[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000, ingeschreven in de basisregistratie personen op [adres] , [postcode] [woonplaats] , raadsvrouw mr. Boonstra, advocaat te Rotterdam.
Officier van justitie: N.J.P. Coenen
Beschuldiging
De verdachte wordt beschuldigd van invoer van een partij cocaïne van 92 kilo, subsidiair van de voorbereiding van invoer. De volledige tenlastelegging houdt in dat de verdachte:
in of omstreeks de periode van 23 oktober 2023 tot en met 7 november 2023 te Rotterdam
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, waaronder zoals bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 92 kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
subsidiair
hij op of omstreeks 7 november 2023 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten
van ongeveer 92 kilogram cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van
de Opiumwet
door
Beslissingen over het bewijs
Vordering officier van justitie
De officier van justitie vindt dat het primair ten laste gelegde feit bewezen kan worden.
Oordeel rechtbank
Bewezenverklaring
Bewezen is dat de verdachte:
subsidiair
op 7 november 2023 te Rotterdam, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en te bevorderen, te weten
van ongeveer 92 kilogram cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,
door
Bewijsmotivering
De bewezenverklaring steunt op de inhoud van de hieronder opgenomen bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen
3. Onderzoek van de politie/douane
Verboden gedragingen en strafbaarheid
Kwalificatie
Om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, het zich en een ander gelegenheid, middelen en inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en voorwerpen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.
Strafbaarheid feiten en verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.
Straf
Vordering officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte voor de bewezenverklaarde feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden waarvan 18 voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest, en een proeftijd van 3 jaar. De officier van justitie heeft verder geëist dat daarbij bijzondere voorwaarden worden opgelegd: een meldplicht bij de reclassering, gedragsinterventie cognitieve vaardigheden, begeleid wonen of maatschappelijke opvang, een contact- en locatieverbod en een inspanningsverplichting ten aanzien van een gestructureerde dagbesteding.
Oordeel rechtbank
Gepleegde feiten
De verdachte heeft zich als uithaler schuldig gemaakt aan het voorbereiden van de invoer van 92 kilogram cocaïne. Met zijn handelen heeft de verdachte een bijdrage geleverd aan de internationale drugshandel. Harddrugs vormen een groot gevaar voor de volksgezondheid. De handel in harddrugs gaat bovendien vaak direct dan wel indirect gepaard met andere vormen van (zware) criminaliteit, met alle gevolgen van dien. Dit alles vergroot de gevoelens van onveiligheid in de samenleving.
Rol van de verdachte De rol van de verdachte bij de invoer is die van de zogenaamde uithaler. Uithalers halen de in containers ‘bijgepakte’ cocaïne uit de haven of verplaatsen die naar andere containers zodat anderen deze later onopgemerkt uit de haven kunnen ophalen. Aan de ene kant is deze rol een hele belangrijke rol bij het plegen van georganiseerde, ondermijnende criminaliteit die de invoer van cocaïne is. De uithalersactiviteiten zijn immers van essentieel belang om het cocaïnetransport goed te laten verlopen en daarmee zijn uithalers een onmisbare schakel in de internationale transportketen van cocaïne. Aan de andere kant is de rol van de verdachte in het geheel beperkt. Het werk van de uithaler is niet meer en niet minder dan de cocaïne voor de eigenaren van die cocaïne uit de haven krijgen. Dat kan een kleine of een grote partij blijken te zijn, hetgeen voor de aard van de werkzaamheden op zich geen groot verschil maakt. Het is een bijzonder risicovolle klus waar andere betrokkenen in de keten hun handen niet graag aan vuil maken.
Persoon verdachte
Uit het strafblad van 18 januari 2024 blijkt dat de verdachte in het verleden weliswaar eerder is veroordeeld, maar niet voor een Opiumwetmisdrijf.
De verdachte heeft op de zitting uitgebreid verklaard over zijn betrokkenheid. Hij vertelt dat hij in zijn wijk benaderd is om eenvoudig geld te verdienen door drugs uit te halen. Hoewel hij niet concreet wil aangeven om hoeveel geld het gaat, zou het gaan om een paar duizend euro. De verdachte was in geldnood, had weinig boodschappen in huis en zijn moeder kampte met schulden. Hij kon het geld dus goed gebruiken. De verdachte heeft vervolgens ja gezegd zonder er verder over na te denken. De verdachte heeft verder verklaard dat hij positief naar de toekomst wil kijken en niet meer op de straat wil belanden. Hij staat er voor open om begeleid te gaan wonen en heeft een certificaat behaald om als flensmonteur aan de slag te gaan.
Reclassering Nederland (hierna: de reclassering) heeft een advies over de verdachte
uitgebracht, gedateerd 4 januari 2024. Hieruit volgt dat er op een aantal leefgebieden
problemen bestaan, zoals zijn psychosociaal functioneren, financiën en dagbesteding. Toen
hij het strafbare feit pleegde had hij geen inkomen, geen werk en was hij makkelijk over te
halen om op illegale wijze geld te verdienen. De kans dat de verdachte opnieuw een
soortgelijk feit pleegt wordt ingeschat op hoog, aangezien de verdachte geen
startkwalificaties voor de arbeidsmarkt heeft en fysieke problemen zijn deelname aan de
arbeidsmarkt bemoeilijken. Uit het rapport blijkt bovendien dat de verdachte moeite heeft
met autoriteit en dat hij het lastig vindt om afspraken na te komen. Dit volgt ook uit zijn
hulpverleningsgeschiedenis. Hoewel hij onder toezicht van zowel jeugd- als
volwassenreclassering heeft gestaan, heeft dit niet geleid tot blijvende gedragsverandering.
De reclassering vindt echter dat de verdachte een nieuwe kans verdient om zijn leven op de
rit te krijgen. Bij een veroordeling adviseren zij daarom een (deels) voorwaardelijke straf
met bijzondere voorwaarden.
Straf
Gezien de ernst van de feiten kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een relatief lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank heeft hierbij gelet op de opgelegde straffen in soortgelijke zaken.
De rechtbank zal in straf licht verlagende zin afwijken van de eis van de officier van justitie, nu de verdachte van het onder 1 primair ten laste gelegde wordt vrijgesproken. Daarnaast houdt de rechtbank er rekening mee dat de verdachte openheid van zaken heeft gegeven over zijn eigen rol in het geheel. Hoewel dit de ernst van de feiten niet minder erg maakt, laat dit wel zien dat de verdachte verantwoordelijkheid wil nemen voor zijn gedrag.
Een deel van de straf zal de rechtbank voorwaardelijk opleggen als stok achter de deur. Dit heeft als doel de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst nogmaals schuldig te maken aan strafbare feiten. Aangezien de reclassering de kans groot acht dat de verdachte opnieuw een soortgelijk feit begaat, is het van belang dat zijn probleemgebieden verbeterd worden. De rechtbank legt daarom alle bijzondere voorwaarden op die hiervoor noodzakelijk worden geacht door de reclassering.
De algemene en bijzondere voorwaarden - kort gezegd: een meldplicht bij de reclassering en een inspanningsverplichting ten aanzien van een gestructureerde dagbesteding - moeten de verdachte ook helpen om het niet meer zover te laten komen. Als hij weer in de fout gaat en strafbare feiten pleegt kan het voorwaardelijke deel, 18 maanden gevangenisstraf, alsnog ten uitvoer worden gelegd. Dat kan bij voorbereidingshandelingen voor de invoer van drugs zoals nu is bewezenverklaard en bij ieder ander strafbaar feit.
Wettelijke voorschriften
Bij de strafoplegging is gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c en 47 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 10a van de Opiumwet.
Beslissingen
De rechtbank:
verklaart bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde feit heeft begaan
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 28 (achtentwintig) maanden waarvan 18 (achttien) maanden voorwaardelijk;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 3 (drie) jaren;
tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd een bijzondere voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;
stelt als algemene voorwaarde:
de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;
stelt als bijzondere voorwaarden:
geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.
Dit vonnis is gewezen door J.H. Janssen, voorzitter,
en A.J.P. van Essen en L. Postma, rechters,
in tegenwoordigheid van D.C. van Beek, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting op 27 februari 2024.
De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.