Rechtbank Rotterdam
Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/663128 / FA RK 23-5588
Beschikking van 5 juli 2024 over de onderhoudsbijdrage
in de zaak van:
[naam man] , hierna: de man,
wonende te [plaats] ,
advocaat mr. H.J. Ruysendaal te Rotterdam,
t e g e n
[naam vrouw] , hierna: de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. K.H. de Vries te Capelle aan den IJssel.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het verzoekschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 28 juli 2023;
het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift met bijlagen, ingekomen op 22 september 2023;
het verweerschrift op het zelfstandige verzoek met bijlagen, ingekomen op 27 november 2023;
het bericht met bijlagen van de man van 1 december 2023;
het aanvullend verzoek met bijlagen van de man van 17 mei 2024;
het gewijzigd verzoek met bijlagen van de vrouw van 18 mei 2024;
het bericht met bijlagen van de man van 25 mei 2024.
Hoewel het bericht met bijlagen van de man van 25 mei 2024 te laat, te weten na de termijn van tien kalenderdagen vóór de mondelinge behandeling, die volgens het procesreglement geldt, is ingediend, heeft de rechtbank dit stuk in behandeling genomen. Het bericht met bijlage is eenvoudig te doorgronden en de vrouw maakt geen bezwaar tegen dit bericht.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 29 mei 2024. Daarbij zijn verschenen:
de man met zijn advocaat en
de advocaat van de vrouw.
Hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, is de vrouw niet bij de mondelinge behandeling verschenen.
De vrouw heeft haar zus, [naam zus] , gemachtigd om de vrouw tijdens de mondelinge behandeling samen met haar advocaat te vertegenwoordigen. De rechtbank heeft de zus niet als gemachtigde van de vrouw tot de mondelinge behandeling toegelaten. In artikel 279 lid 3 RV is bepaald dat in zaken waarin het verzoekschrift door een advocaat moet worden ingediend, de opgeroepene in persoon of bij advocaat verschijnt. In deze procedure is sprake van verplichte procesvertegenwoordiging en de zus is geen advocaat, dus kan zij niet namens de vrouw als betrokkene verschijnen. Evenmin heeft de zus als toehoorder toegang tot de mondelinge behandeling gekregen. In artikel 803 lid 1 RV is geregeld dat de mondelinge behandeling in familierechtzaken met gesloten deuren plaatsvindt. Uit lid 2 van dit artikel volgt dat de rechtbank anders kan beslissen op verzoek van een belanghebbende indien zwaarwegende belangen bij openbaarheid daartoe aanleiding geven en de belangen als bedoeld in lid 1 (in dit geval de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van belanghebbenden) zich daartegen niet verzetten. De rechtbank heeft geoordeeld dat van dergelijke zwaarwegende belangen geen sprake is.
2. De vaststaande feiten
Bij beschikking van deze rechtbank van 18 november 2019 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken.
Op 13 december 2019 is deze beschikking ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 22 januari 2021 is bepaald dat de man een uitkering tot levensonderhoud (hierna ook: de onderhoudsbijdrage) van de vrouw, steeds bij vooruitbetaling, zal voldoen van € 680,- per maand. Bij beschikking van het gerechtshof Den Haag van 4 mei 2022 is voormelde beschikking vernietigd en is bepaald dat de man aan de vrouw moet voldoen een uitkering tot levensonderhoud van de vrouw, steeds bij vooruitbetaling, van € 424,- per maand met ingang van 21 januari 2021.
3. De beoordeling
Onderhoudsbijdrage
De rechtbank leest het verzoek van de man zo dat hij verzoekt wijziging van de hiervoor genoemde beschikking van het gerechtshof in die zin, dat de in die beschikking vastgestelde onderhoudsbijdrage met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift wordt bepaald op nihil. Hij stelt dat de rechterlijke uitspraak van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft voldaan nu daarbij van onjuiste en onvolledige gegevens is uitgegaan. Subsidiair stelt de man dat er ook sprake is van een wijziging van omstandigheden.
De vrouw voert gemotiveerd verweer en verzoekt zelfstandig wijziging van de hiervoor genoemde beschikking van het gerechtshof in die zin, dat de in die beschikking vastgestelde onderhoudsbijdrage met ingang van 4 november 2023 wordt bepaald op een bedrag van € 1.684,- bruto per maand. De vrouw stelt dat er met ingang van die datum sprake is van een wijziging van omstandigheden.
Onjuiste of onvolledige gegevens
Op grond van artikel 1:401 lid 4 BW kan een rechterlijke uitspraak over levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken wanneer zij van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord doordat bij die uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
De rechtbank begrijpt het verzoek van de man zo dat hij zich primair op het
standpunt stelt dat het gerechtshof de onderhoudsbijdrage destijds niet goed heeft berekend
door geen rekening te houden met de volgende kosten:
- het feit dat de man in 2020 is hertrouwd en de daardoor jegens zijn echtgenote ontstane onderhoudsverplichting;
- de kosten voor het inburgeringstraject en de Nederlandse taallessen van zijn echtgenote;
- de advocaatkosten van € 114,- per maand, conform tremarapport versie januari 2023;
- de aflossing op een huwelijkse schuld van € 300,- per maand;
- de woonlasten van de man na overname van het aandeel van de vrouw in de gezamenlijke woning;
- de reiskosten naar Marokko van € 450,- per maand.
Anders dan de man stelt, leidt het feit dat het gerechtshof met bepaalde kosten geen rekening heeft gehouden, niet zonder meer tot de conclusie dat de destijds vastgestelde bijdrage niet voldeed aan de wettelijke maatstaven. De rechtbank zal daarom allereerst beoordelen of met bovenstaande kosten rekening had moeten worden gehouden en of dat vervolgens tot een andere uitkomst leidt.
De nieuwe echtgenote van de man 3.6. Uit de beschikking van het gerechtshof volgt dat geen rekening is gehouden met het feit dat de man op 20 augustus 2020 is hertrouwd en dat zijn echtgenote niet in staat is in haar eigen kosten van levensonderhoud te voorzien. Het gerechtshof heeft overwogen dat de man pas tijdens de mondelinge behandeling op 18 februari 2022 naar voren heeft gebracht dat hij is hertrouwd en voorziet in de kosten van zijn echtgenote, en dat hij dat veel eerder had kunnen doen. Volgens het gerechtshof heeft de man zijn voornoemde stellingen ook niet onderbouwd. Om die reden oordeelt het gerechtshof dat de echtgenote in haar eigen kosten van levensonderhoud kan voorzien en wordt er met een draagkrachtpercentage van 60% gerekend.
Voor de rechtbank is niet duidelijk welke informatie de man aan het gerechtshof heeft verstrekt en op basis waarvan het gerechtshof tot deze conclusie is gekomen. In ieder geval constateert de rechtbank dat de man in de onderhavige procedure geen stukken ter onderbouwing van zijn standpunt heeft ingebracht. Niet meer ter discussie staat dat de man in 2020 is hertrouwd. Weliswaar brengt de man naar voren dat zijn echtgenote niet uit Nederland afkomstig is en niet kon werken, maar tijdens de mondelinge behandeling vertelt de man dat zijn echtgenote in Marokko een betaalde baan had. Er zijn geen stukken beschikbaar over de opleiding, het arbeidsverleden en de mogelijkheden van de echtgenote in Nederland, terwijl de vrouw de financiële afhankelijkheid van de man van de echtgenote gemotiveerd betwist. De rechtbank is van oordeel dat de man niet heeft onderbouwd dat de echtgenote niet in staat was in haar eigen kosten van levensonderhoud te voorzien.
De kosten voor het inburgeringstraject en de Nederlandse taallessen van zijn echtgenote
Uit de beschikking van het gerechtshof volgt dat geen rekening is gehouden met kosten voor het inburgeringstraject en de Nederlandse taallessen van zijn echtgenote, die voor zijn rekening kwamen. Door de man is niet onderbouwd wat de hoogte was van deze kosten, dat deze kosten daadwerkelijk zijn voldaan en wanneer, en bovendien niet dat zijn echtgenote niet in staat was deze kosten zelf te voldoen. Dat het gerechtshof van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan, is niet gebleken.
De advocaatkosten van € 114,- per maand
Het gerechtshof heeft geen rekening gehouden met advocaatkosten van de man. In het rapport Alimentatienormen versie januari 2022 is opgenomen dat wanneer er aantoonbaar advocaatkosten zijn gemaakt en er geen liquide middelen zijn of binnen afzienbare termijn te verwachten zijn, de Expertgroep aanbeveelt rekening te houden met een bedrag voor noodzakelijke en redelijke kosten voor rechtshulp in de betreffende procedure van maximaal € 1.368,- met een maandlast van maximaal € 114,- gedurende ten hoogste een jaar. De man heeft stukken ingebracht waaruit blijkt dat er in ieder geval sprake was van een achterstand in betaling van de declaraties van zijn advocaat bij Q-advocaten en dat de man in 2023 een betalingsregeling trof. Door de man is niet voldoende onderbouwd dat hij ten tijde van de beslissing van het gerechtshof niet in staat was de advocaatkosten te voldoen en daarvoor op dat moment geen liquide middelen beschikbaar waren. Ook ten aanzien van dit punt, is niet gebleken dat het gerechtshof van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
De aflossing op een huwelijkse schuld van € 300,- per maand
Het gerechtshof heeft ook geen rekening gehouden met een aflossing op een huwelijkse schuld van € 300,- per maand. Hoewel de man naar voren brengt dat hij destijds een schuld in Marokko had en daarvoor afloste, blijkt dat niet uit de door hem ingebrachte stukken. Niet is gebleken dat het gerechtshof van onjuiste en onvolledige gegevens is uitgegaan.
De woonlasten van de man, na overname van het aandeel van de vrouw in de gezamenlijke woning
Het gerechtshof heeft rekening gehouden met het feit dat de man de volledige woonlasten van de, nog onverdeelde, echtelijke woning voor zijn rekening nam. De man brengt naar voren met hogere woonlasten geconfronteerd te zullen worden na overname van het aandeel van de vrouw in de echtelijke woning, zodat daarmee rekening had moeten worden gehouden. Hij heeft echter niet onderbouwd dat destijds al bekend was dat zijn lasten daadwerkelijk zouden stijgen en op welke wijze. Onbekend was of de man de woning over zou kunnen nemen en evenmin was bekend met welke lasten hij dan geconfronteerd zou worden, laat staan of als gevolg daarvan afgeweken diende te worden van het woonbudget. Ook ten aanzien van de woonlasten is niet gebleken dat het gerechtshof van onjuiste en onvolledige gegevens is uitgegaan.
De reiskosten naar Marokko van € 450,- per maand
Door het gerechtshof is geen rekening gehouden met reiskosten naar Marokko. De man stelt maandelijks een bedrag van € 450,- aan reiskosten te voldoen. Door hem wordt niet onderbouwd dat daar op het moment van de beschikking daadwerkelijk sprake van was. Niet is gebleken dus dat het gerechtshof van onjuiste en onvolledige gegevens is uitgegaan.
Conclusie
Uit het voorgaande volgt dat onvoldoende is gebleken dat het gerechtshof bij de vaststelling van de onderhoudsbijdrage is uitgegaan van onjuiste of onvolledige gegevens, zodat het beroep van de man op artikel artikel 1:401 lid 4 BW niet slaagt.
Wijziging van omstandigheden
Op grond van artikel 1:401 lid 1 BW kan een rechterlijke uitspraak of overeenkomst over levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen. Niet elke wijziging van omstandigheden is voldoende voor wijziging van de onderhoudsbijdrage. Alleen die wijzigingen waardoor het aanvankelijk vastgestelde of overeengekomen bedrag niet langer voldoet aan de wettelijke maatstaven, zijn in dit opzicht rechtens relevant.
Volgens vaste jurisprudentie moet in geval van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden een volledige herbeoordeling plaats vinden aan de hand van alle op dat moment bestaande omstandigheden.
Wijziging van omstandigheden
Beide partijen stellen zich op het standpunt dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden. Niet ter discussie tussen partijen staat dat de vrouw op 4 november 2023 de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt als gevolg waarvan haar inkomen is gedaald en dat dat een wijziging van omstandigheden is. Deze wijziging vormt naar het oordeel van de rechtbank een rechtens relevante wijziging op grond waarvan een volledige herbeoordeling van de onderhoudsbijdrage gerechtvaardigd is. De vrouw is dus ontvankelijk in haar verzoek. Nu er opnieuw gerekend zal worden is het niet nodig dat de rechtbank ook de door de man gestelde wijzigingsgronden beoordeeld.
De rechtbank zal de onderhoudsbijdrage berekenen conform de aanbevelingen opgenomen in het Rapport alimentatienormen van de Expertgroep Alimentatie.
Ingangsdatum
De man heeft als ingangsdatum voor de gewijzigde onderhoudsbijdrage de datum van indiening van het verzoekschrift verzocht. De vrouw sluit aan bij de datum waarop er sprake is van een wijziging van omstandigheden, namelijk de datum waarop zij met ouderdomspensioen is gegaan, 4 november 2023. Nu door de man niet is onderbouwd waarom voor de gewijzigde onderhoudsbijdrage aangesloten dient te worden bij de datum van indiening van het verzoekschrift en tussen partijen niet ter discussie staat dat de situatie per 4 november 2023 in ieder geval is gewijzigd, sluit de rechtbank bij de datum van 4 november 2023 als ingangsdatum aan. Gezien de ingangsdatum van de wijziging van de onderhoudsbijdrage wordt gerekend met de tarieven 2023-II.
Behoefte
De rechtbank constateert dat de behoefte van de vrouw niet ter discussie staat. De netto behoefte is in 2021 vastgesteld op € 3.249,- en bedraagt na indexering in 2023€ 3.423,29.
Eigen inkomen van de vrouw
Niet ter discussie tussen partijen staat dat de vrouw eigen inkomsten uit arbeid heeft die in mindering komen op haar behoefte.
De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het NBI van de vrouw vanaf 3 november 2023 op € 1.399,- per maand, waarbij rekening is gehouden met de volgende gegevens (op basis van de brief van het ABP van 3 augustus 2023):
- AOW € 9.942,-
- Pensioen ABP € 10.191,-
De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:
- de algemene heffingskorting
Partijen zijn het er over eens dat de onverdeelde woning van partijen in de draagkrachtberekening van de vrouw geen rol speelt.
De man brengt naar voren dat de vrouw ook inkomsten uit een eigen bedrijf heeft. De vrouw betwist dit gemotiveerd. Zij weet niet van het bestaan van een bedrijf af. De man heeft zijn stelling niet onderbouwd, zodat de rechtbank niet uit gaat van inkomsten uit een eigen bedrijf van de vrouw.
Verder vermeldt de man dat de vrouw inkomen uit zijn te verevenen ouderdomspensioen, ontvangt. Tijdens de mondelinge behandeling is de rechtbank duidelijk geworden dat het gaat om een pensioen dat pas in 2036 tot uitkering zal komen, nu de man pas dan de pensioengerechtigde leeftijd bereikt. De rechtbank zal daar dan ook geen rekening mee houden.
De man voert verder aan dat de vrouw over eigen vermogen beschikt of op korte termijn zal beschikken waarmee de vrouw volledig in haar kosten van levensonderhoud kan voorzien, dan wel waarmee in de draagkrachtberekening rekening moet worden gehouden. Allereerst noemt de man de aan haar toekomende overwaarde uit de nog onverdeelde echtelijke woning van partijen (hierna: de woning). De rechtbank begrijpt dat partijen in afwachting zijn van een beschikking van het gerechtshof waarin een beslissing zal worden genomen over de woning. De man stelt dat de vrouw dan een bedrag van € 50.000,- tot € 150.000,- uit de woning die aan de man wordt toegedeeld of wordt verkocht, zal ontvangen. De vrouw brengt naar voren dat niet zeker is of zij daadwerkelijk over dit vermogen zal beschikken en op welke termijn. In ieder geval meent zij dat daar nu geen rekening mee kan worden gehouden. De rechtbank houdt geen rekening met vermogen dat de vrouw wellicht op termijn zal ontvangen, maar waarvan de hoogte nog niet vast staat.
De man noemt ook ander vermogen van de vrouw waarmee bij de berekening van haar aanvullende behoefte dan wel in haar draagkrachtberekening rekening moet worden gehouden. Hij vermeldt allereerst een omvangrijke kunstcollectie van de vrouw, maar de vrouw betwist dit gemotiveerd en de man maakt dit niet aannemelijk. Vervolgens noemt de man vermogen in Bosnië dat de vrouw tijdens het huwelijk heeft weggesluisd en waar zij de beschikking over heeft. Door de vrouw is uitgelegd dat zij tijdens het huwelijk, net als de man, wel eens geld overboekte naar familie of dat zij, als zij in Bosnië was, uitgaven van de rekening van partijen deed. Gelet op de gemotiveerde betwisting van de vrouw heeft de man zijn standpunt niet voldoende onderbouwd. Volgens de man zou de vrouw ook beschikken over vermogen uit een erfenis in Bosnië, maar de vrouw heeft gemotiveerd weersproken dat er een erfenis is en daarvan stukken verstrekt. Verder noemt de man een lijfrenteverzekering in Bosnië die aan de vrouw toekomt, maar de vrouw heeft toegelicht dat dit een lijfrenteverzekering in Nederland is, waarvan nog niet bekend is hoe deze verdeeld zal worden. Het gerechtshof zal daar ook op korte termijn een beslissing over nemen. De vrouw vermeldt dat het gaat om een bedrag van ongeveer € 48,- per maand en dat de verzekering pas in 2028 tot uitkering komt. Nu er op dit moment geen sprake is van inkomsten uit deze verzekering zal de rechtbank hier geen rekening mee houden. Dat er zoals door de man gesteld, sprake is van een pensioen van de vrouw in Bosnië is gelet op de gemotiveerde betwisting van de vrouw, niet door hem aannemelijk gemaakt. Als laatste merkt de man nog op dat het niet anders kan dan dat de vrouw vermogen heeft, gelet op de hoge advocaatkosten die zij heeft voldaan. De vrouw vertelt dat die kosten niet in een keer betaald zijn, maar over de afgelopen jaren uit haar vrije ruimte en met behulp van familieleden. Gelet op deze uitleg, heeft de man ook dit standpunt onvoldoende onderbouwd. Samenvat, de rechtbank acht niet aannemelijk dat de vrouw (inkomen uit) vermogen heeft waarmee zij (volledig) in haar eigen levensonderhoud kan voorzien of waarmee in de draagkrachtberekening rekening dient te worden gehouden.
De man heeft zijn standpunt dat de vrouw bij familie woonde en daardoor weinig tot geen woonlasten had en er zelfs sprake zou zijn van een duurzame huishouding van de vrouw met haar schoonzus, niet langer gehandhaafd, zodat de rechtbank met de woonlasten van de vrouw rekening zal houden.
Gelet op het voorgaande moet op de behoefte van de vrouw haar inkomen van € 1.399,- netto per maand in mindering worden gebracht, waarna per 4 november 2023 een aanvullende behoefte van € 2.024,29 netto per maand resteert.
Draagkrachtberekening
De rechtbank zal de draagkracht van de man berekenen aan de hand van de aanbevelingen opgenomen in het rapport van de Expertgroep Alimentatie (Tremarapport).
De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het NBI van de man aan de hand van de jaaropgave over het jaar 2023, waarop een jaarloon staat vermeld van € 67.983,- en de brief van het ABP van 3 augustus 2023, waarin de bruto pensioenuitkering staat vermeld van € 474,96 per maand (het verevende ouderdomspensioen van de vrouw), op € 4.122,- per maand. Omdat de ingangsdatum 4 november 2023 is gaat de rechtbank voorbij aan het standpunt van de vrouw dat het inkomen van de man verhoogd moet worden met een indexering over 2024.
De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:
- de algemene heffingskorting;
- de arbeidskorting.
Beide partijen zijn ieder voor de onverdeelde helft eigenaar van de echtelijke woning. Het eigenwoningforfait van de woning bedraagt € 1.138,- per jaar. Niet ter discussie staat dat de man in de woning verblijft en de volledige hypotheekrente betaalt. Als mede-eigenaar van de woning kan de man bij de aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen de helft van het eigenwoningforfait, dus € 569,-, en de helft van de hypotheekrente opvoeren. Partijen zijn het er over eens dat de lasten van de woning geen rol dienen te spelen in de draagkrachtberekening van de vrouw. De rechtbank zal dat daarom aan de zijde van de man ook niet rekenen met de hypotheekrente als persoonsgebonden aftrek.De rechtbank houdt wel rekening met de hypotheekrente die de man feitelijk betaalt. Nu de vrouw geen verweer heeft gevoerd tegen het bedrag dat de man in zijn draagkrachtberekening opneemt van € 4.173,--, zal de rechtbank daarmee rekenen.
Het belastbare inkomen uit eigen woning van de man bedraagt dus € 3.604,- per jaar negatief, zijnde het eigenwoningforfait van € 569,- verminderd met de jaarlijkse hypothecaire rentelast van € 4.173,-.
De draagkracht van de man moet, in beginsel worden vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 60% x [NBI – (0,3xNBI + 1.175)]. De man stelt zich op het standpunt dat er aanleiding is van deze formule af te wijken. Hij voert daartoe meerdere omstandigheden aan. De vrouw betwist deze omstandigheden gemotiveerd.
Gecorrigeerde bijstandsnorm
Allereerst stelt de man dat gerekend dient te worden met een gecorrigeerde bijstandsnorm, omdat hij in 2020 is hertrouwd en zijn echtgenote niet in eigen levensonderhoud voorziet. Van omstandigheden, die rechtvaardigen dat in dit geval van het uitgangspunt dat de echtgenote in haar eigen levensonderhoud kan voorzien, moet worden afgeweken, is niet gebleken. Inmiddels is de echtgenote drie jaar in Nederland en zal zich de Nederlandse taal eigen moeten kunnen hebben gemaakt. Zij is 40 jaar, was in Marokko ook werkzaam en in Nederland zijn veel banen beschikbaar. De rechtbank zal de bijstandsnorm dus niet corrigeren.
Ongeboren kind
Vervolgens stelt de man zich op het standpunt dat rekening dient te worden gehouden met de kosten van zijn nog ongeboren kind dat in de maand september 2024 verwacht wordt. Hij becijfert deze kosten op € 560,- per maand. De vrouw betwist de zwangerschap van de echtgenote en stelt de authenticiteit van zwangerschapsverklaring van de echtgenote ter discussie. Niet alleen is er sprake van een geanonimiseerde verklaring en is niet duidelijk wiens zwangerschapsverklaring dit betreft, ook is de naam van de verloskundige op internet en via het in de verklaring vermelde BIG-nummer onvindbaar. Bovendien stelt de vrouw dat niet gerekend kan worden met de kosten van een kind dat nog niet is geboren.
Nu niet vast is komen te staan dat de echtgenote van de man zwanger is, er nog geen sprake is van kosten voor een kind en bovendien niet vast staat dat deze kosten geheel voor rekening van de man komen, houdt de rechtbank geen rekening met deze kosten.
Aanpassing woonbudget
De man stelt dat het berekende woonbudget ontoereikend is, omdat zijn werkelijke woonlasten hoger zijn dan 30% van het NBI, deze lasten niet vermijdbaar zijn en het (voort)bestaan daarvan niet aan hem kan worden verweten. De man gaat uit van zijn netto hypotheeklasten na overname van de echtelijke woning, maar tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat daarover nog geen duidelijkheid bestaat. Een en ander is onder andere afhankelijk van de nog te wijzen beschikking van het gerechtshof, maar ook of de man in staat is de woning te financieren. Weliswaar heeft de man een offerte overgelegd, maar die is inmiddels verlopen. Het is dus nog onzeker of de man de woning zal overnemen en met welke lasten hij dan geconfronteerd wordt. De vrouw brengt nog naar voren dat het de eigen keuze van de man is in de woning te blijven wonen en dat mag niet ten nadele van de onderhoudsbijdrage komen. Nu er nog geen enkele duidelijkheid over de woning is, zal de rechtbank geen rekening houden met de toekomstige woonlasten. De rechtbank zal rekenen met het woonbudget.
Verwervingskosten
Met de door de man opgevoerde kosten van verwerving wordt geen rekening gehouden, omdat niet onderbouwd is waarom deze kosten niet uit het forfait noodzakelijk lasten of de draagkrachtvrije ruimte van de man kunnen worden voldaan. Bovendien is de noodzaak voor het maken van deze kosten onvoldoende met concrete en specifieke feiten en omstandigheden is onderbouwd.
Schulden
De man stelt dat rekening gehouden moet worden met de aflossing van meerdere schulden. Ten aanzien van de door de man opgevoerde schulden wordt vooropgesteld dat in beginsel alle schulden van invloed zijn op de draagkracht. Er kunnen toch redenen zijn om aan bepaalde schulden geen of minder gewicht toe te kennen, bijvoorbeeld als schulden na vaststelling van de onderhoudsplicht nodeloos zijn aangegaan of de onderhoudsplichtige de mogelijkheid heeft zich van een schuld te bevrijden.
De rechtbank bespreekt de verschillende schulden van de man. De man heeft onvoldoende inzage gegeven ter onderbouwing van de door hem gestelde schulden waardoor de rechtbank daar niet mee kan rekenen. De man heeft onvoldoende gegevens overgelegd over de schuld die hij is aangegaan voor een cv en voor zonnepanelen. Datzelfde geldt voor de schuld in Marokko en de belastingschuld. Voor de schuld aan Q-advocaten geldt dat de man weliswaar stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat er een schuld was en daarop heeft afgelost, maar niet of deze schuld nog bestaat.
Andere bijzondere kosten en verzekeringen
De man stelt dat rekening dient te worden gehouden met een bedrag van € 350,- per maand voor de inburgerings- en opleidingskosten van zijn echtgenote. Tijdens de mondelinge behandeling werd duidelijk dat dit een schatting betreft. De man heeft niet onderbouwd dat hij deze kosten heeft voldaan of voldoet en dat zijn echtgenote niet in staat is deze kosten zelf te voldoen.
De rechtbank houdt verder geen rekening met reiskosten naar Marokko van € 450,- per maand. De man heeft deze kosten niet onderbouwd.
Ook houdt de rechtbank geen rekening met een bedrag van € 50,- aan verzekeringen. Dit zijn lasten die de man uit het draagkrachtloos inkomen kan voldoen.
Conclusie
Uit het voorgaande volgt dat het draagkrachtloos inkomen van de man in totaal € 2.412,- per maand bedraagt, zodat een draagkrachtruimte van € 1.710,- per maand resteert. Van deze draagkrachtruimte is 60% beschikbaar voor de partnerbijdrage, zijnde een bedrag van € 1.026,- netto per maand, ofwel € 1.626,- bruto per maand, waarbij de rechtbank verwijst naar de aan deze beschikking gehechte berekening. De vrouw heeft ook behoefte aan dit bedrag.
Derhalve is een uitkering tot levensonderhoud van de vrouw van € 1.626,- per maand in overeenstemming met de wettelijke maatstaven. Het verzoek van de vrouw zal tot dit bedrag worden toegewezen.
Omdat de onderhoudsbijdrage in 2024 wordt vastgesteld, zal de rechtbank bepalen dat de onderhoudsbijdrage per 1 januari 2024 moet worden verhoogd met een percentage gelijk aan de wettelijke indexering.
Proceskosten
De man verzoekt de vrouw te veroordelen in de kosten van deze procedure. De vrouw voert gemotiveerd verweer en verzoekt zelfstandig de man te veroordelen in de werkelijke juridische kosten, tot op heden begroot op € 3.407,79 aan honorarium en € 320,- griffierecht.
In procedures tussen voormalige echtgenoten worden de proceskosten in principe gecompenseerd in die zin dat ieder van de partijen de eigen kosten draagt (artikel 289 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in verbinding met artikel 237 en 362 Rv). De rechter is echter niet tot compensatie verplicht. Hij kan een partij in de proceskosten van de wederpartij veroordelen als de in het ongelijk gestelde partij of als hij of zij de procedure nodeloos heeft aangespannen of voortgezet. De rechter is daarbij niet gehouden aan het Liquidatietarief.
Hoewel het de rechtbank duidelijk is dat er tussen partijen meerdere procedures zijn gevoerd en er op dit moment nog een bij het gerechtshof loopt, staat voor de rechtbank niet vast dat er sprake is van een situatie waarin een van partijen haar verzoek of verweer baseert op feiten en omstandigheden waarvan zij de onjuistheid kent dan wel behoort te kennen of op stellingen waarvan zij op voorhand moet begrijpen dat deze geen kans van slagen hebben. Het indienen van het onderhavige verzoek door de man en het voeren van verweer door de vrouw was ’niet evident nodeloos,’ omdat er in redelijkheid discussie mogelijk was over de tussen partijen voorliggende rechtsvragen. Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank de verzoeken van partijen afwijzen en bepalen dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.
4. De beslissing
De rechtbank:
wijzigt de beschikking van de gerechtshof Den Haag van 4 mei 2022 in die zin, dat de daarbij aan de man opgelegde uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met ingang van 4 november 2023 wordt bepaald op € 1.626,- per maand;
bepaalt dat deze onderhoudsbijdrage per 1 januari 2024 moet worden verhoogd gelijk aan de wettelijke indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. L. Berghuis-Knijff, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. L.C.M. van Gils, griffier, op 5 juli 2024.
Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, staat tegen deze beschikking hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.