ECLI:NL:RBROT:2024:14144

ECLI:NL:RBROT:2024:14144

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 14-02-2024
Datum publicatie 13-03-2026
Zaaknummer C/10/650820 / HA ZA 23-38
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Partijen zijn een als “Overeenkomst van huur en verhuur/Bareboat Charter” aangeduide overeenkomst aangegaan ten aanzien van het schip “Doris Deymann”. De overeenkomst is ontbonden. De vraag is of partijen na verrekening over en weer nog iets van elkaar te vorderen hebben. Artikel 8:810 BW geeft hiervoor een aparte en dwingendrechtelijke bepaling. Op dit moment kan deze vraag nog niet worden beantwoord. Er moet een deskundige worden benoemd om de rechtbank voor te lichten over de waarde van het schip op het moment van ontbinding en de redelijke vergoeding voor gebruik van het schip. Volgt rolverwijzing."

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

vonnis

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/650820 / HA ZA 23-38

Vonnis van 14 februari 2024

in de zaak van

de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

REEDEREI DEYMANN GMBH & CO. KG TMS DORIS DEYMANN,

gevestigd te Haren , Duitsland,

eiseres in conventie,geopposeerde,

verweerster in voorwaardelijke reconventie,

advocaat mr. J.C. van Zuethem te Breda,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DECOIL ROTTERDAM B.V.,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DECOIL GROUP B.V.,

beide gevestigd te Rotterdam ,

gedaagden in conventie,opposanten,

eiseressen in voorwaardelijke reconventie,

advocaat mr. A.J.A.M. van Haandel te ‘s-Hertogenbosch.

Eiseres wordt hierna Deymann genoemd. Gedaagden worden hierna gezamenlijk Decoil genoemd en afzonderlijk Decoil Rotterdam en Decoil Group.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding van 29 juli 2022 van Deymann (met producties 1 tot en met 10);

het verstekvonnis van de kantonrechter van deze rechtbank van 23 augustus 2022 met zaaknummer 10036575 CV EXPL 22-23882, waarbij de vorderingen van Deymann zijn toegewezen;

de verzetdagvaarding van 27 september 2022 van Decoil tevens houdende eis in voorwaardelijke reconventie tevens incident strekkende tot onbevoegdheid (met producties 1 tot en met 7);

de conclusie van antwoord in het incident;

het vonnis in incident van de kantonrechter van deze rechtbank van 30 december 2022,waarin de kantonrechter zich onbevoegd verklaart om van de vorderingen van Deymann en Decoil kennis te nemen en de zaak naar de rolzitting verwijst van de handelskamer van deze rechtbank om de zaak voort te zetten in de stand waarin deze zich bevindt;

de brief van 10 februari 2023 waarin de rechtbank partijen oproept voor een mondelinge behandeling;

de conclusie van antwoord in voorwaardelijke reconventie (met producties 11 tot en met 15);

de mondelinge behandeling van 13 juni 2023;

de comparitieaantekeningen van mr. Van Zuethem voor Deymann;

de pleitnota van mr. Van Haandel voor Decoil.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. Het geschil

in conventie

Deymann vordert na vermeerdering van eis dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I. voor recht verklaart dat de overeenkomst buitengerechtelijk is ontbonden, althans subsidiair de overeenkomst alsnog ontbindt;

II. gedaagden veroordeelt tot betaling van € 227.900,- aan huurachterstand, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 juli 2022, althans vanaf de dag van de dagvaarding, tot aan de dag van volledige betaling;

III. gedaagden veroordeelt tot betaling van € 100.900,- aan reparatiekosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 juli 2022, althans vanaf de dag van de dagvaarding, tot aan de dag van volledige betaling;

IV. gedaagden veroordeelt tot betaling van € 123.666,- aan tijdverlet (tot en met 6 oktober 2022), te vermeerderen met de wettelijke rente, vanaf de dag van de dagvaarding, tot aan de dag van volledige betaling;

V. gedaagden veroordeelt tot betaling van € 2.236,60 aan expertisekosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 juni 2022, althans vanaf de dag van de dagvaarding, tot aan de dag van volledige betaling;

VI. gedaagden veroordeelt tot betaling van € 3.818,70 aan buitengerechtelijke incassokosten;

met veroordeling van gedaagden in de (na)kosten van de procedure, te betalen binnen veertien dagen na betekening van het vonnis, en - voor het geval betaling van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor betaling.

Decoil verzoekt de rechtbank om het verstekvonnis te vernietigen en Decoil te ontheffen van alle veroordelingen daarin.

Decoil concludeert verder tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van Deymann in de kosten van de procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente over het toegewezen bedrag vanaf de veertiende dag van het vonnis tot aan de dag van volledige betaling en in de nakosten ten bedrage van € 163,- zonder betekening, dan wel € 255,- in geval van betekening, te vermeerderen met de wettelijke rente over de toegewezen bedragen vanaf de veertiende dag van het vonnis tot aan de dag van volledige betaling.

in voorwaardelijke reconventie

Als de rechtbank in conventie oordeelt dat de overeenkomst (ver)nietig(d) is of door Deymann is ontbonden, vordert Decoil dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

primair

voor recht verklaart dat de overeenkomst nietig is ex artikel 3:39 BW, dan wel vernietigd is op grond van artikel 3:40 lid 2 BW;

Deymann op grond van artikel 6:203 BW veroordeelt tot terugbetaling van de onverschuldigd betaalde bedragen aan Decoil van € 870.000,-, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de verzetdagvaarding tot aan de dag van volledige betaling;

subsidiair

- Deymann veroordeelt tot betaling van € 681.500,- op grond van artikel 6:271 BW, althans artikel 8:810 BW, dan wel artikel 7:92 BW, waarbij Deymann, al dan niet nader op te maken bij staat, ook wordt veroordeeld tot betaling van de waardevermeerdering van het schip, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de verzetdagvaarding tot aan de dag van volledige betaling;

met veroordeling van Deymann in de kosten van de procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente over het toegewezen bedrag vanaf de veertiende dag van het vonnis tot aan de dag van volledige betaling en in de nakosten ten bedrage van € 163,- zonder betekening, dan wel € 255,- in geval van betekening, te vermeerderen met de wettelijke rente over de toegewezen bedragen vanaf de veertiende dag van het vonnis tot aan de dag van volledige betaling.

Deymann concludeert tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van Decoil in de (na)kosten van de reconventie, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na het vonnis.

3. De beoordeling

Decoil is tijdig in verzet gegaan

Op de mondelinge behandeling waren partijen het erover eens dat Decoil op tijd in verzet is gegaan. De rechtbank volgt hen daarin en verklaart Decoil ontvankelijk in haar verzet.

eens over bevoegdheid en toepasselijk recht

Partijen zijn het erover eens dat de rechtbank Rotterdam bevoegd is en dat Nederlands recht (boek 8 BW) van toepassing is. De rechtbank volgt partijen daarin.

Decoil Rotterdam partij bij de overeenkomst

Op de mondelinge behandeling heeft Decoil afstand gedaan van het verweer dat de verkeerde partij is gedagvaard. Dit betekent dat Decoil Rotterdam als partij bij de met Deymann gesloten overeenkomst wordt beschouwd.

Decoil Group heeft zich borg gesteld

Wat Decoil Group betreft, volgt uit artikel 16 van die overeenkomst dat zij zich hoofdelijk borg heeft gesteld (“Garantiegever (Decoil Group B.V, met kvk nummer [nummer] ) garandeert en staat er jegens verhuurder hoofdelijk voor in, dat huurder haar verplichtingen uit deze overeenkomst jegens verhuurder ten volle nakomt; mocht onverhoopt een situatie ontstaan waarbij huurder haar verplichtingen jegens verhuurder uit deze overeenkomst niet naleeft c.q. niet kan naleven, dan zal Garantiegever (Decoil

Group B.V.) op eerste verzoek van verhuurder deze door huurder niet nagekomen

verplichtingen voor haar rekening en risico nakomen, als waren deze verplichtingen

door haarzelf aangegaan”). Dat Decoil Group de overeenkomst niet heeft ondertekend, doet daaraan niet af, gezien de eigen stelling van Deymann onder 1.1 van de verzetdagvaarding, dat beide partijen de overeenkomst hebben gesloten met Deymann. Anders dan Decoil stelt, is er dus sprake van hoofdelijkheid, maar zoals Deymann stelt, kan Decoil Group niet zelf op grond van de overeenkomst een vordering in voorwaardelijke reconventie instellen. Borgtocht is immers naar haar aard niet een wederkerige, maar een eenzijdige overeenkomst.

kern van het geschil en tussenconclusie

Deymann en Decoil zijn op 16 oktober 2019 een als “Overeenkomst van huur en verhuur/Bareboat Charter” aangeduide overeenkomst aangegaan ten aanzien van het schip “Doris Deymann”, dat Deymann aan Decoil ter beschikking heeft gesteld. Decoil heeft aan Deymann een borgsom betaald van € 200.000,-. Inclusief deze borg, heeft Decoil termijnbedragen tot in totaal € 740.000,- aan Deymann betaald.

Partijen verschillen van mening over hoe de overeenkomst moet worden benoemd. Volgens Deymann is de overeenkomst een huurovereenkomst en volgens Decoil is sprake van een (nietige/vernietigbare) huurkoopovereenkomst.

In de overeenkomst is bepaald dat Decoil drie jaar lang per maand aan Deymann een bedrag van € 26.600,- moet betalen. Daarna zou Decoil nog 1.3 miljoen euro moeten betalen om het schip te kopen.

Nadat Deymann Decoil diverse keren heeft gesommeerd om achterstallige betalingen vanaf juli 2021 tot 17 mei 2022, in totaal € 227.900,-, te voldoen, heeft Deymann op 17 mei 2022 de overeenkomst met ingang van 19 mei 2022 buitenrechtelijk ontbonden. Volgens Decoil bedroeg de huurachterstand tot en met mei 2022 slechts € 58.500,-, was deze tekortkoming te gering om ontbinding van de overeenkomst te rechtvaardigen en was zij bovendien eind maart 2022 nog met Deymann in onderhandeling over de financiële afwikkeling van de koopoptie van het schip.

Na de buitengerechtelijke ontbinding heeft Deymann het schip weer in haar bezit genomen. Volgens Deymann bevond het schip zich toen in sterk verslechterde staat. Deymann baseert dit op het deskundigenrapport van de door haar op 1 juni 2022 ingeschakelde deskundige Petermann GmbH (hierna: Petermann ). Naast de reparatiekosten van € 100.900,-, vordert Deymann ook betaling van Decoil van de expertisekosten van € 2.236,60. Decoil betwist dat het schip in slechte staat was. Volgens haar hadden alle geschilpunten moeten worden voorgelegd aan Expertisebureau Van den Elshout B.V. (hierna: Van den Elshout) en daarbij had Deymann Decoil in de gelegenheid moeten stellen om haar standpunten kenbaar te maken, wat Deymann niet heeft gedaan.

Partijen verschillen verder nog van mening over de vraag of sprake is van tijdverlet door toedoen van Decoil. Volgens Deymann is dat het geval en moet Decoil de daarmee gepaard gaande kosten van € 123.666,- aan haar vergoeden. Decoil betwist dat sprake is van tijdverlet.

Uiteindelijk is het de vraag of partijen na verrekening over en weer nog iets van elkaar te vorderen hebben. Op dit moment kan deze vraag nog niet worden beantwoord. Er moet een deskundige worden benoemd om de rechtbank voor te lichten. De rechtbank legt hierna uit waarom.

scheepshuurkoopovereenkomst

De kantonrechter heeft bij vonnis van 30 december 2022 geoordeeld dat de overeenkomst een scheepshuurkoopovereenkomst is. De rechtbank ziet geen reden om daarop terug te komen. Artikel 8:800 lid 1 BW bepaalt dat scheepshuurkoop van een in het in artikel 8:783 BW genoemde register teboekstaand binnenschip tot stand komt bij een notariële akte, waarbij de koper zich verbindt tot betaling van een prijs in termijnen, waarvan twee of meer termijnen verschijnen nadat de verkoper aan de koper het schip ter beschikking heeft gesteld en de verkoper zich verbindt tot eigendomsoverdracht van het binnenschip na algehele betaling van hetgeen door de koper krachtens de overeenkomst is verschuldigd. Vast staat dat sprake is van een teboekstaand schip dat is geregistreerd in de openbare registers in Duitsland. Verder staat in de aanhef en in artikel 7 van de overeenkomst dat Decoil verplicht was om het schip te kopen en Deymann verplicht was om het schip na betaling van de laatste termijn (bestaande uit een aflossingscomponent en huur) vrij en onbelast aan Decoil over te dragen (“Huurder heeft de verplichting het mts vrij en onbelast aan het einde van de huurtermijn van verhuurder te kopen en verhuurder verplicht zich dan vrij en onbelast te leveren aan huurder tegen een vast bedrag van € 1.850.000,-“). Dit zijn de kernverplichtingen van scheepshuurkoop. Gelet op het woord "kan" in artikel 8:801 lid 1 BW is het geen bestaansvereiste dat de akte wordt ingeschreven in de registers.

niet nietig/geen vernietigbaarheid

Dat geen notariële akte is opgemaakt, maakt niet dat de overeenkomst nietig of vernietigbaar is. Anders dan Deymann, oordeelt de rechtbank dat een notariële akte niet nodig is voor de totstandkoming van de huurkoopovereenkomst tussen partijen. Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat de ratio van een notariële akte is dat de verkoper (Deymann) een hypotheek vestigt ten behoeve van Decoil (“Daar de overeenkomst hypotheekverlening met zich brengt is een notariële akte bestaansvereiste”. Kamerstukken II 1986/87, 19 979, nr. 3, p. 39-40 (MvT) jo. Kamerstukken II 1983/84, 18 177, nr. 1-3, p. 9 (MvT)). Deymann heeft echter geen hypotheek gevestigd ten behoeve van Decoil. Dat de overeenkomst niet bij een notariële akte tot stand is gekomen, wil niet zeggen dat de overeenkomst nietig is op grond van artikel 3:39 BW. Het vormvereiste ziet immers niet op de overeenkomst tot scheepshuurkoop zelf, maar op de als gevolg daarvan verplichte hypotheek die de verkoper ter bescherming van de koper dient te verlenen op grond van artikel 8:805 lid 1 sub c BW. Omdat in dit geval niet gehandeld is in strijd met een dwingende wetsbepaling, ontbreekt ook de grondslag voor vernietigbaarheid van de overeenkomst op grond van artikel 3:40 lid 2 BW.

overeenkomst buitengerechtelijk ontbonden

Uit artikel 4.1. in combinatie met artikel 7.1. van de overeenkomst volgt dat de huurprijs € 6.500,- per maand bedraagt en de aflossingscomponent € 20.000,- per maand. De totale achterstand (huur en aflossing) bedroeg tot en met mei 2022 € 227.900,-. Dit is een substantiële tekortkoming die ontbinding op grond van artikel 11.1.c. van de overeenkomst en artikel 6:265, lid 1 BW rechtvaardigt (“Partijen zullen het recht hebben de onderhavige overeenkomst, zonder rechterlijke tussenkomst als ontbonden te beschouwen na aangetekende schriftelijke mededeling daarvan aan de andere partij, onverminderd het recht schadevergoeding te vorderen, ook voor die schade welke door de ontbinding mocht ontstaan, indien: één der partijen na sommatie in gebreke blijft zijn verplichtingen onder deze overeenkomst na te komen.”)

verrekening - artikel 8:810 BW

Door de buitengerechtelijke ontbinding hebben partijen in beginsel over en weer ongedaanmakingsverplichtingen. Artikel 8:810 BW geeft hiervoor een aparte en dwingendrechtelijke bepaling. Op grond van dit artikel zijn Deymann en Decoil bij ontbinding verplicht om direct tot volledige verrekening over te gaan, als één van hen als gevolg daarvan in een betere vermogenstoestand zou komen dan bij in stand blijven van de overeenkomst. Anders dan Decoil stelt, betekent ontbinding dus niet zonder meer dat Deymann alle aanbetalingen en de waarborgsom moet terugbetalen. De wijze van verrekening moet objectief en volledig zijn.

Artikel 8:810 lid 3 bepaalt dat ieder beding waarbij van dit artikel wordt afgeweken, nietig is. Artikel 12.1. van de overeenkomst, waar Deymann een beroep op doet, wijkt af van dit artikellid en is dus nietig (“Indien huurder niet aan zijn maandelijkse verplichtingen voldoet dan heeft verhuurder het recht om deze overeenkomst te ontbinden, waarbij verhuurder het recht houdt om eventuele schade, voortvloeiende uit deze overeenkomst, bij huurder te verhalen. Waarbij huurder dan zijn aanbetalingen van totaal

€ 200.000,- (...) verliest als vergoeding voor het niet nakomen van deze overeenkomst, alsmede uiteraard de reeds gedane maandelijkse betalingen”).

Meestal zal de terugname van het schip de verkoper bevoordelen, omdat de waarde van alle gedane betalingen, vermeerderd met de waarde van het schip, de totale koopsom samen met de schade zal overtreffen. Om te beoordelen of dit in dit geval ook zo is en Deymann dus bevoordeeld is, moet de rechtbank de gedane betalingen, de waarde van het schip en de schade vaststellen. Gelet op het uitgangspunt van artikel 8:810 BW dat één van de partijen als gevolg van de ontbinding niet in een betere vermogenstoestand mag komen, moet op de totaal door Deymann ontvangen betalingen en het objectief vast te stellen waardeverschil van het schip, een door Decoil te betalen en eveneens objectief vast te stellen redelijke vergoeding voor het gebruik van het schip in mindering worden gebracht.

gedane betalingen

Vast staat dat Decoil een bedrag van € 200.000,- aan borg heeft betaald en aan aflossingscomponenten een bedrag van € 540.000,-. In totaal heeft Decoil dus een bedrag van € 740.000,- aan Deymann betaald.

waarde van het schip

Deymann heeft het schip weer in haar bezit genomen. Voor de waarde van het schip als referentiepunt knoopt de rechtbank aan bij artikel 7.1. van de overeenkomst van 16 oktober 2019 waarin als waarde op dat moment het bedrag van € 1.850.000,- wordt genoemd. Volgens Decoil op de mondelinge behandeling wordt het schip nu getaxeerd op

€ 2.000.000,-. Omdat de rechtbank objectief moet vaststellen wat de waarde van het schip was op het moment van de buitengerechtelijke ontbinding (eventuele waardevermindering of waardevermeerdering), stelt de rechtbank partijen in de gelegenheid zich hierover nader uit te laten.

Waarschijnlijk heeft de rechtbank voorlichting door een deskundige nodig. De rechtbank stelt voor om Van den Elshout daarvoor te benoemen, omdat dit de deskundige is die bij het aangaan van de overeenkomst het “in hire” rapport heeft opgesteld en hij de deskundige is die partijen in artikel 14 van de overeenkomst hebben aangewezen als “scheidsdeskundige” (Alle geschilpunten van technische aard zullen door Partijen worden voorgelegd aan “Expertisebureau VAN DEN ELSHOUT B.V.”, Dhr John van den Elshout als scheidsdeskundige. De scheidsdeskundige dient partijen in de gelegenheid te stellen hun standpunten kenbaar te maken en daarna zijn advies uit te brengen. Aan dit advies zijn partijen gebonden. In zijn beslissing bepaalt de scheidsdeskundige ook zijn kosten. De kosten dienen daarbij te worden gedragen door de partij die in het ongelijk wordt gesteld”). De rechtbank stelt partijen in de gelegenheid om zich over dit voorstel, eventuele namen van andere deskundigen en de aan de deskundige voor te leggen vragen uit te laten.

schade

Anders dan Decoil aanvoert, is zij wel uitgenodigd voor de inspectie van het schip door Petermann op 1 juni 2022 om 9:30 uur (productie 15 van Deymann, e-mail van mr. van Zuethem van 24 mei 2022: “Met referte aan mijn e-mail van gisteren wordt u hierbij door cliënte uitgenodigd tot gemeenschappelijke vaststelling van de staat van het schip bij teruggave. De inspectie zal plaatsvinden op 1 juni 2022 om 9.30 uur te Dordrecht, Wilhelminahaven. Voor cliënte zal de heer [persoon A] van expertisebureau Petermann het schip gaan inspecteren.”). Decoil is daar niet op ingegaan. Zoals volgt uit het rapport heeft Petermann het inhuurrapport van Van den Elshout ontvangen en het rapport meegenomen in zijn oordeel (productie 8 van Deymann, pagina 3 bovenaan: “Abweichung zum On-Hire Bericht”). Decoil heeft niet betwist dat het rapport van Petermann in juni 2022 aan haar is gestuurd, dat zij daarop niet inhoudelijk heeft gereageerd en dat zij in de gelegenheid is gesteld om de schade zelf te herstellen. Daarom en omdat Decoil de bevindingen en de deskundigheid van Petermann op zichzelf niet gemotiveerd betwist, passeert de rechtbank het bewijsaanbod van Decoil om Van den Elshout een rapportage op te laten stellen en gaat de rechtbank voor het bepalen van de waardevermindering als gevolg van schade uit van de bevindingen van Petermann . Volgens Petermann bedraagt de schade aan het schip circa € 100.900,-. Petermann heeft daarbij de schade die reeds bij de “On-Hire Besichtigung” is vastgesteld, buiten beschouwing gelaten.

redelijke vergoeding voor gebruik schip

In artikel 4 van de overeenkomst wordt een “huurprijs” genoemd van € 26.500,- per maand. Zoals hiervoor onder 3.8 overwogen, bedroeg op grond van de overeenkomst de huurprijs € 6.500,- per maand en de aflossingscomponent € 20.000,- per maand. Deymann stelt dat deze financiële opstelling was bedoeld voor als de koop doorging en dat € 6.500,- per maand geen marktconform bedrag is voor het ter beschikking stellen van het schip als de koop niet doorgaat, zoals in dit geval. Volgens Deymann is € 26.500,- per maand een marktconform bedrag in de betreffende periode. Ter onderbouwing verwijst Deymann naar een verklaring van de heer [persoon B] van Unibarge B.V. Hij verklaart dat Unibarge B.V. soortgelijke schepen in de jaren 2020 tot en met 2022 huurde voor € 30.000,- tot € 32.000,- per maand. Omdat de rechtbank objectief moet vaststellen wat een marktconform bedrag per maand is en Decoil zich hierover nog onvoldoende heeft kunnen uitlaten, stelt de rechtbank partijen in de gelegenheid om zich hierover nader uit te laten en ook de namen van een eventuele deskundige te noemen en de aan de deskundige voor te leggen vragen, voor het geval de rechtbank ook op dit punt voorlichting van een deskundige nodig heeft.

tijdverlet

Volgens Deymann is sprake van tijdverlet. Op de mondelinge behandeling heeft Deymann met toestemming van de rechter haar eis vermeerderd, in die zin dat het tijdverlet vanaf het moment van ontbinding (19 mei 2022) tot en met het einde van de reparatie werkzaamheden (6 oktober 2022), € 123.666,- bedraagt (140 dagen keer € 883,- per dag). Ook heeft zij subsidiair de grondslag aangevuld met onrechtmatige daad, in die zin dat door toedoen van Decoil het schip niet kon worden gebruikt. Decoil heeft nog niet kunnen reageren op de eiswijziging. De rechtbank stelt haar in de gelegenheid om dat alsnog bij akte na tussenvonnis te doen.

verdere beslissingen aangehouden

De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan (zoals over de in conventie gevorderde expertisekosten, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten en over de reconventie).

4. De beslissing

De rechtbank

verklaart Decoil ontvankelijk in het verzet tegen het verstekvonnis van de kantonrechter van deze rechtbank van 23 augustus 2022 met zaaknummer 10036575 CV EXPL 22-23882;

in conventie

verwijst de zaak naar de rol van 13 maart 2024 voor akte uitlaten partijen over:

- de waarde van het schip op het moment van de buitengerechtelijke ontbinding

- de redelijke vergoeding voor gebruik van het schip

- het voorstel van de rechtbank om Van den Elshout te benoemen als deskundige

- eventuele namen van andere deskundigen

- de aan de deskundige voor te leggen vragen;

verwijst de zaak naar de rol van 13 maart 2024 voor akte uitlaten Decoil op de eiswijziging van Deymann;

houdt iedere verdere beslissing aan;

in reconventie

houdt iedere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.C. Santema en in het openbaar uitgesproken op 14 februari 2024.

615/32

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?