Rechtbank Rotterdam
Team straf 2
Parketnummer: 71/174384-21
Raadkamernummers: 23-014632 en 23-014633
Beschikking van de rechtbank Rotterdam, meervoudige raadkamer, op de verzoeken als bedoeld in de artikelen 533 en 530 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) van:
[verzoeker] (verzoeker),
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000,
wonende te ([postcode]) [plaatsnaam], aan de [adres],
raadsvrouw mr. F.A.G.M. Landerloo, advocaat te Maastricht.
1. Procedure
De verzoeken zijn op 9 juni 2023 ingediend.
De verzoeken zijn op 15 april 2024 door de raadkamer in het openbaar behandeld. De officieren van justitie mrs. D. Kardol en G. Sannes (hierna: de officier van justitie), verzoeker en diens raadsman mr. S.J.F. van Merm, advocaat te Maastricht en waarnemend voor mr. Landerloo.
2. Inhoud verzoeken en standpunt officier van justitie
Verzoek artikel 533 Sv
Het verzoek strekt, na wijziging op zitting, ertoe dat aan verzoeker uit ’s Rijks kas wordt toegekend een bedrag van € 109.404,80, bestaande uit:
een bedrag van € 93.540,- als vergoeding voor immateriële schade als gevolg van het voorarrest;
een bedrag van € 15.864,80 als vergoeding voor materiële schade (inclusief de vergoeding voor loonderving).
Gesteld is dat er gronden van billijkheid zijn om een hogere dan de forfaitaire vergoeding toe te kennen voor de geleden immateriële schade. Daartoe is aangevoerd en ter zitting toegelicht dat de aanhouding en detentie een bijzondere impact hebben gehad op verzoeker. Verzoeker zal de gevolgen van de detentie en de strafzaak in het algemeen zijn leven lang in meer of mindere mate ondervinden. De verdenking behelst één van de ernstigste zo niet de ernstigste strafbare feiten die ons Wetboek van Strafrecht kent: het voorbereiden van terroristische misdrijven, terwijl daarvoor geen feitelijke onderbouwing bestond. Ten tijde van zijn aanhouding woonde verzoeker, toen nog 21 jaar, thuis bij zijn ouders. Op de terrorisme afdeling (hierna: TA) van de penitentiaire inrichting, waar verzoeker gedetineerd heeft gezeten, heeft met name het isolement de nodige schade bij verzoeker veroorzaakt. Verzoeker was afgesloten van de buitenwereld, terwijl ook zijn medegevangenen hem buitensloten, maar ook intimideerden en bedreigden, omdat hij werd gezien als een ‘nepterrorist’. Daarnaast is verzoeker heel angstig geweest, omdat deze medegevangenen niet nalieten gruwelijke verhalen met hem te delen over hun daden die tot hun gevangenschap hebben geleid. Dit isolement en deze angst hebben bijna 8 maanden geduurd. Ook zal verzoeker hinder blijven ondervinden bij het reizen naar het buitenland, zolang hij op de lijst met namen van Nederlandse terrorismeverdachten blijft staan en de Nederlandse Staat geen stappen onderneemt om verzoeker van deze lijst te (laten) verwijderen. Al deze ervaringen en omstandigheden hebben als gevolg dat verzoeker behandeling nodig heeft voor zijn PTSS-klachten. Gelet op hetgeen is aangevoerd heeft verzoeker immateriële schade geleden als gevolg van zijn detentie die de verhoging met een factor 3 toewijsbaar maakt.
De officier van justitie heeft ter zitting geconcludeerd tot toewijzing van het verzoek voor zover het de forfaitaire vergoeding voor het ondergane voorarrest beloopt en acht een bedrag van € 31.180,- toewijsbaar. De verzochte vermenigvuldiging dient te worden afgewezen. De aangevoerde omstandigheden zijn niet aan te merken als zeer bijzondere omstandigheden die afwijking van de forfaitaire vergoeding rechtvaardigen. De officier van justitie acht verder dat de gevorderde gederfde inkomsten, hoewel voldoende onderbouwd, eveneens voor rekening van verzoeker dienen te blijven, omdat geen gronden van billijkheid tot vergoeding van de gederfde inkomsten aanwezig zijn gelet op de overwegingen van de rechtbank ten aanzien van de voorlopige hechtenis bij vonnis.
Ter zitting is wel aanleiding gezien om te concluderen tot toewijzing van de gevorderde kosten voor het schoolgeld en de studieboeken en de vordering tot vergoeding voor de psychische schade ter hoogte van € 5.000,-.
Verzoek artikel 530 Sv
Het verzoek strekt, na wijziging op zitting, ertoe dat aan verzoeker uit ’s Rijks kas wordt toegekend een bedrag van € 3.084,11, bestaande uit:
door verzoeker gemaakte reiskosten van € 361,62;
kosten voor rechtsbijstand, gemaakt in verband met het opstellen, indienen en behandelen van de verzoekschriften ter hoogte van het bedrag van € 2.722,49.
De officier van justitie heeft ter zitting geconcludeerd tot toewijzing van het verzoek ten aanzien van de reiskosten van verzoeker en de forfaitaire vergoeding van € 680,- voor het opstellen, indienen en behandelen van beide verzoekschriften. Voor het overige dient het verzoek te worden afgewezen.
3. Feiten
Verzoeker is samen met acht medeverdachten vervolgd (mega Dumfries) op verdenking van medeplegen van voorbereiding van een terroristisch misdrijf en medeplegen van deelname aan een organisatie met een terroristisch oogmerk.
Alle verzoekers zijn in de vroege ochtend van 23 september 2021 door een arrestatieteam van de politie aangehouden. Verzoekers zijn daarbij door politieambtenaren met bivakmutsen thuis in hun slaap van hun bed gelicht en (in sommige gevallen onder schot van geweren) met een doek over hun hoofd meegenomen en zes dagen op het politiebureau in beperkingen vastgehouden. Tijdens de voorlopige hechtenis zijn verzoekers vervolgens geplaatst op een TA waar een streng en zwaar individueel veiligheidsregime met een uitgebreid beveiligingsniveau heerst.
Verzoeker is van 23 september 2021 tot en met 28 september 2021 in verzekering gesteld geweest. Aansluitend heeft hij tot en met 25 mei 2022 in voorlopige hechtenis verbleven. In de periode van 23 september 2021 tot en met 29 september 2021 zijn aan verzoeker beperkingen opgelegd.
Bij vonnis van deze rechtbank, uitgesproken op 14 maart 2023, is verzoeker integraal vrijgesproken van hetgeen hem in de strafzaak ten laste was gelegd. Dit vonnis is op 29 maart 2023 onherroepelijk geworden.
4. Ontvankelijkheid
Ingevolge artikel 533, derde lid Sv respectievelijk artikel 530 juncto 529, tweede lid, Sv dient een op een van deze artikelen gegrond verzoek te worden ingediend binnen drie maanden na de beëindiging van de zaak. De zaak is beëindigd op 29 maart 2023 en de verzoeken zijn ingediend op 8 juni 2023. Nu de verzoeken binnen de wettelijke termijn zijn ingediend, is verzoeker ontvankelijk in de verzoeken.
5. Beoordeling
Verzoek artikel 533 Sv
Vooropstelling
Vooropgesteld wordt dat de rechtbank ingevolge artikel 533 Sv op verzoek van de gewezen verdachte - indien de zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel - hem een vergoeding kan toekennen voor de schade welke hij ten gevolge van ondergane verzekering, klinische observatie of voorlopige hechtenis heeft geleden; die basis is aanmerkelijk smaller dan (schade ontstaan door) de strafrechtelijke vervolging als zodanig. Uit het voorgaande volgt dat alleen die schade voor vergoeding in aanmerking komt die een direct gevolg is van de voorlopige hechtenis. Vergoeding van toekomstige schade valt buiten het bereik van de regeling.
De vergoeding vindt plaats na rechtmatig overheidsoptreden. De aanspraak bestaat, ongeacht het antwoord op de vraag of de verdenking of ernstige bezwaren achteraf ongegrond zijn gebleken. Er kan, met andere woorden, geen sprake zijn van een soort “rest verdenking” die tot afwijzing van het verzoek zou moeten leiden.
De schade kan zijn materiële schade of immateriële schade. De laatste vorm van schade wordt na voorarrest verondersteld aanwezig te zijn, waarbij de omvang wordt bepaald aan de hand van een forfaitair bedrag per dag ondergane voorarrest, dat onder zeer bijzondere omstandigheden kan worden verhoogd. De verzoeker dient de hoogte van de gevorderde materiële schade te onderbouwen.
De officier van justitie heeft ten aanzien van de kosten als gevolg van de gederfde inkomsten tot afwijzing geconcludeerd en daarbij verwezen naar de overweging van de rechtbank in het vonnis over de voorlopige hechtenis. De overweging van de rechtbank in het vonnis behelst echter slechts dat er steeds ernstige bezwaren zijn geweest en dat er sprake is geweest van een verdenking die noopte tot strafrechtelijk onderzoek. Dat onderbouwt slechts de rechtmatigheid van het overheidsoptreden en juist daarvoor is de onderhavige regeling van schadevergoeding in het leven geroepen.
De toekenning van een vergoeding heeft ingevolge artikel 534 Sv verder plaats indien hiervoor naar het oordeel van de rechtbank, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.
Uit de feiten volgt dat de strafzaak tegen verzoeker is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel. Gebleken is dat er ten tijde van de toepassing van de inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis voldoende verdenking tegen verzoeker was om die dwangmiddelen te rechtvaardigen.
Alle omstandigheden in aanmerking genomen worden gronden van billijkheid aanwezig geacht om aan verzoeker een vergoeding voor materiele en immateriële schade als gevolg van het voorarrest toe te kennen. De volgende vraag is wat de hoogte van de compensatie moet zijn.
a. a) vergoeding voor immateriële schade als gevolg van het voorarrest
Op basis van de tarieven, zoals die door het LOVS worden voorgestaan voor voorarrest dat is ondergaan op of na 1 maart 2021, heeft verzoeker recht op de volgende vergoedingen:
verblijf in een politiecel
6 dgn x € 130,-
€ 780,-
verblijf op de (TA) van een huis van bewaring
239 dgn x € 130,-
€ 31.070,-
beperkingen
7 dgn x € 30,-
€ 210,-
totaal
€ 32.060,-
Deze forfaitaire vergoeding voor het ondergane voorarrest biedt compensatie voor de immateriële schade die men daarvoor in het algemeen pleegt te lijden. Voor toekenning van een hogere vergoeding van immateriële schade is, als gezegd, plaats indien sprake is van zeer bijzondere omstandigheden die meebrengen dat de vrijheidsbeneming voor verzoeker als gewezen verdachte grotere gevolgen heeft gehad dan voor andere verdachten die ter zake van gelijkluidende verdenkingen preventief worden gehecht. In de beoordeling van deze billijkheid dienen alle omstandigheden van het geval betrokken te worden, waaronder de ernst van het feit waarvan verzoeker werd verdacht, de aanhouding, extra belastende ervaringen tijdens detentie, media-aandacht en concrete gevolgen voor het persoonlijke leven.
De rechtbank acht het zeer aannemelijk dat het voorarrest voor verzoeker bijzonder ingrijpend is geweest en dat hij daarvan naar verhouding (nog steeds) bovengemiddelde nadelige gevolgen ondervindt.
Ten aanzien van de nadelige gevolgen voor verzoeker in het bijzonder is daarbij meegenomen dat uit de stukken is gebleken dat het regime van de terroristenafdeling - waar verzoeker als jonge man zonder eerder politie- of justitiecontact vaak in eenzaamheid zat opgesloten - ernstige psychische schade heeft toegebracht, waarvoor hij ook onder behandeling is geweest. Voorts ondervindt verzoeker ook na detentie nadelige gevolgen daarvan. De Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG)-aanvragen van verzoeker worden, ondanks de vrijspraak en zijn blanco strafblad, nog steeds afgewezen. Gronden van billijkheid brengen daarom mee dat de som van de door het LOVS voorgestane dagvergoedingen met een factor 2 moeten worden vermenigvuldigd.
Gelet op het voorgaande zal aan verzoeker voor immateriële schade als gevolg van het voorarrest een vergoeding ter hoogte van € 64.120,- worden toegekend en zal het verzoek voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard.
b) vergoeding voor materiële schade als gevolg van het voorarrest
Gevraagd is om toekenning van een vergoeding voor
Studiekosten € 665,68
Gederfde inkomsten € 15.864,80
Studiekosten
Verzoeker heeft gedurende de onderhavige hechtenis geen onderwijs kunnen volgen, terwijl hij hiervoor wel schoolgeld aan de Hogeschool Nijmegen heeft betaald. Het schoolgeld bedroeg in 2021 en 2022 per maand € 54,20. Over de periode oktober 2021 t/m mei 2022 vordert verzoeker een vergoeding ter hoogte van € 433,60. Verzoeker heeft voor het schooljaar 2021/2022 ook schoolboeken aangeschaft, die hij niet meer kan gebruiken. Verzoeker verzoekt voor de schoolboeken een vergoeding ter hoogte van € 232,08.
De rechtbank begrijpt de stellingen van verzoeker aldus dat hij vergoeding van deze kosten vordert omdat de kosten door de voorlopige hechtenis zonder nut zijn gemaakt. Dat is vermogensschade zoals bedoeld in art. 6:95 van het Burgerlijk Wetboek die aan de Staat kan worden toegerekend. De waarde van het gemiste voordeel wordt gesteld op de voor het verkrijgen daarvan gedane uitgaven. De gevorderde bedragen zijn voldoende onderbouwd en komen dus voor vergoeding in aanmerking.
Gederfde inkomsten
Gevraagd is om toekenning van een vergoeding voor gederfde inkomsten over de periode dat verzoeker gedetineerd heeft gezeten, te weten van 23 september 2021 tot en met 25 mei 2022. Op basis van het laatste netto(week)salaris voorafgaande aan zijn aanhouding (€ 453,28) vordert verzoeker voor gederfde inkomen als gevolg van de ondergane detentie een totaalbedrag van € 15.864,80.
De rechtbank is van oordeel dat voldoende is gebleken dat verzoeker schade heeft geleden wegens gederfde inkomsten. Deze schade is tot een bedrag van € 15.864,80 voldoende onderbouwd en de rechtbank wijst daarom op gronden van billijkheid het totaal aan verzochte gederfde inkomsten toe.
Conclusie
Gelet op het voorgaande zal aan verzoeker voor geleden materiële schade een vergoeding ter hoogte van € 16.530,48 (€ 15.864,80 + € 665,68) worden toegekend en zal het verzoek voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard.
Besluit
Resumerend zal de rechtbank aan verzoeker op grond van artikel 533 Sv een schadevergoeding ter hoogte van € 80.650,48 (€ 64.120,- + € 16.530,48) toekennen en verzoeker voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.
Verzoek artikel 530 Sv
Uit de feiten volgt dat de strafzaak tegen verzoeker is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, zodat de verzoeker op grond van artikel 530 juncto artikel 534 Sv aanspraak kan maken op vergoeding van de te zijnen laste gekomen kosten voor de rechtsbijstand, zulks voor zover daarvoor gronden van billijkheid aanwezig zijn.
a. a) reiskosten
De reiskosten die verzoeker heeft gemaakt ten behoeve van de zeven zittingsdagen komen voor vergoeding in aanmerking. Uitgaande van het tarief in het Besluit tarieven in strafzaken 2003, komt het verzochte bedrag van € 361,62 voor toekenning in aanmerking.
b) kosten rechtsbijstand voor opstellen, indienen en behandelen verzoekschriften
Verzocht is om vergoeding van kosten voor het opstellen, indienen en behandelen van de op grond van de artikelen 533 Sv en 530 Sv ingediende verzoekschriften ter hoogte van het bedrag van € 2.722,49 gelet op de complexiteit van het verzoek.
De rechtbank kent, evenals alle andere gerechten in Nederland, de vergoeding voor het indienen en behandelen van een verzoek op grond van artikel 530 Sv toe op grond van de zogenoemde forfaitaire bedragen. Dat daar voor de ene zaak meer tijd mee gemoeid is dan voor een andere, is daarin meegewogen. Van een volledige vergoeding van de kosten voor het indienen en behandelen van het verzoek kan daardoor geen sprake zijn. Alleen in zeer uitzonderlijke gevallen kunnen gronden van billijkheid aanwezig zijn om een hoger forfaitair bedrag toe te kennen. Van zo’n uitzonderlijk geval is naar het oordeel van de rechtbank in deze zaak geen sprake. De rechtbank zal dan ook de forfaitaire vergoeding van € 680,- toewijzen.
Besluit
Resumerend zal de rechtbank aan verzoeker op grond van artikel 530 Sv een totale vergoeding van € 1.041,62 (€ 361,62 + € 680,-) toekennen en verzoeker voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.
6. Beslissing
De rechtbank:
t.a.v. het verzoek op grond van artikel 533 Sv:
kent aan verzoeker uit ’s Rijks kas een vergoeding toe van € 80.650,48 (zegge: tachtigduizend zeshonderdenvijftig euro en achtenveertig eurocent);
verklaart verzoeker niet ontvankelijk voor het meer of anders verzochte.
t.a.v. het verzoek op grond van artikel 530 Sv:
kent aan verzoeker uit ’s Rijks kas een vergoeding toe van € 1.041,62 (zegge: duizend éénenveertig euro en tweeënzestig eurocent);
verklaart verzoeker niet ontvankelijk voor het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door:
mr. J.L.M. Boek, voorzitter,
mrs. K.Th. van Barneveld en J. van de Klashorst, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. I.C.M.A. Bals, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2024.
Bevelschrift van tenuitvoerlegging
Bij beschikking van deze rechtbank, meervoudige raadkamer, van 10 juni 2024 (RK-nummer: 23-014632) is op de voet van artikel 533 Sv aan
[verzoeker] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000,
kent aan verzoeker uit ’s Rijks kas een vergoeding toe van € 80.650,48 (zegge: tachtigduizend zeshonderdenvijftig euro en achtenveertig eurocent);
Bevolen wordt dat de griffier na het onherroepelijk worden van de beschikking overgaat tot uitbetaling van dit bedrag door overmaking op bankrekeningnummer [rekeningnummer] ten name van Stichting Beheer Derdengelden Weening Strafrechtadvocaten, o.v.v. “[verzoeker]”.
Dit bevelschrift is afgegeven op 10 juni 2024 door mr. J.L.M. Boek, voorzitter.
Bevelschrift van tenuitvoerlegging
Bij beschikking van deze rechtbank, meervoudige raadkamer, van 10 juni 2024 (RK-nummer: 23-014633) is op de voet van artikel 530 Sv aan
[verzoeker] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000,
een vergoeding uit ’s Rijks kas toegekend van
kent aan verzoeker uit ’s Rijks kas een vergoeding toe van € 1.041,62 (zegge: duizend éénenveertig euro en tweeënzestig eurocent);
Bevolen wordt dat de griffier na het onherroepelijk worden van de beschikking overgaat tot uitbetaling van dit bedrag door overmaking op bankrekeningnummer [rekeningnummer] ten name van Stichting Beheer Derdengelden Weening Strafrechtadvocaten, o.v.v. “[verzoeker]”.
Dit bevelschrift is afgegeven op 10 juni 2024 door mr. J.L.M. Boek, voorzitter.