclusief BTW plus 5% van de toegekende schadevergoeding, gelet op de complexiteit van het verzoek en de nog te verwachten werkzaamheden om de niet volledig uitgewerkte posten nader uit te werken.
De rechtbank kent, evenals alle andere gerechten in Nederland, de vergoeding voor het indienen en behandelen van een verzoek op grond van artikel 530 Sv toe op grond van de zogenoemde forfaitaire bedragen. Dat daar voor de ene zaak meer tijd mee gemoeid is dan voor een andere, is daarin meegewogen. Van een volledige vergoeding van de kosten voor het indienen en behandelen van het verzoek kan daardoor geen sprake zijn. Alleen in zeer uitzonderlijke gevallen kunnen gronden van billijkheid aanwezig zijn om een hoger forfaitair bedrag toe te kennen. Van zo’n uitzonderlijk geval is naar het oordeel van de rechtbank in deze zaak geen sprake. De rechtbank zal dan ook de forfaitaire vergoeding van € 680,- toewijzen.
Besluit
Resumerend zal de rechtbank aan verzoeker op grond van artikel 530 Sv een totale vergoeding van € 2.038,67 (€ 490,- + € 868,67 + € 680,-) toekennen en verzoeker voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.
6. Beslissing
De rechtbank:
t.a.v. het verzoek op grond van artikel 533 Sv:
kent aan verzoeker uit ’s Rijks kas een vergoeding toe van € 139.848,13 (zegge: honderdnegenendertigduizend achthonderdachtenveertig euro en dertien eurocent);
verklaart verzoeker niet ontvankelijk voor het meer of anders verzochte.
t.a.v. het verzoek op grond van artikel 530 Sv:
kent aan verzoeker uit ’s Rijks kas een vergoeding toe van € 2.038,67 (zegge: tweeduizend achtendertig euro en zevenenzestig eurocent);
verklaart verzoeker niet ontvankelijk voor het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door:
mr. J.L.M. Boek, voorzitter,
mrs. K.Th. van Barneveld en J. van de Klashorst, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. I.C.M.A. Bals, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2024.
Bevelschrift van tenuitvoerlegging
Bij beschikking van deze rechtbank, meervoudige raadkamer, van 10 juni 2024 (RK-nummer: 23-014608) is op de voet van artikel 533 Sv aan
[verzoeker] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,
een vergoeding uit ’s Rijks kas toegekend van € 139.848,13 (zegge: honderdnegenendertigduizend achthonderdachtenveertig euro en dertien eurocent);
Bevolen wordt dat de griffier na het onherroepelijk worden van de beschikking overgaat tot uitbetaling van dit bedrag door overmaking op bankrekeningnummer [rekeningnummer] ten name van Prakken d'Oliveira Human Rights Lawyers Coöperatief U.A., o.v.v. “Mrait + 23-014608, 23-014609”.
Dit bevelschrift is afgegeven op 10 juni 2024 door mr. J.L.M. Boek, voorzitter.
Bevelschrift van tenuitvoerlegging
Bij beschikking van deze rechtbank, meervoudige raadkamer, van 10 juni 2024 (RK-nummer: 23-014609) is op de voet van artikel 530 Sv aan
[verzoeker] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,
een vergoeding uit ’s Rijks kas toegekend van € 2.038,67 (zegge: tweeduizend achtendertig euro en zevenenzestig eurocent).
Bevolen wordt dat de griffier na het onherroepelijk worden van de beschikking overgaat tot uitbetaling van dit bedrag door overmaking op bankrekeningnummer [rekeningnummer] ten name van Prakken d'Oliveira Human Rights Lawyers Coöperatief U.A., o.v.v. “Mrait + 23-014608, 23-014609”.
Dit bevelschrift is afgegeven op 10 juni 2024 door mr. J.L.M. Boek, voorzitter.