ECLI:NL:RBROT:2024:5667

ECLI:NL:RBROT:2024:5667, Rechtbank Rotterdam, 19-06-2024, ROT 24/5208, ROT 24/5209

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 19-06-2024
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer ROT 24/5208
Rechtsgebied Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Procedure Voorlopige voorziening
Zittingsplaats Rotterdam
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 4 zaken
Aangehaald door 2 zaken
4 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537 BWBR0011708 BWBR0020078 BWBR0045754

Samenvatting

Verzoek om voorlopige voorziening gericht op schorsing boetebesluit en de heroverweging daarvan en op schorsing van de beslissingen tot publicatie van die besluiten. De boeteoplegging en de heroverweging daarvan zijn reeds gepubliceerd. Met een intrekking van de publicaties zou verzoekster niet kunnen bereiken dat hij zijn praktijk weer zou kunnen uitvoeren. Voor zover een rectificatie al mogelijk is, dan is daar geen reden voor nu verzoeker de overtredingen niet heeft betwist. Voor een schorsing van de boetes is evenmin aanleiding nu NZa ter zitting heeft verklaard niet in te invorderen voordat de boetes onherroepelijk zijn.

Uitspraak

[Naam vennootschap] (verzoekster), te [Plaats],

[Naam] (verzoeker), uit [Plaats],

samen verzoekers

(gemachtigde: A.T. Maas),

en

De Nederlandse Zorgautoriteit (de NZa)

(gemachtigde: mr. C. de Rond en mr. I.C.E. Oosthoek-Spierings).

Inleiding

1. Met het besluit van 24 mei 2023 heeft de NZa verzoekster een bestuurlijke boete opgelegd van € 227.000 vanwege overtreding van de artikelen 35, 36 en 38 van de Wet

marktordening gezondheidszorg (Wmg). Daarnaast heeft de NZa verzoeker wegens feitelijk leidinggeven aan de overtreding door verzoekster een bestuurlijke boete opgelegd van

€ 68.100. Voorts heeft de NZa besloten dit boetebesluit openbaar te maken.

2. Bij besluit van 16 januari 2024 heeft de NZa de bezwaren van verzoekers ongegrond verklaard en de boetes gehandhaafd. Voorts is besloten om ook dit besluit openbaar te maken.

3. Verzoekers hebben beroep ingesteld tegen de handhaving van de boetes en tegen de beslissingen tot openbaarmaking daarvan. Voorts hebben zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

4. De voorzieningenrechter heeft de verzoeken op 12 juni 2024 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Voorts is verzoeker (digitaal) verschenen en zijn namens de NZa verder verschenen mr. R.P. van Kuik en

mr. M. de Leeuw.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

5. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

6. Uit het petitum van het verzoekschrift leidt de voorzieningenrechter af dat verzoekers willen dat de publicatie van de boeteoplegging wordt verwijderd. Dit ziet dus op zowel de openbaarmaking van de boeteoplegging in primo als op de heroverweging daarvan. De reden hiervoor is dat het voor verzoeker vanwege deze publicaties niet mogelijk is werk te vinden als tandarts. Daarnaast wil verzoeker dat de aan hemzelf opgelegde boete wordt kwijtgescholden of herzien. De reden daarvoor is dat verzoeker geen draagkracht heeft. Uit de aanvullende brief van 10 juni 2024 begrijpt de voorzieningenrechter dat ook wordt verzocht om de aan verzoekster haar opgelegde boete kwijt te schelden of te herzien.

7. Indien de voorzieningenrechter de beslissingen tot openbaarmaking zou schorsen, dan heeft dit tot gevolg dat NZa gehouden is die besluiten voorlopig weer te verwijderen van haar website. En indien de voorzieningenrechter zowel het boetebesluit van 24 mei 2023 als de heroverweging daarvan zou schorsen dan heeft verzoeker daarmee bereikt dat hij voorlopig niets hoef te betalen omdat de NZa dan voorlopig niet langer bevoegd is om tot invordering over te gaan. De voorzieningenrechter vat daarom de verzoeken op om verzoeken om schorsing van de genoemde besluiten.

8. De NZa heeft zich op het standpunt gesteld dat een spoedeisend belang ontbreekt. In dit verband heeft zij aangevoerd dat de voorlopige voorziening niet ter mogelijke voorkoming van de publicatie van een bestuurlijke boete dient, want de publicatie daarvan heeft immers al in juni 2023 plaatsgevonden. Daarnaast verzoekt verzoeker om kwijtschelding van de boete. Bij verzoeker en zijn gemachtigde is echter bekend dat de NZa op dit moment bezig is met de behandeling van het eerder ingediende verzoek om kwijtschelding / matiging van de boete. Een financieel belang levert als uitgangspunt geen spoedeisend belang op. Verder stellen verzoekers dat het wachten op een zitting in november 2024 te lang duurt. De NZa heeft hierdoor de indruk dat enkel om een voorlopige voorziening is gevraagd om de beroepsprocedure te bespoedigen. Daar is een voorlopige voorzieningsprocedure echter niet voor bedoeld.

9. Met de NZa is de voorzieningenrechter van oordeel dat een spoedeisend belang ontbreekt bij het verzoek om schorsing van de beslissingen tot openbaarmaking. Gelet op de voorhanden stukken heeft een wervings- en bemiddelingsbureau verzoeker te kennen gegeven dat het verzoeker niet kan introduceren bij de praktijken waar hij wilde solliciteren. De reden hiervoor is de boete die de NZa aan verzoeker heeft opgelegd en de publiciteit hieromtrent, alsmede de schorsing in het BIG-register. Hoewel de schorsingsduur is verlopen, heeft verzoeker in dit verband weinig of niets aan een schorsing van de besluiten tot publicatie. Een dergelijke schorsing heeft slechts tot gevolg dat de NZa gehouden is de besluiten te verwijderen van haar website. Overige publicaties waarin over de boetes wordt bericht blijven vindbaar. Daarnaast heeft de NZa er ter zitting op gewezen dat de schorsing in het BIG-register ook zichtbaar blijft. De voorzieningenrechter acht de kans nihil dat het wervings- en bemiddelingsbureau op de beslissing om niet voor verzoeker te bemiddelen zal terugkomen. Van het enkele verwijderen van de publicaties op de website van de NZa gaat immers niet het signaal uit dat de boeteoplegging onjuist is geweest. Om dit laatste te bereiken hebben verzoeksters een rectificatie door de NZa nodig. Nog daargelaten de vraag of de bestuursrechter daartoe kan gelasten (vgl. ECLI:NL:CBB:2015:150 en ECLI:NL:CBB:2017:204), bestaat daarvoor geen reden. Want reeds omdat verzoeksters de overtredingen en boeteoplegging als zodanig niet betwisten, kan er in beginsel van worden uitgegaan dat de openbaarmakingsbesluiten rechtmatig zijn (bijv. ECLI:NL:RVS:2019:3106 en ECLI:NL:CBB:2014:163).

10. Dan resteert de vraag naar het spoedeisend belang bij de schorsing van de boeteoplegging zelf. De hoofdregel van artikel 6:16 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is dat het maken van bezwaar en het instellen van beroep geen schorsende werking heeft. Er kan evenwel een spoedeisend belang bestaan bij de schorsing van een bestuurlijke boete indien sprake is van een onmiskenbaar onrechtmatig besluit tot boeteoplegging of indien de betrokkene in betalingsonmacht verkeert terwijl het gaat om een niet gering boetebedrag. Omdat verzoekers de overtredingen niet betwisten is geen sprake van een onmiskenbaar onrechtmatig besluit tot boeteoplegging. Wel gaat het niet om geringe boetebedragen en heeft verzoeker gesteld dat hij geen draagkracht heeft. In dit verband heeft hij in de hoofdzaken ook bewijstukken ingebracht van schulden en beslagen. Dit kan een spoedeisend belang opleveren. Ter zitting heeft de NZa echter toegezegd dat de boetebedragen niet zullen worden ingevorderd voordat de boetes onherroepelijk zijn. Onder die omstandigheden is er evenmin nog een spoedeisend belang aanwezig bij schorsing van de boetebesluiten van 24 mei 2023 en 16 januari 2024.

Conclusie en gevolgen

11. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken af. Omdat de zaken samenhangend zijn en gelet op artikel 8:82, derde lid, in verbinding met artikel 8:41, derde lid, van de Awb slechts eenmaal griffierecht is geheven naar het hoogste tarief, en dit mede is verschuldigd voor het eerste verzoek, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om te gelasten dat de NZa het betaalde griffierecht aan verzoekers vergoedt om de enkele reden dat niet tevoren duidelijk was dat evenmin spoedeisend belang resteerde bij het tweede verzoek. Wel levert dit laatste een reden om de NZa te veroordelen in de proceskosten van verzoekers tot een bedrag van € 1.750 (2 punten tegen een bedrag van € 875 per procespunt en wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af;

- veroordeelt de NZa in de proceskosten van verzoekers tot een bedrag van € 1.750.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.M. Goossens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R. Stijnen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2024.

De griffier en de voorzieningenrechter zijn verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. R. Stijnen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?