[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992, ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] , [postcode] [woonplaats] , raadsvrouw D.K. Roelofsen, advocaat te Rotterdam.
Officier van justitie: N.J.P Coenen
Beschuldiging
De verdachte wordt beschuldigd van invoer van een partij cocaïne van 92 kilo, subsidiair van de voorbereiding van invoer. De volledige tenlastelegging houdt in dat de verdachte:
in of omstreeks de periode van 23 oktober 2023 tot en met 7 november 2023 te Rotterdam
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, waaronder zoals bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 92 kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
subsidiair
hij op of omstreeks 7 november 2023 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten
van ongeveer 92 kilogram cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van
de Opiumwet
door
Bewijs
Vordering officier van justitie
De officier van justitie vindt dat het primair tenlastegelegde feit bewezen kan worden.
Bewezenverklaring
Bewezen is dat de verdachte:
subsidiair
op 7 november 2023 te Rotterdam, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en te bevorderen, te weten
van ongeveer 92 kilogram cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,
door
Bewijsmotivering
De bewezenverklaring steunt op de inhoud van de hieronder opgenomen bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen
3. Onderzoek van de politie/douane
Verboden gedragingen en strafbaarheid
Kwalificatie
Om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, het zich en een ander gelegenheid, middelen en inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en voorwerpen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.
Strafbaarheid feiten en verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.
Straf
Vordering officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte voor de bewezenverklaarde feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden waarvan 18 voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest, en een proeftijd van 3 jaar. De officier van justitie heeft verder geëist dat daarbij de volgende bijzondere voorwaarden worden opgelegd: een meldplicht bij de reclassering en een inspanningsverplichting ten aanzien van een gestructureerde dagbesteding.
Oordeel rechtbank
Gepleegde feiten
De verdachte heeft zich als uithaler schuldig gemaakt aan het voorbereiden van de invoer van 92 kilogram cocaïne. Met zijn handelen heeft de verdachte een bijdrage geleverd aan de internationale drugshandel. Harddrugs vormen een groot gevaar voor de volksgezondheid. De handel in harddrugs gaat bovendien vaak direct dan wel indirect gepaard met andere vormen van (zware) criminaliteit, met alle gevolgen van dien. Dit alles vergroot de gevoelens van onveiligheid in de samenleving.
Rol verdachte De rol van de verdachte bij de invoer is die van de zogenaamde uithaler. Uithalers halen de in containers ‘bijgepakte’ cocaïne uit de haven of verplaatsen die naar andere containers zodat anderen deze later onopgemerkt uit de haven kunnen ophalen. Aan de ene kant is deze rol een hele belangrijke rol bij het plegen van georganiseerde, ondermijnende criminaliteit die de invoer van cocaïne is. De uithalersactiviteiten zijn immers van essentieel belang om het cocaïnetransport goed te laten verlopen en daarmee zijn uithalers een onmisbare schakel in de internationale transportketen van cocaïne. Aan de andere kant is de rol van de verdachte in het geheel beperkt. Het werk van de uithaler is niet meer en niet minder dan de cocaïne voor de eigenaren van die cocaïne uit de haven krijgen. Dat kan een kleine of een grote partij blijken te zijn, hetgeen voor de aard van de werkzaamheden op zich geen groot verschil maakt. Het is een bijzonder risicovolle klus waar andere betrokkenen in de keten hun handen niet graag aan vuil maken.
Persoon verdachte
Uit het strafblad van 8 december 2023 blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld. De verdachte is een first offender.
De verdachte zwijgt bij het eerste politieverhoor, maar bij zijn tweede verhoor legt hij toch een bekennende verklaring af. Hierin verklaart hij dat hij benaderd is om drugs uit een container te halen. Op de zitting vertelt hij hier meer over. Met de klus zou hij €7.000,- verdienen. De verdachte beseft dat hij een domme keuze heeft gemaakt en hij heeft hier veel spijt van. Wegens schulden en werkeloosheid moest hij leven van €70,- per week, waardoor hij bezweken is voor het idee van snel geld. Ook is de fysieke gesteldheid van de verdachte niet optimaal geweest. Wegens een operatie is hij lange tijd afhankelijk geweest van zware medicatie, waardoor hij hier verslaafd aan is geraakt.
De verdachte wil zich nu op de toekomst richten. Sinds 2020 is zijn schuldbemiddelings-traject officieel afgerond. Daarnaast is hij begonnen met vrijwilligerswerk in een bejaardentehuis en is hij van plan om een opleiding in de zorg te gaan volgen. Daarnaast is hij ‘afgekickt’ van de medicatie. De verdachte is bereid zich aan de gestelde voorwaarden te houden.
Straf
Gezien de ernst van de feiten kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een relatief lange gevangenisstraf. De rechtbank heeft hierbij gelet op de opgelegde straffen in soortgelijke zaken.
De rechtbank zal in licht strafverlagende zin afwijken van de eis van de officier van justitie, nu de verdachte van het onder 1 primair ten laste gelegde wordt vrijgesproken. Daarnaast houdt de rechtbank er rekening mee dat de verdachte uiteindelijk een bekennende verklaring heeft afgelegd en daarmee verantwoordelijkheid voor zijn handelen neemt.
De algemene en bijzondere voorwaarden - kort gezegd: een meldplicht bij de reclassering en een inspanningsverplichting ten aanzien van een gestructureerde dagbesteding - moeten de verdachte ook helpen om het niet meer zover te laten komen. Als hij weer in de fout gaat en strafbare feiten pleegt kan het voorwaardelijke deel, 18 maanden gevangenisstraf, alsnog ten uitvoer worden gelegd. Dat kan bij voorbereidingshandelingen voor de invoer van drugs zoals nu is bewezenverklaard en bij ieder ander strafbaar feit.
Wettelijke voorschriften Bij de strafoplegging is gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c en 47 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 10a van de Opiumwet.
Beslissingen
De rechtbank:
verklaart bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde feit heeft begaan
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 28 (achtentwintig) maanden waarvan 18 (achttien) maanden voorwaardelijk;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 3 (drie) jaren;
tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd een bijzondere voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;
stelt als algemene voorwaarde:
de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;
stelt als bijzondere voorwaarden:
geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.
Dit vonnis is gewezen door J.H. Janssen, voorzitter,
en A.J.P. van Essen en L. Postma, rechters,
in tegenwoordigheid van D.C. van Beek, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting op 27 februari 2024.
De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.