Rechtbank Rotterdam
Team straf 2
Parketnummer: 71/192332-21
Raadkamernummers: 23-014697 en 23-014698
Beschikking van de rechtbank Rotterdam, meervoudige raadkamer, op de verzoeken als bedoeld in de artikelen 533 en 530 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) van:
[verzoeker] (verzoeker),
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,
wonende te ([postcode]) [plaatsnaam], aan de [adres],
raadsman mr. S. Weening, advocaat te Maastricht.
1. Procedure
De verzoeken zijn op 8 juni 2023 ingediend.
De verzoeken zijn op 15 april 2024 door de raadkamer in het openbaar behandeld. De officieren van justitie mrs. D. Kardol en G. Sannes (hierna: de officier van justitie), verzoeker en diens raadsman mr. S.J.F. van Merm, advocaat te Maastricht en waarnemend voor mr. Weening.
2. Inhoud verzoeken en standpunt officier van justitie
Verzoek artikel 533 Sv
Het verzoek strekt ertoe dat aan verzoeker uit ’s Rijks kas wordt toegekend een bedrag van € 132.616,51 bestaande uit:
een bedrag van € 95.550,- als vergoeding voor immateriële schade als gevolg van het voorarrest;
een bedrag van € 10.100,- als vergoeding voor immateriële schade als gevolg van de voorwaarden bij de schorsing van de voorlopige hechtenis;
een bedrag van € 26.966,51 als vergoeding voor materiële schade, te weten de vergoeding voor loonderving en de kosten voor behandeling van PTSS.
Gesteld is dat er gronden van billijkheid zijn om een hogere dan de forfaitaire vergoeding toe te kennen voor de geleden immateriële schade. Daartoe is aangevoerd en ter zitting toegelicht dat de aanhouding en detentie een bijzondere impact hebben gehad op verzoeker. Verzoeker zal de gevolgen van de detentie en de strafzaak in het algemeen zijn leven lang in meer of mindere mate ondervinden. De verdenking behelst één van de ernstigste zo niet de ernstigste strafbare feiten die ons Wetboek van Strafrecht kent: het voorbereiden van terroristische misdrijven, terwijl daarvoor geen feitelijke onderbouwing bestond. Ten tijde van zijn aanhouding was zijn vriendin zwanger, maar verzoeker mocht gedurende de eerste dagen van detentie geen contact met haar opnemen, terwijl hij zich zorgen maakte over haar welzijn na de traumatische inval van het arrestatieteam in hun woning. Door detentie heeft verzoeker een sollicitatie moeten afbreken, maar ook na detentie is verzoeker meerdere banen misgelopen door de blijvende afwijzing van een voor zijn beoogde baan benodigde Verklaring Omtrent het Gedrag (hierna: VOG), ondanks de vrijspraak van verzoeker. Ook zal verzoeker hinder blijven ondervinden bij het reizen naar het buitenland, zolang hij op de lijst met namen van Nederlandse terrorismeverdachten blijft staan en de Nederlandse Staat geen stappen onderneemt om verzoeker van deze lijst te (laten) verwijderen. Al deze ervaringen en omstandigheden hebben als gevolg dat verzoeker behandeling nodig heeft voor zijn PTSS-klachten. Deze klachten worden versterkt door het schuldgevoel van verzoeker naar zijn jongere broertje. Verzoeker nam hem soms mee als hij had afgesproken met zijn vrienden, de eveneens ook vrijgesproken medeverdachten in deze strafzaak. Gelet op hetgeen aangevoerd heeft verzoeker immateriële schade geleden als gevolg van zijn detentie die de verhoging met een factor 3 toewijsbaar maakt.
De officier van justitie heeft ter zitting geconcludeerd tot toewijzing van het verzoek voor zover het de forfaitaire vergoeding voor het ondergane voorarrest beloopt en acht een bedrag van € 31.180,- toewijsbaar. De verzochte vermenigvuldiging dient te worden afgewezen. De aangevoerde omstandigheden zijn niet aan te merken als zeer bijzondere omstandigheden die afwijking van de forfaitaire vergoeding rechtvaardigen. De schorsingsvoorwaarden hebben de vrijheid van verzoeker beperkt, maar de vrijheidsbeperking was niet dusdanig dat feitelijk gesproken moet worden van vrijheidsontneming. Ook deze kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking. De officier van justitie acht verder dat de gevorderde gederfde inkomsten eveneens voor rekening van verzoeker dienen te blijven, omdat deze kosten niet zijn aan te merken als kosten die verzoeker ten gevolge van de ondergane voorlopige hechtenis heeft geleden.
Ter zitting is wel aanleiding gezien om te concluderen tot toewijzing van de vordering tot vergoeding voor de psychische schade ter hoogte van € 5.000,-.
Verzoek artikel 530 Sv
Het verzoek strekt ertoe dat aan verzoeker uit ’s Rijks kas wordt toegekend een bedrag van€ 5.133,80, bestaande uit:
door verzoeker gemaakte reiskosten van € 898,80,-
kosten voor rechtsbijstand, gemaakt in verband met het opstellen, indienen en behandelen van de verzoekschriften ter hoogte van het bedrag van € 4.235,-.
De officier van justitie heeft ter zitting geconcludeerd tot toewijzing van het gehele verzoek. Zowel de reiskosten en de kosten voor rechtsbijstand zijn voldoende onderbouwd.
3. Feiten
Verzoeker is samen met acht medeverdachten vervolgd (mega Dumfries) op verdenking van medeplegen van voorbereiding van een terroristisch misdrijf en medeplegen van deelname aan een organisatie met een terroristisch oogmerk.
Alle verzoekers zijn in de vroege ochtend van 23 september 2021 door een arrestatieteam van de politie aangehouden. Verzoekers zijn daarbij door politieambtenaren met bivakmutsen thuis in hun slaap van hun bed gelicht en (in sommige gevallen onder schot van geweren) met een doek over hun hoofd meegenomen en zes dagen op het politiebureau in beperkingen vastgehouden. Tijdens de voorlopige hechtenis zijn verzoekers vervolgens geplaatst op een terrorisme afdeling (hierna: TA) waar een streng en zwaar individueel veiligheidsregime met een uitgebreid beveiligingsniveau heerst.
Verzoeker is van 23 september 2021 tot en met 28 september 2021 in verzekering gesteld geweest. Aansluitend heeft hij tot en met 25 mei 2022 in voorlopige hechtenis verbleven. In de periode van 23 september 2021 tot en met 29 september 2021 zijn aan verzoeker beperkingen opgelegd.
Bij vonnis van deze rechtbank, uitgesproken op 14 maart 2023, is verzoeker integraal vrijgesproken van hetgeen hem in de strafzaak ten laste was gelegd. Dit vonnis is op 29 maart 2023 onherroepelijk geworden.
4. Ontvankelijkheid
Ingevolge artikel 533, derde lid Sv respectievelijk artikel 530 juncto 529, tweede lid, Sv dient een op een van deze artikelen gegrond verzoek te worden ingediend binnen drie maanden na de beëindiging van de zaak. De zaak is beëindigd op 29 maart 2023 en de verzoeken zijn ingediend op 8 juni 2023. Nu de verzoeken binnen de wettelijke termijn zijn ingediend, is verzoeker ontvankelijk in de verzoeken.
5. Beoordeling
Verzoek artikel 533 Sv
Vooropstelling
Vooropgesteld wordt dat de rechtbank ingevolge artikel 533 Sv op verzoek van de gewezen verdachte - indien de zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel - hem een vergoeding kan toekennen voor de schade welke hij ten gevolge van ondergane verzekering, klinische observatie of voorlopige hechtenis heeft geleden; die basis is aanmerkelijk smaller dan (schade ontstaan door) de strafrechtelijke vervolging als zodanig. Uit het voorgaande volgt dat alleen die schade voor vergoeding in aanmerking komt die een direct gevolg is van de voorlopige hechtenis. Vergoeding van toekomstige schade valt buiten het bereik van de regeling.
De vergoeding vindt plaats na rechtmatig overheidsoptreden. De aanspraak bestaat, ongeacht het antwoord op de vraag of de verdenking of ernstige bezwaren achteraf ongegrond zijn gebleken. Er kan, met andere woorden, geen sprake zijn van een soort “rest verdenking” die tot afwijzing van het verzoek zou moeten leiden.
De schade kan zijn materiële schade of immateriële schade. De laatste vorm van schade wordt na voorarrest verondersteld aanwezig te zijn, waarbij de omvang wordt bepaald aan de hand van een forfaitair bedrag per dag ondergane voorarrest, dat onder zeer bijzondere omstandigheden kan worden verhoogd. De verzoeker dient de hoogte van de gevorderde materiële schade te onderbouwen.
De toekenning van een vergoeding heeft ingevolge artikel 534 Sv verder plaats indien hiervoor naar het oordeel van de rechtbank, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.
Uit de feiten volgt dat de strafzaak tegen verzoeker is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel. Gebleken is dat er ten tijde van de toepassing van de inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis voldoende verdenking tegen verzoeker was om die dwangmiddelen te rechtvaardigen.
Alle omstandigheden in aanmerking genomen worden gronden van billijkheid aanwezig geacht om aan verzoeker een vergoeding voor materiele en immateriële schade als gevolg van het voorarrest toe te kennen. De volgende vraag is wat de hoogte van de compensatie moet zijn.
a. a) vergoeding voor immateriële schade als gevolg van het voorarrest
Op basis van de tarieven, zoals die door het LOVS worden voorgestaan voor voorarrest dat is ondergaan op of na 1 maart 2021, heeft verzoeker recht op de volgende vergoedingen:
verblijf in een politiecel
6 dgn x € 130,-
€ 780,-
verblijf op de TA van een huis van bewaring
239 dgn x € 130,-
€ 31.070,-
beperkingen
7 dgn x € 30,-
€ 210,-
totaal
€ 32.060,-
Deze forfaitaire vergoeding voor het ondergane voorarrest biedt compensatie voor de immateriële schade die men daarvoor in het algemeen pleegt te lijden. Voor toekenning van een hogere vergoeding van immateriële schade is, als gezegd, plaats indien sprake is van zeer bijzondere omstandigheden die meebrengen dat de vrijheidsbeneming voor verzoeker als gewezen verdachte grotere gevolgen heeft gehad dan voor andere verdachten die ter zake van gelijkluidende verdenkingen preventief worden gehecht. In de beoordeling van deze billijkheid dienen alle omstandigheden van het geval betrokken te worden, waaronder de ernst van het feit waarvan verzoeker werd verdacht, de aanhouding, extra belastende ervaringen tijdens detentie, media-aandacht en concrete gevolgen voor het persoonlijke leven.
De rechtbank acht het zeer aannemelijk dat het voorarrest voor verzoeker bijzonder ingrijpend is geweest en dat hij daarvan naar verhouding (nog steeds) bovengemiddelde nadelige gevolgen ondervindt.
Ten aanzien van verzoeker in het bijzonder is daarbij meegenomen dat uit de stukken is gebleken dat zijn vrouw ten tijde van zijn aanhouding zwanger was en dat hij gedurende detentie weinig contact met haar heeft kunnen hebben, door het regime van de TA waar verzoeker zat opgesloten. Voorts ondervindt verzoeker ook na detentie nadelige gevolgen hiervan. De VOG-aanvragen van verzoeker worden, ondanks de vrijspraak en zijn blanco strafblad, steeds afgewezen, waardoor hij moeilijk werk op zijn oude niveau kan vinden. Dit heeft aanzienlijke gevolgen voor nieuwe arbeidsbetrekkingen en zijn carrièrepad. Verder heeft verzoeker mentale klachten opgelopen als gevolg van de lange duur in detentie. Verzoeker is tot op heden onder behandeling voor PTSS-klachten. Ook de schuldgevoelens richting zijn broertje, eveneens vrijgesproken verdachte in de onderliggende strafzaak, drukken zwaar op hem. Gronden van billijkheid brengen daarom mee dat de som van de door het LOVS voorgestane dagvergoedingen met een factor 2 moeten worden vermenigvuldigd.
Gelet op het voorgaande zal aan verzoeker voor immateriële schade als gevolg van het voorarrest een vergoeding ter hoogte van € 64.120,- worden toegekend en zal het verzoek voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard.
b) vergoeding voor immateriële schade als gevolg van schorsingsvoorwaarden
De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 533 Sv slechts voor vergoeding in aanmerking komt de schade die verzoeker ten gevolge van ondergane inverzekeringstelling, klinische observatie of voorlopige hechtenis heeft geleden. Eén en ander kan tot uitzondering leiden indien de vrijheidsbeperking tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis dusdanig is geweest dat feitelijk gesproken moet worden van vrijheidsontneming. In dat geval kan artikel 5 Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) nopen tot schadevergoeding. Artikel 5, vijfde lid EVRM houdt in dat eenieder die een arrestatie of een gevangenhouding heeft ondergaan, die in strijd is met de bepalingen van het artikel, een recht tot schadevergoeding toekomt.
Hierbij is een aantal factoren van belang, zoals de aard, duur, effecten en wijze van tenuitvoerlegging, alsmede de mate waarin de betrokkene autonoom kan functioneren en de mogelijkheid heeft eigen keuzes te maken. Uit de jurisprudentie volgt dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens per concreet geval oordeelt of al dan niet sprake is van een vrijheidsbeperking, die onder het regime van artikel 2 van het Vierde Protocol van het EVRM valt, dan wel van een vrijheidsbeneming die onder artikel 5 EVRM valt.
Verzoeker heeft aangevoerd dat de zeer strikte schorsingsvoorwaarden dusdanig waren dat gesproken kan worden van een vrijheidsbeneming waarvoor een schadevergoeding op zijn plaats is. Verzoeker mocht Nederland niet verlaten, mocht op geen enkele wijze contact
onderhouden met zijn medeverdachten (de personen waar hij voor detentie vriendschappelijk mee om ging) en hij mocht zich niet in de gemeente Den Haag
bevinden. Deze voorwaarden werden gemonitord middels elektronische controle
(enkelband). In de dagelijkse planning van verzoeker moest constant rekening worden gehouden met het opladen van de enkelband. Tot slot had verzoeker op regelmatige basis gesprekken met de reclassering van een uur. Concluderend meent verzoeker dat gelet op de hoeveelheid en intensiteit van de voorwaarden hij dusdanig was beperkt in zijn autonoom
functioneren dat gesproken kan worden van een vrijheidsbeneming die een vergoeding
van immateriële schade rechtvaardigt.
Hoewel aan verzoeker een veelheid aan schorsingsvoorwaarden was opgelegd die zijn dagelijkse leven zeer hebben beperkt, kan niet worden gesproken van een feitelijke vrijheidsontneming waardoor verzoeker niet meer autonoom kon functioneren of in zijn dagelijkse leven geen keuzes meer kon maken. Gelet hierop en op hetgeen hiervoor is overwogen, komt de rechtbank tot het oordeel dat de schorsingsvoorwaarden zoals aan verzoeker opgelegd niet als vrijheidsbeneming in de zin van artikel 5 EVRM te worden beschouwd, maar als vrijheidsbeperking.
Om die reden ziet de rechtbank geen grond om verzoeker de onder b verzochte vergoeding op grond van artikel 533 Sv schadevergoeding toe te kennen. Dit deel van het verzoek zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard.
c) vergoeding voor materiële schade als gevolg van het voorarrest
Gevraagd is om toekenning van een vergoeding voor
Kosten behandeling PTSS € 1.131,62;
Gederfde inkomsten € 25.834,89.
Kosten behandeling PTSS
Verzoeker heeft als gevolg van de onderhavige hechtenis (en de onderhavige vervolging) en de daarop ondervonden nadelige gevolgen psychische klachten opgelopen die als PTSS (kunnen) worden gekwalificeerd. Hij heeft de behandeling doorlopen en de daadwerkelijke kosten bedragen in totaal € 1.131,62.
De rechtbank is van oordeel dat tussen de voorlopige hechtenis van verzoeker en de psychische klachten een causaal verband is vast te stellen. De opgevoerde kosten zijn het totaal van de in rekening gebrachte facturen. Deze kosten zijn voldoende onderbouwd en het totale bedrag van € 1.131,62 zal worden toegewezen.
Gederfde inkomsten
Gevraagd is om toekenning van een vergoeding voor gederfde inkomsten over de periode van november 2021 tot en met februari 2023. Ten tijde van de aanhouding op 23 september 2021 zat verzoeker in een sollicitatieprocedure bij Calco. Door de detentie is deze procedure onderbroken en na detentie heeft verzoeker op 5 juli 2022 een baan aangeboden gekregen bij Calco. Gelet op het tijdsverloop van de procedure na detentie, had hij naar verwachting in oktober 2021 een aanbod van Calco gekregen en dus per 1 november 2021 bij Calco in dienst kunnen treden. Verzoeker heeft dan ook van november 2021 tot en met juli 2022 salaris misgelopen bij Calco. Gelet op het nettosalaris (€ 2.428,25 per maand) dat verzoeker zou verdienen, heeft hij recht op een vergoeding voor gederfde inkomsten voor de periode november 2021 tot en met juli 2022 van in totaal € 21.854,25.
In september 2022 is verzoeker vervolgens in dienst getreden bij Ciratum, maar is hij vervolgens ontslagen, omdat hij geen VOG kon overleggen als gevolg van de detentie en de verdenking die daaraan ten grondslag lag. Zijn salaris is doorbetaald tot en met 31 december 2022. Verzoeker is in maart 2023 in dienst getreden bij een nieuwe werkgever, maar is hij in januari 2023 en februari 2023 salaris van Ciratum misgelopen vanwege zijn ontslag. Gelet op het nettosalaris (€ 1.990,32 per maand) dat verzoeker zou verdienen, heeft hij recht op een vergoeding voor gederfde inkomsten voor die periode van in totaal € 3.980,64.
Het totaal aan gederfde inkomsten bedraagt daarmee € 25.834,89.
De rechtbank is van oordeel dat voldoende is gebleken dat verzoeker schade heeft geleden wegens gederfde inkomsten. Deze schade is tot een bedrag van € 25.834,89 voldoende onderbouwd en de rechtbank wijst daarom op gronden van billijkheid het totaal aan verzochte gederfde inkomsten toe.
Conclusie
Gelet op het voorgaande zal aan verzoeker voor geleden materiële schade een vergoeding ter hoogte van € 26.966,51 (€ 1.131,62 + € 25.834,89) worden toegekend en zal het verzoek voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard.
Besluit
Resumerend zal de rechtbank aan verzoeker op grond van artikel 533 Sv een schadevergoeding ter hoogte van € 91.086,51 (€ 64.120,- + € 26.966,51) toekennen en verzoeker voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.
Verzoek artikel 530 Sv
Uit de feiten volgt dat de strafzaak tegen verzoeker is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, zodat de verzoeker op grond van artikel 530 juncto artikel 534 Sv aanspraak kan maken op vergoeding van de te zijnen laste gekomen kosten voor de rechtsbijstand, zulks voor zover daarvoor gronden van billijkheid aanwezig zijn.
a. a) reiskosten
De reiskosten die verzoeker heeft gemaakt ten behoeve van de dertien zittingsdagen komen voor vergoeding in aanmerking. Uitgaande van het tarief in het Besluit tarieven in strafzaken 2003, komt het verzochte bedrag van € 898,80,- voor toekenning in aanmerking.
b) kosten rechtsbijstand voor opstellen, indienen en behandelen verzoekschriften
Verzocht is om vergoeding van kosten voor het opstellen, indienen en behandelen van de op grond van de artikelen 533 Sv en 530 Sv ingediende verzoekschriften ter hoogte van het bedrag van € 4.235,-, gelet op de complexiteit van het verzoek.
De rechtbank kent, evenals alle andere gerechten in Nederland, de vergoeding voor het indienen en behandelen van een verzoek op grond van artikel 530 Sv toe op grond van de zogenoemde forfaitaire bedragen. Dat daar voor de ene zaak meer tijd mee gemoeid is dan voor een andere, is daarin meegewogen. Van een volledige vergoeding van de kosten voor het indienen en behandelen van het verzoek kan daardoor geen sprake zijn. Alleen in zeer uitzonderlijke gevallen kunnen gronden van billijkheid aanwezig zijn om een hoger forfaitair bedrag toe te kennen. Van zo’n uitzonderlijk geval is naar het oordeel van de rechtbank in deze zaak geen sprake. De rechtbank zal dan ook de forfaitaire vergoeding van € 680,- toewijzen.
Besluit
Resumerend zal de rechtbank aan verzoeker op grond van artikel 530 Sv een totale vergoeding van € 1.578,80 (€ 898,80,- + € 680,-) toekennen en verzoeker voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.
7. Beslissing
De rechtbank:
t.a.v. het verzoek op grond van artikel 533 Sv:
kent aan verzoeker uit ’s Rijks kas een vergoeding toe van € 91.086,51 (zegge: éénennegentigduizend en zesentachtig euro en éénenvijftig eurocent);
verklaart verzoeker niet ontvankelijk voor het meer of anders verzochte.
t.a.v. het verzoek op grond van artikel 530 Sv:
kent aan verzoeker uit ’s Rijks kas een vergoeding toe van € 1.578,80 (zegge: duizend vijfhonderdenachtenzeventig euro en tachtig eurocent);
verklaart verzoeker niet ontvankelijk voor het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door:
mr. J.L.M. Boek, voorzitter,
mrs. K.Th. van Barneveld en J. van de Klashorst, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. I.C.M.A. Bals, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2024.
Bevelschrift van tenuitvoerlegging
Bij beschikking van deze rechtbank, meervoudige raadkamer, van 10 juni 2024 (RK-nummer: 23-014697) is op de voet van artikel 533 Sv aan
[verzoeker] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,
een vergoeding uit ’s Rijks kas toegekend van € 91.086,51 (zegge: eenennegentigduizend en zesentachtig euro en eenenvijftig eurocent).
Bevolen wordt dat de griffier na het onherroepelijk worden van de beschikking overgaat tot uitbetaling van dit bedrag door overmaking op bankrekeningnummer [rekeningnummer] ten name van Stichting Beheer Derdengelden Weening Strafrechtadvocaten, o.v.v. “[verzoeker]”.
Dit bevelschrift is afgegeven op 10 juni 2024 door mr. J.L.M. Boek, voorzitter.
Bevelschrift van tenuitvoerlegging
Bij beschikking van deze rechtbank, meervoudige raadkamer, van 10 juni 2024 (RK-nummer: 23-014698) is op de voet van artikel 530 Sv aan
[verzoeker] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,
een vergoeding uit ’s Rijks kas toegekend van € 1.578,80 (zegge: duizend vijfhonderdachtenzeventig euro en tachtig eurocent).
Bevolen wordt dat de griffier na het onherroepelijk worden van de beschikking overgaat tot uitbetaling van dit bedrag door overmaking op bankrekeningnummer [rekeningnummer] ten name van Stichting Beheer Derdengelden Weening Strafrechtadvocaten, o.v.v. “[verzoeker]”.
Dit bevelschrift is afgegeven op 10 juni 2024 door mr. J.L.M. Boek, voorzitter.