Rechtbank Rotterdam
Team straf 2
Parketnummer: 10-012598-22
Datum uitspraak: 19 december 2024
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedatum] 1973,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres 1] te ([postcode]) [plaatsnaam],
verblijvende op het adres [verblijfadres],
raadsman mr. M.L. van Gessel, advocaat te Amsterdam.
1. Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 22 en 25 november 2024.
2. Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdachte wordt verweten dat hij in de periode van 2 juni 2020 tot en met 10 mei 2022 samen met anderen een woonboerderij (aan [adres 2]) en/of een geldbedrag van € 204.000,- heeft witgewassen (feit 1). Daarnaast wordt hem verweten dat hij samen met een ander in de periode van 9 augustus 2018 tot en met 10 mei 2022 twee auto's en/of geldbedragen heeft witgewassen (feit 2) en dat hij in de periode van 1 januari 2018 tot en met 10 mei 2022 contante geldbedragen, totaal € 311.569,72, heeft witgewassen (feit 3).
3. Eis officieren van justitie
De officieren van justitie mrs. E.J. de Groot en T.T.O. Bakker (hierna: de officier van justitie) hebben gevorderd:
4. Ontvankelijkheid officier van justitie
Standpunt verdediging
De raadsman heeft aangevoerd dat sprake is van een vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv). De officier van justitie heeft het proces-verbaal van het laatste verhoor van de [medeverdachte 1] (broer van de verdachte) op
16 januari 2023 bij de politie, en de bij dat verhoor overgelegde stukken die dienen ter ondersteuning van diens verklaring met betrekking tot een witwasvermoeden, buiten het dossier gehouden. Deze stukken ontbraken daardoor bij aanvang van het onderzoek ter terechtzitting en tijdens het voorhouden van de stukken door de rechtbank. De raadsman heeft bepleit dat dit dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie. De verdediging kan er niet meer op vertrouwen dat de officier van justitie alle processtukken aan het dossier heeft gevoegd en dan in het bijzonder voor de verdachte ontlastende stukken.
Beoordeling
De rechtbank stelt vast dat de verklaring van de [medeverdachte 1] op 16 januari 2023 met bijlagen niet voorafgaand aan het onderzoek ter terechtzitting aan het dossier is toegevoegd. De officier van justitie heeft deze stukken, na attendering hierop door de raadsman van de [medeverdachte 1], ter zitting alsnog overgelegd inclusief de vertaling van een bijlage en een proces-verbaal van de politie waarin de verschillen tussen de verklaring in concept (in bezit van de verdediging) en de definitief opgemaakte verklaring van deze medeverdachte worden toegelicht. Na kennisneming van deze stukken door alle procespartijen heeft de rechtbank de stukken ter zitting voorgehouden en is de verdediging in de gelegenheid gesteld hierop te reageren.
De rechtbank is van oordeel dat onder deze omstandigheden geen sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv. Het standpunt dat er niet op kan worden vertrouwd dat de officier van justitie alle processtukken aan het dossier heeft toegevoegd, heeft de verdediging niet uitdrukkelijk onderbouwd. Het verweer van de verdediging wordt verworpen.
Conclusie
De officier van justitie is ontvankelijk.
5. Vrijspraak feit 1
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 ten laste gelegde, te weten het medeplegen van het witwassen van de woonboerderij en een geldbedrag van € 204.000,-. De officier van justitie heeft aangevoerd dat de woonboerderij door de verdachte en de medeverdachten onder meer is verworven met het geldbedrag van € 204.000,-, dat uit enig misdrijf afkomstig is. Verder is bij de herfinanciering van de woning een valse huurovereenkomst gebruikt om een hypotheek te kunnen afsluiten. Hoewel de woonboerderij is gekocht op naam van [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1]), zijn de verdachte en zijn partner, de [medeverdachte 2], de feitelijk rechthebbenden van de woonboerderij. Zij hebben namelijk als bewoners gebruik gemaakt van de woonboerderij en in dat verband hebben zij tijdens het aankooptraject het contact onderhouden met de verkoopmakelaar en hebben zij de woonboerderij bezichtigd. Uit Whatsapp- en Encrochat-gesprekken blijkt verder dat de verdachte de financiering voor de woonboerderij heeft geregeld en dat de verdachte en de [medeverdachte 2] met elkaar spreken over de woonboerderij alsof zij de eigenaren hiervan zijn. Ten slotte hebben de verdachte en de [medeverdachte 2] forse investeringen gedaan in de woonboerderij. Hieruit volgt dat de verdachte en de medeverdachten tevens hebben verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op de woonboerderij waren (namelijk de verdachte en de [medeverdachte 2]).
Beoordeling
De rechtbank is van oordeel dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat voor betrokkenheid van de verdachte bij het door de officier van justitie gestelde witwassen van de woonboerderij en/of het geldbedrag van € 204.000,-.
De woning aan [adres 2] (hierna: de woonboerderij) is op
31 december 2019 gekocht door [bedrijf 1]. De koopovereenkomst is door de [medeverdachte 1], optredend als alleen/zelfstandig bevoegd bestuurder en algemeen directeur van [bedrijf 1], gesloten en getekend. In de overeenkomst staat verder, voor zover hier van belang, onder meer vermeld dat de verdachte en zijn partner [medeverdachte 2], de toekomstige bewoners zullen zijn. In dit kader heeft de verkoopmakelaar over de verkoop van de woonboerderij contact gehad met de verdachte, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] (als vertegenwoordiger van [bedrijf 1]) en alle drie hebben zij de woonboerderij bezichtigd, voordat werd overgegaan tot het sluiten van de koopovereenkomst door [bedrijf 1]. De woonboerderij is op 2 juni 2020 geleverd aan [bedrijf 1]. De verdachte en [medeverdachte 2] zijn vervolgens in de woonboerderij gaan wonen en zij hebben voor die woning verbouwingskosten gemaakt.
Hoewel de gang van zaken rondom de aankoop en bewoning van en de verbouwingsinvesteringen in de woonboerderij mogelijk vragen zou kunnen oproepen, blijkt naar het oordeel van de rechtbank uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting niet dat de verdachte en [medeverdachte 2] de feitelijk rechthebbenden van de woonboerderij zijn. Zo staat de woonboerderij op naam van [bedrijf 1] en zijn de overeenkomsten van (hypothecaire) geldleningen ten behoeve van de financiering van de woonboerderij, alsmede de gesloten overeenkomsten met betrekking tot de herfinanciering hiervan, op naam of ten behoeve van [bedrijf 1] aangegaan. Dit geldt ook voor het ten laste gelegde bedrag van € 204.000,- en het deel van de herfinanciering waarbij gebruik is gemaakt van een volgens de officier van justitie valselijk opgemaakte huurovereenkomst. Uit het dossier is, anders dan op grond van de onderlinge chats tussen de verdachte en [medeverdachte 2], niet gebleken van enige betrokkenheid van de verdachte of [medeverdachte 2] bij de financiering van de koopsom van de woonboerderij of bij de herfinanciering hiervan. Het pand is derhalve gekocht door en geleverd aan [bedrijf 1] en daarmee het eigendom geworden van [bedrijf 1]. Dat de verdachte en [medeverdachte 2] de woonboerderij zijn gaan bewonen, maakt dit niet anders. Het dossier biedt ook verder geen aanknopingspunten voor enige betrokkenheid van de verdachte of [medeverdachte 2] bij mogelijke witwashandelingen ten aanzien van de woonboerderij en/of het geldbedrag.
De rechtbank zal de verdachte dan ook vrijspreken van het onder 1 ten laste gelegde.
6. Bewijswaardering feit 2
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie verwijt de verdachte dat hij samen met de [medeverdachte 2] de geldbedragen ter hoogte van € 23.000,- (gebruikt voor de aankoop van een Mercedes) en € 12.295,- (gebruikt voor de aankoop van een BMW) heeft witgewassen. Ten aanzien van de ten laste gelegde personenauto’s heeft de officier van justitie ter zitting gerekwireerd tot partiële vrijspraak.
Standpunt verdediging
Aangevoerd is dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. Niet bewezen kan worden dat de ten laste gelegde geldbedragen en/of personenauto’s direct of indirect afkomstig zijn uit een misdrijf.
Beoordeling
Toetsingskader
De rechtbank beoordeelt de vraag of sprake is van medeplegen van witwassen ten aanzien van de ten laste gelegde auto’s en/of geldbedragen aan de hand van het hieronder beschreven 6-stappenplan zoals in vaste jurisprudentie (ECLI:NL:GHAMS:2013:BY8481) is ontwikkeld.
Voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis, eerste lid a en b, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) opgenomen bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf", is niet vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het voorwerp waarop de verdenking betrekking heeft afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf (stap 1). Naar inmiddels bestendige jurisprudentie kan bewezen worden geacht dat een voorwerp "uit enig misdrijf afkomstig is", wanneer het, uitgaande van de vastgestelde feiten en omstandigheden, niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het ligt dan op de weg van het openbaar ministerie om zicht te bieden op het bewijs waaruit zodanige feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid.
De zittingsrechter dient daarbij ter toetsing de volgende stappen te doorlopen.
Allereerst zal moeten worden vastgesteld of de aangedragen feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen (stap 2).
Indien dat het geval is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld of de goederen (stap 3). Die verklaring dient te voldoen aan de vereisten dat deze concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is (stap 4). Van de verdachte wordt niet gevraagd dat hij aannemelijk maakt dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Indien de verdachte een dergelijke verklaring geeft en hiermee tegenwicht heeft gegeven aan het vermoeden van een criminele herkomst, ligt het op de weg van het openbaar ministerie om nader onderzoek te doen naar de herkomst van het voorwerp zoals die uit de verklaring van de verdachte blijkt (stap 5).
Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal dienen te blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de goederen waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst hebben en dat derhalve een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden (stap 6).
Feit 2 zal aan de hand van dit toetsingskader worden beoordeeld.
Inleiding
Op 10 mei 2022 heeft een doorzoeking plaats gevonden in de woonboerderij. Ten tijde van de doorzoeking woonde de verdachte samen met zijn partner en de [medeverdachte 2] en hun twee kinderen in de woonboerderij. De verbalisanten hebben het volgende in beslag genomen:
een factuur en aanverwante stukken in verband met de aankoop op 3 augustus 2018 van een Mercedes GLA. De Mercedes werd op naam van [medeverdachte 2] gesteld. Uit de stukken valt op te maken dat de koopsom van de Mercedes onder meer is gefinancierd middels een overschrijving van € 23.000,- vanaf een Slowaakse bankrekening op naam van Golden Sun Jewellery LLC.
een BMW X1. Uit onderzoek naar de aankoop van deze personenauto is gebleken dat de auto is gekocht op 26 juni 2020 en op naam van [medeverdachte 2] is gesteld. Uit de stukken valt op te maken dat de koopsom van de BMW onder meer is gefinancierd middels een contante betaling van € 12.295,- door de verdachte.
Stap 1: Geen direct bewijs voor specifiek gronddelict In deze zaak is geen specifiek gronddelict aangeduid, zodat de rechtbank toekomt aanstap 2.
Stap 2: Vermoeden van witwassen Ten aanzien van het geldbedrag van € 23.000,- staat vast dat dit bedrag op 9 augustus 2018 vanaf een Slowaaks bankrekeningnummer door een in de Verenigde Arabische Emiraten gevestigd bedrijf (Golden Sun Jewellery) rechtstreeks is overgemaakt naar autodealer Auto Smeeing te Soest, ten behoeve van de door de verdachte en de [medeverdachte 2] in privé aangekochte Mercedes. Een betaling door een buitenlandse rechtspersoon ten behoeve van een binnenlands natuurlijk persoon, zoals hier voor de aanschaf van een luxe auto, levert een witwasindicator op. Daarnaast is onduidelijk waarom Golden Sun Jewellery het bedrag van € 23.000 heeft overgeboekt ten behoeve van de koop van de Mercedes en is bovendien uit onderzoeksbevindingen van Duitse autoriteiten gebleken dat Golden Sun Jewellery vermoedelijk slechts dient als dekmantel voor het witwassen van opbrengsten uit strafbare feiten.
Ten aanzien van het contante geldbedrag van € 12.295,- wordt overwogen dat het voorhanden hebben van zoveel contant geld grote risico’s meebrengt en bovendien hoogst ongebruikelijk is in het geval dat dat geld op legale wijze is verkregen. Het witwasvermoeden wordt versterkt wanneer grote hoeveelheden contant geld voorhanden zijn zonder noodzaak daartoe op grond van bedrijf of beroep, hetgeen het geval is in onderhavige zaak.
Verder staat vast dat het bij de Belastingdienst bekende inkomen en vermogen van de verdachte en de [medeverdachte 2], die een gezamenlijke huishouding voerden, niet in verhouding staat tot de ten laste gelegde bedragen die zijn aangewend voor de koop van de Mercedes en BMW. Met andere woorden: het inkomen was te laag om de uitgave van deze bedragen te kunnen verantwoorden.
Het voorgaande brengt met zich mee dat er sprake is van een witwasvermoeden.
Gelet hierop mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de herkomst van de auto’s en/of geldbedragen die in de tenlastelegging zijn opgenomen.
Stappen 3 en 4: De verklaringen van de verdachte Ten aanzien van het geldbedrag van € 23.000,- heeft de verdachte bij de politie verklaard dat hij zich kan herinneren dat hij vlak voordat de Mercedes werd gekocht twee gouden zogeheten koningskettingen heeft afgegeven aan ene [naam 1], met als doel de kettingen voor een goede prijs aan het bedrijf Golden Sun Jewellery LLC te verkopen. Hij kan zich de foto met de betalingsoverdracht van Golden Sun Jewellery naar de autodealer niet herinneren, maar hij denkt dat de foto naar hem is verzonden als bewijs voor het feit dat het bedrag was betaald.
Ten aanzien van het contante geldbedrag van € 12.295,- heeft de verdachte bij de politie verklaard dat dat geldbedrag afkomstig is van een geldleningsovereenkomst die de verdachte heeft gesloten met [naam 2]. De lening uit hoofde van die overeenkomst bedraagt ongeveer € 120.000,- en de verdachte heeft dit in delen contant ontvangen: ongeveer € 80.000,- als investering ten behoeve van een nog te ontwikkelen parkeerapp en € 40.000,- als lening voor [medeverdachte 2]. De verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij het geld grotendeels heeft uitgegeven aan privé uitgaven, waaronder de aankoop van de BMW.
Deze verklaringen van de verdachte zijn concreet, verifieerbaar en op voorhand niet hoogst onwaarschijnlijk. Gelet hierop ligt het op de weg van het openbaar ministerie de verklaring van de verdachte verder te onderzoeken.
Stappen 5 en 6: het onderzoek naar de verklaring en de conclusie
€ 23.000,- (Mercedes)
Het onderzoek van het openbaar ministerie naar de verklaring van de verdachte heeft niets opgeleverd dat de concrete punten die de verdachte in zijn verklaring heeft genoemd, ondersteunt. Zo is geen enkele informatie aangetroffen over de koningskettingen en heeft het openbaar ministerie de genoemde contactpersoon [naam 1], ondanks uitvoerig onderzoek, niet kunnen traceren met de gegevens die de verdachte over hem heeft aangedragen. Tenslotte is ook onderzoek gedaan naar het bedrijf Golden Sun Jewellery. Naast het feit dat uit Duitse onderzoeksbevindingen het vermoeden volgt dat deze rechtspersoon niet meer is dan een dekmantel voor het witwassen van opbrengsten uit strafbare feiten, is ook geen enkele link tussen dit bedrijf, [naam 1] en/of de verdachte gevonden.
De rechtbank concludeert dat de verklaring van de verdachte omtrent de herkomst van het geldbedrag van € 23.000,- door de resultaten van het onderzoek niet kon worden geverifieerd. De door de raadsman ter zitting overgelegde foto van de [medeverdachte 2] waarop te zien is dat zij op enig moment een ketting heeft gedragen, is hiertoe onvoldoende. Gelet op het voorgaande kan met voldoende mate van zekerheid worden uitgesloten dat het geldbedrag van € 23.000,- een legale herkomst heeft en kan de rechtbank niet anders concluderen dan dat het geldbedrag onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is en dat de verdachte daarvan wetenschap heeft gehad.
€ 12.295,- (BMW) Uit onderzoek van het openbaar ministerie naar de verklaring van de verdachte over de lening van [naam 2] aan hem, is gebleken dat hiervoor een onderbouwing is aangetroffen tot een bedrag van € 75.000,-. Ten aanzien van dit bedrag is niet vast komen te staan dat dit uit misdrijf afkomstig is. De rechtbank verwijst naar de overwegingen ten aanzien van deze conclusie in paragraaf 7.3.5 van dit vonnis (onderdeel lening [naam 2]). De rechtbank heeft het bedrag van € 75.000,-, gelet op de verklaring van de verdachte, reeds in mindering gebracht op het onder 3 ten laste gelegde geldbedrag. Dit betekent dat de herkomst van het contante geldbedrag van € 12.295,- onbekend is gebleven, ondanks uitvoerig onderzoek hiernaar door het openbaar ministerie.
De rechtbank concludeert dat de verdachte aldus geen aannemelijke verklaring heeft gegeven waaruit zou kunnen worden afgeleid dat het contante geldbedrag een legale herkomst heeft. Gelet hierop kan met voldoende mate van zekerheid worden uitgesloten dat het contante geldbedrag een legale herkomst heeft en kan de rechtbank niet anders concluderen dan dat het geldbedrag onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is en dat de verdachte daarvan wetenschap heeft gehad.
Conclusie
De rechtbank komt gelet op het vorenstaande tot een bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde medeplegen van witwassen van het (girale) geldbedrag van € 23.000,- en het (contante) geldbedrag van € 12.295,-. Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het overige niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.
7. Bewijswaardering feit 3
Standpunt officier van justitie
De verdachte wordt primair verweten dat hij samen met de [medeverdachte 2] contante geldbedragen met een totaal van € 311.569,72 heeft witgewassen. De officier van justitie baseert dit bedrag op:
de contanten die zijn aangetroffen bij doorzoekingen in de woonboerderij;
contante stortingen op bankrekeningen van de verdachte en [medeverdachte 2];
de Nibud norm;
facturen van contante uitgaven;
verbouwingskosten woonboerderij;
nagelvaste investering pand Gouda.
Subsidiair heeft de officier van justitie aangevoerd dat tot een bedrag van maximaal € 75.000,- mogelijk een legale herkomst is te herleiden in de vorm van een geldlening aan de verdachte.
Standpunt verdediging
Aangevoerd is dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 3 ten laste gelegde wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. De verdachte betwist niet dat er bedragen zijn aangetroffen, gestort of uitgegeven dan wel geïnvesteerd, maar stelt dat tegenover deze uitgaven legale inkomsten staan welke zijn gegenereerd in de ten laste gelegde periode. Niet bewezen kan worden dat de in de ten laste gelegde genoemde contante geldbedragen direct of indirect afkomstig zijn uit een misdrijf.
Beoordeling
Bij beantwoording van de vraag of ten aanzien van de ten laste gelegde contante geldbedragen sprake is van medeplegen van witwassen, zal de rechtbank het stappenplan doorlopen zoals hierboven, onder paragraaf 6.3.1. van dit vonnis, is geschetst.
Inleiding
In het onderhavige onderzoek Boedapest is de herkomst van de onder 3 ten laste gelegde contante geldbedragen onderzocht. In de periode van 1 januari 2018 tot en met 10 mei 2022 gaat het om een totaalbedrag van € 311.569,72. Hieronder staat weergeven uit welke bedragen dit totaalbedrag is opgebouwd.
Tijdens de doorzoeking op 7 juni 2021 werd in de kelder van de woonboerderij een geldbedrag van € 39.965,- aangetroffen.
Tijdens de doorzoeking op 10 mei 2022 werd in de woonboerderij een contant geldbedrag van € 15.700,- aangetroffen.
Uit onderzoek naar de bankrekeningen op naam van de verdachte is gebleken dat van 10 januari 2018 tot en met 24 augustus 2020 in totaal een bedrag van € 59.150,- contant is gestort.
Uit onderzoek naar de bankrekeningen op naam van de [medeverdachte 2] is gebleken dat in de periode van 25 april 2019 tot en met 1 oktober 2020 (na aftrek van contante opnames) in totaal € 17.263,76 contant is gestort.
Uit onderzoek naar de bankrekeningen op naam van de verdachte en de [medeverdachte 2] is gebleken dat zij in de periode van 1 januari 2018 tot en met 10 mei 2022 ten opzichte van de Nibud norm 41%, oftewel € 10.435,01, minder uitgegeven hebben aan levensmiddelen dan gemiddeld is voor hun huishouden. Deze uitgaven zijn contant gedaan.
Er is een totaalbedrag van € 77.219,07 contant uitgegeven voor de aankoop van verschillende goederen.
Er is een totaalbedrag van € 73.451,86 contant uitgegeven aan verbouwingskosten voor de woonboerderij.
De verdachte heeft een bedrag van € 18.385,02 aan nagelvaste investeringen ten behoeve van het pand aan de [adres 3] contant betaald.
Stap 1: Geen direct bewijs voor een gronddelict In deze zaak is eveneens geen specifiek gronddelict aangeduid, zodat de rechtbank toekomt aan stap 2.
Stap 2: Vermoeden van witwassen In zijn algemeenheid geldt dat het voorhanden hebben van grote hoeveelheden contant geld voor privépersonen grote (veiligheids)risico’s meebrengt en bovendien hoogst ongebruikelijk is wanneer dat geld op legale wijze is verkregen. Dit is een witwasindicator. Het witwasvermoeden wordt versterkt wanneer grote hoeveelheden contant geld voorhanden zijn zonder noodzaak daartoe op grond van bedrijf of beroep, hetgeen het geval is in onderhavige zaak.
Verder staat vast dat het bij de Belastingdienst bekende inkomen en vermogen van de verdachte en de [medeverdachte 2], die een gezamenlijke huishouding voerden, niet in verhouding staat tot deze contante geldbedragen. Met andere woorden: het inkomen en vermogen was te laag om de ten laste gelegde uitgaven te kunnen doen.
Het voorgaande brengt met zich mee dat er sprake is van een witwasvermoeden.
Gelet hierop mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de herkomst van de contante geldbedragen die in de tenlastelegging zijn opgenomen.
Stappen 3 en 4: De verklaring van de verdachte
De verdachte heeft bij de politie verklaard dat de herkomst van de contante bedragen deels is te herleiden naar de verkoop van beelden. Hij heeft verklaard dat hij beelden van zijn buurman in een loods op zijn terrein bewaarde om te verkopen aan [naam 3]. De verdachte heeft uitgelegd dat de buurman de beelden toch liever niet wilde verkopen en dat hij de beelden daarom aan de buurman heeft teruggegeven. [naam 3] had echter al € 11.000,- aan de verdachte voor deze beelden betaald, maar dat bedrag had de verdachte ten tijde van de doorzoeking op 10 mei 2022 nog niet aan [naam 3] teruggegeven. [naam 3] is dus de eigenaar van een deel (te weten € 11.000,-) van het in de woonboerderij in beslag genomen contante geldbedrag van € 15.700,-.
De verdachte heeft verder verklaard dat zijn inkomen grotendeels bestond uit aangegane leningen bij [naam 2] en [naam 4]. De verdachte heeft van beide personen contante geldbedragen ontvangen bedoeld voor de investering in een nog door de verdachte te ontwikkelen parkeerapp. Het grootste gedeelte van deze leningen heeft de verdachte naar eigen zeggen echter niet aangewend voor de ontwikkeling van een parkeerapp, maar voor het doen van privé uitgaven ten behoeve van de gezamenlijke huishouding met de [medeverdachte 2].
De verdachte heeft verklaard dat hij een overeenkomst is aangegaan met [naam 2] voor een bedrag van € 150.000,-, maar dat hij niet dit gehele bedrag van hem heeft ontvangen. Hij heeft van [naam 2] in ieder geval € 40.000,- contant ontvangen als lening voor [medeverdachte 2] en verder heeft hij verschillende bedragen contant ontvangen in 2017 en 2018. Dit gaat om een totaalbedrag tussen de € 75.000,- en 80.000,-.
De verdachte heeft verder verklaard dat hij in 2017 via de tussenpersoon [naam 5] een geldlening heeft ontvangen van [naam 4]. Dit gaat om een totaalbedrag van € 220.000,-, dat hij in twee delen contant heeft ontvangen. Dit betreft een mondelinge overeenkomst.
De verdachte heeft bij de politie ten slotte verklaard dat de herkomst van het resterende deel van de aangetroffen/uitgegeven contanten bestond uit provisie voor door hem verrichte bemiddelingswerkzaamheden. Deze werkzaamheden betroffen veelal vergoedingen voor verzendingen van containers met goederen naar het buitenland.
De verklaring over de beelden en de leningen
De verklaring van de verdachte over de verkoop van de beelden en de afgesloten leningen met [naam 2] en [naam 4] is concreet, verifieerbaar en op voorhand niet hoogst onwaarschijnlijk. Gelet hierop ligt het op de weg van het openbaar ministerie dat deel van de verklaring van de verdachte verder te onderzoeken.
De verklaring over de inkomsten uit provisie
Nu de verdachte de door hem gestelde werkzaamheden waarvoor hij een onduidelijk gebleven bedrag aan provisie zou hebben ontvangen niet nader heeft geconcretiseerd of gespecificeerd en daarvan geen stukken heeft overgelegd, kan niet worden gesproken van een verklaring over de herkomst van contante gelden die voldoende concreet en verifieerbaar is. Het is overigens ook gebleken dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn om nader onderzoek te doen naar dit deel van zijn verklaring. Dit betekent dat er geen andere conclusie mogelijk is dan dat een deel van het ten laste gelegde bedrag van € 311.569,72 afkomstig is uit enig misdrijf.
Stappen 5 en 6: Het onderzoek naar de verklaring en de conclusie
Beelden en € 11.000,-
Ten aanzien van verdachtes verklaring over de beelden en het bedrag van € 11.000,- waarvan [naam 3] volgens de verdachte de rechtmatige eigenaar is, is [naam 3] als getuige bij de politie gehoord. De getuige heeft verklaard dat het verhaal van de beelden klopt voor wat betreft het opslaan en de prijs die de verdachte ervoor wilde hebben, maar dat de getuige het niet eens was met de prijs. Hij heeft dus geen € 11.000,- aan de verdachte betaald voor beelden en het verhaal dat de verdachte hem dat bedrag nog moet terugbetalen zegt de getuige niets.
De rechtbank concludeert dat de resultaten van het onderzoek van het openbaar ministerie van dien aard zijn dat mede op basis daarvan geen andere conclusie mogelijk is dan dat een geldbedrag van € 11.000,- van enig misdrijf afkomstig is.
Lening [naam 2]
Tijdens de doorzoeking op 10 mei 2022 in de woonboerderij zijn diverse schriftelijke bescheiden aangetroffen die verband houden met een geldlening van [naam 2], te weten een geldleningsovereenkomst tussen de verdachte en [naam 2] voor een bedrag van € 150.000,- en een investeringsovereenkomst voor hetzelfde bedrag. Beide overeenkomsten zijn ondertekend door [naam 2] en de verdachte op 21 december 2017. Tevens is een geldleningsovereenkomst aangetroffen tussen [naam 2] en de [medeverdachte 2] voor een bedrag van € 40.000,-, door beiden ondertekend op 29 december 2019. [naam 2] is meermalen als getuige bij de politie gehoord. Hij heeft bevestigd dat hij contant geld heeft uitgeleend aan de verdachte als investering in een nog te ontwikkelen parkeerapp. [naam 2] heeft tevens bevestigd dat hij de hierboven genoemde overeenkomsten heeft getekend, maar dat hij van de afgesproken € 150.000,- niet het gehele bedrag heeft geleend aan de verdachte. [naam 2] heeft verklaard dat hij op verschillende momenten contant geld heeft gepind en aan de verdachte heeft gegeven en dat dit in totaal ongeveer € 75.000,- is geweest en dat hij niet weet hoe de verdachte dat geld heeft verdeeld tussen [medeverdachte 2] en de ontwikkelingskosten voor de parkeerapp. [naam 2] heeft verklaard dat hij naast de € 75.000,- niet ook nog € 40.000,- heeft geleend aan de verdachte en/of [medeverdachte 2].
Tijdens de doorzoeking op 10 mei 2022 is tevens een betalingsoverzicht aangetroffen, genaamd ‘leningsovereenkomst’, met bedragen die [naam 2] (de investeerder) aan de verdachte (de ontwikkelaar) zijn betaald. Op dit overzicht wordt een totaalbedrag van € 75.000,- vermeld. De bedragen zijn betaald tussen 4 januari 2018 en 14 augustus 2020. Het overzicht is op 27 augustus 2021 door [naam 2] en de verdachte ondertekend. Na het voorhouden van dit overzicht heeft de verdachte bij de politie verklaard dat deze bedragen en data van overdracht kloppen en heeft [naam 2] bij de politie verklaard dat hij zich deze bedragen niet meer precies kan herinneren, maar dat het overzicht wel zou kunnen kloppen.
De politie heeft ook onderzoek gedaan naar de herkomst van het inkomen en vermogen van [naam 2]. Hieruit is gebleken dat [naam 2] in de periode van 2017 tot en met 2022 verbonden was aan meerdere ondernemingen en uit [bedrijf 2] jaarlijks een bruto salaris genoot van ongeveer € 60.000,- tot € 67.000,-. Verder heeft [naam 2] in 2017 een dividenduitkering ontvangen van € 335.549,-. Tevens is onderzoek gedaan naar het pingedrag van [naam 2] in de periode 4 januari 2018 tot en met 14 augustus 2020, waaruit blijkt dat [naam 2] in totaal € 84.100,- contant heeft opgenomen.
De rechtbank concludeert dat het onderzoek door het openbaar ministerie de verklaring van de verdachte over de lening van [naam 2] tot een bedrag van € 75.000,- ondersteunt. Zowel de verdachte als [naam 2] hebben verklaard dat [naam 2] aan de verdachte dit geldbedrag heeft geleend voor de ontwikkeling van een parkeerapp. In het dossier bevindt zich ook nog een brochure over de parkeerapp die is opgesteld ten behoeve van het werven van investeerders. De verklaring dat de bedragen op verschillende momenten door [naam 2] van zijn bankrekeningen zijn gepind, wordt ondersteund door de overgelegde bankafschriften van [naam 2] waaruit blijkt dat [naam 2] in zijn algemeenheid met enige regelmaat contante bedragen van zijn bankrekeningen pint. Tevens is de herkomst van de door [naam 2] geleende gelden onderzocht en op basis van dat onderzoek kan niet worden uitgesloten dat deze gelden een legale herkomst hebben, gelet op het vermogen en inkomen van [naam 2] in de onderzochte periode.
Op basis van de verklaringen van de verdachte en de resultaten van het onderzoek daarnaar door het openbaar ministerie kan daarom niet met voldoende mate van zekerheid worden uitgesloten dat de ten laste gelegde contante geldbedragen tot een bedrag van € 75.000,- een legale herkomst hebben. Van dit bedrag kan kortom niet worden bewezen dat dit van enig misdrijf afkomstig is.
Lening [naam 4]
en [naam 5] zijn beiden als getuigen bij de politie gehoord. [naam 5] heeft bevestigd dat hij door de verdachte is benaderd met de vraag of hij mensen kende die zouden willen investeren in een nog te ontwikkelen parkeerapp. Hij wist dat [naam 4] veel geld verdiende met handel in crypto’s en dat deze interesse had in een investering. Op zijn aanraden heeft [naam 4] in 2017 geld aan de verdachte geleend als investering in de parkeerapp. Hij verklaarde voorts dat hij twee keer aanwezig is geweest bij een afspraak waarbij [naam 4] contant geld in een plastic tas met bundels briefjes van € 50,- aan de verdachte heeft overhandigd. Van [naam 4] had hij gehoord dat het een investeringsbedrag van € 220.000,- betrof.
Ook [naam 4] heeft bevestigd dat hij heeft geïnvesteerd in de nog te ontwikkelen parkeerapp van de verdachte. [naam 4] heeft verklaard dat [naam 5] hem enthousiast heeft gemaakt voor de app en dat hij een schriftelijke brochure hierover heeft gekregen. Ook bevestigde [naam 4] dat hierover niets schriftelijk is vastgelegd, maar dat hij een aandeel in de app zou krijgen. Hij heeft in 2017 aan de verdachte in korte tijd twee keer contante geldbedragen in bundels briefjes van € 50,- in een plastic tas overhandigd met een totaal van € 220.000,-. [naam 5] was daar ook bij. Over de herkomst van de door hem aan de verdachte betaalde contante geldbedragen heeft [naam 4] verklaard dat hij in die tijd zijn inkomen verdiende met de handel in bitcoins via Bitonic en dat hij dit en de contante opnamen kan onderbouwen met stukken van Bitonic en de Rabobank.
De rechtbank concludeert dat het onderzoek door het openbaar ministerie de verklaring van de verdachte over de geldlening van € 220.000,- ondersteunt. Zowel de verdachte als [naam 4] en [naam 5] hebben verklaard dat [naam 4] in 2017 aan de verdachte een contant geldbedrag van in totaal € 220.000,- heeft geleend voor de ontwikkeling van een parkeerapp, op aanraden van [naam 5]. In het dossier bevindt zich een brochure die is opgemaakt ten behoeve van het werven van investeerders. De herkomst van het geld dat [naam 4] had geleend was volgens hemzelf, en overigens ook volgens [naam 5], gelegen in de handel in cryptovaluta. De rechtbank stelt vast dat het openbaar ministerie hier geen nader onderzoek naar heeft verricht.
Op basis van de verklaring van de verdachte en de resultaten van het onderzoek daarnaar door het openbaar ministerie kan daarom niet met voldoende mate van zekerheid worden uitgesloten dat de ten laste gelegde contante geldbedragen tot een bedrag van
€220.000,- een legale herkomst hebben. Van dit bedrag kan kortom niet worden bewezen dat dit uit enig misdrijf afkomstig is.
Conclusie
De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van het onder 3 ten laste gelegde medeplegen van witwassen van een bedrag van € 16.569,72. Dit betreft het totaal ten laste gelegde bedrag van € 311.569,72 minus het bedrag van € 295.000 (de leningen van [naam 2] en [naam 4]). Het overige acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.
8. Bewezenverklaring
26Does),
Boedapest),
In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
2.
hij, in of omstreeks de periode 9 augustus 2018 tot en met 10 mei 2022, te
Haastrecht en/of Soest en/of Gouderak, althans in Nederland, tezamen en in
vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (van) een of meer
voorwerp(en),
namelijk een Mercedes Benz ([kenteken 1]) en/of een (giraal) geldbedrag ad in totaal
ongeveer Eur 23.000,00 en/of een BMW X1 ([kenteken 2]) en/of een (giraal) geldbedrag
ad in totaal ongeveer Eur 12.295,00,
- de herkomst en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft
verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op die auto(‘s) en/of dat/die
geldbedrag(en) was/waren, en/of
- heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of
heeft omgezet en/of daarvan gebruik heeft gemaakt,
terwijl hij wist dan wel redelijkerwijs moest vermoeden, dat dit/deze voorwerp(en),
geheel of gedeeltelijk, middellijk en/of onmiddellijk, afkomstig was/waren uit enig
misdrijf;
3.
hij, in of omstreeks de periode van 1 januari 2018 tot en met 10 mei 2022, te
Haastrecht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer
anderen, althans alleen, een of meer voorwerpen, namelijk contante geldbedragen
ad in totaal ongeveer Eur 311.569,72 Eur 16.569,72, te weten
- ongeveer Eur 39.965,00 (aangetroffen tijdens de doorzoeking in onderzoek
- ongeveer Eur 15.700,00 (aangetroffen tijdens de doorzoeking in onderzoek
- ongeveer Eur 59.150,00 (stortingen op de bankrekening van [verdachte]),
- ongeveer Eur 17.263,76 (stortingen op de bankrekening van [medeverdachte 2])
- ongeveer Eur 10.435,01 (Nibud norm)
- ongeveer Eur 77.219,07 (contante uitgaven aan goederen)
- ongeveer Eur 73.451,86 (verbouwingskosten)
- ongeveer Eur 18.385,02 (nagelvaste investering)
heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of
heeft omgezet en/of daarvan gebruik heeft gemaakt,
terwijl hij wist dan wel redelijkerwijs moest vermoeden, dat dit/deze voorwerp(en),
geheel of gedeeltelijk, middellijk en/of onmiddellijk, afkomstig was/waren uit enig
en/of enig eigen misdrijf.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.
9. Strafbaarheid feiten
De onder 2 en 3 bewezen feiten leveren telkens op:
medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.
10. Strafbaarheid verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
11. Motivering straffen
De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan, de persoon en de persoonlijke omstandigheden en de draagkracht van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich gedurende ruim vier jaar samen met zijn levenspartner schuldig gemaakt aan het witwassen van bijna € 52.000,-. Dit geld is onder meer gebruikt bij de aankoop van auto’s, het betalen van verbouwingskosten voor de woning en voor het dagelijks levensonderhoud.
Door witwassen wordt bewerkstelligd dat opbrengsten van misdrijven van welke aard dan ook aan het zicht van politie en justitie worden onttrokken en daaraan een schijnbaar legale herkomst wordt verschaft. Hierdoor worden criminele activiteiten in meerdere opzichten lucratief. Witwassen tast verder de integriteit aan van het financiële en economische verkeer. Door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte heeft hij daaraan een bijdrage geleverd.
De rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van de verdachte van 10 oktober 2024, waaruit blijkt dat hij weliswaar eerder is veroordeeld voor strafbare feiten, maar niet voor soortgelijke strafbare feiten. Dit betekent dat het strafblad niet strafverzwarend werkt.
Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
Gezien de ernst van de feiten kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van gevangenisstraf. Anders dan door de officier van justitie geëist, zal de rechtbank geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen, gelet op de integrale vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde witwassen van een woonboerderij en een geldbedrag van € 204.000,- en de vrijspraak van het witwassen van een aanzienlijk deel van de onder 3 ten laste gelegde geldbedragen. Tevens heeft de rechtbank bij de overweging om geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen in het kader van artikel 63 Sr rekening gehouden met de veroordeling van de verdachte op 9 april 2024 door de rechtbank Overijssel tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 43 maanden. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf aan de verdachte opleggen. Deze voorwaardelijke straf dient er tevens toe om de verdachte ervan te weerhouden om opnieuw strafbare feiten te plegen. Daarnaast ziet de rechtbank gelet op de ernst van de feiten aanleiding om aan de verdachte een forse taakstraf op te leggen.
Redelijke termijn
Als uitgangspunt heeft te gelden dat een behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen vierentwintig maanden. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken als sprake is van bijzondere omstandigheden. Deze bijzondere omstandigheden kunnen zijn gelegen in de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van de verdachte en zijn advocaat op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. De rechtbank is van oordeel dat in deze zaak sprake is van een bijzondere omstandigheid, welke is gelegen in de omvang van het politieonderzoek.
Het onderzoek Boedapest omvat vier zaaksdossiers betrekking hebbend op een verdenking van witwassen en/of valsheid in geschriften tegen (in eerste instantie) vijf verdachten, waaronder een rechtspersoon. Dit onderzoek is gestart nadat in onderzoek 26Does – betrekking hebbend op een verdenking van overtreding van de Geneesmiddelenwet (illegale handel in ketamine) – tegen verdachte (ook) een witwasvermoeden was gerezen.
De processen-verbaal van politie omvatten meer dan 3.000 pagina’s, waarin uitvoerig onderzoek is gedaan naar mogelijke witwasconstructies. Daarnaast bevat het dossier stukken die zien op een rechtshulpverzoek aan Suriname.
De rechtbank is van oordeel dat in deze zaak de aanvangsdatum van de redelijke termijn moet worden gesteld op 10 mei 2022: de datum van de doorzoeking in het onderzoek Boedapest, van de woonboerderij waar de verdachte op dat moment zijn verblijfplaats had. De rechtbank acht vanwege de eerder genoemde bijzondere omstandigheden een redelijke termijn van 2 jaren en bijna 8 maanden voor de behandeling van de zaken van alle verdachten gerechtvaardigd. Dit betekent dat de redelijke termijn in de zaak van de verdachte niet is overschreden.
Alles afwegend acht de rechtbank een taakstraf van 180 uur met aftrek van voorarrest en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaar, en daarnaast de hieronder besproken verbeurdverklaring, passend en geboden.
12. In beslag genomen voorwerpen
Woonboerderij
Tijdens het onderzoek Boedapest is op 10 mei 2022 ten laste van [bedrijf 1] klassiek beslag gelegd op de woonboerderij aan [adres 2] (kadastraal bekend als [perceel]). In het onderzoek 26Does is op 24 september 2024 op deze woonboerderij ten laste van de verdachte conservatoir beslag gelegd. De rechtbank zal ten aanzien van deze beslagen in onderhavige stafzaak derhalve geen beslissing nemen.
€ 39.965,-
Tijdens het onderzoek 26Does is ten laste van de verdachte een contant geldbedrag van in totaal € 39.965,- in beslaggenomen en dit bedrag behoort hem toe.
Gelet op de bewezenverklaring van het onder 3 ten laste gelegde medeplegen van witwassen tot een bedrag van € 16.569,72, zal het in beslag genomen contante geld tot dit bedrag verbeurd worden verklaard. Het bewezen feit is immers met behulp van dit contante geldbedrag begaan. De rechtbank heeft hierbij rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.
Voor het overige deel, te weten € 23.395,28, zal een last tot teruggave aan de verdachte worden gegeven.
13. Toepasselijke wettelijke voorschriften
Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 47, 57, 63 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.
14. Bijlagen
De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.
15. Beslissing
De rechtbank:
verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit, heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden;
bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaren;
tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig zal maken;
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) uren, waarbij Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren per dag, zodat na deze aftrek 174 (honderdvierenzeventig) uren te verrichten taakstraf resteert;
beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 87 dagen;
beslist ten aanzien van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:
Dit vonnis is gewezen door
mr. P.E. van Althuis, voorzitter,
en mrs. A.S. Flikweert en E. IJspeerd, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. I.C.M.A. Bals, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting op 19 december 2024.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
1.
hij, in of omstreeks de periode 2 juni 2020 tot en met 10 mei 2022 te Haastrecht,
althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (van) een of
meer voorwerp(en), namelijk de onroerende zaak en registergoed staande en
gelegen aan het adres “[adres 2]”, kadastraal bekend als
“[perceel]” en/of een (giraal) geldbedrag ad in totaal ongeveer Eur
204.000,00,
- de herkomst en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft
verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op die woning en/of
geldbedrag(en) was/waren, en/of
- heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of
heeft omgezet en/of daarvan gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist dan wel
redelijkerwijs moest vermoeden dat dit/deze voorwerp(en), geheel of gedeeltelijk,
middellijk en/of onmiddellijk, afkomstig was/waren uit enig misdrijf;
2.
hij, in of omstreeks de periode 9 augustus 2018 tot en met 10 mei 2022, te
Haastrecht en/of Soest en/of Gouderak, althans in Nederland, tezamen en in
vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (van) een of meer
voorwerp(en),
namelijk een Mercedes Benz ([kenteken 1]) en/of een (giraal) geldbedrag ad in totaal
ongeveer Eur 23.000,00 en/of een BMW X1 ([kenteken 2]) en/of een (giraal) geldbedrag
ad in totaal ongeveer Eur 12.295,00,
- de herkomst en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft
verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op die auto(‘s) en/of dat/die
geldbedrag(en) was/waren, en/of
- heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of
heeft omgezet en/of daarvan gebruik heeft gemaakt,
terwijl hij wist dan wel redelijkerwijs moest vermoeden, dat dit/deze voorwerp(en),
geheel of gedeeltelijk, middellijk en/of onmiddellijk, afkomstig was/waren uit enig
misdrijf;
3.
hij, in of omstreeks de periode van 1 januari 2018 tot en met 10 mei 2022, te
Haastrecht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer
anderen, althans alleen, een of meer voorwerpen, namelijk contante geldbedragen
ad in totaal ongeveer Eur 311.569,72, te weten
- ongeveer Eur 39.965,00 (aangetroffen tijdens de doorzoeking in onderzoek
26Does),
- ongeveer Eur 15.700,00 (aangetroffen tijdens de doorzoeking in onderzoek
Boedapest),
- ongeveer Eur 59.150,00 (stortingen op de bankrekening van [verdachte]),
- ongeveer Eur 17.263,76 (stortingen op de bankrekening van [medeverdachte 2])
- ongeveer Eur 10.435,01 (Nibud norm)
- ongeveer Eur 77.219,07 (contante uitgaven aan goederen)
- ongeveer Eur 73.451,86 (verbouwingskosten)
- ongeveer Eur 18.385,02 (nagelvaste investering)
heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of
heeft omgezet en/of daarvan gebruik heeft gemaakt,
terwijl hij wist dan wel redelijkerwijs moest vermoeden, dat dit/deze voorwerp(en),
geheel of gedeeltelijk, middellijk en/of onmiddellijk, afkomstig was/waren uit enig
en/of enig eigen misdrijf.