[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990, ingeschreven in de basisregistratie personen op [adres] , [postcode] [woonplaats] , raadsman mr. J.C. Herrewijnen, advocaat te Rotterdam.
Officier van justitie: N.J.P. Coenen
Beschuldiging
De verdachte wordt beschuldigd van invoer van een partij cocaïne van 92 kilo, subsidiair van de voorbereiding van invoer. Daarnaast wordt hij beschuldigd van niet-ambtelijke omkoping. De volledige tenlastelegging houdt in dat de verdachte:
1.
in of omstreeks de periode van 23 oktober 2023 tot en met 7 november 2023 te Rotterdam
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, waaronder zoals bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 92 kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
subsidiair
hij in of omstreeks de periode van 6 november 2023 tot en met 7 november 2023 teRotterdam, althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet,voor te bereiden en/of te bevorderen,te weten
2.
in of omstreeks de periode van 6 november 2023 tot en met 7 november 2023 teRotterdam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, anders dan als ambtenaar, te weten als [naam functie] , werkzaam zijnde in dienstbetrekking bij [bedrijf] , naar aanleiding van hetgeen hij, verdachte, in strijd met zijn plicht in zijn betrekking heeft gedaan of nagelaten dan wel zou doen of nalaten, een gift, belofte en/of dienst, te weten een belofte van een geldbedrag en/of een beloning heeftaangenomen, terwijl hij verdachte dit aannemen in strijd met de goede trouw heeftverzwegen tegenover zijn werkgever;
Bewijs
1 subsidiair
2
Vordering officier van justitie
De officier van justitie vindt dat de ten laste gelegde feiten 1 en 2 bewezen kunnen worden.
Oordeel rechtbank
Niet kan worden bewezen dat er sprake is geweest van medeplegen, zodat de verdachte daarvan wordt vrijgesproken. Voor de bewezenverklaring van medeplegen moet er een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachten zijn geweest. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, houdt de rechtbank onder meer rekening met de intensiteit van de samenwerking, de rol in de voorbereiding en de uitvoering of afhandeling van het delict. Kortgezegd moet de verdachte een wezenlijke en significante bijdrage hebben geleverd aan de invoer van de cocaïne. In het geval van de verdachte was zijn rol in zijn geheel echter beperkt. De verdachte heeft het online systeem van [bedrijf] geraadpleegd en met een empty-handler de lege container op de vrachtwagen geplaatst. Hij heeft hierin geen contact gehad met de vrachtwagenchauffeur of de uithalers. Op basis van deze handelingen is de rechtbank van oordeel dat de verdachte wellicht een belangrijke rol had, maar dat deze niet van voldoende gewicht is om van medeplegen te kunnen spreken. De handelingen zijn wel voldoende om te kunnen spreken van voorbereidingshandelingen, zodat het subsidiaire feit wettig en overtuigend bewezen kan worden. De verdachte wordt vrijgesproken van het onder feit 1 primair ten laste gelegde.
Bewezenverklaring
Bewezen is dat de verdachte:
in de periode van 6 november 2023 tot en met 7 november 2023 te Rotterdam, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en te bevorderen, te weten
hij in de periode van 6 november 2023 tot en met 7 november 2023 te Rotterdam, anders dan als ambtenaar, te weten als [naam functie] , werkzaam zijnde in dienstbetrekking bij [bedrijf] , naar aanleiding van hetgeen hij, verdachte, in strijd met zijn plicht in zijn betrekking heeft gedaan, een dienst, te weten een belofte van een geldbedrag heeft aangenomen, terwijl hij verdachte dit aannemen in strijd met de goede trouw heeft verzwegen tegenover zijn werkgever.
Bewijsmotivering
De bewezenverklaring steunt op de inhoud van de hieronder opgenomen bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen
3. Onderzoek van de politie/douane
Verboden gedragingen en strafbaarheid
Kwalificatie
1.
Om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, het zich en een ander gelegenheid, middelen en inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en voorwerpen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.
2.
Het anders dan als ambtenaar, werkzaam zijnde in dienstbetrekking, naar aanleiding van hetgeen hij in strijd met zijn plicht in zijn betrekking heeft gedaan, aannemen van een gift.
Strafbaarheid feiten en verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.
Straf
Vordering officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte voor de bewezenverklaarde feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden waarvan 12 voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest, en een proeftijd van 3 jaar. De officier van justitie heeft verder geëist dat daarbij de volgende bijzondere voorwaarden worden opgelegd: een meldplicht bij de reclassering, gedragsinterventie cognitieve vaardigheden en het meewerken aan schuldhulpverlening.
Oordeel rechtbank
Gepleegde feiten
De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan voorbereidings-handelingen met betrekking tot de invoer van 92 kilogram cocaïne. Binnen zijn functie als [naam functie] bij [bedrijf] heeft de verdachte op onrechtmatige wijze een container bij het containerdepot uitgegeven. Dit deed hij door de container in de gaten te houden en het depot, waar de lege container naar terug moet keren, te wijzigen in het systeem. Met gebruik van een zogenaamde ‘Empty Handler’ kon de container met cocaïne op de vrachtwagen worden geplaatst. Deze werkzaamheden waren die dag niet toebedeeld aan de verdachte en er was dus geen legitieme reden om deze container vanuit het stack op de aanhanger te plaatsen. Deze handelingen heeft hij binnen zijn dienstverband en in ruil voor een beloofd geldbedrag uitgevoerd, zodat hij zich hiermee ook schuldig heeft gemaakt aan niet-ambtelijke omkoping.
Met zijn handelen heeft de verdachte een bijdrage geleverd aan de internationale drugshandel. Harddrugs vormen een groot gevaar voor de volksgezondheid. De handel in harddrugs gaat bovendien vaak direct dan wel indirect gepaard met andere vormen van (zware) criminaliteit, met alle gevolgen van dien. Dit alles vergroot de gevoelens van onveiligheid in de samenleving. De verdachte heeft door zijn handelen daarnaast misbruik gemaakt van het vertrouwen dat zijn werkgever in hem heeft gesteld.
Persoon verdachte
Uit het strafblad van 8 december 2023 blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld. De verdachte is een first offender.
De verdachte heeft vanaf zijn aanhouding zeer uitgebreid en gedetailleerd verklaard over zijn betrokkenheid bij de feiten. Daarnaast heeft hij op de zitting aangegeven waarom hij heeft gedaan wat hij heeft gedaan. Hij heeft zich laten verleiden door het idee geld te verdienen om zijn hoge schulden af te kunnen lossen. De verdachte verklaart dat hij naar bed ging met geldzorgen en er ook weer mee opstond. Uiteindelijk is hij, naar eigen zeggen, op het verkeerde moment door iemand benaderd om geld te verdienen. Door een onbekende man werden meerdere rolletjes bankbiljetten ter waarde van in totaal €500,- in zijn auto gegooid. In plaats van deze terug te gooien, heeft de verdachte de biljetten aangenomen. Van het één kwam zo het ander. De verdachte heeft inmiddels gereflecteerd op zijn handelen en ziet in dat hij verkeerde keuzes gemaakt heeft.
Reclassering Nederland (hierna: de reclassering) heeft een advies over de verdachte uitgebracht op 20 februari 2024. Hieruit blijkt dat de gepleegde feiten voortkomen uit een financieel motief. De verdachte heeft hoge schulden en kan niet goed met zijn geld omgaan. De financiën worden om die reden als delict gerelateerd gezien. Aangezien zijn financiën nog niet op orde zijn, ziet de reclassering dit als risicoverhogend voor toekomstig delictgedrag. Daarnaast merkt de reclassering op dat de verdachte kwetsbaar is ten aanzien van zijn weerbaarheid. Hij heeft aangegeven dat hij beïnvloedbaar is en moeilijk zijn grenzen kan aangeven. Hierdoor is er een samenhang tussen de financiële problemen en de kwetsbaarheid van de verdachte enerzijds en het delict anderzijds. Volgens de reclassering is het daarom raadzaam dat de verdachte begeleiding en hulp krijgt om hier verandering in De verdachte heeft aangegeven gemotiveerd te zijn om hiermee aan de slag te gaan en weer financieel gezond te worden.
Straf
De ernst van de feiten rechtvaardigt in beginsel een relatief lange gevangenisstraf. De rechtbank heeft hierbij gelet op de opgelegde straffen in soortgelijke zaken.
De rechtbank zal in strafverlagende zin afwijken van de eis van de officier van justitie, nu de verdachte van het onder 1 primair ten laste gelegde wordt vrijgesproken. De rechtbank komt op een gevangenisstraf met een totaalduur van 28 maanden. Het overgrote deel daarvan, 18 maanden, wordt voorwaardelijk opgelegd. De straf is gelijk aan de straf van zijn medeverdachten in deze zaak. Hoewel de verdachte zich - anders dan zijn medeverdachten - ook schuldig heeft gemaakt aan een tweede feit, vindt de rechtbank zijn rol in het geheel zodanig dat deze straf passend is.
Dat een groot deel van de op te leggen gevangenisstraf voorwaardelijk is, biedt de verdachte de kans om het anders te gaan doen. Daarbij wordt hij geholpen door de algemene voorwaarde en bijzondere voorwaarden. De algemene voorwaarde waarschuwt hem. Als hij weer in de fout gaat en strafbare feiten pleegt kan het voorwaardelijke deel, 18 maanden gevangenisstraf, alsnog worden tenuitvoergelegd. Dat kan bij voorbereidingshandelingen voor de invoer van drugs zoals nu is bewezenverklaard en bij ieder ander strafbaar feit.
De bijzondere voorwaarden moeten de verdachte ook helpen om het niet zover te laten komen. Met begeleiding van de reclassering is het de bedoeling dat hij zijn leven weer in goede banen gaat leiden.
Wettelijke voorschriften
Bij de strafoplegging is gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47 en 328ter van het Wetboek van Strafrecht en artikel 10a van de Opiumwet.
Beslissingen
De rechtbank:
verklaart bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde feit heeft begaan
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 28 (achtentwintig) maanden waarvan 18 (achttien) maanden voorwaardelijk;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 3 (drie) jaren;
tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd een bijzondere voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;
stelt als algemene voorwaarde:
de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;
stelt als bijzondere voorwaarden:
geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.
Dit vonnis is gewezen door J.H. Janssen, voorzitter,
en A.J.P. van Essen en L. Postma, rechters,
in tegenwoordigheid van D.C. van Beek, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting op 27 februari 2024.
De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.