Rechtbank Rotterdam
Team straf 2
Parketnummer: 71/192341-21
Raadkamernummers: 23-015861 en 23-015862
Beschikking van de rechtbank Rotterdam, meervoudige raadkamer, op de verzoeken als bedoeld in de artikelen 533 en 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoeker] (verzoeker),
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2003,
voor deze zaak domicilie kiezende op het adres van zijn raadsman mr. A. Boumanjal, advocaat te [adres].
1. Procedure
De verzoeken zijn op 23 juni 2023 ingediend en op 15 januari 2024 aangevuld.
De verzoeken zijn op 15 april 2024 door de raadkamer in het openbaar behandeld. De officieren van justitie mrs. D. Kardol en G. Sannes (hierna: de officier van justitie), verzoeker en diens advocaat zijn gehoord.
2. Inhoud verzoeken en standpunt officier van justitie
Verzoek artikel 533 Sv
Het verzoek strekt ertoe dat aan verzoeker uit ’s Rijks kas wordt toegekend een bedrag van € 42.465,- bestaande uit:
een bedrag van € 19.740,- als vergoeding voor immateriële schade als gevolg van het voorarrest;
een bedrag van € 22.725,- als vergoeding voor materiële schade als gevolg van het voorarrest.
Gesteld is dat er gronden van billijkheid zijn om een hogere dan de forfaitaire vergoeding toe te kennen voor de geleden immateriële schade. Daartoe is aangevoerd en ter zitting toegelicht dat de aanhouding en detentie een bijzondere impact hebben gehad op verzoeker. Verzoeker zal de gevolgen van de detentie en de strafzaak in het algemeen zijn leven lang in meer of mindere mate ondervinden. De verdenking behelst één van de ernstigste zo niet de ernstigste strafbare feiten die ons Wetboek van Strafrecht kent: terroristische misdrijven. Verzoeker was ten tijde van zijn aanhouding net achttien jaar geworden, woonde nog thuis bij zijn ouders en was zojuist begonnen aan zijn studie aan de Technische Universiteit van Eindhoven. Hoewel verzoeker niet langer minderjarig was, was het jeugdrecht nog wel op hem van toepassing en hadden de waarborgen van artikel 3 van het Europese Verdrag van de Rechten van de Mens alsmede artikel 3 van het VN Kinderverdrag moeten worden toegepast. In plaats daarvan is verzoeker met buitensporige maatregelen aangehouden door het arrestatieteam van politie en is hij geplaatst op een terrorisme afdeling (hierna: TA) voor volwassenen. Beide hebben een traumatische indruk op verzoeker gemaakt. Verzoeker was afgesloten van de buitenwereld en zijn ouders in het bijzonder, terwijl hij door zijn medegevangenen werd geïntimideerd. Verzoeker heeft tijdens en na afloop van detentie extreme angsten gevoeld als gevolg van deze ervaringen die tot gevolg hebben gehad dat verzoeker hulp heeft moeten zoeken voor zijn PTSS-klachten en dientengevolge zijn studie heeft moeten onderbreken. Gelet op hetgeen is aangevoerd heeft verzoeker immateriële schade geleden als gevolg van zijn detentie die de verhoging met een factor 3 toewijsbaar maakt.
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van het verzoek voor zover het de forfaitaire vergoeding voor het ondergane voorarrest beloopt en acht een bedrag van € 6.480,- toewijsbaar. De verzochte vermenigvuldiging dient te worden afgewezen. De aangevoerde omstandigheden zijn niet aan te merken als zeer bijzondere omstandigheden die afwijking van de forfaitaire vergoeding rechtvaardigen. Voorts heeft de officier van justitie ter zitting aanleiding gezien om te concluderen tot, hoewel niet verzocht, toewijzing van een vergoeding voor de psychische schade ter hoogte van € 5.000,-. Ook de materiële schade in de vorm van studievertraging komt voor toewijzing in aanmerking.
Verzoek artikel 530 Sv
Het verzoek strekt, na wijziging ter zitting, ertoe dat aan verzoeker uit ’s Rijks kas wordt toegekend een bedrag van € 4.719,-, bestaande uit kosten voor rechtsbijstand, gemaakt in verband met het opstellen, indienen en behandelen van de verzoekschriften.
De officier van justitie heeft zich ter zitting gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3. Feiten
Verzoeker is samen met acht medeverdachten vervolgd (mega Dumfries) op verdenking van medeplegen van voorbereiding van een terroristisch misdrijf en medeplegen van deelname aan een organisatie met een terroristisch oogmerk.
Alle verzoekers zijn in de vroege ochtend van 23 september 2021 door een arrestatieteam van de politie aangehouden. Verzoekers zijn daarbij door politieambtenaren met bivakmutsen thuis in hun slaap van hun bed gelicht en (in sommige gevallen onder schot van geweren) met een doek over hun hoofd meegenomen en zes dagen op het politiebureau in beperkingen vastgehouden. Tijdens de voorlopige hechtenis zijn verzoekers vervolgens geplaatst op een TA waar een streng en zwaar individueel veiligheidsregime met een uitgebreid beveiligingsniveau heerst.
Verzoeker is van 23 september 2021 tot en met 28 september 2021 in verzekering gesteld geweest. Aansluitend heeft hij tot en met 10 november 2021 in voorlopige hechtenis verbleven. In de periode van 23 september 2021 tot en met 29 september 2021 zijn aan verzoeker beperkingen opgelegd.
Bij vonnis van deze rechtbank, uitgesproken op 14 maart 2023, is verzoeker integraal vrijgesproken van hetgeen hem in de strafzaak ten laste was gelegd. Dit vonnis is op 29 maart 2023 onherroepelijk geworden.
4. Ontvankelijkheid
Ingevolge artikel 533, derde lid Sv respectievelijk artikel 530 juncto 529, tweede lid, Sv dient een op een van deze artikelen gegrond verzoek te worden ingediend binnen drie maanden na de beëindiging van de zaak. De zaak is beëindigd op 29 maart 2023 en de verzoeken zijn ingediend op 23 juni 2023. Nu de verzoeken binnen de wettelijke termijn zijn ingediend, is verzoeker ontvankelijk in de verzoeken.
5. Beoordeling
Verzoek artikel 533 Sv
Vooropgesteld wordt dat de rechtbank ingevolge artikel 533 Sv op verzoek van de gewezen verdachte - indien de zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel - hem een vergoeding kan toekennen voor de schade welke hij ten gevolge van ondergane verzekering, klinische observatie of voorlopige hechtenis heeft geleden; die basis is aanmerkelijk smaller dan (schade ontstaan door) de strafrechtelijke vervolging als zodanig. Uit het voorgaande volgt dat alleen die schade voor vergoeding in aanmerking komt die een direct gevolg is van de voorlopige hechtenis. Vergoeding van toekomstige schade valt buiten het bereik van de regeling.
De vergoeding vindt plaats na rechtmatig overheidsoptreden. De aanspraak bestaat, ongeacht het antwoord op de vraag of de verdenking of ernstige bezwaren achteraf ongegrond zijn gebleken. Er kan, met andere woorden, geen sprake zijn van een soort “rest verdenking” die tot afwijzing van het verzoek zou moeten leiden.
De schade kan zijn materiële schade of immateriële schade. De laatste vorm van schade wordt na voorarrest verondersteld aanwezig te zijn, waarbij de omvang wordt bepaald aan de hand van een forfaitair bedrag per dag ondergane voorarrest, dat onder zeer bijzondere omstandigheden kan worden verhoogd. De verzoeker dient de hoogte van de gevorderde materiële schade te onderbouwen.
De toekenning van een vergoeding heeft ingevolge artikel 534 Sv verder plaats indien hiervoor naar het oordeel van de rechtbank, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.
Uit de feiten volgt dat de strafzaak tegen verzoeker is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel. Gebleken is dat er ten tijde van de toepassing van de inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis voldoende verdenking tegen verzoeker was om die dwangmiddelen te rechtvaardigen.
Alle omstandigheden in aanmerking genomen worden gronden van billijkheid aanwezig geacht om aan verzoeker een vergoeding voor materiele en immateriële schade als gevolg van het voorarrest toe te kennen. De volgende vraag is wat de hoogte van de compensatie moet zijn.
a. a) vergoeding voor immateriële schade als gevolg van het voorarrest
Op basis van de tarieven, zoals die door het LOVS worden voorgestaan voor voorarrest dat is ondergaan op of na 1 maart 2021, heeft verzoeker recht op de volgende vergoedingen:
verblijf in een politiecel
6 dgn x € 130,-
€ 780,-
verblijf op de TA van een huis van bewaring
43 dgn x € 130,-
€ 5.590,-
beperkingen
7 dgn x € 30,-
€ 210,-
totaal
€ 6.580,-
Deze forfaitaire vergoeding voor het ondergane voorarrest biedt compensatie voor de immateriële schade die men daarvoor in het algemeen pleegt te lijden. Voor toekenning van een hogere vergoeding van immateriële schade is, als gezegd, plaats indien sprake is van zeer bijzondere omstandigheden die meebrengen dat de vrijheidsbeneming voor verzoeker als gewezen verdachte grotere gevolgen heeft gehad dan voor andere verdachten die ter zake van gelijkluidende verdenkingen preventief worden gehecht. In de beoordeling van deze billijkheid dienen alle omstandigheden van het geval betrokken te worden, waaronder de ernst van het feit waarvan verzoeker werd verdacht, de aanhouding, extra belastende ervaringen tijdens detentie, media-aandacht en concrete gevolgen voor het persoonlijke leven.
De rechtbank acht het zeer aannemelijk dat het voorarrest voor verzoeker bijzonder ingrijpend is geweest en dat hij daarvan naar verhouding (nog steeds) bovengemiddelde nadelige gevolgen ondervindt.
Ten aanzien van verzoeker in het bijzonder is daarbij meegenomen dat verzoeker net achttien jaar was geworden en is aangehouden door het arrestatieteam van politie, afgesloten van contact met zijn ouders en familie is geweest en op een TA is geplaatst voor volwassenen (met een individueel veiligheidsregime en uitgebreid beveiligingsniveau) op verdenking van terroristische misdrijven. Verzoeker heeft als gevolg van zijn aanhouding en plaatsing op een TA angsten doorgemaakt, terwijl hij zich geïsoleerd in zijn cel bevond. Op zitting heeft verzoeker ter aanvulling verklaard dat hij heel angstig is geweest, omdat zijn medegevangenen niet nalieten gruwelijke verhalen en foto’s met hem te delen over hun daden die tot gevangenschap hebben geleid. De emoties die dit hebben opgeroepen, kon verzoeker ook niet kwijt. Om zijn veiligheid binnen detentie te vergroten heeft hij met zijn medegevangenen die geweld vanuit een extremistisch denkkader legitimeren meegepraat of is er niet tegenin gegaan. Dit rollenspel leverde zorgen op dat aan zijn onschuld zou kunnen worden getwijfeld. Verzoeker heeft als gevolg van deze feiten en omstandigheden mentale klachten opgelopen en heeft hiervoor deskundige hulp moeten zoeken.
Gronden van billijkheid brengen daarom mee dat de som van de door het LOVS voorgestane dagvergoedingen, als verzocht, met een factor 3 moeten worden vermenigvuldigd. Dit leidt tot een totaalbedrag van € 19.740,-.
b) vergoeding voor materiele schade als gevolg van het voorarrest
Gevraagd is om toekenning van een vergoeding voor studievertraging voor het studiejaar 2021/2022 ter hoogte van het normbedrag € 22.725,-. Verzoeker kon zijn bachelor studie Data Science aan de Technische Universiteit Eindhoven, waar hij stond ingeschreven, niet vervolgen ten gevolge van de detentie. Na detentie heeft verzoeker getracht zijn studie op te pakken, maar door zijn psychische klachten (lees: PTSS) als gevolg van het voorarrest, heeft hij zijn studie met een jaar moeten uit te stellen.
De rechtbank is van oordeel dat verzoeker de verzochte vergoeding voor de opgelopen schade door de studievertraging een rechtstreeks gevolg is van de ondergane detentie. Deze kosten zijn voldoende onderbouwd. Het normbedrag voor studievertraging voor het studiejaar 2021/2022 conform De Letselschade Richtlijn Studievertraging van de Letselschade Raad bedraagt € 22.475,-. Het verzoek zal daarom tot dit bedrag worden toegewezen.
Besluit
Resumerend zal de rechtbank aan verzoeker op grond van artikel 533 Sv een schadevergoeding ter hoogte van € 42.215,- (€ 19.740,- + € 22.475,-) toekennen en verzoeker voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.
Verzoek artikel 530 Sv
Uit de feiten volgt dat de strafzaak tegen verzoeker is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, zodat verzoeker op grond van artikel 530 juncto artikel 534 Sv in beginsel aanspraak kan maken op vergoeding van de te zijnen laste gekomen kosten voor de rechtsbijstand, zulks voor zover daarvoor gronden van billijkheid aanwezig zijn.
Verzocht is om vergoeding van kosten voor het opstellen, indienen en behandelen van de op grond van de artikelen 533 Sv en 530 Sv ingediende verzoekschriften ter hoogte van het bedrag van € 4.719,-, gelet op de complexiteit van het verzoek.
De rechtbank kent, evenals alle andere gerechten in Nederland, de vergoeding voor het indienen en behandelen van een verzoek op grond van artikel 530 Sv toe op grond van de zogenoemde forfaitaire bedragen. Dat daar voor de ene zaak meer tijd mee gemoeid is dan voor een andere, is daarin meegewogen. Van een volledige vergoeding van de kosten voor het indienen en behandelen van het verzoek kan daardoor geen sprake zijn. Alleen in zeer uitzonderlijke gevallen kunnen gronden van billijkheid aanwezig zijn om een hoger forfaitair bedrag toe te kennen. Van zo’n uitzonderlijk geval is naar het oordeel van de rechtbank in deze zaak geen sprake. De rechtbank zal dan ook de forfaitaire vergoeding van toewijzen.
De rechtbank zal aan verzoeker op grond van artikel 530 Sv een totale vergoeding van € 680,- toekennen en verzoeker voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.
6. Beslissing
De rechtbank:
t.a.v. het verzoek op grond van artikel 533 Sv:
kent aan verzoeker uit ’s Rijks kas een vergoeding toe van € 42.215,- (zegge: tweeënveertigduizend tweehonderdenvijftien euro);
verklaart verzoeker niet ontvankelijk voor het meer of anders verzochte.
t.a.v. het verzoek op grond van artikel 530 Sv:
kent aan verzoeker uit ’s Rijks kas een vergoeding toe van € 680,- (zegge: zeshonderdtachtig euro);
verklaart verzoeker niet ontvankelijk voor het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door:
mr. J.L.M. Boek, voorzitter,
mrs. K.Th. van Barneveld en J. van de Klashorst, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. I.C.M.A. Bals, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2024.
Bevelschrift van tenuitvoerlegging
Bij beschikking van deze rechtbank, meervoudige raadkamer, van 10 juni 2024 (RK-nummer: 23-015861) is op de voet van artikel 533 Sv aan
[verzoeker] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2003,
een vergoeding uit ’s Rijks kas toegekend van € 42.215,- (zegge: tweeënveertigduizend tweehonderdenvijftien euro).
Bevolen wordt dat de griffier na het onherroepelijk worden van de beschikking overgaat tot uitbetaling van dit bedrag door overmaking op bankrekeningnummer [rekeningnummer] ten name van Stichting Derdengelden Boumanjal & Vingerling Advocaten, o.v.v. “dossiernummer 2021.0798 AB”.
Dit bevelschrift is afgegeven op 10 juni 2024 door mr. J.L.M. Boek, voorzitter.
Bevelschrift van tenuitvoerlegging
Bij beschikking van deze rechtbank, meervoudige raadkamer, van 10 juni 2024 (RK-nummer: 23-015862) is op de voet van artikel 530 Sv aan
[verzoeker],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2003,
een vergoeding uit ’s Rijks kas toegekend van € 680,- (zegge: zeshonderdtachtig euro).
Bevolen wordt dat de griffier na het onherroepelijk worden van de beschikking overgaat tot uitbetaling van dit bedrag door overmaking op bankrekeningnummer [rekeningnummer] ten name van Stichting Derdengelden Boumanjal & Vingerling Advocaten, o.v.v. “dossiernummer 2021.0798 AB”.
Dit bevelschrift is afgegeven op 10 juni 2024 door mr. J.L.M. Boek, voorzitter.