[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995, ingeschreven in de basisregistratie personen op [adres] , [postcode] [woonplaats] , raadsvrouw mr. L. Huigsloot, advocaat te Rotterdam.
Officier van justitie: N.J.P. Coenen
Beschuldiging
De verdachte wordt beschuldigd van invoer van een partij cocaïne van 92 kilo, subsidiair van de voorbereiding van invoer. De volledige tenlastelegging houdt in dat de verdachte:
in of omstreeks de periode van 23 oktober 2023 tot en met 7 november 2023 te Rotterdam
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, waaronder zoals bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 92 kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
subsidiair
hij op of omstreeks 7 november 2023 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten
van ongeveer 92 kilogram cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van
de Opiumwet
door
Bewijs
Vordering officier van justitie
De officier van justitie vindt dat het primair tenlastegelegde feit bewezen kan worden.
Oordeel van de rechtbank
Niet kan worden bewezen dat er sprake is geweest van medeplegen, zodat de verdachte daarvan wordt vrijgesproken. Voor de bewezenverklaring van medeplegen moet er een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachten zijn geweest. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, houdt de rechtbank onder meer rekening met de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding en de uitvoering of afhandeling van het delict. Kortgezegd moet de verdachte een wezenlijke en significante bijdrage hebben geleverd aan de invoer van de cocaïne. De verdachte heeft zich met zijn vrachtwagen begeven naar het haventerrein om een container op te halen. Deze container heeft hij vervolgens vervoerd naar de aangegeven locatie. Deze gedragingen zijn in de kern te duiden als het bevorderen en/of vergemakkelijken van de invoer en de verdachte heeft daarmee een zekere bijdrage geleverd aan de invoer. Deze bijdrage vindt de rechtbank echter niet substantieel en wezenlijk genoeg om het als medeplegen van invoer te kunnen bewijzen. Op basis hiervan volgt vrijspraak voor het primair tenlastegelegde feit. Zijn handelingen zijn wel voldoende om te kunnen voorbereidingshandelingen van de invoer te bewijzen.
Bewezenverklaring
Bewezen is dat de verdachte:
subsidiair
op 7 november 2023 te Rotterdam, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en te bevorderen, te weten
door
Bewijsmotivering
De bewezenverklaring steunt op de inhoud van de hieronder opgenomen bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen
3. Onderzoek van de politie/douane
Verboden gedragingen en strafbaarheid
Kwalificatie
Om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, het zich en een ander gelegenheid, middelen en inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en vervoermiddelen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.
Strafbaarheid feiten en verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.
Straf
Vordering officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte voor de bewezenverklaarde feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden waarvan 18 voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest, en een proeftijd van 3 jaar. De officier van justitie heeft verder geëist dat daarbij de volgende bijzondere voorwaarden worden opgelegd: een meldplicht bij de reclassering en een contactverbod met de medeverdachten.
Oordeel rechtbank
Gepleegde feiten
De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan de voorbereidings-handelingen met betrekking tot de invoer van 94 kilogram cocaïne. Als vrachtwagenchauffeur fungeerde hij als vervoerder van de container. Op de [naam terminal] heeft de verdachte een container gekregen en deze heeft hij vervolgens van het opslagterrein naar een parkeerplaats gereden. Hier zijn de twee medeverdachten, de uithalers, vervolgens in de container gestapt. Met zijn handelen heeft de verdachte een bijdrage geleverd aan de internationale drugshandel. Harddrugs vormen een groot gevaar voor de volksgezondheid. De handel in harddrugs gaat bovendien vaak direct dan wel indirect gepaard met andere vormen van (zware) criminaliteit, met alle gevolgen van dien. Dit alles vergroot de gevoelens van onveiligheid in de samenleving.
Persoon verdachte
Uit het strafblad van 8 december 2023 blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld. De verdachte is een first offender.
De verdachte heeft bij de politie direct openheid van zaken gegeven en in detail verklaard over zijn handelen. Hij verklaarde dat hij zijn eigen transportbedrijf heeft en een eigen vrachtwagen. Dit was ook de vrachtwagen die hij had toen hij aangehouden werd. Een maand voor het feit is de verdachte benaderd door een onbekende die vertelde dat hij makkelijk werk voor hem had. De man gaf aan dat het een rederij betrof en dat hij een container eruit wilde laten halen. De verdachte zou voor deze opdracht €5.000,- krijgen. Hoewel hij aanvankelijk aangegeven had hier niets mee te maken willen hebben, is hij uiteindelijk onder dreiging van de opdrachtgever akkoord gegaan. De verdachte heeft tijdens de zitting verantwoordelijkheid voor zijn handelen genomen. Hij verklaart dat hij veel spijt heeft dat hij de opdracht om de vrachtwagen te besturen heeft geaccepteerd. Hij beseft dat hij zichzelf en zijn familie hiermee in een lastige situatie heeft gebracht. Gevoelsmatig kon hij echter geen kant op: hij wist niet hoe hij het moest oplossen, zonder dat hem of zijn familie iets zou worden aangedaan. De verdachte wenst daarom begeleiding vanuit de reclassering om te voorkomen dat hij in de toekomst in vergelijkbare situaties terechtkomt.
Reclassering Nederland (hierna: de reclassering) heeft een advies over de verdachte
uitgebracht, gedateerd 19 februari 2024. Hieruit volgt dat de verdachte negen jaar geleden naar Nederland is gekomen en dat hij een goed bestaan heeft opgebouwd. Hij heeft een eigen bedrijf, een vrouw en twee kinderen, een huurwoning en een stabiel sociaal netwerk. Dit zijn allemaal beschermende factoren. Met betrekking tot het delict lijkt de verdachte een volledig verkeerde inschatting gemaakt te hebben. De reclassering adviseert om die reden een meldplicht, zodat hij iemand heeft om zijn dilemma’s mee te bespreken.
Straf
Gezien de ernst van de feiten kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een relatief lange gevangenisstraf. De rechtbank heeft gelet op de opgelegde straffen in soortgelijke zaken.
De rechtbank zal in straf verlagende zin afwijken van de eis van de officier van justitie, nu de verdachte van het onder 1 primair ten laste gelegde wordt vrijgesproken. Daarnaast wordt er in positieve zin rekening mee gehouden dat de verdachte een bekennende verklaring heeft afgelegd waarin hij verklaard heeft over zijn betrokkenheid.
Een deel van de voorgenomen straf zal voorwaardelijk worden opgelegd, met daarbij de voorwaarden die hierna worden genoemd. Dit voorwaardelijk strafdeel biedt de verdachte ook de kans om zijn leven weer verder op te pakken. De verdachte had vóór het plegen van het strafbare feit een stabiel leven opgebouwd; het is de bedoeling dat hij hier weer naar terugkeert.
De algemene en bijzondere voorwaarden - kort gezegd: een meldplicht bij de reclassering en ene contactverbod - moeten de verdachte helpen om het niet meer zover te laten komen. Als hij weer in de fout gaat en strafbare feiten pleegt kan het voorwaardelijke deel, 18 maanden gevangenisstraf, alsnog ten uitvoer worden gelegd. Dat kan bij voorbereidingshandelingen voor de invoer van drugs zoals nu is bewezenverklaard en bij ieder ander strafbaar feit.
Wettelijke voorschriften
Bij de strafoplegging is gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c en 47 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 10a van de Opiumwet.
Beslag
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd de in beslaggenomen vrachtauto verbeurd te verklaren, aangezien deze gebruikt is ten behoeve van het strafbare feit.
Beoordeling
De rechtbank is het met de officier van justitie eens dat de vrachtauto gebruikt is voor het plegen van een strafbaar feit. De verdachte is echter sterk afhankelijk van de vrachtauto nu hij zijn transportbedrijf niet kan voortzetten zonder dit vervoersmiddel. De rechtbank oordeelt daarom dat de vrachtauto wordt teruggegeven.
Beslissingen
De rechtbank:
verklaart bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde feit heeft begaan;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 28 (achtentwintig) maanden waarvan 18 (achttien) maanden voorwaardelijk;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 3 (drie) jaren;
tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd een bijzondere voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;
stelt als algemene voorwaarde:
de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;
stelt als bijzondere voorwaarden:
geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:
gelast de teruggave aan verdachte van:
1 STK vrachtauto met kenteken [kentekennummer] ( [nummer 2] ).
Dit vonnis is gewezen door J.H. Janssen, voorzitter,
en A.J.P. van Essen en L. Postma, rechters,
in tegenwoordigheid van D.C. van Beek, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting op 27 februari 2024.
De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.